Lezen

Potentie

Een meisje met een hoofddoek stapte op en balanceerde met haar rugzak in het gangpad. ‘Mag ik hem onder de zetels schuiven?’ vroeg ze. Ik tilde mijn voeten op, zij schoof. Toen ze ging zitten mengde haar frisse buitengeur zich met het stof uit de zetels. Ze haalde een rolletje muntjes uit haar zak en bood het mij aan, ‘Ik ben Sara.’   Stef had mij naar het busstation gebracht. Hij vroeg hij of ik echt naar dat congres moest. Ik zei van wel. ‘Ik ga je missen,’ zei hij, ‘ En van de knappe mannen op de bus afblijven.’ Als Stef op zakenreis is, slaap ik in een T-shirt dat nog ruikt naar zijn parfum. Ik vraag mij af wat hij vanavond doet. ‘Maak je geen zorgen,’ glimlachte ik, ‘het zijn gewoonlijk reptielen met een tatoeage en een moeraslucht.’   Omdat ik nooit helemaal zeker ben van mijn adem, pakte ik een muntje aan. Ik vermoed dat Sara onze vriendschap daarmee als geopend beschouwde want binnen de kortste keren wist ik dat ze net zoals ik nog geen maand geleden getrouwd was en dat ze haar man achterna reisde naar Montpellier.   Ik vertelde niet dat ik ben op weg was naar mijn achilleshiel. Sinds ons Erasmusjaar in Madrid stuurden we elkaar plagerige mailtjes. Heel af en toe lukte het om hem te bezoeken. Dan was het vuurwerk in pasteltinten. We aten aan wiebelende tafeltjes op een binnenplaast waar kleurrijke lampionnen in een plataan hingen. Instagram met een retro filter.   Ik pleit onweerstaanbare drang. Als ik bij hem ben, ben ik een andere versie van mezelf. Maar achilleshiel of niet, ik had hem niet op ons trouwfeest moeten vragen. Hij gaf ons een eikenhouten miniatuur van een eik en ging heel vroeg weg. Sindsdien was het anders. Ik wou hem zien.   Tijdens een nachtelijke stop dronken we thee en aten croissants. Wie af en toe knikt lijkt empathisch, dus ik zat het hele verhaal van Sara’s huwelijksfeest uit. Ze proefde het woord ‘echtgenoot’ en gebruikte het in elke zin, alsof ze het wilde testen. Hoewel het triest wegrestaurant was, merkten we aan de de croissants dat we vlakbij Parijs waren. In België bakken ze iets dat er nog vaag op lijkt, in Nederland is het een kwestie van volksgezondheid om op afstand te blijven. Nadat we de laatste schilfers hadden opgepikt met een vochtige wijsvinger, wachtten we op elkaar bij de stinkende toiletten.   ‘We willen binnenkort aan kindjes beginnen,' glunderde Sara terwijl ze haar handen droogde, 'Ik heb een zwangerschapstest gekocht om hem cadeau te doen.’ Ze fatsoeneerde haar lippen met een bordeaux lippenstift en haalde een flesje parfum uit haar handtas. De geur van chloor en urine waren al tastbaar in de bunker waarin de toiletten zatern, maar toen Sara haar parfum verstoof, kreeg ik het benauwd. In twee grote gulpen kwamen mijn thee en croissant er weer uit, over mijn voeten en op de vloer. ‘Shit,’ riep Sara, ‘Mijn god.’ Ik was zelf verbaasd en stapte langs de plas naar de wasbak. Sara deinsde zachtjes achteruit. Ik spoelde mijn mond, droogde hem en depte mijn schoenen zo goed mogelijk droog met papieren handdoekjes. Als een ballonnetje dat ontplofte in mijn hoofd, daagde het mij terwijl ik het zei, ‘Ik denk dat ik zwanger ben.’ ‘O,’ zei Sara, ‘Proficiat. Heb je al getest?’ Ik schudde van niet. Alsof we beste vriendinnen waren, zocht ze in haar handtas en gaf mij haar zwangerschapstest. Er zaten smalle roze en blauwe lintjes rond. Ze wees naar een hokje, ‘Hup, testen!’   Op ons trouwfeest kregen we een kleine eik uit eik. Ik vond dat triest toen. Eik kan bijna alles worden, waarom moet hij dan weer eik worden? Een klein eikje dan nog. Ik nam mijn telefoon, zocht zijn naam en schreef: ‘Kom ons halen, we zijn in Parijs.’

Tine Tytgat
0 0

Een dag uit het bestaan van Kalypta

Vrijdag 13 juni 2014 Het hele restaurant verstijfde toen hij binnenkwam. Hij zag er dan ook angstaanjagend uit. Een gloeiend rood litteken liep van zijn haarkruin over zijn helblauwe oog tot in zijn nek, waar zijn dikke zwarte haren waren samengebonden met een felrood lint. Hij droeg een bruinleren mouwloos hemd, zodat de drakentatoeages die over zijn gebruinde biceps slingerden duidelijk opvielen. Eronder droeg hij een pikzwarte pofbroek die eindigde in zware leren laarzen. Maar dat was niet waar iedereen naar staarde. Om zijn middel spande een brede donkerbruine riem waar een verscheidenheid aan messen instak. En aan zijn linkerheup hing een lus waarin een zwaard stak dat zo breed en krom was dat het er levensgevaarlijk uitzag. De blauwe ogen van de man flitsten over alle inzittenden en toen liep hij op zijn dooie gemak naar een leeg tafeltje voor twee en plofte neer op de stoel, zijn ogen op de deur gericht. Het duurde even voor de mensen zich weer herinnerden hoe te ademen. Een ober die plots besefte dat hij dienst had, ging met knikkende knieën naar de man toe en vroeg met trillende stem: ‘Wilt… wilt u iets drinken, meneer?’ Hij kreeg een onderzoekende blik terug waar hij zich duidelijk ongemakkelijk onder voelde, want hij deinsde achteruit. ‘Bier,’ zei de man met een zware raspende stem. De ober knikte en maakte zich uit de voeten. Geen van de aanwezigen durfde te bewegen. De enkeling die het toch waagde zijn vork op te nemen omdat zijn hongerige maag en het dampende gerecht voor hem hem moed gaven, liet die kletterend weer vallen na een oplettende blik van de man. Zelfs toen hij zijn bier gekregen had, bleef hij alles en iedereen in de gaten houden. De spanning was te om snijden en even scherp als het zwaard van de man. Toen ontsnapte er een verschrikte kreet aan een vrouw die bij het raam zat. Iedereen keek naar haar, en naar een klein meisje dat met grote ogen naar de man toe schuifelde. ‘Noortje, kom terug,’ smeekte de vrouw, maar niemand durfde een vin te verroeren om het kind te onderscheppen. Ze sloop nieuwsgierig, maar behoedzaam dichterbij tot ze vlakbij de grote man stond. Ze nam hem op van kop tot teen en vroeg toen met een fijn iel stemmetje: ‘Ben jij een piraat?’ Iedereen hield zijn adem in. De man draaide langzaam zijn hoofd tot zijn felle ogen op het kind vielen en zei met barse stem: ‘Nee.’ Het meisje schrok, maar bleef toch staan. ‘Welles,’ zei ze. De man zette met een klap zijn glas op tafel. Hier en daar klonk een gesmoorde kreet of kreun. Hij bracht zijn gezicht tot vlakbij het meisje. ‘Waarom?’ vroeg hij. Ze wees met trillende vinger naar het litteken. ‘En de tekeningen.’ Ze wees naar zijn armen. ‘En je zwaard.’ De man keek het meisje lang aan, leunde toen achterover en zijn mondhoeken plooiden in een grijns. Het litteken trok scheef mee, wat zijn gezicht er niet mooier op maakte. Er klonk een algemene zucht van opluchting. ‘Geen zwaard,’ zei hij, ‘zwaarden zijn recht. Dit is een Skmitar.’ ‘Smitaar?’ ‘Skmitar.’ ‘Mag ik kijken?’ Dat was de druppel voor haar moeder, die het bestierf van de zenuwen. Ze stond bruusk recht en zei met scherpe stem: ‘Nora Verbiest, kom nu onmiddellijk hier!’ Het meisje keek verbaasd om, alsof ze uit een droom ontwaakte. ‘Niet boos zijn, mama,’ zei ze ontwapenend, ‘ik wil alleen maar die sminkar zien.’ Haar moeder wilde antwoorden, maar zweeg geschrokken toen de man zijn kromzwaard met een vlotte beweging uit de schede haalde. Hij legde het op het tafeltje en Noortje kroop op de andere stoel om beter te kunnen kijken.  Ze liet haar kleine vingers over het koele staal glijden en voelde voorzichtig aan de scherpe randen. Haar ogen glinsterden toen ze opkeek naar de man. ‘Jij bent geen piraat,’ zei ze. ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Wat dan wel?’ ‘Wachter.’ ‘Wachter?’ Ze dacht na. ‘Op wie wacht je dan?’ De man grijnsde opnieuw, maar keek het kind toen heel oplettend aan, zijn wenkbrauwen gefronst. Hij boog naar haar toe en fluisterde in haar oor: ‘Op jou.’ Noortje schoot geschrokken recht en wat er toen gebeurde, deed menig mond openvallen van verbazing. De donkere man stond op en knielde voor het meisje dat op de stoel stond. ‘Ik ben uw dienaar,’ zei hij plechtig. ‘Mijn Skmitar en mijn leven zijn de uwe, vrouwe Kalypta.’

