Lezen

Er is geen ander zoals ik

Het trekwerk heeft vandaag betrekking hoe we tegenover onszelf aan staan Materie waar we ons zoals altijd aandachtig in begeven Maar waar ergens is de start van zoiets als dit gedicht deze oase van trillingen trillingen spanning maar ook trillingen ambivalenties of trillingen coherentie die de schikking van de woorden betekenis geeft, waar de woorden eigenlijk pas doorslaggevende woorden worden?   De start lieveling, bestaat uit de reflex dit te lezen Zonder het publiek was de beste dichter eindelijk misschien doodgewoon Dichters zijn meestal niet gewoon; maar ze zien de poëzie niet meer overal   We spreken een taal en dat is bij toeval de taal van de dichters De beste boswachter was ooit een stroper zegt Martijn en hij heeft gelijk Dit is zoals alle andere gedichten een gedicht voor de buiten-ge-schopten diegenen die met mij mee willen dichten en ietwat een vertekend beeld van de omstaanders overhouden in het laatste licht van de dag met de laatste paar ogen die ze hebben gekregen hier is jouw laatste paar ogen, vertel me wat je ziet -om zich heen klauwend voor houvast Ik richt mij tot jouw innerlijke enfant terrible Verbinding tussen de verstekelingen gebeurt nooit zonder verstekelingen Wat er aan te pas komt, is tegenstrijdige persoontjes die met kleine hartjes de toekomst beginnen in te kleuren, waar ik nu lustig over schrijf   Neem me niet verkeerd, ook dit is een trucje Wie zegt dat trucjes niet werken?   Is iedere emotie niet het willen geloven van de perceptie? Afgezien van jou, is iedereen slaafs aan het verlangen dat iets of iemand impact op jou heeft Jou wil ik doen geloven dat je boven jezelf uit kan stijgen Vreemd genoeg is dat misschien wel de manier bij uitstek om boven jezelf uit te stijgen   Dit neemt niets weg Jij bent en blijft een verpeste versie van wat had kunnen zijn Het niet vervolledigde potentieel omsluit alleen nog maar meer potentieel Jij bent en blijft schuldig achter met jezelf in situatie na situatie verbeten jezelf zijn   Vertel me: is er niemand die ziet wat ik zie Ik zou je liever mijn ogen geven Hier, zie wat ik zie en probeer er maar eens hetzelfde mee te doen

