Lezen

Heel Brasschaat gaat kapot.

Ze steekt van wal: heel Brasschaat gaat kapot. Iedereen wordt daar weggehaald. Alle mensen moeten naar het buitenland.  Echt, vraag ik. Ik kijk verbaasd. Ik ga mee in haar verhaal, wil van verbazing omvallen maar de stoel onder mij laat dat niet toe. Ja, zegt ze. Mijn zus hebben ze meegenomen, hup, de auto in, en mee naar Holland. Daar stopte de auto aan een huis waar een man stond, op de eerste verdieping aan het raam, en daar moest mijn zus wonen. Dat is vreemd, zeg ik. Ik werd toen dikwijls misselijk. In de kerk begon ik over te geven, en ik viel flauw, gewoon op de grond lag ik, en dan droegen ze mij naar buiten, ze legden me op het gras, daar kon ik dan bijkomen van die misselijkheid. Zo ziek dat ik werd in een kerk. De dokter zei dat dat door de geur kwam. In de kerk hing een geur waar ik niet tegen kon. Wat raar, zeg ik. Ik kwam vroeger ook in kerken, nooit meegemaakt, zoiets als flauwvallen van een geur.  Brasschaat zal niet meer bestaan, vervolgt ze. Heel dat dorp zal leeglopen (als een bad, denk ik maar ze zegt het niet) terwijl dat toch een chique dorp was. Alles was daar. Veel winkels, een mooi park. Alle mensen hadden geld. Ik knik. Hij zal dan toch ook worden meegenomen? Wie, vraag ik. Juul. Ah, Julien! Mmmm, dat weet ik niet. Ik heb daar niets over vernomen. Volgens mij bestaat dat dorp toch nog. Ik ben er nog geweest.  Ja? Ja, ik was in Klina.  (stilte, zou ze nog weten dat Juul in het ziekenhuis lag?) Ik open mijn iphone en toon de bloemen. Ze kiest de mooiste. Ze wijst naar de details, het puntje van het penseel heeft daar een puntje verf gezet, dat zie ik terwijl ze wijst en geen moment laat liggen om het woord te nemen.  

Ingrid Strobbe
17 1
Tip

Barry White en de geur van vergeten

“I never take pain for granted, only a fool takes things for granted.” Zo begon het. Dat liedje van Barry White.Onze mannen hadden achter de rug van de andere collega’s om, zendtijd geregeld in een radioprogramma. “Topteam van cc Nova". Eric droeg het nummer op aan “zijn vrouwtje”. Zo noemde hij haar altijd, met die glimlach alsof hij zelf niet goed wist hoe hij zoveel chance had gehad. Nu, jaren later, kan ik dat nummer niet meer horen zonder aan hem te denken. Eric.De immervrolijke collega. De man van de kleine kwinkslag, de mop die altijd nog ergens in zijn jaszak zat, de handen vol goede bedoelingen. Ik weet zelfs niet meer exact welk jaar het was. Maar ik weet nog wel dat er plots een bom ontplofte in ons leven en dat ik een maatje kwijt was. En het absurde was: terwijl wij hem verloren, speelde er zich buiten een aflevering van Fata Morgana af. Dorpse gekte. Vlaggen. Ambiance. Mensen die pinten dronken op pleinen en bezig waren met spektakel terwijl ergens tussendoor een leven wegviel. Ik herinner ik het me daarom nog zo scherp. Omdat verdriet zich altijd afspeelt terwijl de wereld compleet ongepast gewoon verder feestviert. Zo voelt verlies achteraf ook vaak: alsof ge uit een scène stapt terwijl de rest van het decor gewoon doorspeelt. En toch verdwijnen mensen nooit helemaal. Dat is het vreemde aan herinneringen. Ge denkt dat ge verder zijt gegaan. Dat het stof erop ligt. Dat het leven er ondertussen andere lagen overheen heeft gelegd. Tot daar ineens een liedje is. Of een geur. Of een plek waar het licht toevallig hetzelfde valt als toen. En hop. Daar staat iemand weer voor u. Soms twintig jaar later. Een paar noten van Barry White en Eric staat terug tegen een toog geleund, monkelend alsof hij iets weet dat de rest nog moet ontdekken. Een vleugje parfum in de gang en ge zijt weer twintig. Een geur van koffie en iemand zit opnieuw tegenover u alsof die nooit is weggeweest. Zo dragen mensen elkaar mee zonder dat ze het beseffen. Niet in grote monumenten of indrukwekkende speeches, maar in kleine absurde dingen. In een nummer op de radio. In een scène uit Notting Hill. In Roxette op een verkeerd moment in de auto. In de geur van een septemberochtend. In koffie die net op tijd gekomen is. Misschien is dat wat liefde uiteindelijk doet. Ze verstopt mensen in details zodat ze nooit helemaal weg kunnen. En gisteren dacht ik daar opnieuw aan. Aan afscheid nemen. Aan hoe ge soms met twee volwassen mensen tegenover elkaar zit terwijl ge allebei weet dat ge elkaar moet lossen en geen van beiden daar eigenlijk talent voor heeft. Hoe ge probeert flink te klinken. Redelijk. Bijna modern in het loslaten. Terwijl er onder tafel nog duizend dingen naar elkaars hand grijpen. En ik vroeg me plots af: wat blijft er eigenlijk hangen van een breuk? Niet de grote gesprekken, denk ik. Niet wie gelijk had of wie te laat beseft heeft wat er op het spel stond. Misschien blijven mensen uiteindelijk plakken in de kleinste dingen. In een geur van koffie die net op tijd gekomen is. In een ochtend in september. In een nummer van Roxette dat onverwacht opduikt in een supermarkt. Of in die ene scène uit Notting Hill die ge nooit meer gewoon kunt bekijken. Misschien zit ge ooit jaren later ergens in de file en hoort ge toevallig een nummer dat ge al eeuwen niet meer gehoord hebt. Misschien ruikt iemand naar dezelfde regenjas, dezelfde shampoo, dezelfde ochtend. En misschien denkt ge dan heel even: daar zijt ge weer, ik wou dat ik u kon vastpakken. Nog één knuffel, nog één pintje, nog één mopje. Een één moment waarop ik kan zeggen hoe bijzonder ge zijt.  En dan hoor ik Barry White opnieuw zingen dat alleen dwazen dingen vanzelfsprekend vinden. Hij had gelijk.

