Lezen

Krater

Waren we niet op weg naar een begrafenis en lagen de voorbije jaren niet als een spijkermat tussen ons heen, dan was Nino’s plan even geniaal als onze fietstocht naar Amerika destijds. ‘Ik kan je meenemen naar Colorado, als je wil!’, had hij voorgesteld toen we wat doelloos rond fietsten. Uit nieuwsgierigheid ging ik mee in zijn spel en reed hem achterna. Nino’s tocht leidde eerst steil omhoog over het rimpelig asfalt van een drukke weg. Er was geen fietspad en de auto’s reden ons rakelings voorbij. Ik stampte hard op de trappers maar raakte amper vooruit. Behendig fietste Nino in een boog rond me heen.  ‘Voor Amerika moet je wat over hebben’, lachte hij.  Hij stapte af en duwde me terug op gang.  ‘Zo meteen gaat het naar beneden!’  Hij had gelijk, na een kort plateau denderden we langs een steile kasseiweg door een bos. Ik probeerde even snel als Nino de helling af te fietsen. Hij keek om: ‘Ca va?’ Ik riep ‘ça va’ en mijn a’s trilden op het ritme van de kasseien. We begroetten een vrouwtje dat voor haar bungalow een kleurrijke lap breide.  ‘Salut Louise!’, riep Nino, ‘on part pour l’Amérique!’  ‘Bonne chance!’ schreeuwde ze in de vlucht.  Uit mijn ooghoek zag ik haar glimlachen, een fractie van een seconde, toen was ze weer weg. De kasseiweg was omgeven door bomen die een donkere tunnel vormden. Mijn hoofd werd licht van de snelheid waarmee de wind langs mijn oren suisde. We spurtten naar het gat waar het bladerdek stopte en de volle zon de wereld aan ons toonde. Die was immens, Nino had gelijk. Langs de weg lag een enorme krater, zeker honderd meter diep. Kleine tinnen mannetjes liepen op de bodem en maakten de Canyon nog groter. ‘Van hier gaan we te voet’, zei Nino. We stalden onze fiets in de berm.  ‘Dit is Amerika’, fluisterde ik. ‘Helemaal’, zei Nino. De wanden van de krater waren niet roestkleurig zoals bij de Grand Canyon, maar van grijsblauwe steen. ‘Porfier’, zei Nino De enorme rotswanden waren zo grillig als versplinterd hout, de krater maakte een gigantisch gat in het vlakke landschap. Ik keek over de rand en tuurde de diepte in.  In de wand waren trappen gehouwen, maar over enkele meters was er geen reling. ‘Mevrouw, bent u klaar om de Grand Canyon te verkennen? Ik ben Nino, uw gids voor vandaag.’ Ik keurde elke trede van die ruwe trap, mijn adem stokte. ‘Ik geloof dat ik hoogtevrees heb.’ ‘Erg onhandig als u canyons bezoekt.’, zei hij en stak zijn hand uit. Ik veegde mijn zwetende handpalm snel af aan mijn t-shirt, wat Nino meteen imiteerde. ‘Voilà, nu we proper zijn, kunnen we gaan.’  ‘Je knijpt’, zei hij toen ik mijn hand om de zijne knelde. ‘Loop door!’, gierde ik. We bereikten een plateau vanwaar we de werken konden overzien. Oranje mannetjes bestuurden heftrucks en drilboren, vonden ze ons vervelende bezoekers? Ik maakte me klaar om de trap zo snel mogelijk op te lopen, in het geval we hier niet gewenst waren. Nino tuurde naar het landschap alsof we onzichtbaar waren, of zo gewoon als de begroeiing hier, maar de werkmannen schreeuwden zijn nonchalance aan flarden. ‘Nino, c’est ta copine?’