Lyne Uytterhoeven
38 0
Tip

Het raadsel

In de verte klinkt een sirene. Brandweer, of politie, of een ambulance. Hij weet dat je ze kunt onderscheiden – twee- of drietonige hoorn, zoiets was het – maar hem lukt het nooit. Hij weet zoveel niet. Meer niet dan wel. Ja, onbenullige zaken, die onthoudt hij. Dingen waar je niks aan hebt. Dat een gemiddeld struisvogelei anderhalve kilogram weegt. En de hoofdstad van Burundi is Bujumbura. Maar waar Burundi ligt, dat weet hij dan weer niet. Gelukkig denkt hij daar nu niet aan, anders moest hij dat eerst opzoeken voor hij ook maar iets anders zou kunnen ondernemen. Soms zit hij uren achter zijn computer, op zoek naar wetenswaardigheden. Dat is heel vermoeiend, maar alleen zijn eetlust kan hem dwingen om te stoppen: de honger naar voedsel is sterker dan die naar kennis. Achter zijn computer eet hij niet, vanwege de kruimels in het toetsenbord. Daarna doet hij zijn jas aan, voor een lange wandeling. Die eindigt steevast in een onooglijk café, met sanseveria’s op de vensterbanken. Het is een café voor oude mensen. De gemiddelde leeftijd van de drie overige vaste klanten schat hij op vijfenzeventig jaar. Hij heeft daar als twintigjarige niets te zoeken, maar iedereen is aan hem gewend geraakt en ze hebben ook wel gezien dat hij geen normale jongere is. Een jongen van twintig die urenlang achter de vrouwentongen gaat zitten, een vergeeld kladblok op het Perzisch kleedje voor zich. Een jongen die zich inbeeldt dat hij schrijver is, maar nog geen letter heeft geschreven. En dat waarschijnlijk nooit zal doen. De barjuffrouw brengt hem ongevraagd elk half uur een kop slappe koffie. Die drinkt hij in gedachten verzonken, zonder melk en suiker, maar hij roert er wel altijd in, soms wel vijf minuten lang. Het lepeltje klingelt vrolijk tegen het hotelporselein. Het komt voor dat hij pas stopt met roeren als één van de klanten heeft gevraagd of de bodem er soms uit moet. Volgens de barjuffrouw is er weer ergens fik. Ze beweegt zich met een hollende tred naar het raam, tilt de geplooide vitrage wat omhoog – meer uit gewoonte dan uit noodzaak, want met haar één meter vijftig kijkt ze er zo onderdoor – en poetst met haar wijsvinger twee kijkgaatjes in de beslagen ruit. Ja, er is ergens fik. Ze zag de rode brandweerauto nog net de brug over razen. De oude mannen interesseert het niks. Zolang het café niet in lichterlaaie staat is er niets aan de hand. De jongen kijkt wel met haar mee, maar zijn ogen staan zo apathisch dat ze ook van hem geen bijval kan verwachten. Ze blijft nog even staan kijken, naar de grauwe straat, de grijze lucht en holt dan in slow motion terug naar de toog. Na vier koppen koffie houdt hij het voor gezien. Hij schuift het kladblok in de binnenzak van zijn jas, betaalt gepast en vertrekt. ’s Avonds kijkt hij naar quizzen op de televisie. Meestal kan hij vrijwel alle vragen beantwoorden, soms is hij zelfs beter dan de superspecialisten die alles weten van Marilyn Monroe, de architecten van de Amsterdamse school, de bisamrat, of de Vlaamse primitieven. Daarna volgt hij de actualiteitenrubrieken en de praatprogramma’s waarin politici, bekende Nederlanders en deskundigen discussiëren met verveeld kijkende presentatoren. Boeken leest hij niet. Dat kost te veel tijd en het ontmoedigt. Na het late journaal gaat hij naar bed, het kladblok paraat op zijn nachtkastje. De volgende dag zit hij weer bij het raam, op zijn vaste plek. De barjuffrouw vindt hem veel te jong voor een vaste plek. Ze moet er niet aan denken dat hij daar de komende vijftig jaar nog zit. Niet dat ze van plan is om zelf nog zolang te werken, maar het gaat om het principe. Voor het eerst spreekt ze hem aan. Ze vraagt hem of hij ooit wel eens iets opschrijft, in dat kladblok van hem, of hij soms schrijver is. De jongen legt zijn smalle hand op het vergeelde papier, alsof hij een obscene tekening probeert te verbergen. Hij heeft het kladblok zomaar bij zich, voor het geval hem iets te binnenschiet. De barjuffrouw heeft iets venijnigs in haar mond klaarliggen, maar ze bedenkt zich en perst haar violette lippen op elkaar. Als alternatief grijpt ze de balpen van het persje en maakt razendsnel een krabbel op het inferieure papier. De jongen moet raden wat het is. Bijna geschokt staart hij naar twee concentrische cirkels in het midden van een rechte streep. Het lijkt of hij gaat huilen. De barjuffrouw tilt onverschillig de vitrage omhoog, vraagt of hij al een idee heeft. ‘Het is een Mexicaan in een kano, van bovenaf gezien,’ zegt hij. ‘Een Mexicaan met een sombrero.’ ‘Gefeliciteerd,’ zegt ze tegen de beslagen ruit en tegen de mannen bij het biljart: ‘En Pierre, wat heeft hij gewonnen?’ ‘Een geheel verzorgde voetreis naar Rome op eigen kosten,’ zegt een man met blauwe vingers. Pomerans, denkt de jongen, het topje van een keu heet pomerans. Iedereen lacht schor. De barjuffrouw grinnikt een triest geluid en laat hem alleen bij het raam. Een dag later komt hij niet langs en de week erna ook niet. De barjuffrouw kan er niet echt mee zitten. Hij was niet bepaald een big spender en echt gezellig kon je hem ook niet noemen. Wat haar wel een beetje dwarszit, is dat zijn wegblijven waarschijnlijk het direct gevolg is van haar gekras in zijn smetteloze kladblok. Het voelt alsof ze hem heeft weggejaagd. Ook één van de oude mannen is het opgevallen dat de jongen er niet meer is, maar het blijft bij een gemompelde constatering van de lege stoel bij het raam. De jongen maakt nog steeds lange wandelingen, maar hij vermijdt het café. In plaats daarvan pauzeert hij op een bank in het park. Als het regent of het te koud is, loopt hij zonder te rusten direct naar huis. Het kladblok heeft hij weggegooid. Hij heeft geen nieuwe gekocht, want dat heeft geen zin. Alles is toch al geschreven.

Grand Foulard
78 0
Tip

Binnengluren

‘Wil je even kijken?’   Hij kijkt me aan met grote vragende ogen, glimmend van trots. Onbevangenheid, dat is misschien nog wat ik het meeste mis. Blij zijn om het hier en nu, zonder zorgen om de toekomst of bitterheid door het verleden. Hij kan het nog, ik zie het aan zijn open lach. Maar vast niet lang meer, want het valt me op hoe groot hij wordt. En hoezeer hij op mij lijkt. Ze zeggen dat al lang, mijn moeder, mijn tantes. Ik vond het altijd onzin, maar nu zie ik dat ze gelijk hebben: hij lijkt op mij, heel erg zelfs. Ik lach en buig me naar hem toe, natuurlijk wil ik kijken. Hij geeft me de schoendoos en wijst me de uitsnijding aan, in het midden bovenaan: ‘Hier moet je door kijken.’    Ik verwacht me aan dino’s, of ridders, een maanlandschap vol kraters en buitenaardse wezens. Maar ik schrik wanneer ik in de kijkdoos gluur. Ik herken mijn eigen woonkamer, nagebouwd tot in het kleinste detail. Alles staat er zoals het er al jaren staat: de tafel in het midden met de zes stoelen, de televisie, de sofa, de kamerplant in de hoek, het dressoir compleet met de twee Ming vazen, het aquarium met de guppy’s en de zebravisjes. Op de sofa zitten een man en een vrouw, zijn hand op haar dij. De vrouw herken ik, wie de man is weet ik niet. Ik weet alleen dat ik het niet ben. Aan het deksel van de schoendoos heeft hij een jongen geplakt, hoofd naar beneden. Een zweem van surrealisme in de anders zo perfecte kopie.   ‘Het is prachtig, ik herken het helemaal. Je hebt er vast lang aan gewerkt?’ Hij knikt. ‘Heb je mij gezien?’ ‘De jongen aan het plafond? Waarom heb je jezelf zo erin geplakt?’ ‘Omdat ik altijd gek doe, toch? Gek doen is grappig.’ Ik glimlach. ‘Dat is het zeker, er wordt te weinig gelachen in het leven.’ Ik aarzel even maar zeg het dan toch: ‘Het is een mooi tafereel. Mama ziet er ook gelukkig uit.’ Zijn gezicht betrekt, zijn ogen kijken langs me heen. ‘Ze huilt ook vaak. Niet alles is wat het lijkt, papa.’ Ik schrik, van wat hij zegt maar nog meer van hoe hij het zegt. Tot zover de onbevangenheid. Negen is hij, en toch voel ik me plots het kind.   De hele tijd heb ik hun ogen door het glas op mijn rug voelen prikken. Nu gaat de deur open. ‘Het bezoekuur zit er op, meneer Leo. Neemt u afscheid van uw zoon?’