Katrien Daniels
137 6

Alma Mater

Mijn grootmoeder heette Alma. Wij zeiden meter, maar eigenlijk heette ze Alma. Ze haatte die naam, omdat dat volgens haar “ne naam van den Duits” was. In haar hoofd was het een vaststaand feit. Alma was geen naam voor een mens gelijk zij. En toch heeft geen naam ooit beter bij iemand gepast. Alma Mater. De voedende moeder. De moeder der moeders. Al zou ze zelf gezegd hebben: “Doe normaal, kind, en eet nog een stuk appeltaart.” Want dat was meter ook. Geen grote woorden. Wel zoete citroenthee bij griep. Extra lang op haar schoot bij een geschaafde knie. Rijstpap op vrijdag. Appeltaart op zaterdag. Rituelen waar ge als kind op vertrouwt gelijk de zon die opkomt. En katholiek dat die vrouw was. Wij moesten elke week naar de mis. Geen discussie mogelijk. Of ge moe waart, of het regende, of ge liever in uwe pyjama naar Niels Holgerson keek, deed er niet toe. God wachtte niet. Dus zaten wij daar braaf in de kerk terwijl meter ondertussen alle heiligen persoonlijk leek te kennen. Voor examens werd er gebeden. Voor een operatie werd er gebeden. Voor slecht weer op het communiefeest werd er een noveenkaars aangestoken alsof ze rechtstreeks met de hemel onderhandelde. Ik ben dat geloof onderweg ergens kwijtgeraakt. Maar nog altijd, als er echt iets is, iets groot, iets waar ge zelf geen vat meer op hebt, denk ik soms: “Almake… spreek uwe God daar eens op aan.” En eerlijk? Een stuk van mij gelooft dat ze dat doet. Bij meter thuis was het altijd warm. Letterlijk ook. Een kleine leefruimte met een kachel die precies heel de familie draaiende hield. Vijf kleinkinderen door elkaar. Een tafel vol kaarten. Beeldjes op de schouw. Mijn grootvader in zijn vaste hoek van de zetel. Mensen die luid praatten, luid lachten en soms luid ruzie maakten om daarna gewoon verder cake te eten. Daar werden liedjes gezongen over nen bleken blauwe hond alsof dat cultureel erfgoed was. Daar werd uren gekaart. En meter, die smeet haar kaarten op tafel met de grandeur van een casino in Las Vegas en riep: “Zevenen! Dat kan alleman!” waarop wij allemaal tegelijk begonnen roepen dat het ni waar was. Het was een huis van commentaar geven zonder rem. Van elkaar plagen. Van verhalen die elk jaar straffer terugkwamen. Van te luid soms zo luid dat de ramen ervan trilden. Ik heb het duidelijk van geen vreemden. Later, toen ik zelf moeder werd, veranderden onze gesprekken. Ze gingen minder over kinderknieën en meer over het grote modderen. Over hoe ge uw best kunt doen en toch soms denkt: is dit het nu? Over kinderen die moeten vliegen, terwijl ge zelf nog met hun jas in uw handen staat. Jaren later noemde ik mijn bedrijf naar haar: Huis Alma. Niet omdat ik een heilige wilde eren, maar omdat ik iets van haar wilde meenemen. Haar nuchterheid. Haar pragmatisme. Haar massa’s liefde. Haar relativeringshumor. En altijd ergens die geur van soep of versgebakken cake. Zelfs op het einde, toen wij voor haar mochten zorgen, bleef ze Alma. Kleiner misschien. Brozer. Maar nog altijd een huis. Nog altijd iemand bij wie ge dacht: hier mag ik zijn. Misschien is dat moederschap. Niet perfect zijn. Niet altijd zacht. Niet altijd geduldig. Soms kijven. Soms zuchten. Soms de verkeerde dingen zeggen en daarna toch koffie zetten. Maar vooral: een veilige haven zijn voor vogels die moeten vliegen. Een plek die zegt: het is goed. Bij mij zijt ge veilig. Gelijk wat. Ik blijf. En ondertussen modderen we allemaal maar wat aan. Met onze soep, onze kinderen, onze zorgen, onze appeltaart. Zoals meter het ons geleerd heeft.