Dries Verhaegen
12 1

Daim

Uiteindelijk is alles Een. Er valt misschien tot geen andere conclusie meer te komen. Het voelt de laatste tijd als een gegeven. Man ligt op sterven. Intrinsiek een mooie man. De man had vroeger een spoorbaan. Geen spoormaatschappij of snelheidstreinproject, nee, eerder iets kleins. Een treinbaan. Hij was schoenmaker en de treinbaan stond te midden van zijn atelier, een grote werkplaats achteraan het huis, waar het altijd lekker naar leer rook en alles proper opgekuist en opgeruimd erbijlag. Vanwege de mans toewijding is de spoorbaan meer geworden dan een enorme eiken tafel, meer dan zomaar de optelsom van de onderdelen en panelen, aaneengeschroefd buiten de zichtbaarheid met heftig ingewikkelde betimmering, die op een manier knullig was. De betimmering, ach, was knullig geweest om een specifieke reden. De man haalde daar namelijk meer plezier uit dan wanneer hij de perfecte volmaakte onderconstructie zou hebben gelast. Dat wist hij zeker. Waarom? Geen idee. Is dat belangrijk? Hij zou ze na een tijd weer afgebroken hebben, de volmaaktheid, om opnieuw te beginnen. Wat blijft er zo plezierig aan volmaaktheid? --- Het  waren zulke sullige vragen waar de man zich onder het werk had mee beziggehouden, terwijl hij eigenlijk wat meer had moeten feestvieren, buurten en genieten. Maar hij had ingetogen genoten op zijn eigen manier, die soms wat moeilijk met iemand anders was te delen. Aandacht had hem doen blozen maar bekeken en betrapt voelen. Hij kende een paar lotgenoten, dus was hij niet alleen. The chase is better than the catch, had hij onderweg ergens opgevangen, hij wist bijgod niet meer waar, maar zeker niet uit de krant, daar heeft hij nooit veel diepzinnige dingen in mogen lezen .. wel veel visgraat in verpakt .. nee, het moet uit een boek geweest zijn dat toevallig in de salon was beland, en later, knip, werd overgeplakt in een liedje van de Scooters op de radio over een vis .. Zo verschijnt het allemaal nog waterig, vaag en grijzig zijn oude vernielde hoofd binnen .. Het zijn als iele slierten wolken die uiteengereten voorbijdrijven. Zijn lijf vindt niet de kracht meer om het allemaal nog in vaste vorm te musteren. Langzaam laat het leven dat vehikel dan maar los. Het is op. --- Er bestaan nochtans een paar dingen die aardig in de buurt van perfectie komen, vond de man vroeger, dat klopt. Neem bijvoorbeeld dat kleine snoepje Daim. Schijnbaar de perfectie zelve. Een productje dat af is. Pas wanneer je langs huisarts Janssens passeert die pleit voor mate met elk soort van genot, ook met Daim, ook met melk, dan pas daagt het in je hoofd als een minuscule dageraad dat die kleine imperfectie van dat karamellen snoepje, uitgedrukt in calorieën, er helpt voor zorgen dat je moet weerstaan aan overdadige genotszucht indien je nog ten volle van een klein genot wil blijven genieten. Geniaal, eigenlijk. Maar men staat er misschien te weinig bij stil. Zo werd er door de man ook over zijn spoorbaan gedacht, op een manier. --- Hij was natuurlijk liefst -het was zijn grote droom- in staat geweest om zelfstandige AI-wezentjes te creëren die hem konden helpen bij het organiseren en onderhouden van spoorbaan. Hij zou hen de uiterst mogelijke vrijheid hebben geschonken om dat te doen en er daarnaast ook veel plezier aan te beleven enzoverder. En hij was daar ooit misschien wel in gelukt. Mocht hij oud genoeg geworden zijn, tenminste. Oneindig oud. Stel nu. Letterlijk oneindig oud .. Zo oud dat zijn eigen naam hem niet veel meer kon schelen. Dan was dat op een keer wellicht gelukt, ja. Zoals zoveel.  

Lucien Haentjens
397 5

Heerlijk vreemd

‘Moet jij er nog één?’ vraagt ze me. Haar ogen staan serieus, niet langer meer begeesterend en excentriek, zoals ik haar ken. Na enkele seconden kan ik haar blik niet meer vatten, sla mijn ogen neer, en wrijf mijn handen af aan het gras. Een bruin eiken blad blijft aan mijn vingers kleven. Verloren laat ik het er hangen, tot het opnieuw de weg naar de humuslaag vindt. Ik voel me net zoals het mos van de boomstronk waar we op zitten: een spons, die in plaats van water allerlei emoties opslorpt. ‘Geef me er nog maar één.’ Ik kijk haar recht aan en zie hoe de blik in haar ogen verandert. De flikkering die ik al zo lang miste: dáár is ‘ie weer. “Zo één?” Al lachend laat ze een kwartje van een vijg tussen haar wijsvinger en duim balanceren. Ik kijk, wachtend tot het stuk fruit als een Icarus vanzelf richting mijn mond zal vallen.  Ze steekt stoutmoedig het stuk hoger in de lucht, alsof ze het richting de laagstaande herfstzon wil opsturen. Een tevergeefse poging om het verdwijnende hemellichaam terug op te roepen?  ‘Liz, stop er mee’, brom ik haar toe. ‘Vic, je weet niet wat je wil.’ Haar ogen staan tegelijkertijd ernstig en toch blijft de flikkering tegelijkertijd, als een zonnetje in haar ogen schitteren. ‘Oké, hier is ie, proef ‘m dan.’ Ze gooit me met een grijns het stuk vijg toe en met één welgemikte beet hap ik het uit de lucht. Ik zuig de zoete smaak naar binnen, en knabbel het velletje kapot zodanig dat het vruchtvlees mijn smaakpapillen bereikt. Speeksel vormt zich in mijn mond en ik geniet van elke hap.  ‘Hier’, nu gooit ze me een spuuglelijke dadel toe. Behendig hap ik die alsook uit de lucht. Na drie keer knabbelen, spuug ik de pit uit. Als een kanonschot knalt het tegen het tinnen schaaltje met afval, dat verloren gewaand op het picknickdeken voor ons ligt. Het geluid blijft nazinderen in mijn oren, waar de tinnitus toch al zoemt, zoals het geluid dat energetische bijen produceren nadat ze uit hun honingroes ontwaken.  Liz schaterlacht luttele seconden nadat de explosie onze oren bereikte. Het enige wat ik kan doen, is haar vergezellen in haar gelach. Ik voel hoe mijn wangen de kleur van datzelfde verorberde exotische fruit aannemen. Naar adem happen, hoor ik haar nog net uitbrengen: “jij bent zo heerlijk vreemd.” 