Lennaert Leo
13 1

Aangevuurd

De avondklok luidde en weergalmde door het ventilatiesysteem zodat het zich verspreidde door alle kamers. Het einde van de dag voor de meeste onder ons. Ik hoorde vanuit de meisjeskamer de grote metalen achterdeuren openen. De jongens die al een week bezig waren met een gat voor een tweede zwembad te graven kwamen binnen en begaven zich naar onze slaapzaal. Alle Doorzichtigen hadden een dun matje gekregen, een van de enige dingen die we mochten bezitten. Op mijn eerste avond toen ik de slaapzaal binnen kwam zag ik dat helemaal achterin de zaal de matjes lagen. Telkens een paar matjes op elkaar. De jongens en de meisjes, zonder speciale bevoegdheden kwamen die avond als eerste de zaal binnen. Het zweet droop van de jongens hun gezicht terwijl het ijskoud was in de sobere, bakstenen zaal. Het enige beetje blauwachtig licht kwam uit een raam waardoor de maan scheen. De jongens ploften neer op de matjes en namen allen een meisje onder de arm die zich dicht tegen hun lichamen drukten. Pas na een tijdje begreep ik dat we de matjes aan de jongens gaven omdat zij het het hardst te verduren kregen en dat het tijdens de winter te koud was om alleen te slapen. Alle Doorzichtigen die mochten gaan slapen waren de gangen uit en Kia die uit haar bed was gekropen vroeg me voor de duizendste keer om te vertellen waar ze naartoe gingen nadat we voor hun hadden gewerkt. Haar bruine ogen glansden van nieuwsgierigheid, maar haar broer had mij verboden iets over de maatschappij in de villa’s te vertellen. Ze wist dat zij boven alle slaven stond en dat we daarom Doorzichtigen werden genoemd. Omdat we niet als mens beschouwd werden, gewoon gebruikt om hun klusjes op te knappen. “Hup, terug in je bed”, gebood ik haar. Ze trok een pruillip maar draaide zich toch om. Ze legde zich op haar bed en wachtte tot ik de deken over haar zou trekken. Ze was een lief meisje met geen slechte bedoelingen ook al kon ze zo genieten van de aandacht die ik haar moest geven. Ik probeerde de roze deken zo goed mogelijk over haar heen te krijgen. Dit ging veel gemakkelijker toen ik mijn linkeronderarm nog had. “Slaapt Audrey al?” fluisterde ze. Ik liep naar de andere kant van de kamer waar het hemelbed van haar jongere zusje stond. Het bruine krullende haar van haar zusje was het enige dat nog boven haar deken stak. Ik knikte naar Kia. “Ga maar gauw slapen”, zei ik. Terwijl zij indommelde, keek ik door het raam naar de volle maan die licht wierp over de bossen naast de tuin. De maan trok mijn bloed aan en fluisterde me in dat ik naar buiten moest gaan. Ik schoof het gordijn voor het raam, en moest meteen toegeven aan de drang. Mijn voeten begeleidden me naar de gang zonder erover na te denken. Op de gang was alles stil. Ik sloot de deur stilletjes achter me en wandelde de gang in. Hij was de hele nacht verlicht en liep door de hele bovenverdieping met een grote marmeren trap bekleed met rood tapijt in het midden. ‘Waar ga je naartoe?’ Ik schrok en draaide me abrupt om. Pilo keek me kalm aan en liet zijn blik even hangen bij mijn geamputeerde linkerarm. Hij herstelde zich snel en glimlachte naar mij, maar een bleef een droevige kronkel in zijn lippen. ‘Het was het waard.’ prevelde ik met mijn blik strak op de grond gericht. Ik voelde zijn fronsende blik op mijn hoofd gericht. Wat?” vroeg hij. “De arm. Het was het waard. Je weet wel, toen ik bij jou…” ik bloosde, zijn blik nog steeds op mij gericht. “Nee, ze namen te veel”, zei Pilo met een diepe stem terwijl  hij voorzichtig het littekenweefsel aanraakte. Een tinteling raasde door mijn hele lichaam. Mijn hele leven al leefde ik volledig volgens de regels die de meesters ons oplegden. Die ene keer dat ik me liet gaan en iets deed wat ikzelf wou, werd ik gestraft. Ik wist wat ze zouden doen als ik met hem gezien zou worden, met de jongste zoon van de domeinmeester die getrouwd is en een zoontje heeft. “Kom even mee naar mijn kamer”, sprak hij zacht. Nu keek ik hem wel aan. Zijn helderblauwe ogen priemden zich in de mijne. Ik was de eerste die opzij keek. De maan schitterde door de talloze ramen en herinnerde me aan de drang. Ik schudde mijn hoofd. “Ik moet gaan.” Ik draaide me om en liep de trap af naar buiten, de bossen in. De seconde nadat het maanlicht over me scheen, voelde ik de energie door mijn lichaam schieten. Ik viel op mijn knieën terwijl de energie zich vanuit mijn kruinchakra verspreidde langs mijn keel naar mijn vingertoppen en zich ontfermde over mijn andere, geamputeerde arm. De energie maakte zijn weg door het littekenweefsel en het voelde alsof het nieuw weefsel aanmaakte. Ondertussen kroop de energie verder naar mijn tenen en gaf de geamputeerde stompjes en stoot waardoor er nieuw weefsel zich ontplooide. Ik pufte nog een tijdje na de laatste energiestoot uit. Mijn huid had een ivoorkleurige glans en mijn linkeronderarm, die de domeinbeulen hadden afgehakt als straf, scheen hersteld. Mijn huid leek verlengd en vergroeid in een handschoen die helemaal van boven mijn elleboog tot over mijn vingers ging, waar helemaal geen beenderen, bloed of vlees meer zaten. Ik stond op en voelde hoe mijn geest verdrongen werd uit mijn lichaam. Mijn bloedlijn stond me toe me te kunnen herstellen ten tijde van de volle maan , maar dat was enkel en alleen omdat mijn moeder me bloed had toegediend van een vrouw met de gave. Vroeger stroomde er gewoon bloed van een slaaf door mijn aderen. Maar mijn moeder werd bang toen ze me naar een andere afdeling in de villa brachten en droeg in een nacht wat bloed van de vrouw over aan mij zodat ik de gave overkreeg. Ik wist dat ze het goed had bedoeld, maar telkens wanneer de volle maan boven me uit torende waren de gedachten van die vrouw en de mijne onscheidbaar. Ik voelde haar verdriet, kon kijken in haar verleden ,wist haar bedoelingen, maar zat vast in de huls van mijn lichaam. Ze gebruikte mij als haar marionet om wraak te nemen op de dood van haar jongste dochter die door de domeinheer was verkracht en daarna vermoord. Lopend naar een van de geheime achterdeuren van de villa, besloot ik/zij dat ik eerst langs de keuken moest. Deze zat helemaal aan de andere kant van het gebouw dus versnelde ik mijn pas. De keuken bestond uit ijzeren kasten, ijzeren tafels en ijzeren fornuizen en was helemaal verlaten. Ik begon te zoeken door de lades van de kasten, rammelde door het bestek en vond uiteindelijk een vlijmscherp mes achterin de afwasmachines. Het mes had een lemmet dat bedekt was met zwart leder en waarvan de rand juist geslepen was. Ik voelde het gewicht ervan in mijn handpalm en vertrok gewapend naar de vertrekken van de mensen in de villa. Hoe dichter ik bij de slaapvertrekken kwam, hoe ondraaglijker haar verdriet werd, hoe harder ik haar zin naar wraak kon proeven. Aangevuurd door haar verlangen sloop ik, met het mes in mijn hand, een kamer binnen waarin zij me stuurde. Een man zat voorovergebogen over zijn bureau. Door het licht van de bureaulamp kon ik enkel zijn silhouet zien. De ziel van de vrouw liet me met beide handen het mes oprichten en stapte op de man af. Hij schrok op van het geluid en draaide zich met een ruk om. Zijn helderblauwe ogen schoten open van verbazing. Mijn ziel werd wakker geschud bij het zien van Pilo. Het was logisch, de vrouw wou de domeinheer kwellen op dezelfde manier als zij gekweld was. Door het vermoorden van het jongste kind. Pilo stond op en liep op me af.  

Myrte VC
0 0

Sinterklaas kapoentje

Sinterklaas komt in hoogsteigen persoon langs bij meter en peter Valère. Meter heeft dat geregeld. Gezeten aan de rechterhand van God de Vader, hier vertegenwoordigd door ‘de pater’, regelt meter dat soort zaken. Meter heeft connecties. Meter is de sopraan van het plaatselijke kerkkoor. Niet de sopraan. Dè sopraan. De plaatselijke diva. En een gepriviligeerd lid van de kerkgemeenschap. Zo komt de pater meerdere keren per week bij meter en peter Valère in de beste zetel zitten. Meter schotelt hem dan het beste van Gods schepping voor: kaaskroketten met een schijfje citroen, Duvel en voetbal.   Natuurlijk moet er gezongen worden voor Sinterklaas. Meter in haar nopjes, de pater aan de piano en wij maar zingen:   Sinterklaas kapoentje Leg wat in mijn schoentje Leg wat in mijn laarsje Dank u Sinterklaasje.               ‘Hoor nu toch eens hoe een schone stem dat kind heeft’, verzucht meter. ‘Die klank: zo zuiver, zo puur.’   Het gaat over mij.               ‘Dat zou je toch niet verloren mogen laten gaan hé, zo’n talent!’ Meter kijkt vanonder haar wimpers naar moe.   Maar moe hapt niet toe.               ‘Je zou haar naar de muziekschool kunnen sturen’, oppert meter.   Moe hapt nog steeds niet. Ze heeft nu al schoon genoeg van meter haar gemanipuleer.               ‘Ze zou hier dan op de piano kunnen komen oefenen’, gaat meter verder.                 ‘Dan hoef je niet meteen een piano aan te schaffen.’ Nog een tersluikse blik van meter naar moe.                 ‘Allez Sinterklaas, wat drink je? Een cognac?’ Peter Valère verbreekt de kou die zich intussen genesteld heeft in de woonkamer.  

Jeanne
18 0

S.N.O.B.O.