. Hij fezelde iets in de aard van ‘gewoon een vriendin’ en de mannen bulderlachten dat hij maar veel vriendinnen moest maken. Ze beklommen de trap zonder een zweem van hoogtevrees, alsof ze in deze krater geboren waren. Elke pas hadden ze al honderd keer eerder gezet, net als Nino. Ik tastte met mijn schoenpunt de bodem af, gleed even weg op kleine steentjes en kneep nog harder in Nino’s hand. Langs mijn slapen parelde een druppel zweet en ik werd duizelig, mijn benen trilden en ik voelde me belachelijk. Wie was dit lichaam dat meer emoties had dan ikzelf?  Nino wees naar een reiger die over de bouwput vloog, en ik bewonderde de S-vormige hals van het beest, hoe zijn bek en zijn poten op een perfecte lijn het luchtruim doorkliefden, zoals wij mensen op het water dreven. ‘Kijk jij of er nog meer reigers zijn?’, vroeg hij me. Het trucje werkte: door me op de hemel te concentreren, kon ik in de krater afdalen.  ‘Heb je honger?’, vroeg hij. Mijn maag grolde boven het gekap en de drilboren uit. Nino nam mijn hand en loodste me langs de kloof terug naar onze fietsen. In het dichtstbijzijnde dorp kochten we een broodje met olijven bij een bakker die Nino begroette alsof hij familie was. Nino stelde me voor, maar de bakker sprak zo snel dat ik hem niet begreep en me schaamde omdat ik geen antwoord gaf. ‘Ze spreekt Nederlands’, zei Nino. ‘Ah, une flamande. Oe gaat et?’, zei de bakker. ‘Très bien, merci, et vous.’, antwoordde ik. ‘Oh, tu peux me tutoyer, ik ben de koning niet’, lachte hij.   Ik dacht dat Nino’s behulpzame uitstraling en zijn goedhartig karakter hem geliefd maakten. Een paar weken later ontdekte ik dat de begroetingen niet alleen voor hem waren, maar ook voor zijn vader. Een arbeider die omkwam door de berg steenpuin die hij zelf met zijn graafmachine had opgehoopt. De oranje mannen bij de steengroeve hadden de berg tot leven zien komen, eerst wat stoffige golfjes, dan één grote, onstopbare lawine. Nino’s vader werd in zijn cockpit bedolven onder zijn eigen werk. Iedereen was ontzet, daarom zorgden die werkmannen samen voor Nino, zonder er grote besprekingen over te houden. De ene kwam langs om een kapotte dakgoot te herstellen, de andere nam Nino mee op een uitje met zijn kinderen. Ik gruwde van het beeld dat Nadia op fluistertoon tot leven bracht, in het café van Bubu, terwijl Nino een nieuw vat bier en wat bakken cola uit de kelder haalde. Nadia voelde zich verplicht me wat achtergrond te verschaffen, aangezien ze wist dat Nino dat niet uit zichzelf zou doen. Maar Nino werd er nog vager van.  Dit is een fragment uit mijn manuscript ‘Nino’. Twee ex-geliefden reizen op een tractor naar de begrafenis van een oude vriend. Tussen hen in ligt een pak onverwerkt verleden, dat met mondjesmaat komt bovendrijven.

