Lezen

Mijn moeder

    In de kleuterschool vroeg mijn beste vriendje of ik later, wanneer we groot waren, met hem wilde trouwen. Ik aarzelde om op zijn aanzoek in te gaan, want er was iets nog niet helemaal duidelijk : mag je, als je trouwt, bij je moeder blijven wonen? Na even nadenken stelde hij me gerust: hij dacht dat het wel kon, en hij leek er zelf geen bezwaar tegen te hebben. Ik had een knuffelbeer, Jan. Hij zag er niet uit: één poot hing er nog half aan, hij miste een oog en zijn gele, zachte pels was vuil en grauw geworden. Mijn moeder vond dat hij zijn beste tijd gehad had.'Zouden we die oude, versleten Jan niet weggooien?' Ik was verontwaardigd: 'Wie gooit er nu zijn kind weg?' Moederliefde. Ik kreeg het van mijn moeder en gaf het door aan mijn knuffels. Ik ben nooit getrouwd en heb geen kinderen, maar dat doet er hier niet toe.                                                                     *** Het is bijna moederdag en elke dag zie ik op tv dezelfde reclamespot voorbijkomen: 'Ik ben blij dat ik steeds meer op je lijk.'Er zit iets in. Ik hoor mezelf iets zeggen en het is alsof ik mijn moeder hoor praten. Dezelfde woorden, op dezelfde manier uitgesproken. Mijn moeder was sterk in tegeltjeswijsheden. Dingen als: 'Draai het blad maar om' of 'De slimste zwijgt.'Ik vertel ook steeds vaker dezelfde verhalen.'Mama, dat verhaal heb je nu al honderd keer verteld.''Ja, maar…' en ze ging onverstoorbaar verder, en ik hoorde het voor de honderdeneerste keer. En nu zegt mijn petekindje : 'Dat heb je al gezegd. Al drie keer.' Het zit ook in de kleine dingen: op dezelfde manier soep eten, in een appel bijten, op mijn horloge kijken. Over iemands schouder meelezen — ik vond het zo irritant wanneer ze dat deed. Ik zie dingen niet die vlak voor mijn neus staan. Ik loop verzonken in gedachten over straat en merk niet dat iemand naar me zwaait. Dat heb ik allemaal van haar. Ze was als kind verlegen en stil, vertelde ze. Net zoals ik. Hier houdt de vergelijking op. Ik heb haar alleen gekend als iemand die altijd bezig was, het goed kon uitleggen en als geen ander kon organiseren. Zeven kinderen grootbrengen, voltijds lesgeven en dan nog voorzitster zijn van de Boerinnenbond.Truien breien, gordijnen stikken.  Doe het maar eens na. Ik ben al moe wanneer ik eraan denk. Hoe deed ze het? Waar haalde ze die energie? Hoe werkte haar hoofd? Had ze allemaal verschillende schuifjes die ze opendeed en weer dicht? Eén voor de kinderen, één voor de kleinkinderen, één voor haar bond, één voor de les die ze ging geven, en ga zo maar door. Schuifje open, schuifje dicht, volgend schuifje open.In mijn hoofd blijven de schuifjes haperen, of ze springen allemaal tegelijk open en alles valt eruit. Moet ik alles weer oprapen en steek ik het in de verkeerde schuifjes. ‘Ja, papa, het is Ilse, is ons mama daar?’ Mijn moeder was het centrale aanspreekpunt, maar jammer genoeg ook de botsabsorbeerder van de familie. Want als je zeven kinderen hebt, is er altijd wel iets, met iemand.  In de slaapkamer van mijn ouders hing een tegeltje:‘Heb vertrouwen. God is liefde. De mens is goed.’ Soms wilde ik dat ze dat wat minder geloofde, het had haar wat miserie bespaard.                                                            *** 'Ik heb het begin van Parkinson.' Ze zei het zo nuchter en zonder dramatiek, alsof het ging over een tand die getrokken moest worden, dat het eerst niet goed tot me doordrong.Beetje bij beetje zagen we hoe ze achteruitging. Hoe ze steeds moeizamer stapte, eerst met een wandelstok, aan de arm van mijn vader. Dan met een rollator, tenslotte een rolstoel. Familiehulp - die maakte slechte, zoutloze soep, klaagde papa. Dagopvang, nachtzorg. En dan de terminus: het woonzorgcentrum.                                                              *** Mijn vader kijkt naar de koers en mijn moeder zit in haar relax en staart mee naar het scherm, met een glazige blik. Ze lacht wanneer ik de kamer binnenkom.‘Ben je met je nieuwe fiets gekomen? Je hebt een mooie trui aan.' Dat doet ze altijd : de ene keer geeft ze een compliment over een trui, dan over een broek, een jas, schoenen. Haar kamer hebben we zo gezellig mogelijk ingericht, met veel foto’s: kinderen, kleinkinderen, nu zelfs achterkleinkinderen — ze lachen haar allemaal toe. Ze zegt dat ze verdrietig is, elke keer wanneer ze naar de foto van mijn broer kijkt.Er komt een verzorgende binnen, ze brengt een drankje en blijft even babbelen.‘Iedereen is vriendelijk,’ zegt mama. Doe normaal, denk ik, mijn moeder is toch geen kleuter. 'Vertel eens, Leake, hoeveel kinderen hebt ge?''Ik had er acht, nu nog zeven.'Nu moet ik haar toch corrigeren.'Nee, mama, je had er zeven en nu nog zes.' ‘Blijf je eten?’ ‘Nee, mama, dat gaat toch niet.’ ‘Ik zou niet weten waarom niet.’ We brengen haar naar de eetkamer, mijn vader smeert haar boterhammen,  giet haar koffie in en doet haar een grote slab om. Ze vraagt of ik ook een boterham wil.                                                                         *** Ze moet naar het ziekenhuis, het gaat steeds slechter. Ze heeft koorts, ijlt. Pas wanneer de koorts zakt, mag ze naar huis, naar haar kamer in het woonzorgcentrum. Ze is beter, denkt mijn vader. Ze wordt niet meer beter, weten wij.   Pling! Een bericht in de familieapp: het gaat niet lang meer duren. Familieleden wisselen af aan haar bed, maar dat weet ze niet. Ik moet af en toe naar het toilet om stilletjes te wenen. Op Facebook krijg ik hartjes en troostende berichtjes. Ik bedank en schrijf:‘Ik ben verdrietig omdat ze er niet meer is. Ik ben opgelucht omdat ze geen pijn meer heeft.  En ik ben blij omdat ik een lieve mama had.’  

