Lezen

De treden zullen niet meer weten wie je bent

Ik sta in het huis waar we lang samen gewoond hebben. Na een lange werkdag en een avondspits van jewelste. Ik geraak niet verder dan de hal. De geur is veranderd. Alsof je hier nooit geweest bent. Het ruikt naar mij, naar kattenbak en ik merk ook toetsen appelshampoo op, waarschijnlijk afkomstig van de handdoek die ik vanmorgen nog snel in de gang over de trap heen drapeerde bij het vertrekken.  Toen je vertrok nam je meer mee dan ik aanvankelijk dacht. Planten, meubels, je geur, de recepten die je me nooit uitgelegd had, je aanwezige ouders, je ongevraagde meningen en oplossingen voor alles waar ik gewoon een knuffel voor wou. De stapel leeggoed die razendsnel leek te groeien, de chaos in de papiermand en vaatwas. De orde op alle oppervlakken. De T uit “thuis”.  Je liet me achter in het huis, een woning, een gebouw. Zonder ziel. Zonder liefde. Met onvolledige inboedel.  Wist je dat -naast de geur van een huis- ook de klank zo vreselijk verandert na iemands vertrek? Alsof alles een echo, elke klank een schaduw, heeft? Soms lijkt het een voordeel, dan lijk ik door de herhaling minder alleen.  Ik zet me neer op de trap en trek mijn schoenen uit. Nu je er niet meer bent hoeven die niet in de kast op stok gezet te worden. Ik laat ze van de trede vallen en kijk hoe ze daar roerloos blijven liggen.  De trap kraakt wanneer ik me langzaam rechttrek. Het heeft naast iets geruststellend ook iets heel zwaar. Want jouw gekraak - de trage passen, zwaarder dan de mijne, gedecideerd - die zal de trap nooit meer verspreiden. Ze blijven wel kraken. Zonder jou.  “Het is hier weer akelig stil, vind je niet?” “...” “Je zou denken dat het wel went, na zo’n tijd, maar dat is voorlopig nog niet het geval, vrees ik.”  “...” “Weet je nog hoe het vroeger was? Het gekraak groeide mee in het tempo van de kinderen. Tot het stilaan wegebde toen ze hun eigen weg vonden.” Ik kijk er melancholisch bij, mijn ogen zoeken de muur af naar de vegen van kinderhandafdrukjes die ik nooit afgekuist heb. Er moet toch iets overblijven van het gezinsleven dat zich hier jarenlang afgespeeld heeft.  De kat maakt zijn intrede, vlijt zich tegen mijn been aan en verliest daarbij heel wat vacht die zich aan mijn bezwete been hecht.  “Miauw.” “Gelukkig ben jij er nog.”   - - - De tekst waarmee we aan de slag gingen:   Straffeloos - Toon Tellegen   Ik zal je vergeten en weer ontmoeten Ik zal je vergeten, ontmoeten en weer vergeten En ik zal je weer ontmoeten   Ik zal je vergeten en weer vergeten en weer vergeten ik zal wandelen door dozijnen parken lichtgroene, violette en roze parken, onopvallend in de regen   ‘s Avonds zal ik je weer vergeten   De treden zullen niet meer weten wie je bent Maar ze zullen kraken De voordeur zal weer aarzelen.

