Lezen

MmM- Mannen met mitella's

Mannen met mitella’s maken mij bang sinds ik Het gouden ei van Tim Krabbé las. Lang daarvoor was ik al bang voor: mannen met Gucci riemen en trainingsbroek mannen met een pet aan de bushalte om de hoek mannen met een blikje cara/monster/jupiler in de hand in het openbaar mannen met vuil onder hun nagels en een trui vol hondenhaar mannen in auto’s die trager rijden als ik naast hen loop oude mannen die naar mij knipogen terwijl ze woelend frutselen aan hun broeksknoop mannen die mij achtervolgen in het station tot ik van hen wegloop en wordt nageroepen als slet, hoer en dikke nek, die zich- eens ik mij omdraai- al in de massa mengen mannen die mij niets dan frustratie brengen Op zich zou ik geen reden moeten hebben om bang te zijn voor mannen met een baard of een vettige paardenstaart maar het precedent was te sterk. Hun gezichten en gebaren stonden ingekerfd op mijn netvlies tot ze met elkaar versmolten en ik ze niet meer kon onderscheiden. Tot alle wegen naar dezelfde stuwdammen leidden. Het is beter om voorzichtig te zijn, want je weet nooit. Maar het bang zijn, stopt dat ooit? Ik zie gezichten die mij ooit achtervolgden, nariepen, stoorden, aanraakten, tot ze versmolten tot een masker van mitella’s, een kostuum van doem; waar ze worden opgenomen in mijn eeuwige lijst van negatieve roem.  Ze blijven elkaar maar aanvullen, ze blijven maar vervellen, zodat ze me ook in andere gedaantes kunnen kwellen. Ze kijken van boven naar onder en blijven dan telkens in het midden enkele seconden hangen, voor ze met hun tong over hun beschadigde lippen likken om het hondsdolheidvocht zoetzalig binnen te doen glippen.  Die mannen uit mijn lijstje mogen van mij stikken in hun vloeibare gekheid, en verdrinken in hun voelbare trektijd. Ik wil niet meer bang zijn voor mannen met mitella’s, of mannen met baarden die net iets te lang naar de verkeerde lichaamsdelen staarden. Ik wil niet meer bang zijn voor oude mannen zonder vrouw, die ook maar gewoon droogte zoeken aan de verlaten bushalte in de kou.  Ik zou zo graag willen praten over het weer, zonder dat er ooit een aanname meer ontstond door een  vreemde man met een pet.  Ik zou vrij willen zijn van de angst die mij elke dag kleiner maakt dan ik ben. Vertel mij alsjeblieft, hoe ik niet meer bang kan zijn, hoe ik los kan laten  dat het zo vaak is misgelopen als ik ook maar oogcontact maakte met een vreemde man.  Zeg me dat het verbeteren kan. Zeg me dat het aan mij ligt, dat ik gewoon pech heb en andere vrouwen zich veilig voelen op straat. Zodat het recentste horrorbeeld mijn oogkassen verlaat.  - door Amanda De Maeyer