Katrien Daniels
57 4

Taart zonder moederdag

Ze sloft door de tuin naar de keuken. Haar ouders zitten al aan tafel. Op de tafel staat een grote Bresiliennetaart. Die had haar zoon gisteren gekozen. Ze had hem van school gehaald en gezegd dat hij zijn valies moest pakken om naar zee te vertrekken, maar hij wou eerst nog boodschappen doen. Ze zei dat hij spekjes met pasta en broccoli kon eten en dat ze morgen boodschappen konden doen. Hij had dat deze week al gegeten bij zijn vader, zei hij, we passeren toch een winkel, het duurt echt niet lang. Ze gaf toe omdat ze hem al maar zo weinig kon verwennen en stiekem wou ze ook wel een taartje. De weekends met haar zoon daar keek ze enorm naar uit. Het was het derde weekend samen. Drie weekends op 3 maanden. Dat was niets. Zij die altijd dag in dag uit met haar kinderen doorbracht. Geen uur in de opvang of de studie, geen uur bij een babysit, 11 jaar lang fulltime mama voor haar zoon en 14 jaar lang voor haar dochter. Tot de scheiding. Dan werd ze plots halftijdse mama en door het gedrag van hun vader minder dan halftijds en nu wellicht niets meer.  Ze keek naar het witte nootjestapijt op de stevige gele crème. Bresiliennetaart deed haar altijd aan haar vakantiejob denken bij Rosalie Babelutte in Heist. 's Morgens startte ze met zich in het zweet te lopen tussen de bakkerij op de kelderverdieping en de winkel op het gelijkvloers. Grote grijze bakken met allerlei broden, koffiekoeken, sandwiches en pistolets werden verhuisd. De broden werden in metalen rekken geplaatst in de buurt van de deur. De kleine broodjes werden mooi gestapeld in het houten rekje achter de toonbank. Daarna werden de taarten naar de winkel gebracht en in de vitrine gelegd en ging de winkel open. De eerste uren was het non-stop klanten bedienen. Met drie stonden ze in de winkel. Er waren twee kassa's. De oudste vond ze fantastisch. Daar moest ze de ronde knoppen met een zware vinger aanslaan om zeker een duidelijk cijfer op het kasticket te zien verschijnen. Tegen de middag waren haar vingers moe en was de inktafdruk lichter blauw dan het eerste uur van de werkdag. Als ze de totaaltoets had ingedrukt en de kassa met geweld en veel geluid open vloog, begon het hoofdrekenen om te weten hoeveel ze moest teruggeven. Ook dat ging soms minder vlot tegen de middag. Op de andere kassa verscheen het terug te geven bedrag digitaal op het schermpje, waardoor je de klanten soms op voorhand zag kijken bij wie ze zouden bestellen om toch maar niet op de oude kassa bediend te worden. Als het niet druk was mochten ze enkel de oude kassa gebruiken. Die kassa was voor het zwart geld, hadden de bakkersvrouwen haar gezegd. Hun echtgenoten werden oud en ze zouden het niet lang meer volhouden, dus dat zwart geld zou van pas komen. Na een paar uur goed doordraaien viel er altijd een rustuur. Dan kon één van hun drieën iets eten, wie het meest honger had of loden benen of het ergste had gezweet ging eerst rusten. In de namiddag werd er roomijs gemaakt door een andere jobstudent. Zij mocht terwijl hij de ijs bereidde kiezen of ze verder in de bakkerij stond of bij hem in de crèmerie of beneden bij de afwas. De afwas moest ze minstens één keer per week kiezen. Daar werd nog meer gezweet: grote bakplaten proper maken met een ijzersponsje en bijtende producten en de vaatwas vullen met bordjes en tasjes van de crèmerie en de bakkerij. Maar er werd wel gelachen aan de afwas, want de twee bakkersbroers en de bakkersstudent waren blij dat hun shift er bijna opzat en kwamen wat gek doen voor ze huiswaarts gingen. De bakkersvrouwen die dan in de winkel stonden kwamen af en toe haar afwas controleren en de mannen wegjagen met hun gekdoenerij. De bakkersvrouwen waren ook zussen, maar zo anders. De zwarte was op het eerste zicht veel zachter en aangenamer om mee te werken en bleef altijd hetzelfde naar klanten, een lachje en een zacht zenuwachtig geluidje dat de ene dag al uitgesprokener aanwezig was dan de andere, een soort kuchje waar ze soms om moest lachen. De blonde had iets stuurs en dat maakte haar destijds wat bang, maar na een week had ze door dat achter het stuurse een crème van een vrouw zat met het hart op de tong. Stond een klant haar niet aan dan hield ze zich niet in. De zwarte had dat misschien beter ook wat meer gedaan, dan was ze misschien van dat kuchje vanaf geraakt. Maar de zwarte vond klant koning, de blonde was een onbeschofte respectloze klant graag kwijt. Zo herinnerde ze zich een Duitser die ze in haar beste Duits letterlijk terug naar de loopgraven verwenst had. Even dacht ze dat ze met elkaar op de vuist zouden gaan, maar ze nam gewoon zijn kopje en zijn bord met een zwier voor zijn neus weg terwijl ze hem luid haar gedacht zei. Met haar vinger wees ze naar de deur en toen hij nog wat tegensputterde gaf ze nog een extra duw in de lucht om haar standpunt definitief duidelijk te maken en gooide de deur achter zijn hielen dicht. Zo boos was ze. De hele winkel stond verbaasd te kijken en de bestellingen werden doorheen de hele scène gehakkeld uitgesproken of simpelweg onderbroken.  