annakdotes
12 0

De gemiste roeping

Luister, lieve kindertjes, naar het korte sprookje van het spookje. Lang, heel lang geleden, toen ik nog jong en onschuldig was, zat ik zomaar wat rond te kijken. Mama deed de was. De behendigheid waarmee ze dat deed, zal ik nooit vergeten. Zo rustgevend, dat hele proces van vies en vuil naar proper en net, van chaos naar geordend, via de wasmachine naar de wasdraad naar het strijkijzer of de tafel en uiteindelijk kreukloos opgeborgen in de kleerkast ...  Ze propte de wasmachine niet vol, maar ze 'vlijde' het wasgoed er zachtjes in. De was ophangen gebeurde niet aan een zijden draadje maar aan een ziedend tempo, in volle concentratie, met twee vliegensvlugge handen, heel af en toe met één oog dichtgeknepen en met één wasknijper in de mond. Na positieve weerberichten van haar weergoden Pien of Pelleboer op de radio was het zover. Tenzij er geen wolkje aan de lucht en dus geen risico was, al heb ik haar meer dan eens naar buiten zien spurten nadat er geheel onverwachte druppeltjes op het keukenraam pletsten. De schuld van Pien en Pelleboer, die hun goddelijke status dan 'weer' voor een tijdje verloren. De regen hield haar niet tegen om de was alsnog geordend en gestructureerd van de draad te halen. De volle wasmand waarmee ze daarna naar binnen kwam gelopen, zag er nog steeds keurig uit. Zo typisch. Bij een ander is perfectionisme goed te verdragen, bij iemand waar je van houdt is het wondermooi om te zien. Het prachtigste was het plooien. De behendigheid waarmee ze dat deed was werkelijk adembenemend. Ware kunst vond ik dat. Hoewel ze het ongelooflijk eenvoudig deed lijken, durfde ik er zelf nooit aan te beginnen. Pas nu, een paar decennia later, plooi ik af en toe hooguit een handdoekje of een paar sokken. Omdat ik van mezelf weet dat ik niet de handigste ben en omdat het contrast met mijn moeder me op zulke momenten telkens weer parten speelt. Zo ben ik, de perfectionist die lijdt aan een verlammende variant. Ik kan het nooit even perfect, waarom zou ik er dan aan beginnen? Het wordt immers sowieso een teleurstelling.  Vol bewondering keek ik toe. Het stapeltje gevouwen beddengoed klom het hoogst. Ineens stropte het behaaglijke plooiritme, bij een wit laken dat aan de randjes een beetje uitgerafeld was. Ze plooide het desondanks mooi op, maar net iets minder onberispelijk dan anders. Daarna legde ze het wat apart op de rand van de tafel, bijna vlak voor m'n neus. Ondertussen mompelde ze iets over papa, knippen, vodden om zijn fiets te kuisen en dat hij toch nooit iets kon weggooien. 'Dat hij er zijn plan mee trekt,' grolde ze nog na. Ze hield ervan om tegen zichzelf pratend de was te doen, maar té lang moest het nu ook weer niet duren. Dan werd ze een tikkeltje sikkeneurig en verlangde ze naar een kopje koffie.  'Mag ik dat afgekeurde laken niet hebben?' vroeg ik plots. Ze keek me aan alsof ze niet eens gemerkt had dat ik in haar nabijheid vertoefde. Met grote ogen, alsof ik net m'n eerste woordjes had gezegd. Verrast, verbaasd en op een vreemde manier een beetje vrolijk. 'Jij? Wat kan jij daar mee doen?' 'Spookje spelen,' zei ik resoluut. 'Ik knip er gewoon twee gaten in om door te kijken. Hoe moeilijk kan het zijn?'  Het was niet zomaar een ingeving. Spoken fascineerden me. In mijn fantasie konden ze vliegen, onzichtbaar worden, door muren lopen en mensen schrik aanjagen.  Mama lachte en gooide het laken in mijn richting, waarna ik de schaar nam en naarstig en vol ongeduld aan het karweitje begon. Bij het eerste gat dat ik wilde knippen liep het al helemaal mis. Veel te groot. Ik kon er mijn hoofd wel doorheen steken. Dat deed ik dan ook.  Ik ging rechtstaan en opeens scheen de zon felle stralen op m'n gelaat. Het leek een verheven moment, hét tijdstip voor een ingeving. Ik word priester, dacht ik. Spelenderwijs.  Spook of priester, wat maakt het ook uit? In de voetsporen van Jezus kan het ook best fijn zijn. Je kon hem misschien wel vergelijken met een spook. Jezus kon ook vliegen, anders was hij nooit in de hemel geraakt. En zich onzichtbaar maken was evenmin een probleem, want tijdens eucharistievieringen zei de pastoor altijd dat hij bij ons was, terwijl ik 'm nooit heb gezien. Door muren lopen en de mensen schrik aanjagen? Piece of cake voor Jezus. Gelovige mensen zijn immers godvrezend. Dat waren ze vast niet zonder reden. Nog veel meer dan spoken kon hij. Van water wijn maken bijvoorbeeld. Kon ik dat ook maar. Verder dan druiven pletten met m'n blote voeten was ik nooit geraakt, ook al omdat ons ma pas naar de markt was geweest, me betrapte in de badkuip met de pas aangekochte tros witte druiven en me ogenblikkelijk een andere fruitsoort liet ontdekken. De muilpeer.  