Lezen

Hoe je als samenleving met de wereld kan communiceren

Wanneer het licht mijn kamer betreedt, gebeurt dat zonder toestemming. Als regenbogen projecties van Disney waren zou zijn moraliteit verdwijnen voor de aanblik van zijn leefruim. De onderbuik van de Octopus gaat de uitdaging aan: het onbestaande circuleert op zijn eerzucht met het balkon, een briefje van vijf euro valt uit zijn lichaamshouding. De plof van zijn blasé telt de plooien in zijn kinnenbak. Iedere keer als hij bedenkelijk kijkt schuift de morele grens op: de grens waarbinnen mensen mogen verhuizen. De stoet van toekomsthoop stemde de reeds aanwezige zielen gerust: het is de oorsprong. De mageren verzamelen argumenten voor een ontaalkundige handeling. Het volume die een afzonderlijke zwieper van je hersenen waarneemt vormt een achterkuil in de stoel. Het is een leren stoel. Van wie komt die aanblik? Van een universeel scenario: iemand die afbrook van de groep. Zich bezatte zijn gezegden nog steeds hun wapen. Met hun kin leggen ze de betekenis van het nageroep vast. Hun logica is dat veiligheid onschuld uitmaakt. De eerste keer dat ze zich afzonderden waren het stemmen aan mijn hoofd, toen leerde ik dat dat niet mogelijk was. Parijs is de wenteltrap van mijn hemelse gordijnen. Het handkolfje voor mijn asbak blaakt van traditie. Wie naar zichzelf verwijst moet zich niet verstoppen. De ironie van een kast zich keren tot een sater, waardoor je de morgen nadien harder moet trekken. Alleen die spies in het midden is roest voor warmte: twee uiteinden van hetzelfde extreem die zichzelf weerspiegelen in een onregelmatigheid. Het zeilbootje is geen impressie meer, maar een syndroom van de lucht. Een breinscheet. Moedersoep. Opa's beschuit. Gelinkte ledematen van mijn voorgaand korps: verlichaamt u. De toestanden van de conversatie kunnen mijn beugelen doen stammeren. Oploskoffie leent zich om te morsen. De automaat van uw sponaniteit wordt gesloten vandaag, nee, de toekomst is niet zo triviaal. Ik kan er zelfs het patroon onderbreken en zelf het tempo bepalen. Gokken op de tijd is in een nog verdere toekomst niet bikkelhard. Zolang we patroon van periode kunnen onderscheiden zijn we nog mensen. Het belang van zelfreflectie wordt gestolen in een onvermijdelijke draaihoek, hetgeen je moet doen om beter te worden: hetgeen je onmogelijk acht. Daar staat de heer voor u in kerstmis kostuum, het bloed van de ever zal blank lopen bij de overmoed van het tafelkleed, dat zichzelf conformeerde. Het centraal punt op de tafel was de voet van de televisie. De vierde dimensie het gesprek met mijn grootmoeder. Naastenliefde of programmeerfunctie: aan het klavier willen zitten van een familie-avond. Verlegen jongen, zo blijkt, kwam hier vroeger achter kaas. We moeten zwijgen nu. De straat heeft oren als de wind waait. Als! Want zelf op het getijde van uw adem kan u niet rekenen. Ik verdeel de supermarkt onder in wij, zij en meneren. Die zoutpilaren van trots flankeren het beste biefstuk. Het is gewoon hun smaak. Het vermogen van de koffie is beperkt, mijn motor ruist helend. Verkruimel het zout, is het dictaat tegenwoordig. De krant lezen doe je op een denkbeeldig pleintje. Wanneer de meeuw aankomt op Gent-Sint Pieters, is er geen overvriendelijke Thalys-beambte. De telefoon staat roodgloeiend: de catering van de steenkolen komt de redding van onze beugel tegemoet. Toeschrijven, is één iets, niets aanraken iets anders. Nu moeten we onze aandacht verdelen over de bussen in het sfeerbeeld. Ik breek voor herkenbaarheid, geen eeuwig durende innovatie. Ieder twijgje is een manier om ergens mee om te gaan. Elke zwarte vlek wordt met een ingreep benaderd: het biefstuk slentert aan zijn verpakking. Hij gaat hem dan nog opeten ook, zijn broer, Walbert, de kabeljauw van zwembadankers. De cilinders spugen als trots in de branding. De automaat fulmineert prijzen van verschillende draaihoeken. Iedere ontstaansvorm in het station kan ons nu zien. Dat hoort bij avontuur, je leven riskeren, gokken op de tijd mag dan weer wel.  Als je je hand opheft terwijl je iets geks zegt, lijkt het plausibel. Als in: ik heb toch de moeite gedaan om mij uit te rekken, laat ze de inhoud maar spijzen. Wat er naast valt zijn de kurkentrekkers, de aperitief zonder smeulende tanden. "Niet-rokers zijn jaloers". "Niet-rokers zijn niet jaloers." Getuigeverslag van jaloerse man die nooit rookte verbaast wetenschap en wereld. De functie glimlach blijkt een samentrekking van mond en tanden. De grijns blijft zo het enige resterende fenomeen zonder verklaring! Grijns! Grijns, Rubus, naar de wolf die een gedicht induikt en copuleert met ons biefstuk. Ik heb het afgestaan met een meerwaarde, het vlees. Spoedig duik ik weer de boeken in. Dan moet ik mijn onbestaande momenten in het restaurant niet goedleggen. Het 'geheim' was een alleenstaand houten toilet. De plee stroomt in de goot en de borduur veert op: ander leven. Straatstenen zijn er geschreven over het woord 'ankerpunt', mijn weg naar huis was bouwvallig. Een lawine uit communicatieruis verkavelt de hele engte van de 'ontkenningsfase': de onschuld van de wettigen. Ze willen een boor zien, iets dat uit mijn hand komt en van hun is. Mijn werk is hun nageslacht. Met dierenhuiden heb ik mijn opvoeding nochtans niet ingekleed, als ik tegelijk zweette en ademde, schoven mijn voeten uit. Gras ruiken is goed tegen de geur. De geur van vliegenlijken. Als het recyclagepunt zelf de container was, moesten we ons geen zorgen maken. Dat is nu wel gebeurd. Dat de obstakels voor de maan ons laten onthechten met onze pezen: over dimensies praten. Peinzen en pezen zijn nauw met elkaar verbonden, de herkenbare tandknik is hoorbaar voor heel het scenario. De foon stelt zelf zijn pakket samen: oud-nederlands of beschikbaar frans. De perioden ontstijgen de inkepingen van hun praktiserende klok. De wanmoed ontbreekt de kalkoen om kerstmis te ontkennen voor haar kroost. "Nog liever wordt ze het gebraad van vreemden!" Gedachtebelletjes isoleren de gedaante achter het onderwerp van die uitspraak, alsof een zegvorm een buffet was waaraan je zonder zelfreflectie mocht tafelen, nee. Bezem en zakdoek hebben andere kruimels. Oma bergt haar zegvorm op naast mijn mobiele beugel. Als liefde de waardemeter was, konden we wel met elkaar spreken. Die eigendomspaal van de ethiek stevent eindelijk op de ondergrond af: er was geen thesis. Mijn kamer ontvlucht mij, de muren worden boeken. Nu moeten we onze ogen sluiten. Eén voor één met de aangeleerde vinger: volwassen onderwijs biedt kansen aan mijn zelfbeeld, zo moeten mijn ouders dat mechanisme van zelfbevestiging niet ontkrachten. De functies worden verdeeld over de kenmerken, allemaal persoonlijk. Inspectie van de inquisitie van mijn pubertijd: de realisten: "Ik voel mij beoordeeld". Antwoord inquisitie: het leven is een oordeel want het is een toelating. De nachtzwaluwen van het geloof menen het ook; toch menen ze allemaal dat dezelfde tegenstrijd in de omgekeerde uitvouwing bedoeld moet worden. Ze denken dat het leven saai is. "Als je het niet aanraakt wel, dat heb ik onthouden". Een molecule is dan de ruïne van het geheugen: alles wat je je verbeeldt, verdwijnt. Die lens hebben we al gevonden. De opdracht is duidelijker: kies een gedachte en handel ernaar. Vergeet de voorgaande analyse: ze was slechts die ene vrolijke dag van Friets Keulmeester. De dag dat hij naar de fietstocht verlangde. Eenvoud kan je niet bereiken. Mijn eierschaal is niet in de wieg gelegd met een dinosaurus of het gebrek aan wereld. Het parcours vormde een ellips voor de idee van de vader. Wat een moeder is lijkt nu al moeilijker: een soort van continu integrerend geheugen, of een bewijsvoering van een bestaande these. Dat de plaats voor mij al ingenomen was op de bus, moest ik zelf uitzoeken. Dat zeggen ze er niet bij als er geen plaats is: dat je niet mag gaan zitten. Wat beweegt er achter de ramen van de bus die wie niet zien: wie wast er de modder van de korrels, van het element, van de aardkorst, van de oorsprong, van het voortrekken van het universum ten nadele van het concept begin. Dan lijkt het mij inderdaad dat er initieel een vraag gesteld werd: wat ben ik aan het doen, wat ben ik nu al aan het doen? De substantie van inzicht, idee, blijkt marmelade in verhouding met een confituurtaart. Een moeilijke relatie die bovendien zwaar weegt op onze mogelijkheden: wetenschap. Soms is iets dermate onprakisch om mee te denken, dat het je hand wordt. Die gids zal mij nu leiden naar de ondergang. Wanneer we alles terug mogen geloven, geeft de weerbots van de golf aan die het laatst het zwembad verlaat. Als je een gebrek wil laten opleveren, ga je dood. Dan ben je ongewenst voor de voortgang van zaken, alles wat op een rij op een eeuwig balkon ligt aan te schuiven. Roerloos de luchtbank, mijn denkkader, het voetje naar mijn principe. Overwegingen tellen het aantal keer passeren aan de noodcentrale voor stikstof. Wie een plaatsje naar het deelbaar pretpark verzilvert is de postzegel van de bevestigingsbrief niet waard. Er is geen reden tot spreken als je hersenen consumeert, de getijden van je denken voelen zachter met oude haarbalsem. Een Egyptische tovenaar heeft mij geleerd details te onderscheiden: dat een diplomaat in functie een metafoor wordt wanneer de kunsten het overnemen. De hoop van de laatste strekking is het minieme moment dat je achtergehouden saldo in een binair zichtsveld verschijnt. Nu mogen we alles verdelen. Taboes zijn zo repititief dat ze naalden aantrekken, de veren van de oorsprong ontgroeven de weerslag van mijn denkaders. Deze plechtzaamheid bekoort me danig, ik doen een voorstel aan de empereur: vijfduizend handtassen. Merkloos ben ik naar hem teruggekeerd: hij heeft me geholpen. Dit feestje is een sobere mier op een bad vol met maagzuur, het plebs wil terug een rotte schimmel aan de zwembadomlijsting zijn. Wie van een piramide naar beneden valt, landt op het feestje. Onsterfelijke zielen dienen herfstbladeren op aan die ene overweging van de Farao: zwaartekracht. Het motortuig van mijn vader behoeft geen zonnebril, geen spectrum. Het is ruis. Er is een fiets- en zoektocht voorzien voor verloren details; hun laatste adem hebben ze uitgeblazen in een emmer. De badkuip van de borduur ligt in stukken op de grond wanneer de gedaante zich neervleit, hij heeft geen gewicht. Vaas en emmer, zwaan en gans, kerstmis en oudejaar. Tweedracht is een vorm van acht. Gewichtsloze gedachten zijn toegestaan door het licht. Ik verlies mijn vrije wil aan de verkeerde keuze: opgestroopte mouwen. Nu moeten we het aanpakken. Toen de kikker besloot de wolken in te gaan, was hij ook niet welkom. Aan het kruispunt wordt mijn motorkap genageld. Wat ik denk wordt een instructie voor dit vossenhol. Daar ben je niet welkom. Zolang de friezen van associatie mogen aflopen keert de koude niet terug. Daar waar de 'koninging' is gestrand, daar mag je zitten; aan de oever van een kroon: een rugwervel. Die vormt een vin wanneer wij mijn kamer betreden. Een functie zonder doelstelling is als poseren voor boogschieten. Eenvoud is de zelfreflectie van diens enkeling, een overtuiging. Een foltertuig dat wentelt en eet tot het product gevonden is. Die jeugd die zo stug in de vis bijt dat het strand zelf begint te tijden.          