In de namiddag kwam altijd een dipje. Toeristen zaten op het strand, de ochtend- en middagspits was voorbij. De jobstudent die met zijn grote roeispaan in de enorme ton draaiende roomijs schepte maakte de namiddag altijd tot een spel. Hij probeerde het ijsdraaien soms wat te rekken zodat het minuten tellen tot de avondspits wat minder lastig zou zijn, maar dat hadden de twee bakkersvrouwen al gauw door. In die dode minuten kwam de zwarte of de blonde ook altijd vragen “Wuk wult je vandoage, ne kreem, e tortje of e beuterkoeke?”. De bresilienne moest altijd eerst op. Aan het einde van het seizoen kon ze geen bresilienne meer zien. Maar nu had ze al anderhalf jaar een lief die verzot was op taartjes en bresilienne stond weer vaker op tafel. Niet zelfgemaakt.  De eerste taart die ze hem liet proeven anderhalf jaar geleden was rabarbercrumble. Ze durfde toen nog niet dicht naast hem zitten, maar dat duurde niet zo lang. Ze wil hem zo graag bellen en vragen om een stukje te komen mee-eten, maar hij heeft rust nodig, dus stuurt ze niets. Ze kijkt naar haar vader en zegt. K sta hier nu hé, met mijn bresiliennetaart en al mijn eten voor drie dagen. Hij zegt dat ze het gaat moeten loslaten en aan zichzelf moet denken. Hoe dan?, vraagt ze. Ik heb de voorbije 16 jaar voor mijn kinderen geleefd. Hoe kan ik ze nu volledig loslaten alsof ze niet meer bestaan? De tranen rollen weer over haar wangen. Ze zwijgt en eet. In haar hoofd speelt ze nog eens de voorbije dag af. Het was vrijdag. Ze was opgestaan met slaapscore 90, dat had ze nog nooit gehad. Ze at een boterham, dronk koffie en reed naar de kinesist. Ze was fier dat ze opnieuw perfect geparkeerd stond, weer een kleine overwinning. Ze had haar wijde coltrui aan omdat ze het koud en vochtig vond. De kinesist lachte en zei “wat een verschil met je zomeroutfit van vorige week”. Dan had ze door dat ze misschien wat overdreef, zo kou was het niet. Maar ze had dat wel vaker in het begin van de lente, nog even het gevoel van de winter willen, net zoals ze in de late herfst nog met blote billen liep om nog een beetje zomer te voelen. Over die blote billen van haar had hij in hun eerste smsjes nog opmerkingen gemaakt. Ze miste die smsjes. Ze had wel vaker schrijvende lieven gehad, maar hij was anders. Vertel eens hoe het geweest is met de wandelingen, vroeg de kinesist. Perfect, 12 kilometer zonder pijn en twee dagen na elkaar. Terwijl ze de woorden uitsprak dacht ze aan de westhoek en hoe ze gevoeld had dat de liefde stroomde. Ze keek zo uit naar het lange weekend die eraan kwam, maar nu door deze crisis voelde alles weer anders. Haar zenuwstelsel stond weer gespannen en ze was weer bang. En ze wist dat haar angst ook zijn angst kon terugbrengen.  Maar eergisteren heb ik opnieuw een serieuze emotionele crisis gehad waardoor mijn rug en nek weer vast zitten, ging ze verder. De kinesiste reageerde dat ze dan eerst naar die rug zou kijken. Ze deed haar werk en het deed deugd. Aan het einde kreeg ze te horen dat ze een heel goed lichaamsbesef en enorm soepele gewrichten had waardoor de manipulatie vlot ging, ze kon haar in alle richtingen draaien en keren. Ze dwaalde af bij die woorden en moest aan hem denken, haar lief, hoeveel zin ze had om nog eens door hem in hoeken en bochten gedraaid te worden. Maar dat ging nu niet. Ze kon niets forceren. Geduld. Zijn moeilijke periode zou overgaan, dat wist ze zeker, ze wist alleen niet wanneer. Ze stond op, betaalde, bedankte en ging naar de auto. Buiten was het intussen warmer. Ideaal voor de wandeling met haar jeugdvriend. Ze kon het niet laten hem een duwtje te geven in de richting van een gemakkelijkere toekomst. Hij zat al te lang vast en ze had hem al lang niet meer gemotiveerd omdat ze teveel met zichzelf bezig was. Hij gaf haar ook af en toe een duwtje, ze had er wel iets aan en hoopte dat hij ook iets aan haar duw had. Daar dienden vrienden voor. Halfweg stonden ze stil. Een klein reetje was rustig aan het grazen en keek even op toen ze dichterbij kwamen. Ze bleven wat staan. Zij trok een foto voor de kinderen en voor haar lief, die hielden ook van dieren in het wild. In de namiddag scrolde ze nog wat naar jobs en huizen en naar een leuke plek om het volgende weekend door te brengen. Hij had haar vandaag nog niet gebeld en ze had wel zin om hem te horen en haar pikante gedachten te delen. Maar net voor ze het daarover wou hebben stapte haar zoontje in de auto, dus zweeg ze, het was niet voor kinderoren bestemd. Het deed wat pijn in haar buik om haar lief en haar zoon even met elkaar te horen praten, net zoals het pijn deed om zijn zonen van op afstand in de auto te zien en er niet bij te mogen. Zo had hij het beslist. Na een half jaar fulltime samenzijn en dan nog meer dan een half jaar halftime samen zijn kreeg ze zijn zonen plots niet meer te zien en wou hij haar kinderen niet meer zien. Haar zoontje zag er enorm van af. Sinds ze niet meer samenwoonden had hij op school dagelijks problemen en was hij geschorst. “Jullie zoon is een lief, beleefd, leuk en eerlijk kind, maar hij gedraagt zich sinds half januari absoluut niet in de klas en hij heeft er precies geen besef van. We moeten hem helpen hadden ze gezegd, want we begrijpen dat hij de voorbije jaren heel wat te verwerken had, maar hij vliegt wel eerst een paar dagen van school.” Zij had dat eigenlijk een mooi cadeau gevonden. Dankzij de schorsing kon ze hem midden in de week drie dagen bij haar aan zee hebben. Wat hadden ze daarvan genoten! De