Ilse Janssens
0 0

Oprecht bedankt aan jullie!

Dank u schrijfforums waar dan ook   * Eerst en vooral: dank u aan de kleine Wattpadgroep die al eens komt neuzen op mijn account en zo nu en dan een lief woordje dropt bij een tekstje die al dan niet een lief woordje verdient. Het schrijven voor iemand, zonder te moeten voldoen aan 'tropes' en eisen van hedendaagse boeken is heerlijk. Wattpad is de plek voor ongeremde fantasie, toch voor mij. Het feit dat ik het mag en kan, heerlijk! Het is dankzij die peptalk dat ik geloof dat ik 'een origineel verhaal' in elkaar kan boksen. (Wat niet gelijk is aan goed schrijven, zee van verschil. Maar verhalen moeten op één of andere manier verteld worden en u wilt niet dat ik ze op muziek zet, geloof me.) * Sterretje twee is voor AZERTY. Voor de kans en de voorzet. Ik ben me er van bewust dat 'grote verhalen' hier niet echt passen, of dat gevoel heb ik toch. Dus ik hou me in  :) Maar ooit, niet zo heel lang geleden, dropte ik hier een stukje tekst met de vreemde titel :'De zeven Zegeningen van Draak Morophin'. Over een jongeman die tegen zijn goesting op de meest dure unief zat terwijl hij eigenlijk gewoon dierenarst wilde worden. Niet dat zijn ouders niet openstonden voor deze optie maar toch maar eerst dat diploma op zak hebben. Kon hij dierenarst worden in zijn vrije tijd, als hobby. Zijn broek slijten op de schoolbanken was niet zijn ding. En dan doet er zich een pracht van een gelegenheid voor: iemand kan best wat hulp gebruiken bij een ontsnapping, perfect voor studenten die zich vervelen.  Voor de één is het een soort van vakantie. Voor de ander staat zijn leven op het spel. Het kan al eens verkeren.  Bij deze: De Zeven Zegeningen zit sinds vorige week in een pracht van een cover! Niet mijn bijdrage maar het mag gezegd worden. Ik schreef het verhaal af nadat ik hier tip van de week mocht worden. Zonder plan, zonder ambitie voor wat dan ook. Geluk heeft er veel mee te makenKansen krijgen ook. En de wil om te verbeteren, te herschrijven, opnieuw te schrijven, te corrigeren, te sleutelen en daarna toch nog eens opnieuw te beginnen met dat ene stukje wat stroef loopt.Het was zalig! En nu voor echt. Dus oprecht bedankt aan al wie het stukje las en mij het gevoel gaf dat het kan groeien als ik er maar mijn schouders onder stak :) Tot de volgende keer, Kat.      

De Donderklif
11 1

Pluk nog wat bloemetjes

Wat kan ik nog doen? Ik moet iets doen. Ik moet moedig zijn en ga gewoon het bos in. Ik zie wel wat er op mijn pad komt. Gisteren werd ik door die kippenboeren weggejaagd. We hebben ver gelopen en nu zijn we moe. Ik moet dringend voor eten zorgen. En wel genoeg voor mijn 5 welpen. Ze slapen nu rustig onder de grote boom. De eerste grote boom na de mensenwijk. Ze zijn een beetje op. Het gejoel en de schoten in de lucht hebben hen angst aangejaagd. Ik zie Minnie nog wat na bibberen. Ze is ook zo klein en zo mager. Ik geef haar likjes op haar vachtje. Mijn melk is zo goed als op. Ik moet op pad.  Ginds zie ik een rustig paadje. Ik leg me achter een struik en wacht. Wat hoor ik? Een zingend stemmetje? Een mens? Ik tril even en gluur voorzichtig door de struiken. Ze heeft een mandje bij en ziet er nog jong uit, weinig vlees. Maar beter dat dan niets. Ik verzamel al mijn moed en sluwheid zoals een wolvenmoeder met welpen in nood doet. Waar zit trouwens de wolvenvader? Zucht. Ik zal het weer alleen moeten oplossen.  'Dag lief meisje, waar ga jij heen'? Zo alleen?' Ik onderdruk elk wolvengehuil dat in me opkomt en lach zo lief mogelijk.  'Dag wolf, ik mag eigenlijk niet met je praten want je bent een kippendief,' zegt het meisje eerlijk.  'Ach, ach, ik ben een brave wolf. Wat heb je een mooi rood kapje op, wat leuk.' Ik leid haar af, stem haar vrolijk. Wat ziet ze er dom uit. Dit wordt nog leuk.  'Ja, ik ben Roodkapje en ik ga naar grootmoeder koekjes brengen. Ginder staat haar huisje in het bos.'  'Weet je, pluk nog maar wat bloemetjes voor haar, dat zal ze fijn vinden,' grinnik ik.  'Oja, dankjewel lieve wolf, wat een goed idee. Tot later!' wuift Roodkapje.   'Ja, Ja, tot later!' grijns ik vrolijk terug.  Haha, er is ook een grootmoeder! Ik wil 2 mensenhappen. Dan hebben mijn welpen meer moedermelk straks. En de malse meisjesbouten sleep ik wel naar het nest mee. Ik haast me naar het huisje. Grootmoeder slaapt. Die eet ik straks wel op. Ik sluit haar op in de kast. Ik trek een nachtkleed van haar aan, zet een slaapmuts op en leg me in bed. Zo denkt Roodkapje zeker dat ik haar grootmoeder ben. Ik grom en grijns.   'Klop klop klop'. Daar zal Roodkapje zijn.  'Kom maar binnen.'  Mijn stem kraakt. Ze zal het er toch mee moeten doen.   'Dag grootmoeder, wat hebt U grote ogen.' Het kind staart me aan met die naïeve mensenblik.  'Dan kan ik je beter zien, mijn kind.' Ze is wel mager maar ze ziet er oh zo mals en sappig uit.   'En grootmoeder, wat hebt u grote oren,' kijkt Roodkapje verbaasd.  'Dan kan ik je beter horen,' grijns ik. Hoe lang zou ik dit spelletje nog rekken? Mijn maag gromt.  'En wat hebt u grote tanden!'  ‘Dan kan ik je beter OPETEN!'   Met een diepe grom spring ik op Roodkapje af. Ze gilt het hele bos bijeen. Wat een kabaal maakt dat wicht.   Maar wie is dat nu weer? Een jager?   'Halt, stop of ik schiet. Maak dat je wegkomt!'  Ik hoor een schot en spring het huisje uit door het raam.   Snel verdwijn ik het bos in. Die mensen en hun geweren, ze gunnen me niets.  Stilletjes loop ik terug naar mijn welpennest. Ik hoor mijn 5 kleintjes zachtjes janken.  Gelukkig heb ik het mandje mee kunnen grissen op mijn vlucht. Haha, dat hebben ze niet gezien daar in hun stom huisje. Mijn welpjes smikkelen en smakkelen. Mijn kleine triomf. Ik dek mijn welpjes zachtjes onder met grootmoeders nachtkleed. Ze sluiten hun oogjes.   'Awoooooooooo Awooooooooo.'   Deze wolvenmoeder staat er morgen terug. Ik wed dat ze mijn wolvengehuil tot in het huisje horen.     Tekening: Atia Chaudhry