9.10 u. Nog drie minuten. Ik haalde het kaartje uit mijn zak. Voor de tweeëndertigste keer bekeek ik het adres, dat ik inmiddels uit mijn hoofd kende. De straat klopte, het nummer ook. Boven de deur hing in afgebladerde goudkleurige letters ‘S.N.O.B.O.’, een naam die overeen kwam met de naam op het kaartje dat ik nog steeds in mijn hand klemde. Ik ijsbeerde en probeerde mezelf te overtuigen dat ik hier goed aan deed. Wat had ik te verliezen? 9.11 u. Nog twee minuten. Een kleine week geleden reageerde ik op een advertentie in de streekkrant: “Ben jij ondernemend en dynamisch? Hou je van uitdagingen? Ben je flexibel en denk je ‘outside the box’? Dan ben jij de M/V/of-iets-anders die we zoeken! Stuur je kandidatuur vandaag nog op.” Hoewel de advertentie noch specifieke vereisten noch een duidelijke functieomschrijving vermeldde, waagde ik het erop. Het voorbije jaar had ik honderdentwaalf sollicitatiebrieven verstuurd, waarvan de helft nooit beantwoord werd. Van de andere helft kreeg ik een beleefde brief terug waarin stond dat ze op dit moment geen vacatures hadden, maar dat ze mij zouden contacteren indien een gepaste functie vrijkwam. Een afwijzing meer of minder maakte me dan ook niets meer uit. Enkele dagen later ontving ik al een antwoord. Toen ik de bruine enveloppe opende, was ik voorbereid op de standaard afwijzingsbrief die ik inmiddels woord voor woord kon citeren. Tot mijn verbazing werd ik uitgenodigd voor een gesprek. 9.12 u. Nog één minuut. Ik bekeek het gebouw waar ik voor stond. Het deed me denken aan het cafeetje waar mijn sollicitatiegesprek had plaatsgevonden. Het was een onopvallend, smal pand op de hoek van een ietwat groezelige steeg waar ik in normale omstandigheden geen aandacht aan zou besteden. Ergens in een hoekje van dat cafeetje zat ik met mevrouw Boons aan een petieterig, rond tafeltje. Ze was helemaal niet geïnteresseerd in mijn capaciteiten of vorige werkervaringen. Ze stelde vooral gerichte vragen in de trant van ‘Wat als er, tijdens de werkuren, twee kabouters je vragen mee te gaan op zoek naar het einde van de regenboog? Ga je mee of niet? En indien je meegaat, wat zou je doen met jouw deel van de goudstukken?’ Toen mevrouw Boons uitgevraagd was, stak ze haar hand naar me uit. “Proficiat,” zei ze, “je hebt de job.” Verbaasd schudde ik haar hand. Ze stond recht, gaf me haar kaartje en zei: “Ik verwacht je maandag stipt om 9.13 u.” Nog voor ik iets kon zeggen, had ze zich omgedraaid en hinkelde ze het café uit.  9.13 u. Het was tijd. Ik opende de deur. Klingelingeling. “Mooi op tijd,” klonk het toen de deur achter me in het slot viel, “daar hou ik van, euh, wat was de naam ook weer?” “Billie,” zei ik. “Wel, Billie, welkom in S.N.O.B.O.” De winkel was vanbinnen groter dan je zou verwachten als je het langs de buitenkant zag. Deze stond vol met hoge rekken en kleine tafeltjes in alle mogelijke formaten en kleuren. “Vanaf vandaag wordt dit jouw territorium”, zei mevrouw Boons en wees rondom zich. “Zoals je ziet, verkopen we hier allerhande curiositeiten, van zeldzame boekexemplaren tot ongewone snoepjes tot eeuwenoude juwelen tot exotische kruidenextracten. Alles is alfabetisch gerangschikt. Hou het zo, dan vind je alles altijd gemakkelijk terug. Jouw taak simpel: je verkoopt alles wat je hier ziet en je vult de stock aan. Het maakt niet uit met wat, zolang het maar interessant is. Ik kom af en toe langs om alles eens na te kijken. Hierin,” ze duwde een dikke map in mijn handen, “zit alles wat je moet weten in verband met de openingsuren, contacten, budgetten, … Kortom, als je iets moet weten, vind je het daar wel in. Nog vragen?” Voor ik ook effectief iets kon vragen, sprak ze zelf opnieuw. “Goed zo. Alles wijst zichzelf uiteindelijk wel uit. Dit is je contract,” ze gooide een bundeltje papieren in mijn richting, “teken het en zend het op. Het adres staat op deze enveloppe.” Ze gaf me de enveloppe, het adres was er netjes opgeschreven en in de rechterbovenhoek hing al een postzegel. “De winkel opent over zeven en een halve minuut. Veel succes”, zei ze nog. Ze draaide zich om en hink-stap-sprong de winkel uit. 9. 28 u. Tijd om open te doen. Ik draaide het bordje aan de deur om zodat er nu ‘open’ stond in plaats van ‘gesloten’. Onmiddellijk, alsof er iemand op de wacht had gestaan, klonk de bel. Een man met een lange regenjas, bijpassende hoed en zwarte zonnebril strompelde binnen. Hij vroeg honderdentwee gram gedroogde zeepeperalgen. Mijn eerste klant. Ik was tegelijkertijd enthousiast, zenuwachtig en lichtjes in paniek. Zeepeperalgen, zeepeperalgen, waar zou ik die vinden? Bij de ‘Z’ waarschijnlijk. Ik liep de hele winkel door tot aan de ‘Z’. Zandsteenkoekjes, zatte goudvissen, zebrastrepen, aha hier, gevonden, tussen het zeekaravaan en de zinkmolentjes. Ik nam de grote glazen pot van het rek, hij woog zwaarder dan ik verwachtte, en hinkte ermee terug naar de toonbank. Ik zocht een plastic zakje. Ik trok de lades één voor één open, het leek alsof de toonbank alleen maar uit lades bestond. Eindelijk trok ik er één open waar er in zat wat ik zocht. “Honderdentwee gram was het, hé, meneer?” vroeg ik. De man knikte. "Mag het ietsje minder zijn?" De man knikte. “Ik heb jou hier nog nooit gezien”, zei hij. “Dit is mijn eerste werkdag. En eigenlijk ben jij mijn eerste klant.” De man reageerde nauwelijks.  “Dat is dan één zilveren zeepje en drie bronzen bijltjes, alsjeblief”, zei ik. Hij betaalde en toen hij weg was, zag ik dat zijn enorme, dikke, glibberige staart een slijmspoor had nagelaten. Ik zuchtte. Nog maar één klant gehad en ik kon al beginnen dweilen. 11.08 u. Klingelingeling. Ik zigzagde van tussen de rekken – die ik in de tussentijd aan het verkennen was – naar de toonbank. “Wat doe jij hier?” vroeg ik verbaasd toen ik de ‘nieuwe klant’ herkende. “Wat een vriendelijk ontvangst, zeg”, zei Triverius. “Ontvang jij iedereen zo? Of enkel je vrienden?” Triverius is één van mijn huisgenoten. Van nature was ze een panda, maar zij vond dat diezelfde natuur een grote fout had gemaakt. Ze zag er langs de buitenkant niet uit hoe ze zich vanbinnen voelde, als een zebra. Daarom beschilderde ze haar vacht met zwart-witte strepen. “Nee, natuurlijk niet”, zei ik. “Wat vind je ervan?" "Ziet er tof uit", zei ze terwijl ze rondkeek. "Wat kom je eigenlijk doen?" vroeg ik. "Je steunen op je eerste werkdag", zei Triverius. "Echt?" vroeg ik sceptisch. "Natuurlijk", zei ze met gespeelde verontwaardiging. "En Faro? Slaapt die nog?" vroeg ik. Triverius knikte. Faro is een andere huisgenoot en tevens mijn beste vriend sinds, sinds altijd eigenlijk al. Hij werkte op dat moment als nachtwaker in een ijssalon. Hoelang dat nog zou duren, wisten we toen nog niet. Zijn vorige job als snoepverkoper was hij al na anderhalve dag kwijtgespeeld. In plaats van de snoep te verkopen, bouwde hij er kastelen, ridders en snoepspuwende draken mee die niemand dan mocht aanraken. "En Carioca?" vroeg ik. "Die zit op het dak te mediteren. Hij wil niet gestoord worden." Carioca was mijn derde huisgenoot. Hij was sjamaan van opleiding, maar zat nu in een periode dat hij niet goed wist wat hij wou doen. Daarom hield hij zich de laatste tijd vaak bezig met mediteren, dan kon hij beter nadenken. "Dus eigenlijk kom je langs omdat je je thuis verveelt?" "Zo kun je het ook stellen, ja." "Dan heb je geluk. Ik ben daarjuist iets tegengekomen dat perfect zou zijn voor jou.” Ik kronkelde terug naar de ‘Z’ en zocht de rol met ‘zebrastrepen’. “Wat denk je hiervan?” vroeg ik. “Dat zou echt goed van pas komen”, reageerde ze enthousiast. “Hoeveel denk je nodig te hebben?” “Zo’n twintig vierkante meter zal wel voldoende zijn.” “Dat is dan vijf zilveren zeepjes en twee bronzen bijltjes.” “Amai, dat is ook niet goedkoop. Kan je er geen vriendenprijsje van maken?” “Dat kan ik echt niet maken, het is mijn eerste werkdag. En daarbij, denk aan al de verf die je nu gaat uitsparen.” Klingelingeling. Een nieuwe klant sprong naar de toonbank. Ondanks zijn zwanennek torende hij er nauwelijks boven uit. Dat had veel te maken met het feit dat die nek balanceerde op een geel-bruin gestreept kattenlijfje waar twee kikkerbilletjes onder uit piepten. “Je bestelling ligt klaar”, zei hij met een verbazend diepe, hese stem. “Welke bestelling?” vroeg ik. Hij negeerde mijn vraag compleet. “Je kan ze op dit adres komen halen.” Hij gaf me een dubbelgevouwen A8’tje. Ik leunde naar voren om het aan te nemen. “Ik zal het straks, tijdens de middag komen ophalen. Dan is de winkel toch gesloten.” “Ik zal het doorgeven”, zei de koerier en hopte terug naar buiten. 11.59 u. Ik draaide het bordje ‘open’ terug om naar 'gesloten'. Mijn eerste halve werkdag zat er al op. Al bij al was alles goed meegevallen. “Moet je echt nu gaan?” vroeg Triverius. “Ik had gehoopt dat we samen iets konden gaan eten over.” “Ik moet wel. Het is een bestelling voor de winkel”, zei ik. “En daarbij, het is niet ver. Volgens dat briefje is het in deze straat. Het zal wel niet zo lang duren.” “Ik ga mee”, zei Triverius. “Ik kan je helpen dragen.” “Klinkt goed”, zei ik. Ik had helemaal geen idee hoe groot of hoe zwaar die bestelling zou zijn. "En dan gaan we erna snel iets gaan eten." 12.07 u. We stonden voor de deur. Er hing een briefje op: Gelieve bestellingen achteraan af te halen. We gingen langs achteren en kwamen terecht in een enorm magazijn. Een kangoeroe met een oranje, papieren hoed en paarse strik huppelde ons tegemoet. “Euh,” begon ik aarzelend, “ik kom een bestelling ophalen.” “Naam?” vroeg de kangoeroe. “Billie”, zei ik. Ze nam een klembord uit haar buidel en overliep een lijst. “Die bestelling staat wel niet op mijn naam”, zei ik. De kangoeroe zuchtte. “Op wiens naam dan wel?” vroeg ze. “S.N.O.B.O. Of misschien Boons”, zei ik. “Mevrouw Boons?” vroeg de kangoeroe. Ik knikte. “Ah, ben jij de nieuwe?” Ik knikte opnieuw. “Aangenaam, ik ben Akila.” Ze stak haar poot uit. “Adriaen!” brulde ze. Een oudere man met felgekleurde hanenkam kwam aansloffen op schoenen die minstens maat 48,7 moesten zijn. “De bestelling voor mevrouw Boons”, zei Akila. De oudere man schuifelde weer weg. “Hoelang werk je er al?” vroeg ze toen Adriaen uit het zicht verdwenen was. “Vandaag is mijn eerste dag”, zei ik. Ze bekeek me van top tot teen. “Succes”, zei ze. “Dank je”, zei ik. “Tot nu toe is alles vlot verlopen. De rest zal ook wel meevallen.” “Misschien. Ik hoop dat je het langer volhoudt dan de anderen.” “Hoezo?” vroeg Triverius. “Wel,” zei Akila en ze dacht eventjes na, “eentje is het na een uur afgestapt omdat hij bijna werd opgegeten door een verzameling kikvorsschorpioenen. Een ander had een gaslek veroorzaakt en heeft het niet overleefd. En je directe voorganger is verloren gelopen in het doolhof dat achter de winkel ligt. Allez, dat denken we toch. We hebben hem nooit meer teruggezien.” Ondertussen kwam Adriaen terug met drie kartonnen dozen “Hoeveel weegt het?” vroeg Akila aan Adriaen. “Drie kilo tweehonderdzevenenvijftig en een half.” “Dat zijn dan drie opdrachten”, zei Akila tegen me. “Hoe bedoel je?” vroeg ik niet-begrijpend. “Zoals ik het zeg. Je bestelling kost drie opdrachten. Jij voert die uit en dan kan je je dozen meenemen.” “Dat gaat toch niet te lang duren?” “Wees gerust. Het zijn drie kortjes. Klaar voor opdracht één?” Ik knikte. Akila gaf me een groot blad groen papier. “Hier”, zei ze. “Maak er een mooie hoed van.” Dat was niet zo moeilijk. In één, twee, drie had ik dat blad papier omgevormd tot een prachtig hoofddeksel. Akila nam het aan, keurde het grondig, gooide haar oranje hoed weg en zette de nieuwe op haar hoofd. “Opdracht één heb je volbracht”, zei Akila. De tweede opdracht luidde als volgt: ‘Zing van achter naar voren Altijd is Kortjakje ziek terwijl je op en neer springt op één been en je armen in de lucht houdt.' Dat klonk gemakkelijker dan het was. Ik ben drie keer opnieuw moeten beginnen. "De derde en laatste opdracht is," zei Akila, "sta langer stil dan die lantaarnpaal." “Welke lantaarnpaal?” vroeg ik. “Die daar.” Akila wees naar een paal die enkele meters verder in een hoek stond. “Dat meen je niet? Dat duurt eeuwen.” “Je kan de bestelling ook hier laten.” “Nee nee, ’t is al goed.” Ik positioneerde me zo comfortabel mogelijk en bleef stil staan. Ik bleef staan en bleef staan om daarna nog wat langer onbeweeglijk stil te staan. Ik begon kramp te krijgen in mijn rechterkuit en mijn neus begon te kriebelen. Na wat wel een eeuwigheid leek, moest de lantaarnpaal niezen. Wat een geluk voor mij. “Voilà, de betaling is in orde”, zei Akila. “Tot de volgende keer.” 18.13 u. Ik kwam thuis en een geweldige geur drong mijn neusgaten binnen. "Het ruikt heerlijk", zei ik. “Het is je lievelings,” zei Faro, “gebakken spruitvogelfilet.” “Mmm”, likkebaarde ik. “Het is bijna klaar”, zei hij. “Triverius,” riep hij, “dek jij eens de tafel.” “Wat denk je ervan?” vroeg Triverius toen ze de keuken binnenparadeerde. “Het staat je prachtig”, zei ik. Ze had de lap zebrastrepen die ik haar had verkocht, omgetoverd tot een prachtig pak. “Hoe was je eerste werkdag eigenlijk?” vroeg Faro. “Nog bestellingen moeten afhalen?” “Nee, gelukkig niet”, zei ik. “Nog veel verkocht deze namiddag?” vroeg Triverius. “Dat viel mee. Enkele giftige reuzenpaddenstoelen, een paar doorgespoelde goudvissen en wat zure zoethoutstokjes”, zei ik. “Zit Carioca nog altijd op het dak?” Triverius schudde haar hoofd. “Hij zit nu in de kastanjeboom.” “Moeten we hem niet gaan zeggen dat het eten klaar is?” vroeg ik. “Hij wou absoluut niet gestoord worden”, zei Triverius. “En daarbij, als hij honger krijgt, zal hij wel naar beneden komen.” “We kunnen aan tafel”, zei Faro. Eindelijk. Ik scheurde van de honger.

