Lezen

MINT

MINT Vandaag rijdt de wereld geruisloos.
 Niet omdat hij verbeterd is,
 maar omdat jij naast me loopt.   Stoplichten knipperen 
alsof ze eindelijk begrijpen
 dat haast een slecht ontworpen religie is.   We lachen om een hond
 die blaft naar zijn eigen echo.
 Het is belangrijk.
 Alles is belangrijk
 wanneer liefde de zwaartekracht
 heel even herschrijft.   De lucht doet zich voor
 als iets dat altijd zo blauw is geweest.
 De bomen applaudisseren 
zonder handen.
 Zelfs de wind 
lijkt zijn excuses aan te bieden.   Misschien is geluk
 geen bestemming. 
Misschien is het een verkeerslicht 
dat precies lang genoeg op groen blijft
 om te geloven
 dat toeval ook een vorm van genade is.   Jij zegt niets. 
Ik antwoord met hetzelfde.
 Onze stilte heeft betere ideeën 
dan de meeste regeringen.   En kijk ons.
 Twee lichamen
 die doen alsof ze weten
 hoe de toekomst werkt. We weten niets.   Alleen dat de dag 
ons heeft uitgekozen 
als tijdelijke ambassadeurs
 van iets zachts.   Morgen zal de stad
 haar machines weer starten.
 Facturen.
 Nieuws.
 Sirenes.
 De gebruikelijke liturgie
 van bijna vergeten dromen.   Maar vandaag is elke straat nieuw asfalt,
 elke adem
 een ongeopende brief,
 elk hart
 een motor die eindelijk loopt
 zonder zichzelf te willen bewijzen.   Als dit een vergissing is,
 laat haar dan nog één rood licht duren. Als dit liefde is,
 hoeft niemand haar uit te leggen.   We stappen in.   Niet in een perfecte auto.   In een perfecte richting.     Tekst : Manfred 06/07/2026 Foto : Manfred

Manfred
5 2

Bezet

‘Er is plaats zat.’ Veerle en ik stommelen met onze koffers en rugzakken de wagon binnen. We installeren ons knus op twee brede tegenoverliggende banken. De trein hijgt zich krakend en piepend op gang, als wordt hij uit een diepe slaap geschud. Een Belgische trein in Maastricht.  Ik kijk rond in de zo goed als lege wagon. Op de bank naast ons zit een broos bejaard dametje, gehuld in een te wijde beige regenjas. Op haar smalle schoot staat een te grote bruinleren handtas. Haar grijze lokken zijn opgestoken in een oma-dotje. Wakkere oogjes achter een hoornen bril kijken ons onderzoekend aan. Ik knik. Ze grijpt haar tas iets steviger vast.  Ze zit recht tegenover het toilet. Het rode lampje brandt fel en geeft zo een frivool tintje aan de schaars verlichte treincoupé. Buiten miezert het alweer. Snelle stappen. Een jongeman klampt zich vast aan de handgreep van de gesloten deur als aan een reddingsboei. Nerveuze klopjes terwijl hij heen en weer wiegt.  ‘Je ziet toch dat het bezet is! Even ophouden!’ keft het vrouwtje met een zwaar Limburgs accent. Met dichtgeknepen billen en waterige ogen drentelt de jongen nog een paar minuten en druipt dan zuchtend af. Ik heb met hem te doen. Hopelijk is er nog een tweede WC op dit korte treinstel.  ‘Hij zit daar al van minstens drie haltes geleden,’ richt het besje zich tot ons. ‘Een oud mannetje. Met een hele grote boodschap, haha. Misschien voelt die zich niet lekker, zijn tikker of zo.’ Ze laat haar woorden op ons inwerken. Snuift dan. ‘Iemand zou dit de treinbegeleider moeten melden, toch?’ Ze kijkt me vol verwachting aan. Ze beleeft nog eens wat, zo.  Een eind verder op het gangpad verschijnt een blauwzwarte kepie. Ze merkt het niet. Maar ik blijf zitten. Hij komt nog wel deze kant op. We zwijgen alle drie, luisteren naar de stilte, die als een slang vanonder de gesloten deur sluipt, en het ritmisch gedender van de wielen nog versterkt. Plots schettert marsmuziek uit de tas van het omaatje. Na twee coupletten lang scharrelen duikelt ze een mobieltje op. ‘Ik kom er zo aan,’ gromt ze, met een blik alsof ze net vóór de ontknoping van de film de zaal uit moet.  Tegen zijn zin komt de trein knarsend tot stilstand. Eijsden. Ze grabbelt naar haar tas. Stapt fluks uit zonder ons nog aan te kijken. Twinkelden haar ogen?  Wij dragen nu de verantwoordelijkheid over het bezet toilet. Over hoe de film afloopt. Ik verzin scenario’s. De noodrem, de ambulance, onze aansluiting in Luik gemist. Veerle en ik onder kruisverhoor. ’Misschien is hij enkel in slaap gevallen,’ probeer ik. Of is het een zwartrijder.’ Veerle knikt onzeker. ‘Reisbewijzen alstublieft.’ Ik zet me schrap. Zoek bevend de tickets op mijn smartphone. Probeer zo gewoon mogelijk te klinken, en knik nonchalant naar de toiletdeur. ‘O ja, er zit blijkbaar al een hele tijd iemand op, volgens een mevrouw hier.’ Ik wijs naar de vage afdruk op de lege bank.  ‘Oh, niet mogelijk,’ lacht hij in gebroken Nederlands. ‘Ik heb het deze morgen afgesloten, wegens defect. Heb ik ook aan die madame hier gezegd.’ Ik bloos. Natuurlijk. Hij scant onze tickets, twee bliepjes. Dan monkelt hij, ‘Elle vous a bien eu, eh.’   (gepubliceerd in Alice, literaire katern bij Schrijven Magazine, nummer 03 2025)