Daar stond ik dan. Danny de priester in zijn kazuifel. Om het helemaal af te maken haalde ik mijn vaders rode sjaal uit z'n kleerkast en drapeerde die rond m'n schouders. Dit werd serieus. Ik speelde geen priester meer, nee, ik wás een priester. Ons ma leek mijn roeping wel goed te keuren en stemde in met mijn verzoek om nog een tweede laken te gebruiken als tafelkleed voor de tuintafel, mijn altaar. Mijn dikke sprookjesboek met 365 verhalen ('Een sprookje voor elke dag van het jaar') zette ik geopend op een boekstaander. Het was de bijbel waaruit ik mijn evangelie zou voorlezen. Ik profiteerde van de situatie door een kommetje chips (normaal voorbehouden voor weekendavonden) als schaal hosties te gebruiken en de mooie pseudosacrale beker die ik van mijn meter had gekregen voor mijn eerste communie vulde ik met cola, mijn miswijn. Zo was ik er helemaal klaar voor. Daar stond ik dan. Maar wat nu? Uiteindelijk wist ik niet zo veel van eucharistievieringen. Tijdens zondagse kerkbezoeken lette ik eigenlijk nooit op. Dagdromen ja, zoals steeds, en mensen observeren. Meisjes vooral, als die er waren. Wat ik wel eens gehoord had, was dat er gesproken werd over vergeven en vergeten. Dat wist ik nog, dat je dat als goede christen moest kunnen. Vergeten had ik al lang onder de knie. Mijn hoofd speelde voortdurend met pietluttigheden en raakte soms zo vol dat de ogenschijnlijk belangrijkere dingen er af en toe pardoes uit geknikkerd werden, of ik dat nu wilde of niet. Dat vergeten zat dus wel snor.  En vergeven? Ook daar was ik een kei in. Een tijdje geleden hadden we nog Chinees gegeten. Was ik dol op. Eerst garnalen in looksaus en daarna babi pangang. Achteraf lag dat hele zootje nogal zwaar op de maag. Toen ik eindelijk een verlossend, niet zo geluidloos maar nog veel minder geurloos scheetje had geproduceerd, riep onze pa dat ik heel het huis had vergeven. Een natuurtalent, zoals ik al min of meer zei. Zo moeilijk kan zo'n mis dus niet zijn, besloot ik, en ik brabbelde en zong zomaar wat in de rondte. Met m'n handen gespreid las ik voor uit mijn grote sprookjesboek en te gepasten tijde, of om eerlijk te zijn vooral te ongepasten tijde, vrat ik van de chipserige hosties en zoop ik van de miscola.  Zonder publiek stelde het geen zak voor, dus een weekje later, na nog wat oefenen, besloot ik de missionarishouding aan te nemen om een vriendenkliekje van twee straten verderop te bekeren en te amuseren. De voorstelling in hun tuin, met tuintafel, sprookjesboek, kom chips en beker cola was een voltreffer. Ze lagen immers al in een deuk toen ik m'n kazuifel met sjaal aantrok en deed alsof mijn beker gevuld was met echte miswijn. Als priester focuste ik instinctief op de kleine kantjes van het mens-zijn met veel lust voor alcohol en vrouwelijk schoon. Ik veinsde dat ik dronken was en klokte sloten cola achterover. Wat later, net na een uitgebreide preek over zondig onzedig gedrag, wreef ik begerig over de ontblote linkerknie van een van de twee kortgerokte meisjes uit het publiek. En het mocht! Ik deed het nog een keertje, nog langzamer, met m'n tong ostentatief uit m'n bek bungelend, omdat ik zogezegd dronken was. Priestertje spelen was nog leuker dan doktertje spelen! 'Geweldig, Danny!' lachte de oudste en grootste van m'n gelovigen achteraf, toen we voor het zingen de ingebeelde kerk uitgingen. Hij sloeg z'n arm om me heen. 'Kom eens even mee.' Ik gehoorzaamde en liep hem achterna tot achter hun huis. Daar verkocht hij me een flinke stomp in m'n maag. 'Je hebt je eerste en laatste mis hier opgedragen, vies ventje, en in het vervolg blijf je met je vunzige poten van m'n zus, of je volgende mis wordt je eigen begrafenis. Begrepen?'  Dat had ik. Een paar dagen later was onze pa vodden aan het knippen van mijn priestergewaad en nu stond hij er de velgen van zijn fiets mee op te blinken.  En ik? Ik keek nog wat verder rond. Mijmerend over m'n relatief korte verleden en m'n hopelijk nog lange toekomst. Nog geen idee wat ik later worden wilde. Alleszins geen priester. Geen meisjes? Geen seks? Daar heeft niemand celibaat bij.