Lumes
18 3

Barcode

In het café hangt de geur van oud bier en een citroenachtig schoonmaakmiddel, waardoor de muren nog geler lijken dan ze daadwerkelijk zijn. Mijn vrouw is weg met haar vriendinnen vandaag. Een uitgelezen kans om een dag aan de bar door te brengen. Ondanks dat ik het thuis heerlijk vind, nog steeds na al die jaren, blijf ik behoefte hebben aan de gezelligheid die daarbuiten op een mens ligt te wachten. De supporters zijn in steeds luider wordende gesprekken en kreten over de wedstrijd verzonken. Twee clubs die ik zelf nog nooit heb zien spelen, zijn hier schijnbaar mateloos populair. Terwijl alle plekken worden bezet door druk met elkaar sprekende groepen, zit aan een kleiner tafeltje iemand eenzaam achter een computerscherm. Ik zie vanaf de zijkant hoe hij druk in zijn telefoon zoekt. Zijn grijze pak is eigenlijk net te groot voor zijn postuur. De beltoon piep zijn weg uit de telefoon. Niemand lijkt erdoor afgeleid te raken, maar bij mij komt het duidelijker binnen. De man opent een gesprek: “Ik zou u willen vragen of u volgende week kunt langskomen,” begint de man, met een vlakke, zakelijke toon. “We hebben bij MegaMarketResearch wat informatie over uw bedrijf nodig voor ons onderzoek. Ja, kunt u op dinsdag? Hartstikke mooi. Bedankt en tot dan!” Hij legt de telefoon heel even op de tafel voor hem neer, om hem na exact drie seconden weer in de hand te nemen. Met lichte nieuwsgierigheid observeer ik hoe de man een nieuw nummer lijkt in te toetsen. Terwijl hij opnieuw een verhaaltje afsteekt, zit ik plotseling vol verbazing op de kruk. De woorden die hij spreekt zijn bijna identiek. Alleen de “dinsdag” is veranderd in een “woensdag”. Een snelle blik opzij. Ik pak het ongebruikte bierviltje dat naast mij op de toog ligt. Er zit een kring van eerder op de dag op het karton, die een achtergelaten spoor van een van de zovele bargasten kort had vastgelegd. In mijn binnenzak bevindt zich nog een blauwe pen die op het witte vierkantje kan schrijven. Het eerste turfje. Vluchtig lijkt de mysterieuze beller iets in zijn computer in te vullen. Hetzelfde patroon herhaalt zich wederom: “Wij zouden het waarderen als u volgende week op bezoek kunt komen. We hebben als MMR graag wat informatie over uw bedrijf voor ons onderzoek. Ja, wilt u op donderdag? Hartstikke goed. Hartelijk dank en tot ziens!” Streepje twee. Nieuwe ronde. “MMR heeft graag wat informatie over uw bedrijf voor onderzoek.” De ruimte begint te veranderen. Het stemgeluid wordt monotoner. De woorden die hij spreekt, lijken steeds meer iedere andere gedachte te verdringen. “U bent op vrijdag beschikbaar?” Een tevreden geluid na de bevestiging. Zonder enig meetwerk voel ik de temperatuur stijgen. Weer hetzelfde script. “MMR….” Ik merk dat mijn hoofd strak blijft staan, met grote ogen. In mijn nek ervaar ik een lichte tinteling. De wereld voelt minder solide dan ik haar ken. De witte kleur rondom het reclamelogo verdwijnt steeds verder onder de druppels inkt. Steeds meer verticale streepjes. Vijf, zes, zeven. Waar gaat deze man nog meer naartoe bellen? De signalen komen niet meer goed bij me binnen. De herrie van de voetballiefhebbers verdwijnt langzaam maar zeker, tot er slechts een onderwatergeborrel overblijft. Ik ruik de citroen scherper dan eerst. Een haast chemische lucht doet mijn gezicht vertrekken. Ik ervaar niets meer buiten mijzelf, de beller en die angstaanjagende stem. Mijn vingers zijn blauw van alle inkt. Meer piepjes. Hij begint opnieuw. Met het voorbijkomen van de klanken van zijn steeds vreemder klinkende stemgeluid zet ik een nieuwe streep. Alles is vol. Geen pennenstreek past meer op het voorwerp. Maar de man blijft, terwijl ik de duizelingen voel, praten. Ik hoor niet eens meer wat hij zegt. Mijn hoofd probeert over mijn schouder te kijken. Niets lukt meer. Ik lijk van het zitvlak af te vallen. Het mobieltje in mijn binnenzak trilt. De vibratie doet me ontwaken uit mijn bubbel, terwijl ik een gevoel krijg alsof ik een zware kater te pakken heb. Ik had de ringtone onder het lawaai waarschijnlijk niet eens kunnen horen. Een onbekend nummer belt mij. Zodra ik opneem, is eerste dat ik hoor: “Goedemiddag. U spreekt met Tom Verhaegen van MMR. Ik zou u willen uitnodigen….” Zijn hoofd draait mijn richting uit. Voor het eerst hebben we direct contact. De zweetdruppels moeten duidelijk zichtbaar van mijn voorhoofd naar beneden zijn gerold. De verbazing en paniek lijken iets te zijn waar hij hongerig naar is, zonder dat hij er direct op reageert. Ik kijk in zijn wazige gezicht en indringende ogen. Het ziet er getekend uit. Maar terwijl ik hem aanstaar, lijken al zijn trekken vloeibaar te worden. Alle rimpels die zijn gezicht rijk is, verdwijnen als rimpelingen op het water. Alleen een massa met een vreemde vleeskleur is nog zichtbaar. Mijn gehoorgang vult zich met een overweldigend gesuis. Ik stik bijna in de doordringende lucht die om mij heen hang.  De lampen in de kroeg lijken door te branden. Nadat al het gele licht is uitgevallen, maakt het plaats voor de witte gloed van tl-buizen aan het plafond. Mijn blik richt zich op mijn hand, waarmee ik nog steeds driftig streepjes probeer te zetten op het kleine viltje. Het viltje is er helemaal niet. Het papier onder mijn pen is een getypte tekst, die door mijn gekras inmiddels onleesbaar is geworden.  Er klinkt nog steeds een stem in mijn oor, maar het geluid verandert van richting. De stem van Tom Verhaegen wordt vervangen door een lagere stem, die recht van voren in plaats van via de zijkant binnenkomt. De beller van MMR is veranderd in een man met een strak uniform. Een gestalte zonder telefoon, die naar voren leunt over de tafel waaraan wij beiden zitten. Zonder kraak spreekt hij me toe: “Meneer Verhaegen? Stop eens met het onderkliederen van de formulieren. Alles is al bekend. Uw bedrijf heeft illegale pillen doorgesluisd naar allerlei slachtoffers. Ieder detail van uw praktijken is door ons ontrafeld. Dit is geen café. Dat weet u na drie uur verhoor best." Ik bekijk het blad peinzend. Met al het blauw heb ik de tekst van mijn eigen bekentenis weg proberen te vegen. Elke poging is echter kansloos. Ik zit hier, omdat ze het al weten. Mijn vrouw weet het ook al. Het gezellige stadje waar ze met Marian en Petra heen zou gaan, bestaat helemaal niet. Ze is vertrokken naar haar zus. Toen de politie voor de deur stond, vluchtte ze, zoals ik dat nu tevergeefs ook geprobeerd heb. De dag aan de bar is slechts de laatste vluchtroute die mijn geest heeft verzonnen om de ondergang van mijn medische praktijk te vermijden. De zware deur valt in het slot. Ik zit alleen, precies zoals toen ik het idee van mijn kliniek bedacht. 