babbel met haar lief aan de telefoon sloot ze af en de rest van de autorit praatte ze met haar zoon. Wat was er vandaag misgegaan in de klas? Ze had immers opnieuw een mail ontvangen van de juf wiskunde. Er hing stinkende parfum van de zesdes in de klas, had hij gezegd, en om het niet te ruiken had ik mijn neus in mijn fles water gestoken. En de jongens hadden mijn plezier gemist toen ik er niet was. Ze reageerde kalm, zoals altijd, maar maakte hem de gevolgen van zijn gedrag wel duidelijk. In de winkel waren ze enthousiast en kochten allerlei lekkers. Hij koos de bresiliennetaart en zei dat hij een stukje aan zijn vader ook ging geven. Zij zei dat het ok was, hoewel ze liever een stuk aan haar lief had kunnen geven omdat die veel blijer reageerde. Op de weg naar huis begon haar zoon over iets wat hij cadeau had gekregen, waarop zij reageerde dat ze daar ook wel de helft van betaalde. En ze probeerde nogmaals uit te leggen hoe een gescheiden koppel werkt. Maar zulke gesprekken maakten haar zoon altijd boos. Dus zei ze dat het al goed was en ze erover ging ophouden, maar dat ze niet wou dat hij zo boos reageerde en dat ze ook niet wou dat er dingen werden gezegd die niet klopten, maar dat hij daar niet aan kon doen, dat zij het wel zou oplossen. Ze kwamen boos thuis aan. Hij bleef wat in de auto zitten. Hij vroeg wat hij nu moest doen. Ze zei dat hij zijn valies moest nemen en vertrekken. Hoe kan ik weten of je mij nog mee wil vroeg hij. Natuurlijk antwoordde ze, maar ik wil niet dat je nog zo'n dingen zegt, het maakt mij telkens overstuur. Terwijl hij zijn valies nam, vroeg zij haar ex om de fietsen nog in te laden, zodat ze die kon binnen doen in de tweedehandswinkel zodat de kinderen nog een spaarcentje hadden en hij de rommel kwijt was. Hij stak er echter een fiets teveel in. Ze had het nochtans duidelijk gezegd en al meerdere keren herhaald dat ze die niet zou meenemen. Hij had toch zijn zin gedaan en alles in haar auto vastgebonden. Toen ze zich daar over irriteerde en hem wees op het feit dat hij sinds de scheiding totaal niet behulpzaam was geweest werd hij heel boos en liep weg. Hem weer zo zien raakte haar nog steeds. Haar vader had het ook weer gehoord, zijn geroep. Ze begreep het niet, ze begreep niet waarom hij zo hatelijk bleef doen na al die jaren dat ze zich voor iedereen had ingezet. Hij had nochtans een doos vol goede eigenschappen ook, maar om de één of andere reden ging die maar af en toe open. En daardoor was ze de liefde kwijt geraakt, zichzelf ook kwijt geraakt. Opgejaagd stapte ze in de auto en vertrok met haar zoon richting zee. Er was file door de werkzaamheden in de straat. Stapsvoets gingen ze vooruit. Haar zoon zei dat hij bij zijn vader gecheckt had of het klopte wat ze over het financiële had gezegd en hij had gezegd van niet. Toen werd ze boos. Ze zei dat het veel te complex was voor hem en ze gewoon wou dat hij het er niet meer over had, dat het niet ok was hoe het nu geregeld was en ze recht had om haar kinderen veel meer te zien. Haar zoon werd nog bozer en plots kreeg ze zijn hand tegen haar gekletst. Zij werd ook bozer en zei dat het echt niet ok was, dat ze begreep dat ze had moeten zwijgen, maar ze geen klets verdiende. En dan viel de zin die ze zo had gevreesd, dat hij niet meer mee wou naar zee. Ze wist dat hij wel zou kalmeren als ze toch zou rijden, maar ze was zelf echt boos en wou nu eindelijk eens aan haar ex een signaal geven dat dit niet meer kon. Ze voerde hem tot daar, maar in plaats van dat ze van hem steun kreeg werd zij voor gek aanzien die haar kinderen en zichzelf niet meer onder controle had. Ze schreeuwde nog dat ze zichzelf dan maar beter tegen een boom kon rijden als ze toch geen kinderen meer had en vertrok met piepende banden. Vijfhonderd meter verder ging ze aan de kant en begon te huilen. Vlakbij de wandeling die ze zo vaak had gedaan toen de kinderen klein waren en die ze het afgelopen jaar ook met haar lief had gemaakt. Verdomme, waarom stopte het niet? Ze had haar gezin in de steek gelaten, alles achtergelaten omdat het beter zou worden, maar het werd niet beter, integendeel. Hij deed haar nog evenveel pijn, met dat verschil dat ze nu helemaal niets van voordeel meer had aangezien ze zowel haar huis als haar kinderen kwijt was en dus ook haar rust. Hij belde, één keer, twee keer, ze nam niet op, haar dochter belde, ze nam op. Blijf daar staan had ze gezegd, de politie komt naar jou. De politie belde een paar seconden later om te weten waar ze stond en ze kwamen langs. Eindelijk kon ze haar verhaal doen. Eindelijk durfde ze zeggen dat haar ex niet ok meer was. Ze had hem altijd blijven verdedigen, achter elke kritiek had ze er iets positiefs of verzachtend aan toegevoegd. Maar nu durfde ze zeggen dat haar reactie het gevolg was van jarenlange kleine kwellingen. Elke keer als ze van hem weg wou toonde hij dat het ook anders kon, maar hij hield het niet vol en de kwellingen begonnen opnieuw. Ze had zich allerlei vragen over zichzelf gesteld, pogingen gedaan om haar gedrag aan te passen, externe hulp ingeroepen. Ze begreep niet waarom ze niet gewoon gelukkig kon zijn, verweet zichzelf dat ze alles had waar velen van droomden, maar ze voelde teveel en niet de juiste dingen. En uiteindelijk werd zij een versie van zichzelf die ze niet meer graag zag. Zo wou ze niet zijn, het moest stoppen, en ze vertrok met de zachtste man die ze ooit had ontmoet. Hij bestond.  