Robijn Bodijn
2 0

Propolis

Het ritueel van de winter even ondoordringbaar als de kilte die door de grond een weg vindlagen van duisternis die mij omgeven door een dode god meegegeven Papieren geboden rond mij tot ik niet meer zien noch ademen konkrakend als de sneeuw waar de jager staptDe nacht zucht als ik naar de maan kijkSchaduwen scherp als een mesKeren zich om en om als een bipolaire windin dezelfde omsluiting van steen Ik weet niet of ik levend of dood ben De beenderen van een dode god geanimeerd door de windTergend traagkrakend door de tijd kijkend naar onder naar iets heel klein Bijen die bedrijvig bezig zijneen dode word snel een rot en ziekte in een bijenkorfPropolis - Een Mummie onder onsMysterie - ingewikkeld De zon komt bijna opNog even en kruipende insecten kruipen terugdoor ondergrondse ongeziene gangenen doen hun werk in duisterniswaar elke zool op steunt Het bloed van de eerste zon breekt doorPropolisGoud dat zwakker is dan de windvind mij In de winter ben ik de zilveren spiegel die het ijswater van de Noordzee drinkt Ik ben wat geen woorden vindVind mij waar de soldaat zonder naam begraven isRood stollend staal vloeit uit mijn wondIk ben de Zoon Van Niets (Zwarte) rook komt uit mijn mond Mij worden namen gegeven als Rot en RebelIk wandel door de opening die Roest brengtAmberen hart hoor de bliksem slaat inBrand  Niets dan lucht en lichtweerkaatsingwaar is de vlam als hij gedoofd wordLege woorden als een spreukEen ruïne waar een sacrofaag op rust Propolis Door het doolhof van verwarring waarin ik werd begravenEkster die van de regen dringt die de weg vond naar mijn zielvolg de zon tot je bij de verborgen polis bent  Breng de zon Breng het lichtBreng de warmte één straalZonnewendeMagie herboren HIER BEN IK! 

TijlDeconynck
0 0
Tip

De koffer (een kerstverhaal)