Amidema
40 4

Het meisje dat van lawaai hield

Weet je, vroeger woonden we in een flat. Daar was het nooit stil. Overal hoorde je geluiden, van de buren, van de straat, van mensen die hun deuren dichtgooiden. Dat vond ik eigenlijk heel fijn. Het lawaai was een beetje mijn vriend. Maar nu wonen we in een huis met een tuin, en hier is het stil. Mama zegt dat ze dat fijn vindt, maar ik weet niet zeker waarom we eigenlijk verhuisd zijn. Misschien heeft het te maken met mama, want vroeger werkte ze op een school. Toen stopte ze opeens met werken en bleef ze de hele dag thuis. Sindsdien kan ze niet meer zo goed tegen geluiden. Soms schrikt ze zelfs als ik gewoon mijn speelgoed laat vallen. De flat was anders. Daar was dus altijd geluid. Hier is het helemaal anders. Ons nieuwe huis is maar een klein stukje van de flat, misschien vijf minuutjes fietsen. Maar het voelt alsof we naar een ander land zijn verhuisd. Daar had je overal flats en drukte, en hier zijn het allemaal huizen met tuinen. Ik mis de flat soms. Vooral omdat je daar de zee kon zien vanaf de galerij. Mama fietste vroeger met mij naar de zee, en dan voelde ik de wind door mijn haren. Dat was het allerfijnste. En vanaf ons balkon kon je de zon op zien komen. Dan leek het wel of de zon aan de waslijn hing net als onze kleren. Hier in ons nieuwe huis zie ik dat niet meer. Ik zie de zon helemaal niet opkomen of ondergaan. Het is ook anders met de kinderen. In de flat speelde ik altijd met een groep kinderen van allerlei verdiepingen. Ze kwamen uit allemaal verschillende landen. Dat was leuk. Hier, in de straat, zijn de kinderen anders. Ze zijn allemaal in Nederland geboren. Hun ouders en zelfs hun opa’s en oma’s ook. Ze wonen hier al zo lang dat ze vinden dat het land echt van hen is. Soms zijn ze een beetje gemeen. Ik pas er niet zo goed tussen. Een keer noemde een groepje kinderen me ‘bakje nasi Chinees’. Ik vroeg of ze daarmee wilden stoppen, maar ze bleven het steeds zeggen. Ik voelde me zo verdrietig. Toen ik thuis kwam, vroeg ik aan mama hoe ik van dat stomme woord toch iets positiefs kon maken. Net zoals de dikke Marokkaanse buurvrouw, die een tekenklasje in haar flat had, dat altijd deed. Zij maakte van nare dingen juist iets grappigs en moois. Ze noemde zichzelf en haar vrienden 'kunstmarokkanen' en zei dat je van een rotwoord iets goeds kon maken met een beetje fantasie.Ik hoop dat ik dat ook kan leren. Maar soms weet ik niet hoe.

Margaretha Juta
10 0

De Kleine Ontdekkingsreiziger van Stanleyville (waargebeurd)

