Lezen

8 000 000 bef

Met de urne tegen zich aangedrukt smijt ze de autokoffer dicht. Koffie zus? Ja hoor! Ze komt binnen met natte wangen, het was een betraande rit. Ik neem de urne van haar over, zet mijn moeder op het salontafeltje. Mijn zus zoekt een zakdoek die ze niet kan vinden, ik reik haar de rol keukenpapier aan. Ik zet twee tassen neer, sla mijn arm om haar schouder, mijn blik op de urne gericht. Bij het opruimen, snottert ze, in één van de dozen vond ik het zwart op wit. Ze huilt nu luider, geeft zich over aan verdriet.  Waar heeft mijn zus het over? Het lijkt zo ongepast om nu koekjes op tafel te zetten. Haar huilbui neemt af, vertraagt als een trein die op bestemming aankomt. Vertel, zeg ik. Mama, onze mama, erfde acht miljoen in negentienvijfentachtig! Ik moet terugspoelen. Wat zei mijn zus zojuist? Dat onze mama veel geld heeft geërfd toen Dorianne 19 was, ik 24? Waaaat? Ik werp een blik op de urne, mijn moeder kijkt me niet eens aan. Ik denk, jij vals mens! Ik vond het bewijs, zegt ze. Mama was rijk. Twee jaar later stonden er appartementen te koop, nieuwbouw, ze had er vier kunnen kopen. Ik slik iets weg, misschien is het as? Je méént het niet? Toch wel.  En je bent niet boos? Nee, zegt ze, en leunt achterover in de bank. Ik buig me naar een kop, sta recht, neem de thermos koffie. Ik hoor dat mijn zus rustiger wordt. Waar zetten we de urne? Geen idee, zeg ik. Eigenlijk interesseert het mij niet maar dat verzwijg ik. Mijn moeder moet nu echt wel uit de weg, de koppen willen op tafel! Bij die gedachte grijp ik de urne en loop ermee naar de keuken. Onze poes doet me struikelen, de urne valt uit mijn handen, dit is zo voorspelbaar.  Oh god, roept mijn zus uit. Ik denk: Oh poetsvrouw zuigt mijn moeder op.  

Ingrid Strobbe
14 0

Babel. Of het voorgeslacht van Ikaros

In de warme woestijnlucht aan de oever van de Eufraat hangt rozenwater, vanille, oranjebloesems en jasmijn. In het mythische Babylon groeit een gigantische ziggurat, een door mensen gebouwde toren, een opgestoken middelvinger naar de Schepper. Er klinkt geroep, de werklieden hijgen en kreunen terwijl ze zware stenen omhoog hijsen met katrollen. Ezels en kamelen sjokken tussen de werken door. Mannen die uitgeput neervallen worden weggehaald en prompt vervangen. In de smidse brandt dag en nacht het vuur. Het gekletter van hamer op aambeeld, van metaal op metaal klinkt onafgebroken. Het heuvelachtige landschap lijkt in het niets te verdwijnen achter de toren en achter haar belofte van wat zal zijn. De hitte blaakt op hen neer, alsof de zon tracht te verhinderen dat het voorgeslacht van Ikaros dichterbij komt. Terwijl de bewoners van Babylon werken en sleuren en afzien en nog meer werken en sterven en worden vervangen, is er één man die met strenge blik alles gadeslaat. Op een nabijgelegen heuvel kijkt hij toe hoe zijn bouwwerk vordert. Zijn mantel en hoofdbedekking zijn vervaardigd uit dure ossenbloedrode stoffen. De staatsmantel wordt van de grond gehouden door een jonge knaap. Nonchalant leunend op zijn staf, luistert hij naar de verslagen van zijn raadsheer. De man heeft donkerbruine ogen, een verzorgde zwarte baard, een olijfkleurige huid met strakke gelaadstrekken. Hij is Nimrod, de Allereerste Koning van alle mensen, de Gigant, het legendarisch archetype voor alle jagers, degene die rebelleert tegen God, zoon van Kush, kleinzoon van Cham, achterkleinzoon van Noach, incarnatie van Marduk, echtgenoot van Semiramis. Hij heerst over Babylon, over Uruk, over Akkad en over alle steden.

LeenB
25 1