Zeg nu zelf, de kans dat je op de rommelmarkt aan het begin van de lente een kerstverhaal oppikt, is zo klein als een jongen die een gouden toegangskaart vindt in een chocoladereep en zo een bezoek aan een chocoladefabriek van een excentrieke eigenaar wint. Toch was dat wat er afgelopen jaar gebeurde op de eerste zondag van april. Het kerstverhaal, niet de chocoladereep. ************************ Er ligt nooit meer op de houten schragen dan op die eerste verkoopdag. De verkopers hebben plaats tekort. Er liggen zelfs spullen op de grond. Alsof ze op die eerste zondag van april al grote lenteschoonmaak hebben gehouden op hun zolder. Ze verkopen er hun eigen verleden. Van een oud schommelpaard, tot prentenboeken, gezelschapsspellen, tinnen schotels en gereedschap.  Een nieuwe lente, nieuwe rommel.  De voddenmarkt - dat woord gebruikte mijn vader - is maar een halve koopmarkt. Er wordt gekocht, maar nog meer gekeken. Snuisteren. Ik snuister zoals altijd van kraampje naar kraampje. Rondkijken, ook naar het terras van het café dat om tien uur opengaat. Zit er al volk? Nog niet. Met het lentezonnetje is het er perfect om te lezen en om naar de snuisteraars te gapen.  De Nederlandse boekenverkoper spreekt me aan. Dat hij van deze en andere auteurs nieuw werk bij zich heeft. Na enkele jaren kent hij mijn smaak. En we spreken elkaar aan met de voornaam. "Dag Rudi, goedemorgen. Hoe is ie?" "Heel goed Herman. En met jou?"  Hij stalt ze voor me uit. Vijf boeken. Het is wikken en wegen. Dat laatste bijna letterlijk. Allemaal samen zijn ze te zwaar om mee te nemen. Twee van de vijf boeken gaan mee naar huis. Nee, eerst naar het terras van het café. Ik zie Rita de deuren al opendoen. Het is exact tien uur.  Elk jaar staan er nieuwe verkopers. Aan het beginpunt van de markt (om de een of andere reden begin ik altijd bij het einde, maar het einde kan ook het begin zijn), net voor de hotdogkraam, zie ik een man die ik er nog nooit heb gezien.  Terwijl de man nog wat spullen uitstalt, met zijn rug naar mij, valt mijn oog op een kleine rode koffer van pakweg 60 centimeter breed en 40 hoog.   De koffer lijkt uit de jaren '40 of '50 te komen. Geplukt uit een film over de Tweede Wereldoorlog. "Vijf euro en de koffer is van jou Rudi”, zegt de man. Ik heb hem in eerste instantie niet gehoord. Ik weet niet meteen waar hij het over heeft. Het lijkt alsof ik ben vergeten dat ik die kleine koffer in mijn handen heb. Nu zag ik pas wie het is. Hendrik. Ik heb bij hem in de lagere school gezeten. Hij was enig kind thuis. In het middelbaar is hij naar een andere school gegaan en daarna weet ik dat hij naar Antwerpen is verhuisd. Dat was nog voor de brand in zijn ouderlijk huis. Zijn ouders waren thuis, maar ze hebben de brand gelukkig overleefd. Maar later niet het verdriet en de pijn. Ze hadden niets meer. Ik zie duidelijk dat het dezelfde Hendrik is die bij mij in de lagere school zat, maar het valt me ook op dat een mens toch ontzettend verandert in de loop van een leven. "Die koffer is voor mij wel wat waard”, zegt Hendrik. “Maar voor 5 euro heb je die. Plus een gratis verhaal. Als je dat graag wil horen natuurlijk." "Een verhaal?" "Jawel. Als je tijd hebt, vertel ik het je. Ik vraag mijn buurman of hij even op mijn kraam let. Als er kopers komen mag hij zelf de prijs bepalen", lacht Hendrik. "Kunnen we ergens een koffie gaan drinken? Ik heb er behoefte aan, want ik sta hier al van 7 uur deze morgen." "Daar, bij Rita" zeg ik. "Buiten in de zon kan al net. Ofwel binnen. Het is een bruin café.” "Prima voor mij. Kom." ************************ "Het is eigenlijk een kerstverhaal", zegt Hendrik. We zitten aan het tafeltje bij het raam. We voelen er de warmte van de lentezon. "Al is verhaal niet het exacte woord, want het is echt gebeurd. Het is meer een gebeurtenis." "Bwa, een verhaal mag je ook zeggen als het echt is gebeurd. We spreken toch ook over het verhaal van iemand zijn leven." "Juist, dan is dit het verhaal van het koffertje dat naast je staat. Waar zal ik beginnen? Misschien bij de eerste keer dat ik Raf heb ontmoet. Ja, laat ons daar beginnen. Dat moet ergens begin jaren '70 zijn geweest. Bij ons thuis. Het was nog niet met Kerstmis, dat komt dadelijk." "Wie is Raf?" "Geduld Rudi. Laat me nu eerst van mijn koffie drinken. Dank je wel Rita." "Ik ben de jongste van de hele familie. Ik bedoel van alle neven en nichten. ‘Onze kakkenest’, zei grootvader altijd. Hij woonde heel wat jaren bij ons in huis, nadat zijn vrouw, oma dus, was overleden. Ik was zijn kleinste kleinkind en hij kon het niet laten om het telkens te benadrukken als er iemand op bezoek kwam. Daar had ik een hekel aan. Wellicht om die 'kak' in het woord. Wist ik toen veel dat het een echt woord was, geen plat dialect. Het staat gewoon in het Groene Boekje. Dat zag ik pas veel later." "Maar we hadden, of hebben, een grote familie. Al zijn er veel overleden." Hij lijkt even in gedachten verzonken te zijn. Ik reageer niet op zijn zwijgen. Ik begrijp dat hij ook heeft afgezien van de brand in zijn ouderlijk huis. Het is toch ook of je eigen jeugd in de vlammen opgaat.  "Van de broers van ons vader leeft er nog maar eentje. Nonkel Staf. Hij is er nu bijna negentig. Straks gaan we nog langs het woonzorgcentrum. En dan te denken dat ze met zes broers waren." "We gaan verhuizen in Antwerpen. Mijn vrouw An en ik. Die ken je wellicht niet. En we willen wat spulletjes kwijt. Het leek ons een goed idee om de camionette vol te laden en nog eens naar hier te komen. Het thuisfront. We hebben ook spullen van de ouders van An bij. Die leven nog. An is nu bij hen." Ook al heb ik daar niet naar gevraagd, toch benadrukt hij het. Onbewust wellicht. Alsof het lot hem slechtgezind is. ************************ "Maar Raf dus. Ik was de kleinste van de hele bende en met de feestdagen of met de verjaardag van grootvader kwam iedereen op bezoek. Voor mij was het natuurlijk dolle pret. Al die neven en nichten over de vloer. Sommige waren een paar jaartjes ouder, maar sommigen waren ook tien of vijftien jaar ouder. Ik denk dat ik Raf voor het eerst heb gezien toen ik zes was. Mijn nicht Hilde was er toen 19. Dat herinner ik me nog omdat ze toen ging verder studeren. Raf was de vrijer van Hilde van nonkel Fons. De oudste van de zes broers." "Raf was een speciale gast. Hij was een paar ouder dan Hilde en hij werkte als dakwerker. Hij was een van de vrijers van mijn nichten. Die vonden me denk ik wel een