Pons
1 0

geschreven met een Montblanc

Dat is een slecht idee. Ik begin opnieuw aan dertien bladzijdes. Ik heb nog vullingen. Wat nu? Het is zondag. Ik ben ook nog bezig met de opdracht van het schrijfclubje. On trouve pas la poubelle. Ik ga me zo dadelijk omkleden. Bij Oma ga ik pistolets eten. Ik ga het tegenovergestelde doen. De kabeljauwfilet met de merkwaardige saus was lekker. Ik hoop daar indruk mee te maken. Ik droomde dat ik riep ‘Kut Hollanders!’ Eentje kroop zelfs op een ladder. Ik heb me voor die juffrouw helemaal uitgesloofd. Mooi huis ook. Ilka heeft interessante kunstwerken hangen. Ik luister reggae. Tony wil dan toch aan mijn videogedicht werken. Ik schrok wakker. Een hoop advocaten komen lang niet zo goed uit hun woorden. Na de wandeling op mijn bed gaan liggen. Ik moet hoesten. Het wijnglas leek op een visbokaal op een pootje. Ze zei enkele ongelofelijk verstandige dingen. De poes mag niet op het aanrecht. Dat zou wel moeten lukken. Het piemel-probleem. Patricia was als vanouds heel druk. Het verwoorden van wat dan ook zal deugd doen. Hij begrijpt de heisa niet. Ze betreurt de stakingen bij de Lijn. Ze heeft zwart-witte sneakers van Adidas. Kira Wuck heeft een nieuwe bundel. De zieke, zotte buurvrouw die haar verstand was verloren stond naakt op de stoep. Weer niks met de Lotto. Ik krijg de raad JMH Berckmans te lezen. Straalbezopen. Ik had me ook vergist. Ik ben er wat draaierig van. Ik zou als oprommel-oefening kunnen doen: morgen ontvang je vier dames uit Eindhoven aan je keukentafel. Ze gebruikt een fiets GPS in de auto en haar telefoon valt steeds uit. Ik moet naar de meubelbeurs in Milaan. Ik hou mezelf bezig. Is dit te fragmentarisch? Het is heel warm. Lang leve de industriële revolutie en het toerisme. Er stonden er namelijk een hele hoop te dansen op het plat dak. Ze is jaloers. We komen toch iedere keer weer meer te weten over elkaar. Ik ben moe. Count Basie had een nonchalante ingesteldheid, een schuchtere en introverte natuur en speelde briljant and it certainly is true. God bestaat niet. Je m’en fou. Heeft die bejaarde vrouw werkelijk een stok kaarten gepikt? Marginale Peggy kijkt marginale darts. De omgewoelde aarde ruikt lekker. Dit keer gaat het lukken. Het moet. Ideeën verzamelen. Dat is verstandiger dan postzegels. Ik ben twee dingen tegelijk aan het doen. Dat agendaatje van de vakbond is waardeloos. Toen werd er nog bier gedronken door de sportlui. De sandwiches van de Aldi zijn op. Ik heb een sms’je naar Marie gestuurd. Welke activiteiten heeft de boekhouder er allemaal ingezet? Ik had een paar zwakke excuses. De Bond Beter Leefmilieu en de Bank Brussel Lambert hebben dezelfde afkorting: BBL. Ik verlies te veel tijd met dat roken. Daarstraks gechat met de Apple-support. Ik moet vandaag mijn brooddoos nog ne keer afwassen. De e-mail is geslaagd. Ik ga beter doen dan alle stadsdichters van T. van de afgelopen tien jaar samen. Ik dacht dat het een stortbui was, maar het was applaus op de radio. Blijf verwonderd! De Spicebomb van Viktor en Rolf is minder goed dan de Opium van YSL. Heeft dat voordelen? De Fortimel in de koelkast gezet en er de plastic afgehaald. Ik was dat uit het oog verloren. Thibaut studeert Frans. Let op! Niet enkel autobiografie. Op de NAS staan er nog enorm veel. Geschenk des Künstlers. Ik weet niet meer wat we de vorige keer besproken hebben. Wat is het voordeel om iets buiten uw comfortzone te doen? Marleen is ernstig als altijd. Deze poëtische ruimte is de verbeelding. In poëzie wordt de syntaxis van zijn toevalligheid ontdaan. Deze operatie heeft weinig te maken met de neiging tot ‘betekenisloosheid’ die een populaire theorie toeschrijft aan poëzie. Tegelijk zal het ritme zich blijven verzetten tegen de ruimtelijke verbeelding. Dat verzet -onmogelijk zonder zowel ritme als figuurlijk taalgebruik-is de kracht van poëzie. Letterlijk. (Jeroen Mettes) De pannenkoek is koud. Het juryverslag is absurd. Deze situatie kan helderder. De cafetaria zit trouwens goed vol. Video loss. De fundamentele waarheid is: poëzie is ritme. Alle kleine kindjes dragen een helm.               Jeroen Mettes, ‘Weerstandsbeleid’, Wereldbibliotheek, 2011  

