Lezen

De arrogantie van de 'ontwaakten'

Ik wil hier graag schrijven over iets dat ik al een tijdje aan het observeren ben. Het duurde even voor ik er woorden aan kon geven, maar zonet kwam de titel van dit stuk plots helder binnen, wat maakte dat er meer zinnen begonnen te stromen. Ik heb het over iets dat ik arrogantie of hoogmoed zou kunnen noemen, iets dat zijn bron sowieso in het ‘ego departement’ vindt. Rond de coronaperiode zijn er veel mensen ‘wakker’ geworden, zo blijkt. Het lijkt een collectieve uitdaging te zijn geweest met een gunstige invloed op het vlak van zelfontwikkeling. Er werden dingen ingezien, processen doorlopen, patronen doorbroken en transformerende keuzes gemaakt. De grote massa bleef gehypnotiseerd in dezelfde cirkels lopen, maar een groeiende minderheid doorzag het programma en werd wakker. Of nog wakkerder dan ze al dachten te zijn. En als het corona niet was die hen uit hun hypnose schudde, dan was het gegarandeerd een ander hardnekkig leerproces geweest dat expansie in het bewustzijn veroorzaakte. Het gebeurt volgens mij zelden of nooit dat iemand ‘zomaar’ vanzelf wakker wordt, meestal ligt er toch enig ongemak aan de basis. Het is paradoxaal dat datzelfde ongemak ons ook dieper in de hypnose kan duwen, het hangt er schijnbaar van af hoe je ermee omgaat. Waarom de ene wakker wordt en de ander niet is een andere interessante kwestie. Maar jij, jij hebt, als een kat in het nauw, rare sprongen gemaakt en dat heeft jou een andere weg doen inslaan. Daardoor kreeg je een breder zicht op de dingen. Opeens zie je waar je voorheen blind voor was, dit verruimt en vernieuwt jouw realiteit. Je noemt jezelf nu wakker in vergelijking met daarvoor. Het smeulende kooltje heeft vuur gevat. Er volgt een piek aan inzichten en aha-momenten, vaak versterkt en bevestigd door synchroniciteit, opmerkelijke toevalligheden, tekens en boodschappen. En daar komt enthousiasme bij kijken, veel enthousiasme. Het liefst zou je willen dat iedereen wist wat jij nu weet, vooral diegenen die jou dierbaar zijn. Je voelt dat je niet meer dezelfde bent, dat je een grote bewustzijnssprong hebt gemaakt en nu boven iedereen lijkt uit te zweven. Jij ziet helder wat zovelen niet zien. Misschien is het wel juist jouw taak, jouw missie, om het hen te vertellen en te tonen? Familiediners zijn geen optie meer en vriendschappen sneuvelen. Je gaat naar cacao ceremonies en mantra zangcirkels en vindt daar terug wat je al heel je leven gemist hebt. Eindelijk vind je erkenning, connectie en een gevoel van thuiskomen in dit leven. Een grote hap uit je spaargeld, je noemt het een investering in jezelf, gaat naar een driedaagse ayahuasca ceremonie, een masterclass magnetisme, een online opleiding tot lifecoach en alle attributen die je daarvoor nodig hebt. Ondertussen blijft het leven je testen en klappen uitdelen, maar jij weet ondertussen wel beter. Want jij bent niet meer dezelfde, nu reageer je anders. Wijzer. Met meer zelfrespect. Zoveel oude wonden die jij bij jezelf hebt geheeld. Al dat transformatieve werk dat je hebt gedaan. Je bent trots dat het jou toch maar gelukt is om de programmatie en misleiding te doorzien en jezelf te ontkoppelen van de matrix. Je vindt nu dat het tijd is om uit de schaduw van bescheidenheid te treden en jouw ontwikkelingen aan de wereld te tonen. Om de geboorte van jouw ontwaakte zelf te vieren geef je jezelf een nieuwe exotisch klinkende naam. Je laat Chat GPT een logo ontwerpen en vraagt een ondernemingsnummer aan. Jouw zelfzekerheid is gegroeid, je weet nu wat je waard bent. Je bent nu een gecertificeerde lifecoach en healer, én vooral een ervaringsdeskundige wat betreft vruchtbare zelfontwikkeling. Je denkt eraan om een boek te schrijven om jouw inzichten nog een groter bereik te geven. World, here you come! Het vurige enthousiasme bij grote persoonlijke inzichten en transformaties, noem het de