schattig ventje. Ik liep zomer en winter in mijn korte broek en ik was dol op spelletjes. Voor mij was het hebben van een lief iets onbegrijpbaar. Ik zag me zo later nog niet rondlopen. Als ik er nu op terugkijk was het zo'n beetje als in de Odyssee, een huis vol vrijers. Maar die waren natuurlijk niet op ons ma uit, zoals in het verhaal van Homerus." Hij zag dat ik op een bepaalde manier naar hem keek. “Ik heb in Antwerpen klassieke talen gestudeerd”, verduidelijkt hij. “De Ilias en de Odyssee van Homerus zijn een beetje mijn woordenboeken.” "Maar van alle vrijers was Raf de tofste. Hij had, en nu komen we tot een belangrijk aspect van het verhaal, een opvallende hobby. Afijn, hobby. Meer een kunst. Ik weet niet meer wanneer hij dat kunstje voor het eerst gedaan heeft. Wellicht tijdens een gezamenlijk spelletje verstoppertje. Iedereen was gevonden, maar Raf bleek onvindbaar. Het heeft een uur geduurd en toen zag een neef hem op het dak van de schuur liggen. De schuur naast het kippenhok. Vol rommel, oud gereedschap maar ook met een gasfornuis waar ons vader de aardappels kookte voor zijn vethaantjes." "Omdat het dak wat naar achter helde, zagen we hem niet. Hij lag helemaal achteraan op het dak." "Dat spelletje werd bij het volgende familiefeest een variant op het klassieke verstoppertje. We gaven Raf de kans om zich te verstoppen en dan moesten wij hem overal vinden. Hij klom overal op. Op een keer zat hij in de kersenboom van de buurman. Terwijl wij ons daar niet waagden, want zijn Duitse herdershond blafte onze oren van ons hoofd als we er onze bal moesten halen, die vaak over de wal verdween tijdens het voetballen. Hoe hij die stil gekregen heeft heb ik nooit begrepen." "Maar zijn strafste truc moest nog komen. Het was met nieuwjaar. Dat herinner ik me nog goed. Zelfs het jaar weet ik nog. Het was 1978. Dan kwam altijd dezelfde traiteur langs en die was dat jaar te laat, zodat we ook later aan tafel konden. Een drama, want we wilden natuurlijk ons spel spelen. Op zoek naar Raf. We waren benieuwd wat hij dat jaar uit zijn hoed zou toveren." "Het werd zijn meesterwerk. Dat kan je wel zeggen." Hij verstaat duidelijk de kunst van het verhalen vertellen. Een stukje van de apotheose meegeven zodat de luisteraar een en al oor is. Een meesterwerk, dat moet een straffe stoot zijn. "Een stukje van de spanning was natuurlijk altijd dat het donker was tijdens de zoektochten naar Raf. Gewapend met zaklampen trokken we naar buiten. Raf had zoals altijd 15 minuten gekregen om zich vlakbij te verstoppen. Hij moest normaal aan het huis blijven, maar de kersenboom van de buurman hadden we ooit door de vingers gezien." "Exact vijftien minuten later trokken we naar buiten. We hadden de groepjes vooraf ingedeeld. Maar je kan het wellicht al raden. Na een half uur hadden we hem nog niet gevonden. Iemand van de nichten was binnen al iets gaan zeggen, zodat er al enkele tantes naar buiten kwamen." "Na nog een half uur bracht er lichte paniek uit. Vooral bij nicht Hilde. Ze begon hem al te roepen. Toen kwamen de nonkels ook kijken. Ik denk dat de hele straat het hoorde." Na anderhalf uur zoeken was de pret er voor iedereen af. We besloten naar binnen te gaan want moeder had al geroepen dat de koninginnenhapjes koud werden." "Jij nog een koffie?", onderbreekt hij het verhaal. "Twee koffies nog graag Rita. We hebben ze nodig", lacht hij. ************************ "Was dit nu die straffe truc? Hij werd niet gevonden? Maar waar zat hij dan?" "Wacht, ik ga het je vertellen. Maar eerst wil ik je zeggen dat ik hem na die straffe truc niet meer heb gezien. Tot Kerstmis vorig jaar. Niet lang na dat nieuwjaarsfeest met de familie, waarbij hij onvindbaar was, is het uitgeraakt met Hilde. Of dat voorval er iets mee te maken had, weet ik niet. Maar Hilde is ondertussen getrouwd met een andere man en ze heeft twee kinderen." "Maar terug naar nieuwjaar 1978. Iedereen was 's avonds naar huis. Zonder Raf gevonden te hebben. De dag erna kwam de apotheose. Moeder was zoals gewoonlijk vroeg in de weer. Ik lag nog in bed, na te denken over de avond voordien. Waar zat hij? Ik wist het snel daarna." Om de spanning nog wat op te drijven neemt hij eerst een slok van de verse koffie die Rita voor hem neerzet. "Moeder liep naar de kelder en ik denk niet dat ik ooit zo'n harde gil heb gehoord. Ik ben ook nooit zo snel naar beneden gelopen. Het was geen gil van 'er zit een muis in de kelder' maar veel erger. Meteen daarna was er een stem die ik uit de duizenden herkende. Ik had die stem de hele nacht gehoord. Gedroomd van de verstopplaats van Raf. Hij vertelde ons, in mijn droom, waar hij gezeten had. "Ik ben het maar tante Anna", hoorde ik Raf in de kelder vertellen. Ik stond bovenaan de trap te luisteren.  "Het bleek achteraf dat hij op de grond lag te slapen. Op een dekentje en met een dekentje over zich. Die lagen nog in de rekken. Omdat ons moeder zo geschrokken was, hebben we die dag niet meer gevraagd hoe hij dat gelapt. Hij vertrok meteen naar huis, na zich uitgebreid geëxcuseerd te hebben bij ons moeder." "Hoe bedoel je? Hoe hij dat had gelapt?", zeg ik. "Hij had zich toch duidelijk in de kelder verstopt." "Nee, zeker niet. Want wij waren zelf al tijdens onze zoektocht in de kelder gaan kijken. Hij moest op de een of andere manier naar binnen zijn geslopen." "Maar dan heb je nooit geweten hoe hij dat heeft gedaan?" "Jawel, ik zei het toch daarnet. Het antwoord kwam met Kerstmis vorig jaar. Ik heb Raf na dat nieuwjaarsfeest in 1978 niet meer gezien. Dat zei ik al, het was uit tussen Hilde en Raf. Ik weet niet wat hij al die jaren heeft gedaan. Waar hij heeft gewoond of gewerkt. Tot ik hem met Kerstmis vorig jaar tegenkwam in Antwerpen." "Toevallig?" "Tja, dat weet ik dus niet. Het leek alsof hij naar mij op zoek was. Want raad eens wat hij bij zich had." Hoe kan ik dat nu weten, dacht ik. Maar toen hij naar het voorwerp op de grond keek, wist ik het. “Deze rode koffer?” “Absoluut." ************************ “Ik zat met An een koffie te drinken in een van die hippe koffiebars in de stad. We zaten aan het raam en keken uit over het plein. Tot ik plots iemand zie voorbijkomen met een koffer in zijn hand. Deze rode koffer. Het leek wel alsof hij uit een film over de Tweede Wereldoorlog was geplukt.” “Daar deed de koffer me ook al aan denken”, zeg ik. “Maar ik had helemaal niet gezien dat het Raf was. Het was zoveel jaren geleden. Een mens verandert toch wel