Danny Vandenberk
0 0

Het Meirregat

Ik woon in de Berkestraat. Dat is een straat waar ge niet graag een tegenligger tegenkomt. Niet omdat de mensen hier onvriendelijk zijn, maar omdat de straat op sommige plaatsen ongeveer even breed is als een politieke consensus. Ge moet er uw plan trekken. Gelukkig hebben wij hier merregaten. Voor wie niet van den buiten is: een merregat is een uitsparing in de kant van de weg. Een plaats waar ge u even kunt inschieten zodat een tegenligger kan passeren. Letterlijk betekent het het gat van de merrie. Waarom precies, weet ik niet. Sommige woorden zijn te schoon om kapot te analyseren. Mijn tante, die ook mijn buurvrouw is, kent de straat zoals een schipper zijn rivier kent. Elke bocht. Elke haag. Elke put die al twintig jaar gerepareerd zou worden. En vooral: elk merregat. Als er een tegenligger aankomt, heeft zij de situatie al opgelost voor ik doorheb dat er een probleem is. "Die kan daar in." Of: "Nee, wacht gij maar. Verderop is er plaats genoeg." Ze zegt dat met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee ge zegt dat water nat is. En dan zijn er de mensen die hier niet moeten zijn. Mensen met een gps. Mensen die denken dat elke straat hetzelfde werkt. Mensen die midden op de baan blijven staan kijken alsof ze zonet in een natuurdocumentaire zijn terechtgekomen. Mijn tante krijgt daar zenuwen van. Niet omdat ze die mensen iets misgunt. Maar omdat ze de gebruiksaanwijzing van de straat niet kennen. Dat is wat een merregat eigenlijk is: een stukje lokale wijsheid. Een ongeschreven afspraak. Een manier om tegen elkaar te zeggen: ik maak even plaats zodat wij allebei verder kunnen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik denk dat het leven vol merregaten zit. Op het werk bijvoorbeeld. Ge hebt collega's die overal rechtdoor willen. Hun idee. Hun planning. Hun waarheid. Ze rijden een vergadering binnen alsof ze een voorrangsweg hebben aangelegd speciaal voor zichzelf. En ge hebt collega's die de merregaten kennen. Die weten wanneer ze moeten spreken en wanneer ze beter luisteren. Die begrijpen dat ge niet elk gelijk moet binnenhalen om samen vooruit te geraken. Dat zijn meestal ook de mensen bij wie ge graag binnenstapt. Omdat ge weet dat er plaats is. Vriendschap werkt zo. Liefde ook. Ge leert elkaars merregaten kennen. De gevoelige plekken. De oude pijn. De onderwerpen waar ge beter wat trager rijdt. En familie misschien nog het meest: in elke familie rijdt wel eens iemand te snel door de bocht. Wordt er al eens getoeterd. Wordt er al eens achteruit gestoken waar dat eigenlijk niet meer kan. Maar de families die blijven werken, zijn vaak de families waar nog iemand weet waar de merregaten liggen. Waar nog iemand bereid is een beetje op te schuiven. Niet om te verliezen. Niet om ongelijk te krijgen. Maar omdat de relatie belangrijker is dan de discussie. Misschien is dat ook waarom mijn tante zich zo stoort aan mensen die hier niet moeten zijn. Niet omdat ze tegen vreemden is. Maar omdat ze weet wat ge alleen leert door ergens lang genoeg te blijven. Dat samenleven niet draait om wie het midden van de baan krijgt. Maar om weten waar ge een beetje plaats kunt maken. En eerlijk? Dat zouden ze niet alleen in de Berkestraat mogen leren. Ge zou ervan verschieten hoeveel miserie er opgelost raakt als mensen het merregat weten zijn.