eerste fase van het spiritueel ontwaken, kan een valkuil zijn. En meteen ook een test in nederigheid, die ik velen zie falen. Het enthousiasme op zich, dat ik uit eigen ervaring herken, is eigenlijk zo geen probleem. Het is de hoogmoed, de belerende houding en het ongevraagde advies dat er eventueel verder uit voortvloeit dat de aanzet van dit schrijven vormden. Het is een soort van goedbedoelde arrogantie die ik in verschillende vormen en contexten waarneem. Zij die zichzelf ‘wakker’ en ‘geheeld’ noemen en stellig geloven dat ze hier zijn om anderen ook wakker te maken en te helen. Hun praktijken springen nu als paddenstoelen uit de grond. Lichtwerkers. Coaches. Sjamanen. Healers. Spaceholders. Tantra- en reikimeesters. Het zijn titels die het ego zichzelf als oorlogsmedailles opspeldt. Men vindt zichzelf een moedige krijger met wijsheid en verhalen die de wereld nodig heeft. De grens tussen zelfvertrouwen en nuchtere zelfreflectie is vaak wazig of onbestaande. Spirituele inzichten en mystieke ervaringen kunnen alleen maar vruchtbaar aarden als het bewustzijn aan diepgaand zelfonderzoek heeft gedaan. Zo niet, dan gaat het ego met de eer lopen. Het zit ‘m allemaal, volgens mij althans, in de wortels. Als die te kort zijn, niet diep genoeg geaard zitten en dus de verworven inzichten nog niet voldoende doorleeft of belichaamd zijn, dan kan dat leiden tot grootheidswaanzin, een psychose of messiascomplex. Ken uzelf, voordat je denkt de wereld te kennen. Het is een ‘beginnersfout’ om de focus te snel, te gretig, van binnen naar buiten te leggen. Want het innerlijk werk is nooit klaar en weerspiegelt zich in de externe realiteit. Wie met een naar buiten gekeerde focus leeft, is bezig met op een spiegel te reageren. Het ziet er dus naar uit dat er een uitgesproken collectieve transformatie gaande is op het vlak van existentieel bewustzijn of spiritualiteit. Deze wereld zou deze wereld niet zijn mocht daar geen verwarring, misleiding en afleiding mee gepaard gaan. Het ego zou het ego niet zijn mocht het daar geen persoonlijke voordelen, zoals een verdienmodel en status, in zien. Alles kan gekaapt en vervormd worden in deze matrix, zo ook spiritualiteit. Ik reken op intuïtie en een kritisch-analytische kijk op de dingen om het onderscheid tussen echtheid en schijnvertoon te kunnen maken. Dat verschil is, zeker in tijden van AI, soms moeilijk te onderscheiden. De groeiende aandacht voor een ‘wakker bewustzijn’ loopt niet toevallig synchroon met gezaaide verwarring omtrent ‘echtheid’. Het zijn thema’s die elkaar polair versterken en polarisatie is wat deze matrix nodig heeft om te blijven draaien. Wat mij nu van belang lijkt, is een diepgewortelde ontwikkeling van het vermogen dat echt van vals kan onderscheiden. Zuiver van onzuiver. En dat is een persoonlijk proces met een even persoonlijke uitkomst. Ware en geaarde spirituele ontwikkeling ontstaat onzichtbaar en geruisloos. Het is iets dat je alleen doet, waar jij alleen de verantwoordelijkheid voor draagt, en je doet het zuiver voor jezelf. En tegelijk toch ook voor de wereld, maar dan zonder het expliciet naar een externe vorm om te zetten. Het kan in essentie ook niet naar een externe vorm omgezet worden, zelfs niet in woorden. Iedere poging daartoe leidt tot cryptische raadsels en metaforen met dertien dubbele bodems. Ik ben ervan overtuigd dat de interessantste, meest wijze en wakkere mensen amper zichtbaar zijn. Dat ze onder de radar van de matrix een leven zonder bewijs- of erkenningsdrang leiden. Ik zeg niet dat we het delen van inzichten en persoonlijke wijsheid beter kunnen laten, wel wijs ik op de overvloed aan ‘spirituele geldingsdrang’. Zoals de talloze ‘healers’ die hoegenaamd nog enkele plekjes vrij hebben in hun masterclass aan het earlybirdtarief van € 2.222. En alle andere variaties hierop die ik arrogantie van de ontwaakten noem.Karolien Deman      