Casper Hoogenboezem
0 0

Avontuur en Angst in Skhirat

In 1973 vertrokken mijn beste vriend Dirk, mijn zuster Ginette, Chris (de broer van Dirk), Arie (de broer van Dirk en Chris), Andre (de initiatiefnemer van de reis), Mieke (een goede kennis) en ik, Guy (de verhaalverteller), met twee Renault 4’tjes richting Marokko. Dit verhaal is gebaseerd op waargebeurde feiten die onze reis onvergetelijk maakten. De band tussen ons allen was de Scouts van Keerbergen, en dat avontuur zou ons voor altijd verbinden. We hadden een vast doel voor ogen: Skhirat bereiken, een kustplaats aan de Atlantische Oceaan, gelegen op ongeveer 20 kilometer ten zuiden van de hoofdstad Rabat. Hier runde de schoonbroer van Andre een plantage van tropische bloemen voor een Belgisch bedrijf. We zouden daar twee weken vertoeven, genieten van het zonnige klimaat en het leven in de stad, waar koning Hassan II, de koning van Marokko van 1961 tot 1999, zijn paleis had. De reis was een aaneenschakeling van avonturen. Terwijl we door schilderachtige dorpjes en eindeloze weilanden reden, voelde het alsof we de wereld aan het ontdekken waren. De Renault 4’tjes zoemden als kleine bijen door het landschap. De geur van bloeiende bloemen en vers gemaaid gras vulde de lucht, en we lieten ons meeslepen door de opwinding van wat ons te wachten stond. Elke dag was een nieuwe ontdekking, van de gastvrijheid van de lokale bevolking tot de prachtige landschappen die zich voor ons uitstrekte. Op een dag, terwijl de zon hoog aan de lucht stond en de temperaturen stegen, besloten Dirk en ik om de omgeving te verkennen, terwijl de anderen genoten van een plons in het waterreservoir van de plantage. Het was een warme, zonnige dag in Skhirat, en de bloemen op de plantage straalden in hun volle kleurenpracht. Terwijl we in de Renault 4 stapten, voelde ik de opwinding stijgen. “Laten we kijken waar deze weg ons brengt,” stelde Dirk voor, zijn ogen glinsterend van avontuur. We verlieten de plantage en slingerden door de smalle wegen, omringd door palmbomen en kleurrijke bloemen. De zon scheen fel, en met elke bocht die we namen, steeg ons gevoel van vrijheid. “Dit is de perfecte manier om het gebied te verkennen,” zei ik, terwijl ik de ramen opendraaide en de frisse lucht naar binnen liet stromen. De bries was warm en zwoel, en het geluid van de natuur omringde ons als een rustgevende symfonie. We lachten, maakten grappen en deelden onze dromen over de toekomst. Maar hoe verder we van de plantage raakten, hoe meer de spanning in de lucht toenam. Na een tijdje rijden, kwamen we in de buurt van het koninklijke paleis. De grote, witte muren en het gouden dak staken prachtig af tegen de blauwe lucht. Het was een indrukwekkend gezicht, en het idee om het paleis van dichtbij te bekijken bracht een nieuwe golf van adrenaline in ons. Terwijl we dichterbij kwamen, daagde Dirk me uit met een uitdagende blik. “Durf jij niet op de oprit naar het paleis te rijden?” vroeg hij, de spanning tussen ons voelbaar. “Jij durft niet!” reageerde ik met een grijns. Dirk, altijd de waaghals, nam het woord bij de daad. “Ik ga het doen!” riep hij, en zonder aarzeling reed hij de oprit van het paleis op. De adrenaline gierde door ons heen. We keken elkaar aan, een mengeling van opwinding en nervositeit in onze ogen. Maar al snel veranderde die opwinding in een knoop in mijn maag. Zonder waarschuwing stonden er plotseling soldaten voor ons, gewapend met mitrailletten en met strenge blikken. Het was alsof de lucht om ons heen bevroren was, en de wereld rondom ons vervaagde. “Wat doen jullie hier?” vroeg de leider, zijn