Zonsondergangdromen
15 1

Sint Antonius

Achter in de verhuiswagen rijd ik samen met mijn broers en zussen naar onze nieuwe woonst in de Sint Antoniusstraat. Op het eerste zicht lijkt het een grauwe buurt. Dat komt niet door de huizen, maar door de donkergrijze aarde in de brede zandstraten. Aan het eind van de straat staat links een kapelletje dat aan de heilige is gewijd. Rechts ligt een korenveld met daarachter een bosje, waarin tussen de bomen en het struikgewas een heuveltje is met geel zand en een ondiep ven.   Ik maak al snel kennis met de vele kinderen in de wijk. Soms wordt er in een van de vele tuintjes kattenkwaad uitgehaald, maar meestal ravotten we op straat. We maken ‘potjes’ voor de knikkers, springen met één been op het zelf getekende hinkelraster of scoren goals tussen stokken in de grond. Soms val ik en krijg een hap van het zand binnen, tot groot jolijt van de toekijkers. We zingen ‘Antoinette, wie heeft de bal’ en halen de gekste toeren uit met onze springtouwen. In het bos bouwen de grote jongens kampen. Met lange boomtakken roeren we in het slijkerig water van het ven. We noemen het morken*. De tak van mijn zus breekt en ze belandt pardoes in de vieze brij. In de oogstmaand klauteren we hoog boven op de hooikar van de boer en overzien ons speeldomein.  Dan gebeurt het. Op een zonnige dag valt het spel stil. We horen een vreemd brommend geluid. Iedereen tuurt met open mond naar het begin van de weg. In een stofwolk nadert er iets zwarts. Het is de allereerste keer dat een auto onze straat binnenrijdt. Wat een belevenis! Iedereen stuift naar de kant. Tot mijn grote verbazing draait de wagen en staat stil voor ons huis. Ik herken mijn oom. Mijn moeder vertelde dat hij een handelsreiziger is in sigaren. Zodra mijn nonkel binnenshuis is, vormt zich een zwerm van kinderen rond de wagen. Het lijkt wel een bijennest. Buiten de voiture die bij de huisdokter op de oprit staat, kennen wij auto's meestal uit stripverhalen. De oudere jongens gaan in discussie. Iemand beweert dat de wagen een Citroën Traction Avant is. Nieuwsgierig glip ik ongemerkt naar binnen en hoor moeder praten met haar broer. Zij hebben het over mijn nakend communiefeest. Ma zegt dat oom en tante uitgenodigd zijn.‘Dat is vriendelijk. Weet je wat? Ik kom jullie halen om met de auto naar de kerk te gaan’, reageert nonkel.Ik kan mijn oren niet geloven. Superblij ren ik weer de straat op om naar de zwarte citroen te kijken, maar ik verklap niets. Wat gaat iedereen opkijken als ik straks vanop de donkerrode achterbank naar hen wuif. * dit had avant la lettre een jeugdwoord van het jaar kunnen zijn

Vic de Bourg
19 3