Deejay
14 1

Big boy

De laatste weken droom ik dat ik iets kwijt ben. Ik dwaal door het huis van mijn jeugd, de monumentale trap op naar de eerste verdieping waar in een nis een eind boven mijn kruin een opgezette haas staat. Schutkleurig, kreupel.Hij staart me aan. Hier is niets te vinden, jongen, zegt hij.Hij neemt de rest van zijn dood nog maar één houding aan: stijf van de houtwol, staand op zijn achterpoten, zijn voorpoten als sabels de lucht in. Nu klop ik aan. Daar is mijn moeder, zij is het. Haar ben ik dus niet kwijt. Als ik mijn arm strek kan ik bij haar kamerjas met de zilveren stiksels, bij haar vochtige hals, maar er is terughoudendheid geboden.Ik heb hartkloppingen, zegt ze.Ik ook, zeg ik, omdat ik het niet begrijp.Ga met Elvis spelen, sommeert ze me. Elvis heeft geen vacht, wel organen die je doorheen zijn huid ziet pompen. Telkens als ik ernaar kijk, verwacht ik dat ze gaan ophouden want Elvis is ziekelijk, zoals zoveel te ver doorgekweekte naaktkatten. Zijn huid is geïnfecteerd, zijn ogen etteren doorlopend. Ik loop in halve cirkels om hem heen.In de vooravond zit mijn moeder in de sofa met een okerkleurig glas en een trillende Elvis op haar schoot. Ze begrijpt hem zo goed, zegt ze, altijd tegen mij.  Vooraan in de gang is een smalle, hoge deur, met daarachter warme poedergeur en borduursels.Ik kleed me uit en schuif het bed in, wacht. Als ik me uitstrek komen mijn koude voeten tot halverwege de matras. Ik wil hier slapen, als een koekoeksjong. Tegen mijn rug voel ik Gita’s warme buik, haar arm reikt over me heen, haar hand landt op mijn sleutelbeen.Does it still hurt, vraagt ze.Yes, zeg ik met mijn verminkte s. Er zit een gat waar mijn voorste melktanden vanochtend nog zaten. In mijn eigen bed ben ik alleen dat waaiende gat in mijn mond, maar hier is het windstil.Ze geeft me zachte klopjes.Good night, fluistert ze.Good night, fluister ik, met hetzelfde Letse accent.  Overdag zet Gita mijn boterhammen met een klap op tafel, zeurt ze over huiswerk en modder aan mijn schoenen. Ze heeft een contract na te leven, verplichtingen die mijn moeder haar oplegt en waar mijn vader haar voor betaalt.Na bedtijd geldt het contract niet. In de ogenblikken vlak voor de slaap me naar beneden trekt, is Gita ongebonden. Wanneer ze niet kookt, schoonmaakt of me voorleest, verzorgt ze Elvis. Dagelijks wordt hij in lauw water met olie gewassen, zodat zijn huid het nog even trekt. Vanaf een afstand kijk ik toe. Elvis is bang voor het water, maar wanneer Gita hem toezingt, precies op de rand van de stilte, stopt het beven.  Kaķīt’s mans, kaķīt’s mans,melns ar baltām ķepiņām. Hij is kneedbaar en voller in haar handen. Ik ben acht. Nieuwe, grote tanden hebben het gat in mijn mond gevuld. Big boy, zegt Gita, en dat ik weer in mijn eigen bed kan slapen nu, maar dat gebeurt niet. Dan ben ik plots dertien en bereiken mijn koude voeten bijna de bedrand. Wanneer ze toevallig Gita’s onderbenen raken, zucht ze en dan doe ik het opnieuw. Big boy, big boy. Ze vraagt me te helpen bij het wassen van Elvis, maar ik weiger. Zijn dood is nakend, ik ruik het al aan hem. Ze wast hem op twee meter van waar ik huiswerk maak. Tussen mijn wimpers zie ik het licht iriseren op het badwater, op Elvis’ glibberige vel. Gita’s handen vinden geen grip, lijken te zweven. Haar vingers zijn behendig, ze weten alles. Elvis verroert zich niet. Ik zie zijn kattenogen met die typerende diepte die geen diepte is, alleen reflectie. En overal daardoorheen: pus. Op de ochtend van mijn veertiende verjaardag ligt hij opgekruld in zijn mand. We krijgen hem moeilijk uit die krul. Hij kan als we dat willen in de nis op de eerste verdieping gezet worden, naast de haas, maar dat willen we niet. Er wordt een gat in de tuin gegraven en wanneer alles achter de rug is, komt er een zerkje bovenop. Daarna begint alles gevaarlijk te hellen. Na bedtijd is er steeds minder toeval. Ik ben alleen nog wildgroei, overdaad. Gita zucht steeds vaker, draait zich dan om; haar rug is een kil, ademend schild. Ik vind geen houding, kan niet bedaren, alles is klam.You should sleep in your own bedroom from now on, zegt ze.Ik doe alsof ik het vergeet, houd me gedeisd, maar ik kan niet tegenhouden dat ik word wat ik primair ben: roofzuchtig. I should tell your mother, zegt ze.Ik denk aan Elvis’ laatste bad, zijn onhoorbare spinnen. Ik grijns naar haar en ze wendt haar blik af terwijl haar handen zich kort ballen – ze heeft ze zeker gezien, al mijn volwassen tanden. Tijdens een van die nachten geeft Gita mij een duw en beland ik plat op mijn buik naast het bed. Ik kom overeind, grijp haar vast en bijt in haar onderarm. De wond bloedt in twee boogjes, een opwaartse en een neerwaartse. Ze kijkt me verrast aan. Ze wikkelt er een verband rond en zegt niets meer, ook niet wanneer ik weer naast haar ga liggen. Precies even groot zijn we, maar ik ben breder.I should tell your mother, zegt ze opnieuw, maar het is niet ondenkbaar dat ze erbij grijnst. Ik moet de kamer uit, het onheil nadert. Wanneer ik opsta, begint het me te duizelen. Waar moet ik heen, waar is de dreiging het kleinst?Ik ga het huis uit, wandel naar de plek waar Elvis begraven ligt. Ik wil hem terug. Ik begin te graven, kluiten aarde hopen zich op tot een heuveltje naast het gat waarin een houten kistje bloot komt te liggen. Er liggen alleen botten in, maar ik herken Elvis meteen.Achterbakse kat, zeg ik, je bent niets veranderd.Zo ver mogelijk smijt ik hem weg; hij valt rammelend in het gras en activeert meteen een sprinkler. Binnen is het koud geworden. Opkomend zonlicht valt horizontaal door de ramen. Helemaal tot vooraan het huis loop ik, tot bij de garage. Ik kan de deur beter dichtlaten, weet ik.Op deze plek blijf ik staan, ik heb geen keuze. Daar is het dan eindelijk, precies zoals het altijd komt, bedrieglijk terloops: zwart gas dat onder de garagedeur vandaan komt, de gang vult. Ik leg mijn hand op de klink en duw die naar beneden, maar de deur zit op slot.Ik roep mijn moeder, die me eerst niet hoort en ten slotte heel traag en argwanend de trap afdaalt, waar ze halverwege blijft staan omdat ze niet begrijpt wat ze ziet.Wapperend met haar armen nadert ze me. Dan duwt ze me weg en werpt haar volle gewicht tegen de deur waarachter het gebeurt, maar haar volle gewicht stelt niets voor. Ze loopt naar buiten, probeert de garagepoort te openen, daarna de achterdeur – alles zit vast en uit alle kieren en gaten kringelt het gas omhoog, elegant in de frisse lentezon. Een prachtige dag is het, terwijl we manieren blijven zoeken om binnen te geraken in de garage. Mijn moeder roept een paar keer haar naam en ik denk: het is de eerste keer dat ik mijn moeder haar naam hoor roepen. Ik word er heel verdrietig van, maar het verdriet voelt meteen oud. In het midden van al die gebeurtenissen is er een stilstaand beeld van een slappe Gita die uit de wagen wordt getrokken wanneer de ruimte voldoende geventileerd is. Het is een volkomen kalm beeld, alleen Gita is zichtbaar, verder niemand. Ik zie haar gezicht niet, alleen een deel van haar losgeraakte haar, misschien. Ik roep het telkens op, dwangmatig, al kan ik niet geloven dat iemand toen toeliet dat een jongen van veertien, een kind nog, op dat moment stond toe te kijken vanuit de gang. Weer later legt mijn moeder een hand op mijn schouder en duwt ze me de trap op. Aan de nis met de haas staan we, wiens sabels nu op ooghoogte zijn.Even verwacht ik dat ze zal zeggen dat ze hartkloppingen heeft, dat ze met rust gelaten wil worden en dat ik alles alleen moet afhandelen. Maar dan legt ze haar hand weer op mijn schouder en articuleert nauwkeurig: ze heeft me verteld dat jullie ruzie hadden. Ik heb gezegd dat ze het allemaal verkeerd heeft geïnterpreteerd. Denk je ook niet?Ik reageer niet.Voor de politie zijn verkeerde interpretaties irrelevant, besluit ze. Ze wacht mijn reactie niet af en schrijdt naar beneden, trede voor trede die gigantische trap af, terwijl ze met een witte zakdoek de roetvegen van haar voorhoofd en hals dept.