Ze gaat terug naar de tuin. Ze had met de psycholoog gebeld. Die had gevraagd of ze niet bij haar lief kon om te vermijden dat ze moedertjesdag alleen zou doorbrengen. Ze wou wel, maar hij wou het niet. Ze was hun moeder niet. Ook al zorgde ze meer dan vijf maanden fulltime voor hen toen hun moeder dat niet kon. Ze luisterde naar hun verdriet, naar hun vragen en bezorgdheden over de relatie met hun vrienden, over hun grootvader, over hun verdwenen grootmoeder en de stiefgrootmoeder. Ze motiveerde hun wanneer ze aan zichzelf en aan hun kunnen of zijn twijfelden en remde hun af als ze in overdrive gingen, ze lachten en grapten samen, speelden spelletjes en ook zij kreeg af en toe een kietel, een kneep of een troostende knuffel of babbel. Ze verzorgde wondjes, smeerde zonnecrème, vouwde hun was op, naaide gaatjes in de shirts, bracht hun naar school, maakte vers eten en dessertjes, kocht kleine cadeautjes voor verjaardagen en feestdagen, vroeg naar hun eerste werkervaringen, kreeg uitgebreid verslag van hun feestjes, ze vertelden open over sex en drugs en vertrouwden haar kleine dingen toe die ze hun vader liever niet vertelden. Nee, ze was hun moeder niet, dat wist ze wel, maar ze hadden meer dan een jaar lang lief en leed gedeeld. Voor haar voelden ze wel als haar gezin. Ze had het hem vaak gezegd, dat als hij plotseling zou overlijden, ze wel nog voor hen zou willen zorgen. Hij had dat toen goed gevonden, die ochtend dat ze in bed nog wat zacht praten over de naderende dood van zijn vader en zijn angst om ook vroeg te sterven. Het deed hem iets en hij kneep in haar hand. Dus toen ze enkele maanden later plots met haar kinderen moest vertrekken en niet alleen haar lief, de kippen, de hond, de tuin, het nieuwe huis, maar ook haar nieuwe kinderen moest achterlaten deed het pijn, veel pijn. En hij kon het op dat moment al niet meer voelen. Het gras staat vol madeliefjes. Dit jaar had ze nog geen gras afgereden. Ook dat miste ze. Het waren haar vertrouwde activiteiten die voor rust en regelmaat zorgden. Nu zat ze al maanden hier, in het huis van haar ouders, waar ze wel veilig en geliefd was, maar niet kon opladen. Opladen kon ze in haar eigen huishouden, haar eigen moestuin, in het stoffeeratelier en bij elke activiteit die ze met hem doorbracht, haar lief, een man waar ze lang van had gedroomd, maar dan had afgeschreven als onbestaande. Maar toch, hij bestond, de man die paste. Haar marraine had altijd gezegd "jouw vent moeten ze nog bakken", maar hij was al gebakken.  In de verte hoort ze een ambulance. De politie had haar niet naar huis laten rijden, maar ze hoefde ook niet naar het ziekenhuis omdat ze haar wel helder vonden. Ze hadden het stuur overgenomen en haar bij een vriend afgezet. Daar vroeg ze zich af wat ze daar zat te doen. Ze wilde naar haar kinderen, werd bijna gek, maar hij hield haar tegen. Het was goed dat ze daar was. Hij was de meest stabiele en rustige persoon die ze hier in de buurt kende. Maar ze wou op dat moment eigenlijk bij haar lief zijn en slapen om het verdriet te verwerken. In de plaats daarvan kroop ze opnieuw in het bed bij haar ouders, met matrassen van 50 jaar oud die zo hard doorzakten dat ze dacht dat ze op een ochtend eens niet meer te zien ging zijn. Ze viel rap in slaap, droomde over een bewijsdocument van een moordzaak die in het museum werd verstopt en werd wakker om vier uur. Opnieuw die hoofdpijn en buikpijn en het gemis. Ze had gedoucht, iets gegeten en was in de zon gaan liggen in de hoop te verdwijnen. Ze kijkt nog eens naar de madeliefjes in het gras en twijfelt wat ze moet doen. Toch iets gaan drinken met een vriendin ook al heeft ze geen zin om te praten? Naar tv kijken en hopen dat haar gedachten niet verhinderen om de beelden en tekst van de tv te laten doordringen? Een ticket boeken naar de bergen en een paar weken echt verdwijnen en niets meer laten horen? Wat wil ze? Haar telefoon gaat. Hij is het...dat wil ze...ze wil hem. Ze wil naar huis. En als ze thuis is en de tijd rijp zullen haar kinderen ook wel komen. Maar nu is het tijd voor haar. Ze heeft genoeg gedaan, genoeg gevochten, ze mag rusten. Morgen is het moedertjesdag. Ze bedenkt hoe het had kunnen zijn. Vervloekt haar pijn die haar mond heeft opengebroken en haar zoontje heeft gekwetst. Ze had met hem moeten doorrijden. Hij is net als zij, maximaal tien minuten boos. Ze hadden naar muziek kunnen luisteren in de auto. En dan bij aankomst, het laatste straatje bergop en dan een WAAAW uit zijn mond en bubbels in haar buik bij het zien van het wijdse strand en de eindeloze zee bij avondzon. Ze keek gisteren nog zo hard uit naar moedertjesdag ook al was het maar met haar halve kroost. Een half jaar geleden voelde ze zich moeder van vier, gisteren was ze nog moeder van één, vandaag voelt ze zich geen moeder meer. Misschien moet ze toch doen wat een bevriende maatschappelijk assistent had aangeraden? Naar spoed gaan. Maar niet om te vragen om te bemiddelen met haar ex en de kinderen, maar om haar plat te spuiten naar dromenland. In dromenland is het vast wel moederdag, zit ze aan tafel met zes en blinken gelukstranen door de nacht. 