Jenna
0 0

Wat ik je niet zeg

Op een bank in de tuin. Zo zie ik je kijken: alsof de anderen merkwaardige wezens zijn. ‘Ze zijn hier allemaal oud,’ zeg je en je vergeet dat je zesentachtig bent. ‘Die man,’ zeg je, en je wijst met je kin naar mijnheer Fort, ‘Die is toch niet ziek? Waarom is hij hier?’ Ik heb niet meteen een antwoord. Nee, hij is niet ziek. Hij loopt kaarsrecht en zonder stok het rolstoelpaadje op en neer. Dan wijs je zonder gêne naar mevrouw Paule. ‘Weet je hoe oud die is? Tweeënnegentig. Ze heeft een tijdje in een rolstoel gezeten, maar nu loopt ze weer rond.’   ‘Laten we wat wandelen,’ stel ik voor. Je hijst je op aan je looprekje. Het geëffende pad loopt langs grasveldjes en oude bomen en een lange rij lavendelstruiken onder de ramen van de kamers op het gelijkvloers.   Wat ik in de achterste kamer zie, vertel ik je niet. In het bed ligt een magere vrouw, met ingevallen wangen, de ogen gesloten, een verpleegster wisselt het infuus. Jij houdt je blik op de grond en je schuifelende voeten.   Wat ik in de voorste kamer zie, vertel ik je niet. Een koffer op een bed. Iemand is aangekomen of weggegaan.   Op een bank in de tuin. Wat jij ziet, zie ik anders. Of is het omgekeerd? Ik zie een vrouw die een rolstoel duwt. Moeder en dochter, ze lijken sprekend op elkaar. ‘Wat erg als je zo’n kind hebt,’ zeg je. Soms spreek ik je tegen. Vandaag niet. De dochter van mevrouw Berjoan duwt haar moeder voort met iets dat tussen kranigheid en moed der wanhoop ligt. Ze komt hier al zeven jaar op bezoek, drie keer per week.   ***   Als het killer wordt, wil je niet meer naar buiten. We blijven in je kamer praten over mijn kleine en jouw nog kleinere wereld. Er wordt aarzelend geklopt op de openstaande deur. De dochter van de rolstoelvrouw wenkt mij. ‘Kom kijken, zegt ze, ze is dood.’ Alsof ze het hardop moet zeggen om het te geloven. ‘Het is net gebeurd,’ zegt ze.   Daar ligt mevrouw Berjoan, nog niet gefatsoeneerd, het hoofd achterover, de mond open. Als verstild in volle overgave.    Dat zeg ik je niet, waaraan ik moest denken, toen ik haar zo zag. Aan dingen waarover we nooit spreken. Omdat ze niet van onze taal en ook te lang geleden zijn.

Christine Van den Hove
57 0

Icarusskelet

Nu kon hij ademhalen. Over een paar uur zou hij weer aan deze deur staan en ze dichtdoen aan de andere kant. Dan zou het hopelijk muisstil zijn als hij binnenkwam. Maar vaak was het er net heel lawaaierig. Overdreven uitgelaten. Gespeeld bezorgd. Fake familie in een nest van doodgeboren vogels. Hun lijken rotten mijn gevederde huid weg, hun sterfte verzwart mijn leven. Had ik maar de kracht om mijn vleugels open te slaan naar een grote, witte maanbol. Naar de basis van het menselijk denken. Een witte schedel met hersenen als kraters. En vooral, ruimte om te groeien zonder te verschrompelen in de schaduw van monsters. Ik zou naar de maan vliegen en niet naar de zon, want dan zouden mijn vederen branden. Dan zou ik neerstorten in een oude legende van een slimme vader en een domme zoon... Een Icarusskelet in een doodgeboren vogelnest. Ooit geleefd maar doodgestorven. Uitgevlogen in een wanhoopsdaad niet te sterven in een ademtekort. Wie kan Icarus dat kwalijk nemen?   “Niemand”, leek de kat van de buren te wenen. Het was een pikzwart beest. Jasper kon alleen maar raden waar ze zat door het geluid achterna te horen. Daar zat ze. Rechts van hem. De kant waar hij niet naartoe ging. Naast een autoband. Twee blinkende parels in een sterreloze nevelnacht.   De buurt was omgeven van de katten, en kikkers. Bijna geen honden. Jasper haatte honden. Die afgunst lag niet aan het dier zelf, maar aan de mensen die het dier bij zich hadden huizen. Mensen met een hond waren achterdochtig, gemeen, conservatief. Alles wat ze tegenkwamen, wilden ze in vakjes denken, in hokken. Iedereen wilden ze aan de leiband. Binnen handbereik. Ze voederden mensen met gedachten opdat ze zouden gehoorzamen. Ze wilden iedereen rond hun vingers draaien met één grote leiband. Ze probeerden mensen te conditioneren. Mensen met een kat waren waren helemaal anders. Zij gaven liefde als de geliefde erom vroeg. En vooral ...     gunden ze vrijheid. Want een kat laat je buiten. Van een kat raap je de stront niet op achter haar gat. Een kat is één van de weinige dieren die de mens vrijlaat. Althans sommige mensen. De ergsten zijn zij die... ook een kat aan de leiband binden, en er dan mee gaan wandelen. Hun persoonlijke mini-tijger. Een dompteur in een burgercircus. En toch, ... blijft het de meester die achter de slaaf aan loopt. Of loopt de echte meester vooraan? Aan de leiband.   De kat sloop onder de auto uit en liep Jasper voorbij. Hij besefte dat hij overdreven lang naar het beest had gekeken. En dit was het sein. De kat vond zijn glurende blik welletjes geworden.   “Genoeg,” scheen de staart te schrijven in het duister.   Jasper keek het dier na, dat de straat en stoep als fluweel bewandelde. Stoer. Met de schouders afwisselend hoog en laag. Links hoog – rechts hoog – links hoog – rechts hoog. Het stoere bokserspasje werd één van de vele donkere vlekken in de scène van deze nacht.

Han Hartmoed
0 0

De rit van je leven

Mijmeringen Muziek helpt me door moeilijke tijden. Het is de trouwe metgezel die niet blaft als er eten in de buurt is. Het is de vrouw, zoiets moois kan uiteraard alleen van het sterke geslacht zijn, die me altijd binnenlaat, zelfs nadat ik net haar beste vriendin heb binnengedaan. De vrouw voor wie alcohol wel een geldig excuus is. Ze versterkt je gevoelens, positief én negatief, maar laat je altijd achter met hoop. Hoop doet leven. De ingeslagen weg De laatste tijd luister ik vaak naar muziek. Het is een signaal dat ik niet mag negeren. Muziek is naast al het voorgaande ook slechts een oplapmiddel, geen remedie. Het valt in dezelfde categorie als sporten, lang vergeten hobby's hervatten en begraven dromen oprakelen. Het helpt je weer een dag verder in de zoektocht naar en aanvaarding van jezelf. Bijna iedereen onder ons komt tijdens zijn of haar korte tijdspanne op onze blauw-grijze bol op dat punt, sommigen zelfs meermaals. Het punt waarbij we ons afvragen, wie we zijn, of we gelukkig zijn met de weg die we zijn ingeslagen, of het gras aan de andere kant écht niet groener is. Het punt waarop je je heel eenvoudig kan verliezen, jezelf schouderklopjes gevend voor de moed die zo'n beslissing vergt, niet beseffend hoe verregaand de implicaties van beslissingen tijdens zo'n emotionele rollercoaster kunnen zijn. Learn, adapt, evolve. Toch is het dit keer anders. Ik ben ondertussen in een ander station aangekomen tijdens de dolle rit die ons bestaan is. Ditmaal blijf ik mijn gevoelens, ondanks continue impulsen, zo veel als menselijk mogelijk beheersen. Niet alleen omdat ik zelf weinig aan de uitkomst kan veranderen, ook uit puur zelfbehoud. Je zou het volwassenheid kunnen noemen, ik houd het liever op een ingebakken stukje overlevingsdrang. Ik word natuurlijk ook ouder, wat niet noodzakelijk wijzer betekent. Er rest me steeds minder tijd. Naast het zelfbehoud, is er dus ook sprake van egoïsme: ik wil geen tijd meer verliezen aan een hopeloze strijd. Daartegenover staat dat ik des te harder wil vechten voor de ster die altijd extra schittert wanneer ze aan mijn firmament verschijnt. De verlegen, onzekere parel, die net dat duwtje in de rug nodig heeft om helemaal open te bloeien. De eenzame schoonheid die me voor de volle honderd procent kan gelukkig maken. Vechten is soms ook negeren, al je natuurlijke instincten laten voor wat ze zijn en de andere kant uitkijken wanneer de schittering helderder aanwezig is dan ooit tevoren. Het is schoonheid de tijd geven om zichzelf te waarderen en toe te geven klaar te zijn voor het gewone geluk, zonder de letterlijke prins op het witte paard die haar meeneemt naar verre landen, maar die de parel doet opengaan bij de energie die ontstaat als het gevecht uiteindelijk door een duo-eenheid wordt beslecht. Het langste spoor Twee weken lijkt een niemendal, verwaarloosbaar is het groter geheel van het zijn. Twee weken wegkijken, zelfs twee uren, lijken echter eindelozer dan het wachten op een snoepje voor een kind van een jaar of drie. Twee weken van zweven tussen hoop en angst. Hoop doet dus, zoals zo vaak al beschreven in menig klassieker, leven. Hoop op een toekomst, op een teken, hoop dat we allemaal onze ster tegen komen die we extra kunnen laten schitteren. Gelukkig vinden we uiteindelijk allemaal onze weg, naar tranen en geluk, naar eenzaamheid en liefde, tijdens een rit die af en toe een panne heeft, noodzakelijke onderhoudsbeurten durft over te slaan en nooit echt stopt. Een rit die maar in één richting verder dendert en voor iedereen op dezelfde manier eindigt. De rit van je leven.