Veerle Breemeersch
15 2

Open Brief omtrent discriminatie tegenover uitkeringsgerechtigden

Geachte Minister David Clarinval en Minister Caroline Gennez;    Mijn naam is Kiya Lee Levy Runaya Goethals, 37, man; autistisch, adhd, depressie, suicidal; te Waregem.  Ik schrijf deze open brief aan jullie, rechtstreeks, omwille van jullie functies. Want, corrigeer me als ik fout zit: maar zijn jullie beide niet verantwoordelijk voor volgende functies:  Werk, economie, welzijn, armoedebestrijding, cultuur en gelijke kansen?  Dat is wel een hele boterham, he? Best wel veel verantwoordelijkheden voor slechts 2 individuen.  Maar rest mij de vraag; begrijpen jullie je eigen taken wel? Dat bedoel ik niet beledigend, maar vraag ik uit bezorgdheid.  Om mensen aan het werk te krijgen, en de economie zogezegd te boosten, gaan jullie meer armoede aanmaken door minderbedeelden aan te vallen via media, en hun rechten en uitkeringen te ontnemen.  En daar stokt het dan ook meteen.  Er wordt helemaal geen aandacht geschonken aan het welzijn van deze mensen. Integendeel zelfs, jullie schilderen hen af alsof men criminelen en profiteurs zijn, énkel omdat men minderbedeeld is.  Ministers die verantwoordelijk zijn voor de taken waarvoor jullie beide verantwoordelijk zijn gemaakt horen hun motivaties niet te laten leiden door vooroordelen of klassenhaat. Want jullie zijn een leidend voorbeeld. Wat jullie zeggen, geloven en doen; dat zal de maatschappij nabootsen.  Jullie beweren dat alle uitkeringsgerechtigden profiteurs zijn van de staat. Van werklozen tot langdurig zieken. Geen enkel persoon die één of andere vorm van uitkering ontvangt is veilig voor de discriminatie die jullie de wereld in sturen. En daardoor alleen al een hele reeks aan kansen aan zich zien voorbijgaan. Niemand wil hen aannemen, door hetgeen dat, door jullie, wordt verteld in het nieuws; en vervolgens ga je hen het verwijt aanspelden dat men profiteerd net omdat men niet aan een job geraakt tussendoor alle discriminatie tegen mensen in hun positie dat in leven wordt gehouden door mensen als jullie.  En ik stel mezelf dan luidop de vraag waar dit allemaal goed voor is.  Even een persoonlijk voorbeeld; al sinds ik 21 jaar oud ben, ben ik op zoek naar een job. Het ging zo slecht dat ik meermaals ben gestart via art. 60 (sociale tewerkstelling). Waar ik op iedere werkplaats werd gepest door werkleiders, niet door mijn directe collega's. Neen. Zij waren de enigen die elkaar steunden. Maar de werkleiders. De mensen die trainingen hebben opgelopen om om te kunnen gaan met moeilijke mensen, mensen met mentale en psychische problemen alsook mensen met autisme, adhd, etc. Hulpverleners, m.a.w.  Mensen die hun rol misbruiken om anderen, die het al moeilijk hebben en voor wie de geloofwaardigheid onbestaande is, het leven nog moeilijker te maken. Ik werkte bijvoorbeeld 2 jaar lang via een vervangingscontract. In mijn laatste 8 maanden kregen wij een plotse vervanging van de leiding. De nieuwe baas had mij niet graag, meteen, zonder ooit tegen me te praten. Ik verloor al mijn verantwoordelijkheden, geloofwaardigheid en het vertrouwen dat ik had opgebouwd binnen deze werkplaats. Ik werd dagelijks gepest en toen ik na 8 maanden nog steeds weigert om op te geven besloot deze persoon om mijn aanwezigheid niet meer op te schrijven, werd ik niet meer uitbetaald en werd ik ontslagen. Waarna ik dakloos werd. Ik sliep 11 maanden in een bos. Ik had nog geprobeerd om klacht in te dienen, maar ik werd uitgelachen door de politie, door mijn vakbond, en door de grote bazen van het art. 60 bedrijf toen ik vroeg om de camerabeelden te bekijken om mijn aanwezigheid te controleren. Ik werd niet geloofd, zoals jullie mij beiden waarschijnlijk niet zullen geloven. Ik stuurde uiteindelijk 1 kwade email. Hij kon mij daarvoor blijkbaar wél aanklagen. De politie nam hem wél serieus. Ook zijn vakbond nam zijn klacht serieus. En het bedrijf steunde hem 100%. Hij klaagde mij zowel aan via het vredegerecht, als via de correctionele rechtbank. Voor 1 en dezelfde e-mail. De zaak kwam voor toen ik nog dakloos was. Daar werd geen enkele rekening mee gehouden. Voor beide zaken werd énkel naar zijn kant van het verhaal geluisterd en vervolgens een verstekvonnis gegeven in mijn nadeel, en zijn voordeel. De vrederechter besloot om hem een schadevergoeding toe te kennen van 1000 euro, en de correctionele rechtbank besloot dat een gevangenisstraf van 6 maanden een gepaste straf was voor een eenmalige e-mail. Ik moest langsgaan bij de gevangenis om mijn situatie uit te leggen. Daarna zou een nieuwe rechter beslissen of ik de gevangenis in moest, een enkelband moest dragen of de straf kwijtgescholden werd.  Dus, ik legde alles uit. Met handen en voeten. Men ging zelfs mijn verhaal controleren bij mijn begeleidsters en gaf op het einde van de dag de zekerheid dat ik vrijuit zou gaan.  