Het avontuur dat ik me nog levendig herinner, gebeurde toen ik 4 of 5 jaar oud was. Het is de jaren vijftig, voor de 'dipenda' (de periode van politieke onrust en de strijd voor onafhankelijkheid die zou beginnen in de late jaren vijftig), en ik woon met mijn ouders en mijn zussen Ginette en Nicole in het verre Belgisch Congo, in een groot, charmant huis dat omringd is door een weelderige tuin vol exotische bloemen. Ons huis staat aan de rand van Stanleyville, de stad die nu Kisangani heet, diep in het hart van Congo. Hier, waar de drukte van markten en het geluid van Afrikaanse ritmes samenkomen met de rust van het omringende landschap, voelde het dagelijks leven als iets magisch. Als jonge jongen zag ik de wereld met een onbevangen blik en een nieuwsgierige geest. Nonkel Robert woonde vlak naast ons, samen met Tante Roza en mijn nichtjes May en Rita. Zijn huis was groot, net als het onze, en zijn tuin altijd keurig onderhouden, net als de man zelf. Nonkel Robert werkte voor de Belgische administratie in de stad en was een belangrijk figuur binnen de koloniale gemeenschap. Hij hield van een grap en had altijd een glimlach paraat, waardoor hij een warme aanwezigheid was in ons leven. Tante Roza was even zorgzaam als vrolijk, altijd druk in de weer voor haar gezin. Mijn nichtjes waren mijn speelkameraadjes, en samen brachten we uren door in de tuin, op ontdekkingstochten of bij onze eenvoudige spelletjes. Het was een hechte familie, en wij waren altijd samen. Het verhaal dat volgt gaat over een middag die begon als alle anderen, maar die veranderde in een avontuur dat niemand had verwacht. Het was een warme, zonovergoten middag. De lucht was gevuld met de geur van exotische bloemen – jasmijn, hibiscus en het frisse aroma van pas gemaaid gras. Ik reed rondjes op mijn driewieler over het zandpad dat naar de open poort leidde. Af en toe stopte ik om naar de kleurrijke vlinders te kijken of om naar mijn moeder te wuiven, die de was ophing in de tuin. Die middag voelde echter anders dan alle andere. Mijn ogen vielen op de open poort aan het einde van de oprit. Daarachter lag de grote weg, een stoffig zandpad dat de stad verbond met onze buitenwijk. Het trok aan me, als een uitnodiging naar het onbekende. Ik keek even naar huis. Mama was bezig in de tuin en had geen oog voor mij. Het leek het perfecte moment om op ontdekking te gaan. Vastbesloten trapte ik met mijn kleine voeten mijn driewieler de oprit af en het stoffige pad op. Het zand stoof op achter mijn banden terwijl ik langzaam vooruit ging, het avontuur tegemoet. De wereld om me heen voelde als een spannend toneel. Mannen op fietsen, beladen met marktwaren, passeerden me. Ze zwaaiden en riepen:"Mbote na yo!" Ik glimlachte breed en zwaaide terug. "Mbote, na te!" Het voelde alsof ik een echte ontdekkingsreiziger was in hun wereld. De vrouwen die ik zag droegen manden vol fruit of vlees op hun hoofden, alsof het niets woog. Hun kleren waren een explosie van kleuren, en hun vriendelijke glimlach gaf me het gevoel dat ik welkom was. De Afrikaanse dorpelingen, met hun donkere huid, keken vriendelijk op en glimlachten terug. Ik voelde me bijzonder – een kleine blanke jongen die met zijn driewieler door hun wereld reed. "Yango ezali malamu!" riep een vrouw.Ik zwaaide enthousiast terug. Het voelde alsof de wereld me toelachte. De mensen die ik tegenkwam, hadden altijd zulke vriendelijke ogen. Wanneer ze me zagen, glimlachten ze naar me en zeiden iets vrolijks, altijd blij om me te zien. Soms stopten ze even, en praatten ze met me, alsof we al vrienden waren. Het was alsof zij hun leven altijd met plezier leefden, alsof elke dag een feestje was. Soms hoorde ik ze zeggen: "Nzambe akeya", wat betekent ‘God is groot’. Het klonk zo mooi, net zoals de zon die warm op mijn gezicht schijnt. Ook al zag ik er anders uit dan zij, voelde ik me helemaal niet vreemd of alleen. Ik voelde me welkom, alsof ik gewoon deel uitmaakte van hun wereld. Langzaam veranderde de sfeer. De bomen aan weerszijden van de weg werden dichter, en het zand voelde zwaarder onder de wielen van mijn driewieler. De vertrouwde geuren van onze tuin maakten plaats voor de onbekende aroma’s van het bos. Mijn nieuwsgierigheid maakte langzaam plaats voor een lichte onrust. Waar was ik eigenlijk naartoe? Hoe ver was ik van huis? Het geluid van een naderende auto bracht me terug naar de werkelijkheid. Een zwarte sedan remde abrupt naast me. Het was Nonkel Robert, die vanuit de stad kwam. Zijn gezicht sprak boekdelen toen hij me zag, duidelijk geschrokken en bezorgd. "Wat doe jij hier, jonge man?" vroeg hij verbaasd, terwijl hij uit de auto stapte. Zijn blik gleed snel van mijn driewieler naar mijn rode gezicht."Ben jij helemaal alleen hierheen gekomen? Je bent al een heel eind van huis!" Ik voelde mijn wangen warm worden. "Ja," stamelde ik zachtjes. "Ik wilde gewoon... fietsen." Nonkel Robert knielde voor me neer en keek me met een mengeling van opluchting en bezorgdheid aan. "Je bent ver van huis, jongen. Weet je hoe gevaarlijk dit is? Wat als een auto je niet had gezien?" Ik haalde mijn schouders op, te jong om echt te begrijpen wat hij bedoelde. Maar zijn serieuze toon drong wel tot me door. "Kom," zei hij terwijl hij me optilde. "We gaan terug naar huis. Dit is geen plek voor kleine avonturiers zoals jij." Hij zette me in de auto en legde mijn driewieler achterin. De terugweg voelde anders. Ik keek uit het raam naar de bomen die we passeerden. Nonkel Robert probeerde de spanning te breken door grapjes te maken:"Ik denk dat jouw driewieler sneller is dan mijn auto! Misschien moet ik hem eens lenen." Ik glimlachte, opgelucht door zijn humor. Toen we eindelijk onze oprit opreden, zag ik mama in de tuin. Ze liet alles uit haar handen vallen en kwam ons tegemoet. "Wat is er gebeurd?" vroeg ze bezorgd. "Onze kleine avonturier hier vond het een goed idee om de wereld te gaan ontdekken," zei Nonkel Robert, met een knipoog naar mij. "Maar geen zorgen, ik heb hem veilig thuisgebracht." Mama knielde en nam me stevig in haar armen. "Jongen, doe dat nooit meer. Begrijp je wel hoe gevaarlijk dat is?" Ik knikte en voelde me klein, maar ook trots op mijn avontuur. Die middag leerde ik niet alleen over de wereld buiten onze poort, maar ook over de grenzen die me beschermden. En misschien, heel misschien, was dit pas het begin van mijn ontdekkingsreizen

Guy Van Damme
0 0