Zielvlieg
14 0

Strabismus

Bruin brood mocht dan wel gezond zijn, maar dat had Valère genoeg moeten eten in de oorlog, tussen het schuilen voor de bommen door.   Nu waren hij en Mariette al lang op pensioen en woonden ze op de vierde verdieping van een chique appartementsblok, waar het leek alsof ze elke dag aan zee waren. Zo was haast alles op een kilometer afstand en vlogen er zelfs meeuwen. Maar zonder de dagtoeristen, dure zeetongen of gezonde jodium. En geen zee, natuurlijk.   De ligging van hun hoekappartement gaf hun veel bekijks. Er waren de mensen van het café, de steenweg met interessant verkeer, de stoet van schoolgaande kinderen, en het plein waar elke maand een groot evenement plaatsvond.   Terwijl Mariette de restanten van een zonsopgang aanschouwde, omhelsde Valère haar. In de hoekramen zag hij twee oude mensen staan. Veel ouder dan hij zich voelde. Hij nam haar handen vast. Ouderdomsvlekken. Streelde haar zachte oude vel. Rimpels. Lang kon hij haar niet vastnemen. Dat deed pijn.   ‘Daar,’ zei Mariette, ‘kan je het zien? Ons oude huis.’   Een jaar geleden hadden ze nog in een villa gewoond. Met een tuin. Maar Valères slechter wordende gezondheid had hen gedwongen doen verhuizen naar wat hij als hun laatste halte beschouwde. Althans de zijne. Was dit het dan?   De kerk konden ze niet zien vanuit hun appartement, maar hij begon er meer en meer aan te denken. Hij maakte zich ongerust dat niet alles in orde zou zijn op zijn begrafenis. Dat er mensen te laat zouden zijn, dat…   ‘Kom, Valère, het is tijd om te winkelen.’ Mariette nam haar zakdoek, dipte die op haar tong, en veegde zijn mondhoeken proper. ‘Je hebt daar nog wat soldatenkoek hangen,’ zei ze vastberaden. Die gewoonte van haar was begonnen in de tijd dat ze nog jonge kinderen hadden. Nadat die hadden leren eten had ze haar opvoeding verder gezet op Valère. En nu deed ze het vele keren per dag, want het dik speeksel dat zich ophoopte in zijn mondhoeken vond ze wansmakelijk.     Eenmaal in de wagen, reden ze de parking uit zonder blikschade, wat Valère normaal optimistisch stemde. Maar niet vandaag, want dat onbehaaglijk gevoel van de laatste tijd bekroop hem weer.   Zijn vrouw reed niet meer met de auto sinds ze dertig jaar geleden eens gebotst was. Zou ze het ondertussen verleerd zijn?   ‘We moeten voortmaken,’ zei zij, ‘want straks komt de oudste van ons Pascale de computer maken.’   Dat maakte Valère nog zenuwachtiger. ‘Hoeveel tijd hebben we dan om te winkelen?’   ‘Een uur.’   ‘Maar, bel hem dan dat we nog maar net vertrokken zijn naar de winkel. Een uur… Mariette, dat is te kort.’ Hij hapte naar adem.   ‘Doe dan voort,’ zuchtte ze.   Iets later kwamen ze aan bij de winkel die eigenlijk erg dichtbij was, maar toch te ver om de boodschappen te voet naar huis te dragen.   Bij het uitstappen stootte Valère weeral zijn hoofd. Hij vloekte, en voelde aan de bult die al jaren was overgroeid door een grote gebarsten korst.   Tot enkele weken geleden spraken ze nog af met een bevriend koppel aan de winkel om een koffie te drinken in het café ernaast. Maar de man was nu dood. Voor diens begrafenis had de weduwe, Irma, gevraagd kleurrijk gekleed te komen. Dat had Valère geweigerd uit principe, maar Mariette had hem ertoe verplicht.   Mariette leek zijn gedachten te lezen. Plots zei ze: ‘We zouden nog eens moeten afspreken met Irma. Ze zit veel alleen de laatste tijd.’   Valère gromde. Hij had met Irma doen, maar het zat hem nog altijd dwars. Een onnozelaar in een kanariegeel kostuum. Op een begrafenis! Hij had verdomme zijn been stijf moeten houden!   Er was slecht weer op komst. Voorzichtig stapten ze naar de schuifdeuren. Vorig jaar was hier nog een vriendin van hen gevallen. De heupoperatie had haar op slag tien jaar ouder gemaakt.   De manier waarop Mariette een winkel binnenkwam deed Valère altijd denken aan de kippenren van zijn vader zaliger. Kop naar voor en achter. Loshangend nekvel. En kakelen.   Nadat ze nog eens met haar zakdoek langs zijn mond had geveegd, ging ze naar de beenhouwer. Dat betekende dat Valère een kar moest nemen om dan bij haar te gaan wachten. Als een onnozelaar.   Al jaar en dag kwam hij in deze winkel, maar de jeugdige bediende aan het rek met karren had hij nog nooit gezien. Die zei: ‘Meneer, kan ik u helpen?’   Valère knikte eens nors terug, wilde een kar nemen, maar die blokkeerde even.   De bediende kwam dichterbij en riep nu in zijn oor. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Valère was geïrriteerd, maar wist niet wat zeggen. Hij vond het steeds moeilijker om te praten tegen nieuwe mensen.   De bediende kwam nog wat dichter en legde begripvol een hand op Valères schouder. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Maar Valère voelde zich getutoyeerd. Hij schudde kwaad zijn hoofd en zijn oude schoolmeesterstem haalde de bovenhand: ‘Het lukt, dank u!’ Hij rukte de kar los en duwde die rakelings voorbij de bediende.   Hij voelde zich opgejaagd. Zijn hart klopte luid en onregelmatig in zijn borst. Hij sloeg in paniek en begon te trillen. En plots… zag hij alles wazig.   Wankelend, steunend op zijn kar, schuifelde hij naar de beenhouwer. ‘Mariette,…’ lispelde hij.   Maar die was druk aan het kakelen.   ‘Heb je het gehoord van Gilbert?’   ‘Ja. In zijn slaap.’   ‘Dat is nog een schone dood.’   ‘Mariette!’   Toen die zich eindelijk omdraaide, slaakte ze een gil. ‘Valère!’   Ze hadden nog nooit zo snel gewinkeld. En de hele tijd had hij niet mogen opkijken van zijn vrouw. Zij had de kar gereden. Zij had betaald. En toen ze bij de auto waren gearriveerd, had zij ook alle boodschappen ingeladen. Allemaal erg ongewoon, maar de ernst begon hem pas te dagen toen zij haar hand had uitgestoken. ‘Sleutels.’   ‘Je hebt al dertig jaar niet meer gereden,’ kreunde hij.   ‘Jaja, sleutels.’   Hij was niet graag passagier. ‘Wat scheelt er met me, Mariette? Ik ben echt niet goed.’   Ze fronste bezorgd.   Eenmaal op het appartement had hij niet de typische ziekenverzorging gekregen. Geen thee, geen pijnstiller, geen lieve woorden.   Mariette stapte uit de slaapkamer met haar maquillagespiegel. Ze aarzelde even, maar hield die dan toch voor Valères gezicht.   En toen zag dat hij scheel keek. Als een otter. Twee keer.   Mariette nam de telefoon.   ‘Wacht!’ zei Valère, ‘wat ga je doen?’   ‘De dokter bellen, tiens. Je kijkt scheel als een onnozelaar. Dat is toch niet normaal?’   Hij zei koppig: ‘Ik ga niet in die wachtzaal zitten.’ Maar Mariette was al aan het bellen.   Ze legde af en zei: ‘Vanavond hebben we een afspraak.’   ‘Maar…’   En ze gaf hem een zonnebril.   ‘Voor straks?’   Ze lachte krampachtig. ‘Zet hem nu ook al maar op. Werkelijk, het is geen zicht.’     Hoe ouder je wordt, hoe meer je naar de dokter zou moeten gaan. Maar elke keer dat je gaat, kan die nog minder doen dan de vorige keer. Daarom at Valère elke dag een appel om gezond te blijven. En een soldatenkoek.   Hij wist dat hij een ondraaglijk humeur had vertoond de laatste weken. Iedereen had ervan moeten lusten. Zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen, schoonfamilie, … Zelfs zijn vrienden wilden niet meer met hem kaarten.   ‘Ogen open!’ zei Mariette streng. Een nieuwe dag en weer druppels in zijn ogen, zodat hij niet dubbel zou zien.   Mariette fronste, pakte haar zakdoek en wreef zijn mondhoeken schoon.   ‘Nee!’ zei hij plots en hij sloeg haar hand weg.   ‘Valère!’ riep Mariette geschrokken.   ‘Ik ben geen gehandicapte! Stop met me zo te behandelen!’   ‘Kalm, Valère, …of-’   ‘Of wat? Of ik ga nog scheler kijken? Veel scheler dan dit kan het nochtans niet. Verdomme.’   Hij stapte naar de hoek van het appartement tussen de twee vensters en keek naar het begin van een miezerige ochtend. Hij hoorde Mariette naar de keuken stappen en met gerief beginnen rommelen.   Zijn vrouw had auto gereden, klussen gedaan, … Alles wat zijn pensioen nog betekenis had gegeven de voorbije jaren was uit zijn handen ontnomen.   En hij was dingen gaan vermijden uit schaamte. Zo was hij al weken niet meer mee gaan winkelen.   Mariette kwam uit de keuken en haalde diep adem. ‘We moeten naar de winkel,’ zei ze gerepeteerd.   Het woord viel als een bom.   Even wachtte ze nog, maar zuchtte dan, en nam de autosleutels al van de haak. Ze leek zo kwetsbaar.   ‘Wacht…, Mariette…’ zie Valère, en hij stapte naar haar toe, wreef over haar zachte handen, en nam de sleutels. ‘Laat mij gaan. De dokter zegt dat ik het kan.’   Haar gezicht klaarde op. ‘Hier is het lijstje.’   Hij winkelde niet graag alleen, maar deze keer stond er veel op het spel.     Moe van de autorit, maar tevreden van de overwinning, was de winkel donker met zijn zonnebril. Hij nam een kar en negeerde de jonge bediende die in de buurt stond.   Ze hadden de laatste weken blijkbaar de opstelling van de rayons en de producten gewijzigd. Verdomme, dacht hij, niet nu.   Iets later zat hij nog maar in de helft van zijn lijst en was hij al uitgeput. Hij zocht naar de soldatenkoeken, maar die leken wel verstopt tussen een massa andere merken. Overdaad. In mijn tijd waren soldatenkoeken nog genoeg.   Hij deed zijn ogen dicht om de gonzende hoofdpijn te sussen, en probeerde de juiste koeken te vinden door de verpakking te betasten. Gebukt en gehurkt. Zijn hele lichaam deed nu pijn.   ‘Meneer?’ vroeg plots een fijn stemmetje. ‘Kan ik u helpen?’   Hij deed zijn ogen open en zag een lief meisje van zo’n tien jaar. Voor de eerste keer in weken deed hij zijn zonnebril af.   Dat deed het meisje vrolijk hardop lachen. En ze stopte niet.   Eerst voelde hij zich beschaamd. Maar haar lach was zo aanstekelijk dat al snel de tranen uit zijn ogen stroomden. De pijn ebde weg.   ‘Ik zoek soldatenkoeken,’ zei Valère na een tijdje.   Prompt pakte het meisje een doos koeken uit het rek en gaf die aan hem. ‘Ziezo!’ En ze dartelde weg.   ‘Bedankt,’ fluisterde hij na.   En thuis zou hij merken dat het geen soldatenkoeken waren, maar zachtere koeken met een zoete smaak, en een kinderachtig beertje op de verpakking. Maar hij zou die opeten met smaak.   En erna zou Mariette zijn mondhoeken mogen afvegen.      