Maar niks was minder waar. De rechter besliste dat mijn 1 kwade e-mail erger was dan 8 maanden gepest worden, onterecht ontslagen worden, niet uitbetaald worden en vervolgens 11 maanden dakloos in een bos overleven. En gaf mij 6 maanden elektronisch toezicht, wat vandaag begint. Op de uitspraak staat letterlijk: “De periode dakloosheid veroorzaakt door het ontslag is geen reden om zulke woorden te gebruiken”.  Dat wil dus zeggen dat ik nu een strafblad heb. En zoals jullie mijn verhaal sowieso niet gaan geloven, zal ook geen enkele werkgever het geloven wanneer men daarnaar vraagt. Er zijn ook tal van jobs waarvoor ik niet eens meer in aanmerking kom nu ik een strafblad heb. Allemaal omwille van een e-mail.  Ik ben een artiest, allereerst. Ik teken, maar vooral: ik schrijf Engelstalige fantasy epics.  Weet u wat verboden/illegaal is voor werklozen met het risico je uitkering te verliezen? Een boek schrijven. Ik heb hier nu een talent waarop ik kan rekenen, en zelfs dat nemen jullie van mij weg. In de Belgische literaire geschiedenis bestaat er niet 1 auteur die een hele fantasy franchise heeft neergepend. Al zeker niet in de Engelse taal. Ik kan zomaar geschiedenis schrijven. Maar omdat jullie, vanuit de regering, beslissen dat alle mensen met een uitkering profiteurs zijn die alleen maar frauderen: is het illegaal gemaakt voor werklozen om te werken in de kunst. Dit boven op het feit dat ik niet langer kan werken in de sector waarvoor ik al mijn ervaring heb opgebouwd, en mijn studies in heb gedaan.  En wat verwachten jullie dan van mij?  Jullie verwachten dat ik, tegen alle tegenslag in, tegen alle verloren rechten in, tegen alle logica in: kan doen waar jullie mij niet willen in laten slagen. Een carrière uitbouwen zodat ik een bijdrage kan leveren aan de maatschappij.  Ik wilde zelfs een goed doel opgeven als ontvanger van mijn royalty's. Zodanig dat ik geen cent verdien aan mijn eigen talent. Maar zelfs dat mag ik niet. Zelfs dat hebben jullie illegaal gemaakt voor werklozen.  Ook de aanvraag tot een kunstwerkattest is compleet onmogelijk gemaakt. De voorwaarden alleen al ontnemen de kansen van laaggeschoolden en werklozen.    En dan staan jullie in voor werk, economie, armoedebestrijding en gelijke kansen?  Vertel mij eens hoe je dat voor elkaar krijgt als je minderbedeelden hun inkomens wegneemt? Vertel mij eens hoe je dat voor elkaar krijgt als je minderbedeelden hun reputatie vuil maakt via media? Vertel mij eens hoe je dat voor elkaar krijgt als je minderbedeelden hun kansen wegneemt nog voor men deze kan benutten?  Vertel mij eens hoe exact jullie mij helpen, en het beste voor mij, en anderen in mijn positie, doen? Want hoe hard ik ook zoek en kijk en excuses probeer te verzinnen voor jullie motivaties: ik vind de antwoorden niet.    Wij krijgen de toestemming niet om aan armoede te ontsnappen.  Wij krijgen de toestemming niet om onze eigen wegen in te slaan, of onze eigen carrières te maken.  Wij krijgen niet eens de toestemming om onder de armoedegrens te overleven zonder dat wij daarvoor de beschuldigende vinger voor krijgen.    Om vervolgens verwijten naar ons hoofd geslingerd te krijgen zoals “profiteur”, “niksnut”, “luiaard”, “onvrijwillig”, “opstandig”, etc.   Laten we de klok eens enkele maanden terugdraaien om het verschil te zien als deze wetten, die mensen als ik limiteren, niet bestonden. Dan had ik ondertussen, op z’n minst, 8 zelf-gepubliceerde boeken uitgebracht.  Dan zou ik al ruim 2 jaar een gepubliceerd auteur zijn, en gebaseerd op de verkoop toen ik slechts 2 weken gepubliceerd was (97 boeken verkocht), zou ik al ruim 1000, of meer, boeken verkocht hebben (om niet te overdrijven). Dan zou ik al contact kunnen hebben gelegd met een agent en buitenlandse uitgeverij om mijn boeken via een officiële uitgeverij te publiceren. Dan had ik, op dit moment, een job en was ik officieel een auteur. Dan had ik met mijn publicaties ook een bijbaan kunnen bemachtigen in de wereld van journalisme, als columnist, recensent, etc.    Maar, in plaats daarvan leven wij in een land dat wetten in het leven heeft geroepen die mensen, in mijn positie, sterk limiteren. Daardoor ben ik nog steeds werkloos, verloor ik ondertussen mijn werkloosheid, waardoor ik nu van 100 euro onder de armoedegrens naar ben gezakt naar 200 euro onder de armoedegrens. Ik heb geen vooruitzichten. Ben ik niet gepubliceerd, heb ik geen opties en dankzij die enkelband verlies ik ook de sector waarin ik al ervaring en werk had, waardoor alles dus nog moeilijker wordt in de toekomst.  En dan stel ik mezelf de vraag: waarom?  Wat heb ik in godsnaam gedaan dat ik zo’n behandeling verdien?  Omdat ik in armoede ben geboren? Omdat mijn vader in Engeland is geboren en pas op zijn achtste kwam emigreren naar dit land? Omdat ik werkloos ben? Omdat ik laaggeschoold ben, ook al kwam dat door dakloosheid? Omdat ik dakloos ben geweest?  Wat heb ik verkeerd gedaan in jullie ogen dat ik dit verdien? Dat ik het verdien om in deze erbarmelijke omstandigheden te leven in 1 van de duurste landen ter wereld?    