Fien SB
27 1

WhatsAppBitches

Bzzt. Bzztbzzt. 47 nieuwe berichten. Kent ge dat? Een ontplofte gsm... En elke keer denk ik: Er is iemand gestorven. Een kind kwijt. Een affaire ontdekt. Een staatsgreep in Haaltert. Maar nee. Het is gewoon Silke die een foto gepost heeft van haar nieuwe puppy. En dan begint het. ❤️❤️❤️ “Oooohhhhhhh!” “SMELT 😍” “Die pootjes!” “Welkom liefjeeee 🐶” Sticker van een hond die “hiiiiiiiii” zwaait. Nancy stuurt: “Dat snoetje 🥹” Binnen de vier minuten zitten we aan 83 berichten en is die puppy emotioneel belangrijker geworden dan de NAVO. Op mijn gsm staan WhatsAppgroepen zoals bij mijn moeder vroeger plastic potjes in de keukenkast stonden: ge houdt ze allemaal bij omdat ge denkt dat ze ooit nog van pas gaan komen, ook al ontbreekt al jaren het juiste deksel en weet niemand nog wat erin zit. “Topteam 🔥” — collega’s die elkaar in het echt amper goeiedag zeggen aan het koffieapparaat maar online veranderen in motivational speakers met emoji-verslavingen. “Ladies only ❤️” — vrouwen die zogezegd eerlijk alles tegen elkaar zeggen maar eerst nog apart naar Cindy sturen: “Zeg gij… vond gij dat van An ook een beetje raar?” “Enfin de vrouwen alleen” — ontstaan na een etentje waarop de mannen zogezegd “toch alleen maar over koers bezig waren”. “Zonder Magda want die is eruit gestapt” — een groepsnaam die tegelijkertijd informatief, dramatisch en licht bedreigend is. “1977 — meisjes van de lagere school ❤️” — een digitale reünie waar trauma’s van de turnles en gestolen fluostiften nog verrassend vers blijken. “BBQ Kim & Stef” — een groep die eigenlijk al drie jaar dood is maar waar niemand durft uit te stappen uit schrik dat Kim dat persoonlijk neemt. WhatsAppgroepen zijn een wonderlijk vrouwelijk ecosysteem. Een digitale zusterkring waar emoties worden uitgewisseld via gifjes van puppy’s in dekentjes en vrouwen elkaar moed inspreken alsof iedereen permanent op weg is naar een halve marathon of een burn-out. Maggy stuurt: “Ik moet zaterdag werken.” En dan begint het. 💪❤️✨ “Gogogo meid!” “Sterkte topper!” “Queen!” Sandra stuurt haar vaste sticker van een vrouw met een glas cava en een bontjas. Nancy kiest voor een babyotter die applaudisseert. Els gooit er standaard drie rode hartjes tegen alsof Maggy zonet een nier aan haar buurvrouw heeft afgestaan in plaats van rekken te vullen in den Aveve. Of in “Weekend Ardennen.” Dat moest gewoon dienen om af te spreken wie kaas meebrengt. Drie dagen later: 642 berichten. Een discussie over quinoa. Karine die vraagt of “matching pyjama’s mss grappig zouden zijn 😂” Iemand die een Pinterestbord deelt genaamd: “Forest girl autumn vibes 🍂” En ergens tussen al die berichten één compleet verloren man: “Moet ik nog hout meenemen?” Niemand antwoordt hem ooit. En toch verwijderen we die groepen niet. Omdat ergens tussen de cava-gifjes, de spierarmen, de slechte memes en de passief-agressieve duimpjes soms iets oprechts zit. Een klein digitaal kampvuur. Iemand die om 22u43 schrijft: “Pff. Lastige dag.” En vijf vrouwen die antwoorden: “Komt goed schat ❤️”