stem vol autoriteit en vastberadenheid. In dat moment, terwijl de glimmende lopen van de mitrailletten op ons gericht waren, voelde ik een intense angst door mijn lichaam gieren. Mijn hart bonsde in mijn keel, de adrenaline maakte plaats voor paniek. Wat als ze ons niet geloofden? Wat als ze ons niet lieten gaan? Het idee dat we in de problemen konden komen, dat we misschien zelfs gearresteerd zouden worden, vulde me met een ijzige paniek. “Uh, we zijn toeristen,” stamelde ik, met stotterende woorden, terwijl de realiteit van de situatie me overspoelde. Dirk keek naar de soldaten, zijn gezicht een mengeling van angst en ontzetting. De spanning was om te snijden, en de stilte die volgde leek eindeloos. De soldaten kwamen langzaam onze richting op, hun ogen strak op ons gericht. Het besef dat we ons in een gevaarlijke situatie bevonden, deed mijn ademhaling versnellen. Ik voelde de rillingen over mijn rug lopen. “Jullie hebben hier niets te zoeken,” zei de leider met een doordringende blik. “Dit is een beveiligd gebied. Draai om en ga weg.” De realiteit sloeg in als een klap in het gezicht. De angst voor de soldaten met hun wapens en de dreiging van het onbekende vulden me met paniek; ik voelde mijn hart in mijn keel bonzen. Wat als we hier nooit meer weg zouden komen? De gedachte aan een gevangenis, ver van huis, vulde me met een diepere wanhoop. De soldaten keken ons met ondoorgrondelijke blikken aan, en ik voelde de spanning in de lucht toenemen. Het idee dat we misschien onze vrijheid konden verliezen, was een zwaard dat boven ons hing. Maar na een gespannen stilte, waarin de soldaten ons nauwlettend in de gaten hielden, leken ze te twijfelen. Hun houding verslapte iets, maar de dreiging bleef hangen. “Jullie moeten nu omkeren,” herhaalde de soldaat. “Dit is geen plek voor toeristen.” Opgelucht draaide Dirk de auto om. We reden snel terug, onze harten nog steeds in onze keel. Toen we de oprit afreden, keken we nog eens om. De soldaten stonden nog steeds als wachters, en het besef dat we hen zo dicht waren genaderd, gaf me een rilling. Toen we terugkeerden naar de plantage, zagen we de anderen nog steeds genieten van het waterreservoir. Mieke en Ginette spetterden in het water, terwijl Chris en Andre op de oever zaten te lachen en te kletsen. “Jullie zijn er weer!” riep Mieke enthousiast. “Wat hebben jullie gedaan?” “Een klein avontuur gehad,” grijnsde Dirk, maar ik kon niet helpen het verhaal voor onszelf te houden. De ervaring had ons nog dichter bij elkaar gebracht, maar ook de realiteit van wat we zojuist hadden meegemaakt, hing als een schaduw boven ons. Die avond zaten we met zijn allen rond een vuurtje op de plantage, de sterren helder boven ons stralend. Terwijl we verhalen deelden, voelden we de band tussen ons sterker worden. Het avontuur met de soldaten zou een blijvende herinnering zijn aan de onbezonnenheid van onze jeugd en de vreugde van samen zijn in een vreemd land. We realiseerden ons dat wat ons had overkomen ons niet alleen had laten schrikken, maar ons ook een les had geleerd over de risico's van avontuur. Soms kon de nieuwsgierigheid ons in gevaarlijke situaties brengen, maar het had ons ook dichter bij elkaar gebracht. Dat moment in Skhirat, waar avontuur en angst hand in hand gingen, zou voor altijd in ons geheugen gegrift staan. De geur van de bloemen, het geluid van het water en het knisperen van het vuur zouden ons altijd herinneren aan die onvergetelijke reis, waar we samen de wereld verkenden, onze grenzen opzochten en uiteindelijk de ware betekenis van vriendschap en avontuur ontdekten.  