in al die jaren.” Exact wat ik dacht toen ik Hendrik op de markt zag, een uurtje geleden. “Het was pas na de derde keer dat hij voorbij wandelde, dat hij me aan iemand deed denken. In de jaren ’70 had hij blonde lokken, echt een knappe gast. Nu was hij bijna kaal. Wat wil je, na bijna vijftig jaar schiet er van jonge gasten niet veel meer over”, lacht hij. “Ook niet van ons Rudi.” "Net toen ik de link legde met 1978, kwam hij naar binnen en stapte meteen op ons af. Alsof hij nog perfect wist wie ik was.” "Misschien heeft hij je al die jaren op de een of andere manier gevolgd?” “Dat kan ja. Hij wist alleszins meteen wie ik was en hij – dat zei ik al – was precies naar mij op zoek. Hij zette zich meteen bij ons aan tafel. Geen vraag of het mocht, geen handjes geschud. Niets van dat. Het was meteen van ‘Dag Hendrik, ik heb iets voor jou'." "Maar wacht eens even Raf, zei ik meteen, je bent me nog een verhaal verschuldigd. Hoe ben jij met de eindejaarsfeesten van 1978 in de kelder geraakt? Hoe ben je iedereen gepasseerd? We zijn zelfs nog gaan kijken in de kelder.” “Ik had me eerst op het dak verstopt”, vertelde Raf in het koffiecafé. “Achter die dakkapel van jullie. Maar dat was eerlijk gezegd een beetje saai. Want jullie hadden de zoektocht naar mij al opgegeven. Ik ben toen wat met de antenne op jullie dak gaan schudden, in de hoop dat iedereen dan naar de living zou vertrekken om te kijken wat er met de tv aan de hand was.” “En ja hoor, dat klopte helemaal”, zegt Hendrik. “Dat herinner ik me nog van 1978. Op een gegeven moment begon de tv heel raar te doen. Opa was natuurlijk ongerust, want als hij geen tv had, kon hij ook niet naar het nieuws kijken. Zelfs ons ma is vanuit de keuken komen kijken wat er aan de hand was. Met al die commotie is hij stiekem de keuken in geslopen en vervolgens naar de kelder.” Hendrik is duidelijk wat vermoeid van het vertellen. Alsof er heel wat herinneringen dichterbij komen, dat gevoel geeft hij me. Ik ben natuurlijk benieuwd naar het vervolg, het verhaal van die rode koffer en het waarom van die koffer. Vooraleer ik Hendrik laat verdergaan met zijn verhaal, bestellen we eerst nog iets om te drinken. “En toen gaf hij me meteen deze rode koffer”, gaat hij verder, na eerst van zijn trappist te hebben gedronken. “Voor het overige is er toen niet zo veel gebeurd. Hij heeft nog een koffie gedronken en hij heeft ons nog een fijne Kerstmis gewenst. Natuurlijk had ik gevraagd wat de bedoeling van die koffer was, waarom ik die van hem kreeg, maar hij bleef daar allemaal heel mysterieus over.” “En wat zat er dan in de koffer?”, vraag ik meteen. “Of het was het gewoon een lege koffer?” “Ja, dat is nu net het mooie van het verhaal. En daarmee komen we tot de apotheose van het verhaal. Odysseus die terug thuis komt van zijn lange reis.” Ik kijk hem niet begrijpend aan. “Ik ga je niet vervelen met die verhalen uit de Griekse mythologie”, zegt Hendrik. “Maar na zijn lange reis was Odysseus gelukkig om terug zijn vrouw en zijn familie te zien. Met die koffer is me iets gelijkaardigs overkomen.” Mijn blik is opnieuw niet begrijpend. Ik zit er werkelijk met mijn mond open. “Wacht, ik vertel je alles. Maar het is niet meer zoveel. Raf is vertrokken uit het koffiecafé. We mochten de koffer pas opendoen als hij was vertrokken. Dat had hij nog gezegd. Maar wat bleek? We kregen de koffer niet open. Het was met een sleuteltje. Tja. An en ik dus met die koffer naar huis. Helemaal verbaasd. Want ik had An dat hele verhaal nog moeten vertellen van onze familie, nicht Hilde en Raf die zich overal verstopte. Het gaf me een soort van warm kerstgevoel, dat ik dat allemaal nog eens mocht vertellen." "Een tijdje later komen we thuis en An gaat nog even naar de brievenbus, om te kijken of er nog kerstkaarten inzitten. Ze komt roepend terug in de woonkamer. Er zaten geen kerstkaarten in, maar wel een envelop met daarin een briefje en een sleuteltje. Het briefje was van Raf en het sleuteltje paste op de koffer.” Mijn mond staat nog altijd een beetje open van verbazing. Hendrik drinkt de rest van zijn trappist uit en gaat verder. “Ik zal je ongeveer vertellen wat er op het briefje stond. Hij schreef dat hij die nacht in de kelder van ons huis ontzettend goed had geslapen. Hij had ergens twee dekentjes gevonden. Het was wel koud, maar hij was pas wakker geworden toen ons moeder naar de kelder kwam. Hij had die nacht iets gevonden in de kelder, schreef hij nog, en dat had hij in zijn jaszak gestoken. Met de bedoeling om het me ’s morgens te geven. Maar dat was hij vergeten en hij had het pas na enkele maanden teruggevonden in zijn jas en toen was het al uit met Hilde.” “En?”, zeg ik. “Wat was het dan?” “An en ik deden met het sleuteltje de koffer open en er zat maar één ding in. Het was een foto. Op de foto staan ons vader, ons moeder, opa en ik, voor de garage van ons huis. Afgaand op mijn leeftijd, moet het ongeveer in het jaar zijn geweest dat hij bij ons is komen wonen. Het was een mooie foto met mij in de armen van opa, aan wie ik warme herinneringen heb, en mijn ouders, die er ook al niet meer zijn.” “De foto was mij totaal onbekend. Ik heb mijn geheugen al gepijnigd, maar ik weet er niks meer van. En waarom die foto in de kelder lag, is me helemaal een raadsel. Maar je begrijpt dat ik totaal ontdaan was toen ik de foto zag. Ik heb werkelijk geen foto’s van vroeger. Die zijn allemaal in de brand gebleven. Alle albums zijn in de vlammen opgegaan." “Maar hij had je die foto toch ook gewoon kunnen geven”, zeg ik. “Waarom het mysterie met die koffer?” “Tja, dat weet ik ook niet. Hij is toch altijd die 'verstopper' gebleven denk ik. Ik heb Raf sinds Kerstmis ook niet meer gezien. Dat moet ook niet meteen. Het is goed zo. Ik koester die foto als het meest waardevolle wat ik heb, naast An natuurlijk”, lacht hij. “En het voelt toch alsof ik na al die jaren een beetje thuiskom, nu ik die foto heb. Dat bedoelde ik daarnet. Het is maar een foto, maar het voelt toch als een hereniging met mijn familie.” ************************ Na die laatste woorden van Hendrik was er al heel wat tijd gepasseerd in het café van Rita. Hendrik vertelde nog waarom hij die koffer niet meer nodig had. “Daar heb ik geen herinneringen aan. Aan die foto wel. Raf heeft die koffer wellicht gebruikt om het wat spannend te maken, afijn, dat vermoed ik. Daarom verkoop ik die. Je mag hem gratis hebben. Misschien kan je er nog iets mee doen.”   (einde)