Dirk Otte
11 1

Een echte man

Joost luistert ademloos naar zijn beste vriend Dave. Zijn vriend is al enige tijd fan van influencer Andrew Tate. ‘Je moet je gewoon gedragen als een echte kerel, Joost. De natuur heeft het zo bepaald. Vrouwen willen een leider. Geen watje. Joost heeft een paar dagen geleden een leuk meisje in de bibliotheek ontmoet. Hij heeft de stoute schoenen aangetrokken en haar vervolgens mee uit gevraagd. Ze gaan naar de bioscoop. De adviezen van Dave heeft hij goed in zijn oren geknoopt. Na afloop van de film drinken ze nog een drankje en hij biedt zijn date Estelle aan om voor de veiligheid mee naar haar huis te lopen. De buurt waar ze woont staat niet bepaald bekend als veilig. Eenmaal bij haar huis aangekomen vraagt ze hem spijtig genoeg niet mee naar binnen voor nog een drankje. Joost baalt, maar als echte man laat hij zich niet afschepen. Hij trekt Estelle naar zich toe en steekt zijn tong in haar mond.  Ze duwt hem van zich af. ‘Dit gaat wel erg vlug, Joost. Ik heb een heel gezellige avond gehad, maar ik ga nu naar bed. Ik moet morgen heel vroeg op.’ De woorden van Dave weergalmen in zijn hoofd. Vrouwen willen dat je dominant bent, Joost. Laat je niet afschepen.  Hij trekt Estelle opnieuw naar zich toe. Haar vuistslag treft hem vol op zijn neus. Hij hoort iets kraken. ‘What the fuck. Je hebt mijn neus gebroken, bitch.’ ‘Jij mag blij zijn dat het alleen jouw neus is, loser. En nou oprotten.’ Joost strompelt weg. Hij moet naar de eerste hulp. Als hij voor de ingang van het ziekenhuis staat belt hij zijn moeder. ‘Mama, ik sta bij het ziekenhuis, Ik heb verschrikkelijk veel pijn. Kun je alsjeblieft snel hiernaartoe komen.’  Hij barst in snikken uit. ‘Mama komt eraan, jongen.’    

Elle Hart
14 1