Guy Van Damme
5 0

Meeuwenleven

Ik voel het,ik moet terug. Elke pluim aan mijn lijf trekt me naar ons nest op dat rode pannendak in Oostende . ’t Is nochtans goed hier aan de Middellandse zee. Geen zware stormen, geen overvloedige regen, geen hevige westenwind zoals daar bij de Noordzee. Toch moet ik terug. Onze soort moet blijven! Mijn ventje Scheefbek vliegt met me mee. Die zuurpruimen, die wereldvreemde meeuwenhaters zullen ons niet graag zien terugkomen. Ze weten verdomme niet wat het is om elk jaar opnieuw te moeten beginnen ! Ik, Luidkeeltje , ik weet het wel. Elk jaar opnieuw kilometers vliegen over zee, over velden, langs de Costa Brava, de Costa del Sol, de Costa Blanca. Langs Costa’s vol zonnekloppers die nooit op eigen kracht vliegen maar in toestellen waar ze ons meeuwen mee ambeteren. Ik , Luidkeeltje, vlieg over de Pyreneeën, over de Midi, over de Seine en de Loire. Enfin, een hele tocht van talloze vleugelslagen. Vleugellam ben ik en bekaf als ik eindelijk terug ben. En dan is er de desillusie. Niets voelt als thuis. Dat nest, dat nest dat we hadden achtergelaten, dat nest waar vorig jaar nog drie mooie kuikens in zijn grootgebracht is verloederd! Daar heeft niemand nog naar omgezien. Verdomme! We moeten opnieuw op zoek naar takjes , blaadjes,stro halmen, gras en mos; scharrelen en duizenden keren weg en weer vliegen. Probeer het zelf maar eens met alleen maar je bekje. Ondertussen hoor je ze weer klagen. Gerda vindt dat ik teveel krijs. Jeannine vindt dat ik te vroeg krijs, Jean vindt dat ik te luid krijs. Marcel vindt dat Scheefbek te veel poept. Die sukkels weten niets van het meeuwenleven. Zij hebben een dak boven hun hoofd! Zij kunnen hun deuren sluiten.Wij moeten ons nest bewaken, beschermen, verdedigen en onze enige wapens zijn roepen en poepen. Ik schreeuw, ik schreeuw het uit! Die sukkels verstaan er niets van! Eieren leggen en broeden, daarvoor ben ik teruggekomen. Daar zitten ze dan met opengesperde bekjes, hongerige kuikens, kwetsbare en weerloze kuikens, afhankelijke kuikens. Hun leven hangt van ons af, van mij en van hun vader. Jeaninne kan het niet verdragen dat we haar etensresten uit de vuilniszak nemen. Ze wou die toch niet meer ? Jean ergert zich aan de poep op zijn autovenster. Ja man, hij weet niet wat het is . Soms doen we het ook van angst in onze broek, versta je ? Gerda is kwaad dat mijn vent over haar hoofd scheert. Ze komt te dicht bij een uit het nest gevallen kuiken en respecteert ons territorium niet ! En Marcel is boos dat we hem wakkerkrijsen. Ja man ,ga dan wat vroeger slapen! En ik schreeuw en blijf schreeuwen naar Gerda, Jean en Jeaninne en Marcel. Wanneer gaan jullie ons een keer verstaan !? Een beetje begrip voor ons zou niet verkeerd zijn. We willen ons ook veilig voelen, wij willen ook een plek en wij willen vooral geen stress .                    

