Lezen

euforie

Ik wil ergens door versmacht worden, al is het ikzelf die me dood walst. Dat is de romantische versie van mijn geschiedenis en die situatie komt mij goed uit: er is leven in de brouwerij en jij, lieveling, hebt hier alles te zoeken. Hierna is het te laat. Partycrashers zijn per definitie altijd te laat. Op geluiden van 2014 beweeg ik me door de poëzie met steeds weer dezelfde tactiek: de euforie. Ik vraag het nu, maar P!nk vroeg het voor mij: ’’where’s the rock n roll?’’ Waarom je wil dat het boek dicht geklapt kan worden, weet je niet meteen, maar het is hoe dan ook haat en liefde bijeen. Na die synthese, kan je gelukzalig wegzakken in emotionele geborgenheid: jouw emoties mogen er zeker zijn. Daarin zit iets waarover je poëtisch kan spreken, dus, nog licht anticiperend op de sensatie, typ je voorzichtig verder je een weg naar dat nalatenschap van je.   Je wordt gelukzalig van je frontlinie aan intuïtie, die, voor je uit gespreid, je iets lijkt duidelijk te willen maken. Het is namelijk jijzelf die een aanvoelen lijkt te kunnen ombuigen in een preselectie aan gedichten, associaties en spannende tegenstrijdigheden. Euforie is het lijken te bestaan, nadat je poëzie hebt mogelijk gemaakt, niets meer en niets minder. De poëtische ervaring is verder opgebruikt worden door interactie en verwondering die je opdoet door een associatie gewaar te worden, wat kan ontstaan tussen de vogel en het nest, maar ook tussen jou en de rest. Soms gebeuren toestanden en meestal laat je ze ook gebeuren, en niemand gelooft nog in wat het met jou doet: het voornaamste feitelijke waarnemen blijft meestal nog onaangeroerd achter, en dat is wat situaties in onszelf kunnen losmaken: observerend gemak waarmee we ons loskoppelen van de atmosfeer die ons, geschiedenis na geschiedenis, blijft achtervolgen.

Dries Verhaegen
31 1

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 4/10)

Toen streelde de zon een wolk rond zich heen. Geen dramatische onweerswolk, neen, een zacht grijs gewelfde plooi die zich bescheiden voorbij liet strelen. Onbelangrijk maar toch stiekem alles veranderend. Het licht verdween traag, als thee doe afkoelt. De schaduwen trokken zich terug in hun eigen contouren. Mauro en Lys stonden, stil, hand in hand, met de koffer zwijgzaam tussen hen in. Klaar om elk moment hun heldere kijk op de werkelijkheid te verliezen. Geen geluid was aanwezig. Zelfs de cassettes hielden hun adem in. Toen, alsof ze in een zelfde snelheid een identieke droom beleefden, bogen ze zich voorover, tegelijk. Niet in elkaars richting maar naar de grond. Ze knielden synchroon, zonder nadenken. Hun gewrichten volgend en vertrouwend. Mauro haalde langzaam een cassette uit de koffer, Lys scheurde een blaadje uit het dagboek in haar jaszak. De cassette vleide zich neer op de stoffige grond. Zij vouwde het papier tot een spiraal zonder begin en voegde het bij de cassette. Hun blikken zochten elkaar als sein om een samenzang te beginnen. Een lied zonder tekst, zonder melodie. Geluid dat leek op boomschors, handen die over oude muren glijden, een oude kater die besluit dat je mag blijven. De stemmen cirkeleden rond elkaar, soms elkaar zacht rakend. Dan weer uitéén vliegend als vogels die zich de gewenste vliegformatie niet meer herinneren. De onbestemde klanken trokken de zon vanachter de grijze veeg. Traag, zonder franje, geen fanfare. Gewoon, daar was ze opnieuw. Hun lied stropte, viel stil. De ademhaling gesynchroniseerd, de handen stoffig, de ogen glanzend. Tergend traag begon de cassette tussen het stof te spinnen. Rond en rond. Autonoom alsof ze zich herinnerde dat dat ooit belangrijk was geweest. Lys keek Mauro aan. “Wat was dat? Wat is dit?” Mauro haalde zijn schouders op :”Misschien…misschien een herinnering aan later?” Lys lachte, Mauro lachte. Een verlegen bescheiden lach. Een lach die niet naar buiten hoeft. De woorden waren even opgedroogd. Alles wat er te zeggen viel was voorbij. Het vage, gedeelde, spontane ritueel was gesmolten door het verse zonlicht.  

Piet V.
49 1