Door minderbedeelden hun talenten en opties te blokkeren/limiteren énkel vanwege hun status, en door het corrupte/veroordelende rechtssysteem, zijn jullie net de grootste oorzaak van armoede, werkloosheid én dakloosheid binnen ons land. En ik begrijp heel goed hoe aanvallend deze ene opmerking zal overkomen. Maar het verbleekt in het niets met hoe jullie minderbedeelden behandelen. Alsof we op 1 of andere manier minder mens zijn dan jullie.    Hoe moet ik nu vooruit?  Hoe moeten duizenden mensen in dezelfde situatie nu in godsnaam vooruit?  Wanneer onze beste uitweg plotseling aan het einde van een strop bengelt? Want de politiek heeft beslist dat wij, minderbedeelden, niet langer mensen zijn met mensenrechten.   Ik heb jullie beide een multitude aan e-mails gestuurd. Smekend naar jullie hulp en begrip. Zelfs nog voor jullie hadden aangekondigd om werklozen hun uitkeringen weg te nemen.  Jullie hebben mij slechts eenmalig van antwoord gediend. En dat was toen enkel om jullie verantwoordelijkheid uit de weg te gaan, de schuld door te spelen naar een ander en bezorgdheid/medeleven veinzen. Toen ik op die mail antwoorde, om een gesprek te starten, werd ik gewoon opnieuw genegeerd.  Ik vermoed zomaar dat deze open brief, net als mijn e-mails, zal genegeerd worden. Het toont aan wat jullie werkelijk motiveert. Als het zo moeilijk is om met jullie eigen burgers in gesprek te gaan en de ravage te erkennen die jullie aan het aanrichten zijn, waarom bekleedt je dan in godsnaam de positie waar je nu werkt? Enkel voor een dikke paycheck? Want het alleszins niet omdat jullie een hart hebben voor minderbedeelden, werklozen, laaggeschoolden, etc. De mensen die jullie als zondebokken gebruiken, ondanks dat jullie posities de bewering maken dat jullie hier zijn om ons, en onze rechten, te beschermen. Maar niks is minder waar in een rechtse regering.    Weten jullie dat ik schaamte voel als Belg?    Wat kan dan een oplossing zijn?  Wel, laten we eerst beginnen bij mijn persoonlijke probleem.  Door de voorwaarden te versoepelen voor het verkrijgen van een kunstwerkattest, of de kunstwerkcommissie direct aanspreekbaar te maken; verhoog je al meteen de kansen van enorm veel getalenteerde mensen die niet terecht kunnen op een werkvloer.  Vooral de 2 voorwaarden die werklozen en laaggeschoolden de weg naar voren blokkeert. Namelijk de eis om een bachelor of diploma hoger onderwijs te hebben: en de eis om minstens 300 euro verdiend te hebben (wat illegaal is voor werklozen) te elimineren.  Beseffen jullie dan niet dat niet iedereen met artistiek talent op vroege leeftijd heeft beslist om in de kunst te gaan studeren? Het wordt in de meeste huishoudens zelfs afgewezen en verboden omdat het niet “haalbaar” is.  Een andere/bijkomende oplossing kan dan een betere omkadering zijn. Dat behaal je door uitzendkrachten en hulpverleners minder klanten te geven waardoor de hulp persoonlijker wordt en meer gedreven zal zijn. Bovendien opent het perspectief om van hulpverlener een knelpuntberoep te maken omdat er dan méér hulpverleners aangenomen moeten worden.  Een volgende oplossing kan bv ook zijn, ipv dat men hulpverleners omtovert tot een knelpuntberoep; men in de plaats daarvan de terugkomst inluidt van de armoededeskundige. Minderbedeelden die bijscholen om armoededeskundigen te worden zodat zij kunnen ingezet worden om hulpverleners bij te staan, als ook de regering (dat foutief denkt dat zij kunnen denken en redeneren voor minderbedeelden, terwijl jullie armoede niet eens begrijpen. Wat duidelijk is bij jullie verwijten van profiteurisme aan deze mensen hun adres, zonder hen, of hun levensverhalen, zelfs te kennen).  Er is ook het feit dat sommige werklozen/zieken gewoon niet in staat zijn, psychisch/mentaal, om voltijds sociaal te zijn. Want dat is wat werken is, in essentie. Je bent 8u/dag sociaal. Voor veel mensen brengt dit enorme stress met zich mee. Deze mensen worden niet, tot amper, begeleid, en er is al zeker helemaal geen begrip voor. Deze mensen werken door tot men een burn-out ervaart of in diepe depressie zakt. Vervolgens wordt men langdurig werkloos omdat werkgevers vaak de wenkbrauwen fronsen bij zulke verhalen en deze ervaren als “toont geen motivatie” of “wil niet werken”. Omdat dat nu net is hoe jullie politici over deze mensen praten. Door bv deze mensen thuiswerk te laten doen, of deeltijds werk, of gedeeld thuiswerk met ter plaatse werken: met extra begeleiding in de vorm van presentatie, niet in de vorm van verplichte gesprekken en antalgische relaties.    Maar de béste oplossing is zeer simpel. Investeer in de mensen. Niet in de geruchten. Niet in de vooroordelen. Focus op de meerderheid, en niet op het kleine percentage rot fruit. Laat deuren op een kiertje staan, ipv mensen buiten te sluiten. Doe het juiste! Ipv discriminatie in leven te houden.  Maar helemaal niks doen en mensen gewoon hun uitkeringen wegnemen, en vervolgens nieuwe leugens de wereld in sturen via de media om deze mensen het leven nog zuurder te maken .. is géén oplossing. Dat is hét probleem.   Ik dank jullie voor uw aandacht.    Mvg  Kiya Lee Levy Runaya Goethals.  