Katrien Daniels
69 2

The queen of Zaventem

Het meisje van onder de kerktoren neemt het vliegtuig naar Madrid. Dat klinkt groter dan het is, maar ook kleiner. Want mensen bekijken mij soms als een vrouw van de wereld. Ik die moeiteloos tussen terminals beweeg met zo’n handbagage op wieltjes die nooit omvalt. Ik die gewoon op luchthavens thuis hoor. Maar ergens, diep vanbinnen, ben ik nog altijd dat meisje dat denkt: paspoort mee? Gate juist? Niet te laat? Niet kwijtspelen. Niet panikeren. Luchthavens zijn eigenlijk gigantische middelbare scholen voor volwassenen. Overal mensen die doen alsof ze exact weten wat ze aan het doen zijn, terwijl de helft stiekem ook maar gewoon bordjes volgt en hoopt dat iemand “final call” niet met hun naam combineert. Een maat van mij — laat ons hem Dieter noemen, een naam van een echte dertiger — heeft een grondige hekel aan vliegen. “Brakke zetels, te dicht op elkaar, te veel kinderen die aan staan, onnozele films, eten dat smaakt naar karton en daar hangt altijd een geur van fastfood en nog niet gewassen zweet,” zegt hij dan. En dan komt steevast het punt waarop hij luid uitroept: “En ge moogt daar niet roken!” En dan weet ik het weer. Dieter is geen dertiger. Dieter is een blanke midlifer with an attitude. Een man die geboren is om kwaad te zijn op luchthavenbroodjes van twaalf euro en boardingprocedures. Soit. Ik probeer mij niet te laten meeslepen door Dieters tirade en ook niet door het kerktorenmeisje in mij dat bij grote mensenmassa’s spontaan heimwee krijgt naar een boterham met préparé in een vertrouwde keuken. Ik geef Katy D het heft in handen. Katy D is de versie van mezelf die zonder verpinken “window or aisle?” beantwoordt. Gulzig. Vrolijk. Zelfverzekerd. Check-in? Check. Gate? Check. Taxfree? Why not. En voor ik het weet zit ik op het vliegtuig met The Beautiful South in mijn oren, een liedje dat zingt over schone ogen en rimpels vol betekenis. Daarna stuur ik nog snel een laatste boodschap naar mijn geliefden. Zo één die half grap is en half testament. “Weet dat ik u graag zag. En als ik neerstort: geen koffiekoeken op mijn begrafenis. Pannenkoeken en préparé. En uiteraard Als Ze Lacht van Yevgueni.” Dat is het rare aan vliegen. Ineens wordt ge een beetje dramatisch. Alsof ge elk moment in een documentaire van National Geographic over menselijke kwetsbaarheid kunt belanden. Terwijl ge eigenlijk gewoon onderweg zijt naar gate B14 met een veel te dure fles water. Ik mag in het midden zitten. Dat is de sociale huurwoning van het vliegtuig. Langs de ene kant een man die precies al sinds Kinshasa onderweg is. Moe en waardig. Alsof hij ondertussen al drie continenten en twee existentiële crisissen heeft overleefd. Aan de andere kant een meisje met een iPad. Ze kijkt een Aziatische film met ondertitels die eruitzien alsof iemand per ongeluk een sudoku over het scherm heeft gegooid. Geen van ons spreekt met elkaar. Maar in mijn hoofd worden wij vrienden. Ik denk dan: straks delen wij hier emoties, levenslessen en misschien een zak paprika chips. Terwijl ge in werkelijkheid drie uur zwijgend naast elkaar zit te ademen als kamerplanten met handbagage. Maar toch vind ik dat schoon aan vliegen. Dat ge even dicht tegen andere levens zit geplooid. Mensen die ergens vandaan komen en ergens naartoe gaan. Mensen die iemand gaan missen of net proberen vergeten. Mensen die onderweg zijn naar werk, liefde, verdriet of gewoon zeven dagen all inclusive en sangria uit nen dispenser. En ik? Ik ben onderweg naar Madrid. Een beetje bang. Een beetje blij. Met Katy D aan het stuur en dat meisje van onder de kerktoren nog altijd ergens in de handbagage. Wanneer het vliegtuig landt, knik ik nog even naar mijn tijdelijke medereizigers. Alsof wij samen iets hebben meegemaakt wat niemand ooit nog gaat kunnen uitleggen. De man uit Kinshasa. Het meisje met de iPad. De zwijgende gemeenschap van stoel 14 A tot C. Ik zet mijn gsm terug aan en stuur een berichtje naar huis: “Geland. De préparé zal nog niet voor direct zijn.”

Katrien Daniels
34 3

Supernova in opleiding

Ik wandel de nacht in, de afnemende maan in mijn kielzog. In de lucht hangt een zoete vochtigheid. Ik zuig mijn longen vol en proef. Het is de stroperige geur van minnaars die elkaar na lange tijd opnieuw aanraken. De aarde is beregend, en wordt eindelijk opnieuw begeerd. Ze keert terug naar een vloeibare staat waar scheppingsdrang kan gedijen. In het dampende hemelwater dat over de straten hangt ben ik de Venus van Botticelli die onwennig uit haar schelp stapt. Ik word één met Aphros. Ik ben het ongeboren schuim dat op de golven rust. Uitgeput laat ik me dragen tot ik ergens aanspoel. Bij mij zullen er geen Horen zijn die me ontvangen, een mantel om mijn schouders draperen. Ik ben geen godin, slechts een mens. Slechts een vrouw.  De wolken drijven uit elkaar en aan de hemel verdringen sterren elkaar om gezien te worden. Ik staar naar de ongegeneerde zelfonthulling. Ik probeer mijn eigen hemellichaam te voelen maar mijn glans is weg. Ik ben een Rode Reus, mijn kern is op en ik duw het hele leven verder van me af. In mij zwelt onrust, ik ben een stervende ster. Ik zoek Venus aan de hemel, en zie haar schitterend aan het firmament liggen. Zij bezoekt me met haar beminnelijke glimlach, ze zwelgt in haar oneindigheid. Zou ze weten dat ze binnen enkele miljoenen (of miljarden) jaren ook zal eindigen zoals alles hier op aarde? Zou ze weten dat ze gulzig opgeslokt zal worden door de zon? Ik stap door, er trekt een lichte trilling door mijn lichaam. Ik weet al wat ik zal worden. In mij begint een kettingreactie die niet te stuiten is. Elke cel van mijn zijn siddert. De supernova trekt zich op gang, mijn brandstof is op. Ik zal instorten op mijn eigen kern en ontvlammen in de helderste explosie die niemand ooit zal zien.  In het natte gras blijf ik stilstaan, ik voel hoe de nacht mijn lichaam streelt. Blijf nog even, fluister hij in mijn oor. Nee, fluister ik terug. Ik mag niet ondergaan in jou. Ik weet het, ik ben geen godin, ik ben slechts een mens, slechts een vrouw. Ik moet voeden, vrijen, weten, denken, begrenzen, koken, begrijpen, fluisteren, doorgaan, doorgaan, altijd maar doorgaan. Ik wervel rond mijn eigen as en wacht tot wanneer ik instort. Ik maak me los uit zijn greep, en vertrek naar het huis dat op me wacht. Zoon en dochter. Man. Ik vervolledig het sterrenteken dat gemaakt lijkt voor de eeuwigheid. De nacht wordt even te donker en ik verdwijn in de contouren van mijn silhouet. Wat nog overblijft van angst, ebt weg. De sleutel gaat in het slot. De supernova-explosie is nog heel even afgewend.   

Jolien Van de Velde
36 0