Han Hartmoed
0 0

Concha's kinderen

Heeft de trein naar Prades vertraging of heeft ze hem gemist vandaag? Concha kijkt eerst naar de stationsklok, dan naar het elektronisch bord en besluit dan dat hij te laat is. In ieder geval later dan gewoonlijk. Op het perron staat niemand aan wie ze het kan vragen, behalve de twee jongetjes die net als zij elke woensdag de trein nemen en bij de tweede halte, in Saint-Feliu-d’Avall, al uitstappen. Het lijkt niet erg praktisch om aan hen te vragen of ze soms weten of de trein vertraging heeft, maar ze gaat toch dichterbij staan. Ze willen immers op dezelfde trein en er is duidelijk iets niet in orde.   Nu verschijnen er rode cijfers naast het vertrekuur op het elektronisch bord. ‘Hij heeft acht minuten vertraging,’ zegt de oudste jongen half tegen zichzelf, half tegen haar. Ze knikt. Er is iets vreemds aan de jongen. Iets dat haar nieuwsgierigheid wekt en haar tegelijk op afstand houdt. Het zijn de flipflops, denkt ze eerst. Het zijn slippers met goudkleurige bandjes, een maat te groot. Misschien zijn ze van zijn moeder, denkt Concha en in gedachten ziet ze een vrouw die haar kind goudkleurige slippers doet aantrekken omdat hij de trein moet halen en hij zijn sandalen niet vindt. Het zijn die kleren ook, dat gebloemde hemd op een geruite short. En dat gezicht van die jongen. Het zijn de tanden. Nu ziet ze het. Hij heeft erg grote tanden.   De jongen glimlacht naar haar. Aan zijn gestalte schat ze hem een jaar of tien. Maar dat gezicht, die oplettende ogen, hij lijkt ouder. Het broertje -zou het zijn broertje wel zijn?- ziet er heel anders uit. Een bleek gezichtje, grote donkere ogen, lange wimpers. Een kind dat nog een kind is. Hij komt naast haar staan en pakt haar hand. Het handje plakt. Ze wil het van zich afschudden maar doet het niet.    ‘Oma,’ zegt het kind. Ze schrikt. Zie ik er zo oud uit? Ze probeert het handje los te laten, maar het houdt stevig vast. Het broertje komt ertussen.  ‘Laat los, Audric! Dat is oma niet. Oma is dood.’ Hij kijkt haar verontschuldigend aan. De trein dendert het station binnen. Acht minuten geleden waren ze nog vreemden voor elkaar. Nu stappen ze op, met hun drietjes. De oudste voorop, dan Concha met Audric aan haar hand.   ***   Voor de kinderen maakt de richting niet uit. Concha zit graag met de rug naar Perpignan en het gezicht naar Prades. Weg van haar werk in het rusthuis waar ze al vierentwintig jaar de vloeren dweilt en de badkamers poetst. Op weg naar haar appartement in Prades, met het gezellige terrasje achteraan en de smalle keuken waar ze vanavond fideuà zal koken voor haar zoon Enrique.             Ze kan nu niet denken aan Enrique en aan wat ze nog moet kopen voor het avondeten -zure room niet vergeten- want de kleinste klimt op haar knieën. Hij knijpt in haar been tijdens het klimmen en het doet pijn, maar nu ze weet dat hun oma dood is, kan ze het niet over haar hart krijgen om hem meteen van haar schoot te tillen. Audric zoekt een plekje dat lijkt op het plekje van oma, ergens in het midden van haar dijen, zodat hij stevig zit en zijn hoofd tegen haar schouder kan leggen zonder om te vallen. Concha’s handen willen hem helpen, hem tegen haar lichaam trekken, maar ze laat haar handen op de zitbank rusten.   Ze vraagt aan de oudste jongen hoe hij heet. De trein zoeft en de wagon rammelt, daarom komt hij naast haar staan.  ‘Fabien,’ zegt hij in haar oor. Fabien en Audric. Ze vragen haar niet hoe ze heet. Voor Audric is ze ‘oma’.   ‘Ben jij een oma?’ vraagt Fabien. Ze schudt haar hoofd. Ze liegt. Ze weet meteen dat ze liegt, ze was het niet vergeten, maar het is te laat, ze heeft haar hoofd geschud. ‘We moeten eruit in Saint-Féliu,’ zegt Fabien. ‘Wonen jullie daar?’ vraagt ze, om iets te vragen, om iets te zeggen, om niet meer te moeten liegen.  ‘Mama woont daar,’ zegt Fabien, ‘en papa woont in Perpignan’. ‘En wij wonen in de trein.’ Hij lacht zijn grote tanden bloot om zijn eigen grapje. Hij blijft naast haar staan in het gangpad, de voeten gespreid om zijn evenwicht te bewaren. Als de trein schommelt, houdt hij zich even vast aan de rugleuning van de bank waarop ze zit. Maar als hij in evenwicht is, houdt hij de handen in zijn zijde. Nog iets wat hem ouder doet lijken, alsof hij gehaast is om bij de grote mensen te horen.   Concha voelt zich ingepalmd, overmeesterd. Ze is te verbaasd om te denken en nog vragen te stellen. Fabien vertelt, de handen op de heupen, over mama’s huis met een tuin en een notelaar, waar ze straks noten zullen rapen -de afgelopen dagen zullen er weer veel gevallen zijn- en waar ze zullen wachten op mama, in de tuin of bij de buurvrouw soms. Audric ligt nog steeds tegen haar schouder. Een handje -niet het kleverige- dwaalt rond haar hoofd, voelt aan haar oorbel en aan de clip in haar haar. De kam komt wat los. Straks, als ze uitgestapt zijn, zal ze haar kapsel wel weer in orde maken   ***   In Saint-Féliu staan ze te zwaaien. Ze blijven zwaaien tot de trein zuchtend optrekt. Concha zwaait tot ze kramp in haar arm krijgt, tot ze uit het zicht zijn.   Waar was ze gebleven? Bij Enrique die vanavond komt eten en de fideuà die ze voor hem zal koken. De inktvis ligt al in de koelkast, vermicelli heeft ze altijd in huis. Witte wijn en zure room moet ze nog halen. Enrique zal haar ophalen en ze zullen samen boodschappen doen. Ze zal zich weer ergeren aan zijn sloomheid. Van wie heeft hij dat? Ze kan zich nauwelijks zijn vader herinneren. Hij was al weg voor zijn zoon geboren werd. Als Enrique nu eens een vrouw vond, een fijne jonge vrouw, een schoondochter. Ze zouden nog kinderen kunnen krijgen. Enrique en de schoondochter die ze in gedachten heeft, ze probeert het zich voor te stellen, maar het werkt niet. Enrique en een vrouw. Het zou een wonder zijn. En dus onmogelijk.   Bijna even onmogelijk als zelf nog kinderen krijgen. Er komen geen kinderen meer. Ook al liegt ze dat ze geen oma is, ze heeft er de leeftijd voor. Ook al ziet ze er jong uit, draagt ze jeans en sneakers, verft ze haar haar donkerrood en draagt ze grote zilveren ringen in haar oren. Ze is oma.   Ciri kent haar oma niet. Ze weet misschien niet eens van haar bestaan. En Concha weet alleen dat ze Ciri heet -aan de naam is ze gewoon geraakt- en dat ze nu negen is. Zou ze vragen stellen aan Blanca, haar mama?   ‘Heb jij een mama? Heb ik dan een oma? Waar is ze dan?’ Ze legt haar moeder op de rooster tot Blanca zwicht en zelfs inziet dat het gedaan moet zijn met die onzin. Dat zij, Blanca en Ciri, samen oma Concha zullen opzoeken. Ze woont nog steeds in dat kleine flatje in Prades. Ze zal niet verhuizen, want ze hoopt dat Blanca op een dag aan de deur zal staan. Ze zullen elkaar om de hals vallen en om vergeving vragen. Wie moet wie vergeven? Ze weten het al niet meer. Ze zullen lachen en huilen, zoals je dat soms op de televisie ziet.   Concha kijkt niet meer naar dat soort programma’s. Ze kent haar dochter. Haar koppigheid. Ze weet niet meer hoe het begonnen was, maar wel nog de woorden. Hoe gewond ze zich had gevoeld. Hoe waar het was dat ze Blanca teveel alleen had gelaten. Dat ze niet had nagedacht over wat met een meisje kan gebeuren, een kind nog. Dat ze soms bij een minnaar was gebleven in de hoop dat hij bij haar en haar zwijgzame zoon en opstandige dochter zou komen wonen. Was ze daarom slecht? Verdiende ze dat woord? Dat woord dat ze zelf nooit zou gebruiken?   De trein vertraagt en maakt een bocht. Tussen Vinça en Marquixanes komt de Canigou in zicht. Hij is grijsbruin en zwart aan de top, het is nog te vroeg voor de eerste kraag sneeuw. Ze houdt van de Canigou, van zijn massieve aanwezigheid, zoals iedereen die hier woont ervan houdt. Hij is troost en belofte voor al wie dat soms nodig heeft. Soms kijkt ze minutenlang naar de bergen vanop haar terrasje en denkt aan het land dat daarachter ligt. Ze is nooit meer de grens overgestoken. Spanje is te groot, waar moest ze beginnen zoeken?   ***   Enrique staat bij het hekje waar hij al die jaren elke woensdag staat. Nadat Blanca vertrokken was, werd het snel een gewoonte. In het begin hadden ze het nog dikwijls over Blanca gehad. Waarom toch? Waarom zo plots? Waarom was ze zo kwaad? Wat had ze misdaan? Waarom zonder adres, zonder telefoonnummer achter te laten? Enrique had geen antwoorden. Hij luisterde en knikte of schudde zijn hoofd. Hij klaagde niet. Hij zei nooit : ik ben er ook nog, mama. Hij zei dat niemand in de streek zo‘n lekkere zarzuela kon maken als zij. Ze deed haar best. Ze wou dat hij bleef komen.   Hij blijft komen. Het is een gewoonte. Nee, het is meer dan een gewoonte, het is trouw. Trouw, dat is het woord dat bij Enrique past. Sloom, maar trouw. En dan hoopt ze weer heel even dat hij iemand vindt die van hem houdt. Een vrouw, of toch iemand.   Zoals hij daar staat, de handen in de zakken. De rust, de kalmte die hij meebrengt als hij in haar richting komt en haar op beide wangen kust. Ze slaat haar armen om zijn nek.  ‘Hijo mío,’ fluistert ze. Hij maakt zich glimlachend los uit haar omhelzing en zegt dat ze laat is.    ‘De trein had al vertraging in Perpignan,’ zegt ze, ‘dat is nog nooit gebeurd. Deze niet.’   Ze ziet weer de rode cijfers op het bord, ze denkt aan de warme adem van Fabien in haar oor, ze voelt nog wat plakkerigheid in haar hand. En ze weet zelf niet zo goed wat haar zo blij maakt.  