Rudi Lavreysen
209 2

Wat ik wou schrijven aan Jotie

Ik verlaat het dorp en de oude bomen alsof ik hier ooit aarde ontwortelend ontaarde Ik beslis te vluchten van oude bomen en mensen van oude geel rosse dennen  bezet met de letterzetter aan de rechterbeukvan de kerk buren met hun ruwe lang duwende schaduw En uit de kerk de weduwe duw weduwe duw trek met een wandelrek  een schuivend spoor  door een dood paradijs door het rosse naalden tapijt naalden in haar herinnering morfine  de stank van stervend rot  de naalden scherp zoals graafmachines het vast gekalkt dorp krijsend ontharden het dorp vol dode dennen bezet met binnenvetters bezet met wiezende varkensboeren in nostalgische weemoed over de stank van javel  en stortbeton van toen het hier nog proper was en dat kind de rotpoot had dat dorp verlaat ik dat uitgehold verlaten dorp onder loodmenie  oranje geel zinder licht dat de luwe schaduw  van twee stelen taxus zucht stukjes fossiel van de oudste wezens  in een container voor de kerk proper afgedankt en opgeruimd voor minder donker voor het nieuw inclusief parochiehuis Ik ben de geest van de man misschien was ik meer een boom Ik kan hier niet aarden met snelkutfiets of wandel rek voor mijn ontkalkte vrouw In de schaduw van de kerk rimpelen affiches op eco dennenhout dat jong politiek boerengeslacht dat veganistisch glimlacht voor bomenslacht en aanplant van siergras en onvruchtbare laagstam perelaars  voor het oranje geel zinder licht nu wordt het proper nu kunnen we wiezen nu zijn de bomen ontschorst ontzield en geveld nu onze wandel rekken nu slapen zonder te herkennen   Nu kunnen we slapen zonder te herdenken. Het wordt licht.   (Ik verhuis naar Holland;)    

Louise Doren
57 0

Volle zaal!