K.L. Runaya
49 2

Glimlach

Het is 12 januari 2012 als mijn leven voorgoed verandert. Wacht, mijn leven, zeg ik. Ik bedoel misschien meer mezelf, mijn kijk op dat leven, mijn voorkeur, mijn gevoel voor schoonheid, mijn hoop in de toekomst, mijn idee over het zijn. Mijn beleving van... de liefde. Het is de aanblik van het kleine hoofdje dat een aardverschuiving met zich meebrengt. Ik ben er zeker van, net op het moment dat ik dit wonderlijke kind het leven schenk, gebeurt er ergens op de wereld het onmogelijke. Ik weet niet waar, ik weet niet hoe en ik zal het nooit ontdekken. Maar ik voel het, in elke vezel van mijn lijf, nagloeiend van de arbeid. Ik voel het in mijn leeggelaten ballonbuik, ik voel het in mijn slaperige benen, ik voel het in het lijfje dat op mijn borst wordt gelegd: Ergens is een klein wonder geschied. Het kindje dat zonet uit als een vrucht uit de moederboom werd geplukt, heeft dit veroorzaakt. Ik geloof niet dat iemand anders in de kamer zich van dit moment bewust is geweest, of het was misschien zoiets als een kleine rilling langs de ruggengraat, een milde bries door de haren of een plotse fluittoon in het linkeroor. Heel even waan ik mij in nieuw universum, het universum van hem en mij, van het kind en mij. Maar als ik mijn blik afwend naar de vader van dit schepseltje, zie ik meteen dat er niet enkel een milde verschuiving binnen dit heelal heeft plaatsgevonden, maar dat de man naast mij voor altijd een andere zal zijn. We kijken samen voor het eerst naar het kleine gezichtje. Het is op dat moment dat het begrip schoonheid opnieuw wordt vormgegeven in ons brein. Alle verbindingen met dit concept die we voor dit ontiegelijk vroege uur hadden, worden in één aanblik weggeveegd. Schoonheid is niet langer meer wat de mens ervan maakt. Schoonheid ligt in mijn armen. Het kindje, ons kindje, lijkt niet op het kindje dat een uur eerder hier hulpeloos en geliefd in de armen van een uitgeputte moeder lag, het kindje lijkt nog minder op het kindje dat een uur later, hier, op deze tafel waar moeders geboren worden, het levenslicht zal zien. Zijn glimlach is groter. Veel groter. Dit hier, denk ik, dit hier is wat de wereld nodig heeft. Een gouden jongetje, met een veel te grote glimlach. Om het hart van ons allen te verwarmen. Ik denk aan het wonder, dat op de andere kant van de wereld zich in de voorbijgaande uren heeft voltrokken. En ik hoop dat er ergens iemand huilt van geluk.

Sifaka
14 2