Christine Van den Hove
7 0

Passage uit manuscript Douceurtje

‘Ik ben spiritueel aan het ontwaken,’ zei Robin op een vrijdagavond. Ik gooide de koekenpan en het schuursponsje in de wasbak en draaide me om. ‘Je bent wat?’ vroeg ik. Ik moest moeite doen om niet in lachen uit te barsten. Of in tranen. ‘Spiritueel aan het ontwaken,’ zei hij nogmaals. Hij ging zitten in de brede vensterbank, pakte een van de kussentjes en legde die in zijn rug. ‘Ik ontwaak ook iedere morgen,’ zei ik, ‘maar dat doe ik bij voorkeur met een kop koffie.’ Robin schudde zijn hoofd. ‘Je begrijpt het niet. En dat is oké. Een ieder heeft zijn eigen pad te volgen. Mijn pad wordt me steeds duidelijker. Ik voel de energie stromen,’ zei hij, terwijl hij uit het raam staarde. Hij trok zijn benen op, zette zijn blote voeten ook op de vensterbank en wreef met zijn handen over zijn tenen. ‘Is dat wat ze je leren op die reiki-cursus die je volgt?’ vroeg ik. Robin legde zijn handen op zijn knieën. ‘Vanwaar die woede?’ ging hij op zachte toon verder. ‘Omdat ik je godverredomme helemaal niet meer herken, Robin!’ riep ik. ‘Vroeger was je tenminste normaal. Nu lijk je wel een verstandelijk beperkte hippie. Hou toch eens op met dat gezweef. Lul!’    ‘Waar het verstand ophoudt, begint de woede,’ antwoordde hij, ‘daarom is woede een teken van zwakte.’ Met tranen in mijn ogen draaide ik me om en ging weer verder met het afwassen van de aangekoekte koekenpan. Ik schuurde net zo lang en net zo hard met het sponsje, totdat de anti-aanbaklaag aan het verdwijnen was. Net zoals mijn gevoelens voor Robin. ‘Het lijkt me verstandig als een van ons een tijdje uit logeren gaat,’ zei Robin. ‘Ik heb ruimte nodig om verder te groeien. Dat kan niet in deze negatieve energie.’ Ik smeet de koekenpan in het afdruiprekje. ‘Prima!’ schreeuwde ik. ‘Blijf jij maar lekker hier. In je dorp. In je wierookhol. Geniet ervan.’ Ik rende de trap op, griste wat kledingstukken bij elkaar en smeet ze in een tas. Zonder wat te zeggen liep ik langs Robin, die nog steeds in de vensterbank zat. In mijn kleine, zwarte autootje reed ik terug naar Amsterdam. Op de hoek van de Leliegracht liet ik me vollopen met alcohol. Midden in de nacht slenterde ik huilend naar Lotje. ‘Hij trekt wel weer bij,’ zei ze, ook met een flinke slok op, ‘hij gaat je heus wel missen.’ © Juliëtte Rosenkamp www.julietterosenkamp.nl

Juliëtte Rosenkamp
0 1
Tip

Wijn met een rietje

'Wat wil jij drinken, opa?' vraag ik. Het duurt even voordat er een reactie komt. 'Doe mij maar een witte wijn,' antwoordt hij, al is het nauwelijks te verstaan. Alleen het woord 'wijn' komt er nog duidelijk uit, de rest is gebrabbel. Maar ik ken zijn intonatie en daarom weet ik wat hij bedoelt. De gastvrouw kijkt mij aan. Ze wacht zeker totdat ik een goedkeurend knikje geef. Ze zal zich vast afvragen waarom deze man, in zijn driedelig pak en met zijn hoedje op, om half elf 's morgens een wijntje wil. In de wereld van mijn opa is het niet meer ochtend, middag of avond. Hij weet niet eens welke dag het is. Het enige wat hij wil is zijn pak aan en met me mee naar het restaurant van het verzorgingstehuis. En dat doe ik, elke dag. Ik haal hem op van zijn kamer, help hem in zijn rolstoel en rij hem hier naartoe. Ik herhaal de bestelling: 'Een witte wijn voor mijn opa, met een rietje graag'.   Met een servetje veeg ik wat broodkruimels van opa's lippen. Vroeger, toen ik nog klein was, liet hij vaak expres kruimels op zijn lippen zitten. En ondertussen maar doorpraten en doen alsof hij niks in de gaten had. Hoe smeriger ik het vond, hoe meer lol hij erom had. Tegenwoordig is het geen grap meer. Hij heeft het niet meer in de gaten. De kruimels op zijn lippen zitten er en blijven zitten totdat iemand ze wegveegt. Als hij probeert te praten, zie ik ook restanten van zijn ontbijt. Ik voer opa een slok wijn. 'Neem maar een goede slok,' zeg ik, 'dan kun je meteen die stukjes brood wegspoelen.' Braaf doet opa wat ik hem opdraag. Ik breng het rietje naar zijn mond en hij slikt.   Een eindje verderop, bij de schuifdeur, staat mevrouw Kers. De deur gaat niet open. Daarvoor moet je de code kennen en die weet ze niet. Mevrouw Kers heeft haar jas aan en ze houdt haar handtas stevig tegen zich aan gedrukt. Een paar dagen geleden is ze ook opgenomen op deze gesloten afdeling van het verzorgingstehuis. Ze is de nieuwe buurvrouw van opa. Als ik naar haar toe loop, raakt ze lichtelijk in paniek.  'Ik moet naar huis,' roept ze en bonkt op de dichte deur. 'Ik moet hier weg.' ‘Waarom wilt u naar huis?’ vraag ik. ‘Ik heb jonge kinderen,’ roept ze, ‘en die zijn helemaal alleen thuis.’ Ik leg een hand op haar schouder. ‘Zal ik straks even bij uw kinderen gaan kijken?’   Mevrouw Kers knikt. ‘Als dat kan, heel graag.’ 'Kom,' zeg ik en begeleid haar naar haar stoel, ‘over tien minuten gaat u eerst lekker eten.’ Opa heeft niet eens in de gaten gehad dat ik even weg was. Zijn ogen zijn dicht. Hij zit te sukkelen. In zijn hand houdt hij een denkbeeldig glas vast en brengt het naar zijn lippen. Vlug pak ik zijn echte glas en breng het rietje weer naar zijn mond. Opa neemt een slok en zet zijn fictieve glas terug op tafel.    De liftdeuren gaan open. Oudjes in rolstoelen worden door verpleegsters binnen gereden. Enkele, enigszins mobiele senioren wandelen erachteraan met een rollator. Ze gaan zitten in een kring en de begeleidster zet een CD aan. De Oudhollandse liederen worden meegezongen door enkelen. De rest zit er voor spek en bonen bij. Opa's ogen zijn nog steeds gesloten. Ik vraag me af waar hij over droomt. Is hij bang? Verdrietig? Of zit hij gewoonweg in een eeuwigdurende roes? Wat zal er in dat kopje van hem omgaan? Mevrouw Kers staat opnieuw bij de schuifdeur te roepen dat ze naar huis moet. De verpleegkundigen zijn druk bezig met de steunkousen van mevrouw Maandag en het voeren van appelmoes aan meneer Ten Dam. Ik besluit de oude dame nogmaals te helpen. ‘Geen zorgen,’ zeg ik, ‘straks ga ik bij uw kinderen kijken.’ Mevrouw Kers kijkt me verbaasd aan en begint hard te lachen. ‘Kinderen? Ik heb helemaal geen kinderen.’ ‘Maar zojuist vertelde u over uw kinderen…’ Resoluut schudt ze haar hoofd. ‘Nee hoor, dat heb ik nooit gezegd.’ ‘Dan heb ik het vast verkeerd verstaan,’ antwoord ik. ‘Komt u maar met mij mee.’ Mevrouw Kers loopt aan mijn arm mee en gaat weer zitten op haar stoel bij het raam. Ze zwaait naar wat voorbijgangers op straat. Bij het horen van de muziek beweegt ze haar hoofd en handen aritmisch mee.   'Geef mij maar Amsterdam' wordt afgesloten met een daverend applaus door de activiteitenbegeleidster en de anderhalve paardenkop die meegezongen heeft. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat mevrouw Kers weer aanstalten maakt om naar huis te gaan. Voordat de warme maaltijd geserveerd zal worden, is er nog tijd voor een liedje. Het betreft een verzoeknummer, vertelt de begeleidster. Even is het stil. Mevrouw Kers blijft ook even stilstaan. Dan klinken de eerste klanken van 'Mijn opa'. 'Mijn opa, mijn opa, mijn opa... In heel Europa was er niemand zoals hij..' Er verschijnt een glimlachje op opa's gezicht. © Juliëtte Rosenkamp www.julietterosenkamp.nl

Juliëtte Rosenkamp
41 1