Bijna, bijna een volle zaal. Het is zover! Omdat ik mijn angst heb uitgekakt, verwacht ik rustig te zijn op het podium. Of toch naar het einde toe. De ervaringsdeskundigen hebben me verzekerd dat het begin moeilijk is. Het opkomen, de eerst zin vooral. Die moet vlammen. Of doven. Nog acht minuten om de laatste mensen naar hun stoel te laten zoeken. Dan zal de techniek het licht kort doven.  7, 6, 5, 4, 3, 2, 1...ik kom uit de coulissen. Ik sta op het podim, kijk naar de stilte, buig. Het moet in de genen hebben gezeten. Dat zeg ik. HET MOET IN DE GENEN HEBBEN GEZETEN. Goede eerste zin, toch? Niemand reageert. Ik ben wel zeker dat het in zijn dna zat. Zijn? Ja, dat van hem. Het zal hier de hele avond gaan over hem, die man, over mijn vader zal ik spreken. Ik zal spreken zoals hij het niet meer kon. Onlangs werd ik abrupt wakker, badend in het zweet. Ik lag oog in oog met zijn gelaat! Ik zag zijn neus, zijn zware wenkbrauwen, ik rook zijn huid van het vette type. Mijn paniek schreeuwde het uit: ik heb niet genoeg stil gestaan bij deze nachtelijke man, ik heb me nooit afgevraagd hoe volmaakt hij mijn komst vond. Ik kwam op de wereld, hij reed op zijn bmw door het drukke verkeer om toch maar op tijd bij mij te zijn. Is het belangrijk me af te vragen hoe hij de geboorte van zijn tweede kind beleefde? Ik, een meisje. Ja hoor, mijn moeder was de spilfiguur, centrale buik maar hij werd vergeten. Zij was mijn oorsprong, omdat zij mij droeg. Maar hij, waar was Antoine? Er komt een mannelijke bot geruisloos langs de gordijnen. Hij kucht. Ik draai me om.  

Ingrid Strobbe
10 0

Gesloten deuren

Zij leven in een huis vol gesloten deuren. Vol sleutels en sleutelgaten kleiner dan het oog van een naald. Draden vol geheimen. Nu vraag ik me af wat ze met hem gedaan heeft. Nu draag ik haat. En daar ben ik maar al te bewust van.   De kasten zijn groot en torenen boven mijn hoofd uit, de glazen ruiten geven het porselein weer van een vervlogen tijd. De tijd toen hier nog kennissen uitgenodigd werden. Nu niet meer. Nu zijn wij de enige. Er hangt stof in de lucht. De kamer is donker al is het middag. Het is er stoffig en ik hoest. We eten lasagne met room. Thuis eten we nooit room in onze lasagne. Mijn oma toont mij de computer en de stamboom van onze familie. Maar ik begrijp niet waarom ze contact schijnt te houden met mensen die ze nooit spreekt. Ik begrijp de geruststelling in het verbinden van namen niet. Ze verbindt ons met verre familie in de Verenigde Staten of Spanje. Een pionnetje. Een knoopje in de gestikte kleding. Een takje in de boom. De kasten zijn groot en torenen boven mijn hoofd uit. Alles is warm en overal valt er een hartslag te horen. Hoewel iedereen hier is voel ik me eenzaam. Het zullen herinneringen worden waarin ik alleen bij hen ben. Mijn zus en broer zitten in de zetel. Hun lichte huid en blauwe ogen schijnen in contrast met de donkere stof. De tv staat aan, te zacht. Ik vraag me af of zij zich er nog iets van zullen herinneren. Ik vraag me af waarom we nooit naar boven mogen gaan. De helft van het huis is voor mij onbekend. Het liefste ga ik naar het toilet om erachter te komen hoe ik bij die andere helft raak. De gang, door een kartonnen deur gescheiden van de keuken en woonkamer. Aan het ene einde zijn de toiletten koud. De tweede helft is koud. Aan het andere eind van de gang is er een plastieken deur met net, om de vliegen en beesten buiten te houden. Het net zit vol met gaten. Er staat ook een houten kastje. Dat vast vijfhonderd jaar oud is. De muren zijn behangen met blauwe bloemenprint. En de vloer bestaat uit donkeroranje tegels die lijken op de tegels in de toiletten op school. Het ruikt er muf. Wanneer ik de moed heb gevonden om de doorgang naar de tweede helft te openen. Een deur die verstopt staat naast de deur van de toiletten. Komt mijn oma uit de keuken de gang in. Haar greep is strak. ‘Kom, dessert’.   De blauwe auto waggelt. Ik kan de motor door mijn stoel heen voelen. De gordel snijdt in mijn nek. We zitten met drie op de achterbank. Ik ben de enige die geen kinderzitje meer moet. Papa zit aan het stuur, mama kijkt naar buiten. Mama probeert niet te laten merken hoe graag ze thuis wil zijn. Maar het sneeuwt. Plotseling. Frustratie vult de voorkant van de auto. Het lijkt erop dat we langer onderweg zullen zijn dan gepland. En voor wat? Papa zegt dat mama de volgende keren niet mee hoeft te komen en knijpt haar vluchtig in de knie. Er wordt altijd te veel verwacht. De terugrit als vaststelling van een teleurstellend bezoek, die dan ook nog verlengd wordt. Een walm overvalt me, en ik ben bang dat ik zal moeten kiezen. Maar ik hou zoveel van hen. Ik hou zoveel van hen en ik kan beginnen wenen. Het landschap veranderd in grijs. De avond valt als een doek over de horizon. De verlichtte huizen en straten als gaatjes in de nacht. Alles wat ons hoop gaf in de lente wordt bedekt met een laag witte sneeuw. Ik slik. Op de achterbank spelen we spelletjes. We zijn spionnen. De auto’s met de rode lampen snellen van ons weg. Het aangedampte raam kan veranderen in een bedieningspaneel. Uit de opties kies ik een bazooka, en ik zal ze neerschieten. Al die rode auto’s. Want ik zou niet willen dat er ooit iets met ons gebeurt. Ik draag liefde. Te veel en bakken ervan. En daar ben ik maar al te bewust van. Wanneer ik genoeg van heb van het spelen word ik boos op mijn zus. Want als ik wil stoppen moet iedereen stoppen. De auto is stil. De rit is lang. Mijn mama zegt dat ik mijn zus pijn doe met mijn woorden. Mijn mama zegt veel. Mijn mama zegt dat ik op mijn oma lijk.   De wind schuurt onze wangen rood. Gedoken in zelfgebreide sjaals en mutsen hobbelen we van de auto naar de voordeur. De sneeuw heeft zich ondertussen opgestapeld en komt tot aan mijn heupen. Papa’s vingers zijn te koud om de sleutels juist vast te houden en de deur open te doen. Mama doet de deur open. Mijn broer slaapt in haar armen. Ik probeer me de tijd te herinneren dat ik uit de auto gedragen werd. Maar herinner me weinig. Volgende keer dat we ergens van terugkomen zal ik doen alsof ik slaap. In de auto slapen wij nooit, mijn zus en ik. Er is een hele wereld om naar te kijken en zeker als er sneeuw valt. Mijn zus houdt van sneeuw, ik hou van mijn zus en voel me schuldig. Papa maakt mijn veters los en trekt mijn schoenen uit. Hij vindt dat het tijd wordt dat ik leer om dat zelf te doen. Hij zegt dat niet maar ik voel zijn mening in de manier waarop mijn schoenen uittrekken met een zucht gebeurt. Een zucht van een overbodige taak. Ik loop de trap op als een hond, op mijn handen en voeten. Mijn zus en ik delen een kamer. Ik ga op mijn bed liggen en wacht mijn nachtzoenen af.   Op school ben ik erg gelukkig. Ook al komen mijn twee beste vriendinnen niet overeen. Ze willen dat ik tussen hen kies. Maar ik zal niet kiezen. Tenslotte is dit mijn laatste jaar. Mijn laatste maanden. Mama en papa willen verhuizen. Het huis is te klein. In de opvang heb ik een andere vriendin, die ook Frans spreekt. We spreken Frans tegen elkaar. Louise heeft geen vrienden. Veel minder dan ik alleszins. Ik begrijp niet waarom. Ze zegt dat het komt omdat ze een plakker op haar oog moet dragen, onder haar bril. Ik kijk naar de plakker, er staat een prinses op. ‘Kan dat wat stiller daar?’. De juf van de opvang is dik. Wij mogen haar niet. Ze is bang dat we over haar spreken. Ze heeft gelijk, maar ze kan geen Frans. Wij mogen haar niet omdat ze je telkens maar één kleurplaat geeft die je niet mag kiezen. Vandaag heb ik geluk en mag ik een gelijkaardige prinses als die op de plakker van mijn vriendin inkleuren. Gisteren had ik Shrek. Omdat ik Shrek nog nooit gezien had en hem lelijk vond, wou Louise wel met mij ruilen. Ik begrijp niet waarom.