Katrien Daniels
60 7

TE BERCHEM MIJN LAND

1. ACROBATEN   Spreekt de olifant de kamer aan, dan spreekt ze over trauma; Ongetwijfeld methaforisch ‘balancerend’, Dalai lama; Triomfantelijk verbouwereerd, ‘Ganesha’ onzer fauna; Ik was nooit omsingeld door een ‘slurfen-trio’ in de sauna.    Een Tom Frantzen performance van een ‘bronze’ in balance; Acrobatische malchance; “iets geschiedenis” (je pense);   Olifantelijk, daar staat ze; Sta je even stil, dan praat ze; Methaforisch te verstaan ze blijkt er “Speelsheid in Nuance”     2. GRENSPAAL ‘DE HAND’   Mijn mensen in Berchem, ze kennen Anvers; Entrepreneurs, want ze drijven commerce; Kleine gemeenschap, maar rijk en divers; Met fierlijke trots in dit Vlaamse gewest;   Blauwe arduinse  Begroetende hand; Rechter noch Linker, Eenzijdige kant; Grenzen bepalend, Opsplitsende rand; Brouwertjes Koninck te Berchem, mijn land.    Hoog-Symboliek en Mystiek is de hand; Zeg me, wat is er toch weer aan de hand? Krijgen we tóch weer een golfje hitte, schiet Koninkje Albert vanzelf in brand.          3. MADONNA OP ZUIL   Prima Madonna  Uit nineteen-o’-five; Scultuur-aanschouwelijk Schijnbaar ‘Alive’; Sierlijk figuur en Gedressed in gewaad; Beeld in mijn straat en de zuil is haar plaats;   Spreek geen ‘Latijnse’ Maar ‘sprekend gelaat’; Hoog op haar sokkel, Ik weet waar ze staat; ‘Moeder van God’,  Die geen zondes begaat; Zwijgend in stilte, Waardoor ze niet praat;   Hartje te Berchem, Ze straalt mijn geloof; Religieus tintje, Maar ben filosoof; Geeft ze je hoop nog een sprankeltje hoop? Prima Madonna, Ze is niet te koop. 

Smalle
0 0

Blauwe olijven

Wat is het toch een prachtig fenomeen, onze seizoenen. Ze komen en gaan en bepalen elke dag ons doen en laten. Bij de eerste zon moet er een nieuwe korte broek worden gekocht, want die van vorig jaar is afgeschenen door de zon. Maar dan die tl-buizen onder de korte broekspijpen. Daar is nog werk aan.  Dan heb je het eten. In de zomer zetten we niet hetzelfde op het fornuis en op de tafel als in de winter. Alhoewel, sommige zaken smaken altijd.  In de supermarkt vind je altijd alles. Maar we proberen die seizoenen in ere te houden. Vader had in zijn hof ook niet hele jaar door prinsessenbonen. Die ging na de oogst de diepvries in, zodat we ook in de andere seizoenen een stukje zomer binnenkregen.  Onze olijfbomen geven elk jaar petieterige olijven. Mooi om te zien, maar niet geschikt voor consumptie. Ik fietste naar de winkel, want een spaghetti alla puttanesca zonder olijven is als een ochtend zonder koffie. Het werkt niet. In de koelkast stonden nog groene exemplaren, maar voor deze pasta zijn het de andere. Ik vond ze niet meteen in de supermarkt.  “Kan u me zeggen waar de blauwe olijven staan?”, vroeg ik aan de vriendelijke medewerkster. “Euh”, stamelde ze. “Kom maar even mee. De olijven in blik en glas staan daar.” We waren er vlakbij. “Kijk”, zei ze. “Dat zijn de groene en daarnaast de …” Ze pauzeerde even. Alsof ze op me wachtte. “De zwarte. Zoekt u die?”  Natuurlijk. Zwarte olijven. Welke idioot heeft het nu over blauwe olijven? Ik kon me wel met een blik olijven of het hoofd slaan. “Ja natuurlijk”, zei ik. “Zwarte olijven, die bedoel ik.” Ik stootte een schaapachtig lachje uit. Het was meer mekkeren dan lachen.  Mijn geheugen beleefde wellicht een zwarte zomerdag. Het kan gebeuren.

Rudi Lavreysen
7 1