Alma lavado
1 0

Je naam was Dikkie

Het was 2003, een stralende ochtend. De zon scheen door het keukenraam en danste op de ontbijttafel. Buiten zongen de vogels, en de geur van versgebakken brood vulde de lucht. Maar plotseling hoorden we een klagend miauw. Het trok onze aandacht. Toen we naar het venster keken, zagen we jou staan: een jonge kat, misschien 2 of 3 jaar oud, met een vacht die glinsterde in het ochtendlicht. Je was waarschijnlijk in het bos gedropt, een zwervertje op zoek naar een nieuw thuis. En dat nieuwe thuis had je gekozen. Welkom, vechtertje zonder naam. Je had iets innemends, een charme die ons raakte. Met grote, nieuwsgierige ogen keek je naar binnen, alsof je vroeg om binnen te komen. En dat deden we. Onze harten zwollen van empathie, en zonder aarzeling sprongen we in actie. Een warme mand, een krabpaal, een kattenbak, een eet- en drinkbakje; alles kreeg een plek in ons huis. Je kreeg zelfs een check-up bij de dierenarts. Daar ontdekten we dat je een gecastreerde kater was, kerngezond en vol levensenergie. Je zocht aandacht, en je kreeg het. En toen kwam het moment waarop we je een naam moesten geven... Dikkie. Met die naam begon je nieuwe leven bij ons. Geen enkele boom was veilig voor je; klimmen was jouw topsport. Je had een ondeugende geest en enorme energie, waardoor je constant in beweging was. We vonden muizen op het terras, zorgvuldig neergelegd als dankbetuiging voor alles wat wij voor jou deden. Je jachtinstinct maakte ons trots. Soms verraste je ons met onverwachte cadeaus. Om de vogels te beschermen, droeg je een belletje om je nek. Maar je begreep het niet helemaal. Altijd verbaasd waarom die kleine wezens telkens weer wegvlogen. Het was hilarisch om te zien hoe je, met je grote ogen, er helemaal in opging. Iedereen in de buurt kende Dikkie. Je ging overal binnen, altijd sociaal en nieuwsgierig. Het leek wel alsof je een eigen sociale kring had opgebouwd. Je leven was niet alleen gevuld met jagen en spelen; je had ook een liefde voor het huishouden. Stofzuigen was voor jou pure wellness. Met een ondeugende blik volgde je ons, je snorharen trilden van opwinding. Divo, je onafscheidelijke vriend, was altijd aan je zijde. Samen zaten jullie op de vensterbank, genietend van elkaars gezelschap, de wereld buiten in de gaten houdend. Jullie waren een prachtig duo, en het was mooi om te zien hoe jullie elkaar aanvulden. Dikkie… de vriend van iedereen. Je had een bijzonder ritueel elke ochtend. Zodra de eerste zonnestralen binnenkwamen, was je paraat aan het venster, je kopje nauwelijks boven je mandje. Je was altijd klaar om Vera na te kijken wanneer zij naar school reed. Dit was meer dan een ritueel; het was een dagelijkse gebeurtenis die we verwachtten. Het bracht een gevoel van normaliteit en gezelligheid. Als er vlees of kip in de keuken werd bereid, was jij de eerste die zich aandiende, je snorharen trilden van opwinding. Het was alsof je wist dat er iets lekkers op komst was. Wanneer er mensen op bezoek kwamen, zorgde jij ervoor dat ze je begroeting kregen, met een zachte aai langs hun benen. Het was jouw manier om te zeggen: "Jullie zijn welkom." Olivier, je vriend van het eerste uur, kreeg altijd de eerste aandacht van jou. Jullie ontwikkelden een speciale band, een connectie die alleen de liefde tussen een kat en een kind kan creëren. Dikkie… jouw invloed was groter dan ik ooit had gedacht! Naarmate de tijd verstreek, groeide je uit tot een ware patriarch van ons huishouden. Je had je plek veroverd. De mensen in de buurt kwamen regelmatig op bezoek, niet alleen om ons te zien, maar ook om jou te begroeten. Je was als een kleine koning die door zijn rijk paradeerde, genietend van de aandacht. Het gaf je een gevoel van trots, dat merkte je aan je houding. Maar zoals met alle goede dingen in het leven, kwam er een dag waarop alles veranderde. Vandaag, 31 januari 2017, is een sombere dag, zowel letterlijk als figuurlijk. De lucht is grijs, en de regen valt in kille druppels. De afgelopen dagen voelde ik de schaduw van onheil. Je at nauwelijks meer, je drinkbakje bleef vaak onaangeroerd. Soms rilde je, en ik kon de pijn in je ogen lezen, als een boek dat zijn laatste bladzijde naderde. Wat wil je, na 16 of 17 jaar leven? Klimmen deed je niet meer, jagen was er niet meer bij. Maar je had nog steeds een goede eetlust. Je sliep veel, maar je was nog alert, altijd op zoek naar een glimp van wat er om je heen gebeurde. In de afgelopen dagen merkte ik dat er iets niet klopte. We hoopten op beterschap, dat je misschien nog een laatste sprankje levenslust zou vinden. Maar in ons hart wisten we dat de tijd was gekomen voor een moeilijke beslissing. Uit liefde kozen we voor een waardig afscheid. We besloten je thuis in slaap te brengen, omringd door de mensen die van je hielden. We maakten een rustige plek voor je, in je vertrouwde mand, omringd door je favoriete deken. Terwijl je daar lag, voelden we de liefde die we voor je hadden. We keken in je ogen en wisten dat je begreep. Het was hartverscheurend om je los te laten. Terwijl we je in onze armen hielden, voelden we de liefde die we voor je hadden. Je pijn zou nu voorbij zijn, maar ons hart zou voor altijd een leegte dragen. Nadat je was ingeslapen, maakten we een klein grafje voor je in de tuin, op een plek waar je altijd vrolijk rondliep. We legden bloemen op je graf, en met tranen in onze ogen zeiden we onze laatste woorden. Het voelde goed om je daar te leggen, in de aarde die je zo goed kende. Nu ben je in je eeuwige jachtvelden, en je kunt weer vrij rondrennen, zonder pijn en verdriet. Je mandje is nu leeg, en de traditionele “goede nacht” is er niet meer. De kamers zijn stiller, en de lege plek aan de vensterbank herinnert ons aan de vreugde die je in ons leven bracht. Wij gaan je missen, Dikkie, want dat was je naam! Je blijft voor altijd in ons hart, een herinnering vol liefde en vreugde. Je impact op ons leven was onmiskenbaar. Terwijl we je missen, weten we dat je altijd bij ons zult zijn, in onze gedachten en in onze harten. Je was niet alleen een kat; je was een vriend, een familielid, een stukje van ons leven. Dikkie, je naam zal altijd in ons hart weerklinken, als een zachte echo van vreugde en liefde.  

Guy Van Damme
8 0