Tess Declercq
7 1

Theevisite

Rita komt met een dienblad de huiskamer in en plaatst het op de salontafel. Ze stalt twee porseleinen mokken, twee schoteltjes en een kleine fles met honing uit. 'Zo, dan kunnen we lekker een kopje drinken, terwijl jij je gedichten voordraagt.' Zeefjes trekken een bitterzoet mengsel in gekookt water. Ze brengt het dienblad weg. 'Thee die je in Parijs gekocht hebt?' vraagt Raymond. Zij komt uit de keuken, knikt en gaat in een leren lichtbruine feauteuil zitten, schuin voor hem. Raymond neemt een doorschijnende plastic map met gele bedrukte vellen van een bijzettafeltje en staat op. Rita sopt enkele keren haar zeefje in het water, taxeert hem en legt het mengsel op een schoteltje. 'Wat vind je van dit vers?     De elegante vindt terecht haar buik                                              en dijen dik. Zij praat zich uit de fuik.                                              Zij eet gezond en sporten kan haar loopbaan                                              bekorten. Smoezen in haar taalgebruik:                                              ik merk dat ik patat en mayo ruik.' 'Wel grappig. Gaat het over Marguerite, die je zo lang aan het lijntje gehouden heeft?' Zij neemt de honing en knijpt in het flesje. Raymond perst zijn lippen samen en geeft zijn hoofd een kort snokje naar beneden. Hij kijkt voor zich uit en negeert haar blik. Hij ziet haar keurig aangelegde tuin, die een hulpje elke maand komt trimmen. Hij heeft niet de behoefte zijn thee erg warm te drinken, maar van een sterk aftreksel houdt hij niet. Daarom haalt hij het zeefje uit zijn mok. 'Je gebruikt woorden die gewone mensen raar in de oren klinken: 'bekorten'. Wat betekent 'zich uit de fuik praten'?' 'Zich eruit lullen.' 'Hoe kan sport je carrière in de weg zitten? Hoe gezonder je leeft, hoe groter de kans dat je langer kan werken, niet? Rare bloem, die Marguerite. Ik snap nog altijd niet wat je in haar zag. Ja, jullie konden samen naar toneel, concert en film. Maar lichamelijk voelde je je niet aangetrokken. En zij hield niet van tederheid, toch?' 'Zij vond samen stappen en thuis eten klaarmaken liefde. Tederheid of intimiteit kon ze niet geven.                                   Het bijdehandje stopt haar schriele borst                                               en uitgedijde buik en benen weg                                               in dure kleren. Ik weerleg:                                               niet daardoor raak ik aardig van de leg,                                               maar meer nog: bier en wijn is wat zij torst.' 'Zij zal vroeg last van de menopauze gehad hebben. En ze heeft zich laten gaan. Elk pondje gaat door 't mondje. Ik leefde vroeger ook bourgondisch. Maar ik raadpleeg een diëtist, ga met OKRA wandelen en ben op yoga. Als je wil, dan kunnen we op de atletiekclub van Bonheiden gaan hardlopen. Wat vind je van mijn lijn? Ik kan weer in mijn jurkjes. En ik eet gezonder: minder brood.' 'Je ziet er goed uit. Beslist. Beter dan zij ... Ik heb er nog een:                                              Of heeft zij toch een reden om te klagen?                                              Haar lichaam maakt te weinig stoffen aan.                                              Vertering stremt en kilo's zwaar om dragen                                              verstoren haar humeur. Enzymen slaan                                              lichtzinnig toe. Gebrek is onbehagen.' Hij neemt weer op de zitbank plaats en nipt van zijn kop. 'Nou, je hoeft met haar geen medelijden te hebben! Ik heb gezien hoe slecht je erbij liep toen je haar kende. Ik leefde met je mee. Gelukkig ben je weer de oude Raymond.' Zij kijkt hem strak aan. 'En ik ben opgelucht. Eerst dacht ik dat je met de elegante mij bedoelde.' Zij schiet in een lach.  

Robert de Roek
7 0