KarolienDeman
7 1

De Pelgrim

Ik ben voor een paar dagen in Frankrijk. In het noorden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. De precieze verhoudingen durf ik niet te zeggen. Sommige dagen voelen voor zeventig procent als vakantie, andere vooral als vluchten met een cultureel verantwoord excuus. En ik heb ze zo graag, die dagen waarop ik helemaal alleen op stap ben. In een land waar de taal tegelijk klinkt naar romantiek en chagrijn. Waar zelfs een parkeerverbod klinkt alsof iemand u eerst nog even in de nek zal kussen. Een land waar ze gul water en brood op tafel zetten nog vóór ge beslist hebt of ge de formule du midi zult nemen. Waar de bebouwde kom echt bebouwd is en dan ook ineens gedaan. Gewoon: huizen, een bord met een rode streep erdoor en daarna velden. Uitgestrekt, glooiend en leeg genoeg om uw hoofd eindelijk eens zijn mond te laten houden. Ik had de dag doorgebracht zoals een cultuurmens dat doet: met een bezoek aan een museum. Ge kunt mij drie dagen vrij geven en toch zal ik op een bepaald moment vrijwillig voor een schilderij gaan staan met mijn handen op mijn rug. Daarna was ik gaan cruisen door de velden. Raampje open, muziek aan en wegen volgen waarvan zelfs Google Maps leek te denken: als gij het echt wilt. Later bracht ik nog een bezoek aan Saint-Quentin. Gezellig. Mooi zelfs. Maar verwacht niet te veel. Dat is trouwens een uitstekende levenshouding, niet alleen voor Saint-Quentin. Voor de nacht had ik een kamer geboekt ergens in een gat met een naam die alleen door mijn gps werd onthouden. Zo’n plek waar rust nog gewoon rust is, gastvrijheid gastvrijheid en een badkamer iets wat ge deelt met mensen van wie ge hoopt dat ze ongeveer dezelfde normen hanteren als gij. De bedden piepten, de vloer ook en vermoedelijk had zelfs het nachtkastje iets te vertellen wanneer ge er een glas water op zette. Het fijne aan alleen reizen zijn de ontmoetingen. Alleen zijt ge beschikbaar voor de wereld. En ik geloof niet dat toeval bestaat. Dus zat daar die avond, aan de boord van een kanaaltje, bij een ondergaande zon die overdreven haar best deed, een Nederlander op mij te wachten. We waren allebei bijna kinderlijk blij dat we onze eigen taal konden spreken. Na een paar dagen Frans wordt een mens al gelukkig van iemand die zonder aarzelen begrijpt wat ge bedoelt met “amai”.  Hij was muzikant. Dat hielp. Voor we goed en wel wisten hoe de ander heette, hadden we al professioneel en cultureel een paar raakvlakken gevonden. We praatten over muziek, over jonge talenten en over hoe het is wanneer iemand op een podium nog niet heeft geleerd om zich kleiner te maken dan hij is. Over mensen die iets kunnen maar nog niet helemaal weten wat ze daarmee moeten aanvangen. En waarschijnlijk ook een beetje over onszelf. Want er komt blijkbaar een leeftijd waarop ge de dingen eens moet kunnen overschouwen. Niet omdat alles voorbij is, maar omdat er al genoeg achter u ligt om eindelijk een uitzicht te hebben. Ge kijkt naar wat ge hebt gedaan, wat ge nog wilt doen en welke stukken van uw leven ondertussen vooral bestaan uit veel lawaai en weinig muziek. Hij had beslist om dat nu te doen. Een paar maanden niets. Hij had zijn gitaar ingeruild voor een fiets. Amsterdam voor de onvoorspelbare wegen van de Camino. Optredens, afspraken en vertrouwde straten voor iedere ochtend opnieuw vertrekken zonder precies te weten wat de dag hem zou brengen. Geen strak schema. Geen agenda. Geen applaus. Alleen een fiets, een weg en Santiago ergens ver voor hem. En vertragen. Dat was toch de bedoeling. Hij was een week onderweg en dat laatste moest hij nog een beetje leren. Want ge kunt uw gitaar thuislaten, uw agenda leegmaken en Amsterdam achter u laten, maar uw eigen tempo fietst gewoon mee. Ge stapt niet op een fiets en wordt bij het eerste Franse dorp plots een zacht glimlachende pelgrim die bij iedere zonnebloem de zin van het leven begrijpt. Sommige mensen beginnen zelfs aan onthaasten met een strak dagschema. Ik vond dat geruststellend. We maken van vertrekken graag iets groots en zuivers. Alsof ge bij het overschrijden van een grens automatisch alles achterlaat wat zwaar is. Maar zo werkt het niet. Uw twijfels reizen gratis mee. Uw onrust hoeft geen kamer te boeken. Uw gedachten zitten achterop en vragen om de paar kilometer of het nog ver is. Misschien is dat net de Camino. Niet de weg naar Santiago, maar de afstand die ge nodig hebt om eindelijk wat trager te worden dan uw eigen hoofd. Ik keek naar hem en voelde iets wat verdacht veel op bewondering leek. Misschien ook een beetje jaloezie. Niet op de kilometers, begrijp me niet verkeerd. Mijn spirituele ontwikkeling kent grenzen en zadelpijn hoort daar voorlopig niet bij. Maar wel op de eenvoud. Eén weg. Eén richting. Een paar maanden waarin ge niet voortdurend iets moet beantwoorden, organiseren of uitleggen. Een pelgrim hoeft ’s morgens niet te beslissen wie hij wil zijn. Hij moet alleen vertrekken. Hij zou de volgende ochtend opnieuw op zijn fiets stappen. Altijd in dezelfde richting, dichter bij Santiago. Hopelijk ook een beetje dichter bij het tempo waarnaar hij op zoek was. Ik zou mijn gps aanzetten en verder rijden naar plekken waarvan ik de naam niet kon onthouden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. Zonder fiets, zonder schelp aan mijn rugzak en voorlopig ook zonder maandenlange sabbatperiode. Maar wel met een ontmoeting die daar volgens mij niet toevallig aan dat kanaaltje zat. Misschien hoeft een pelgrim niet altijd naar Santiago. Misschien is het soms al genoeg dat ge vertrekt. Dat ge alleen door vreemde velden rijdt, met iemand praat die ge gisteren nog niet kende en onderweg even stilstaat bij waar ge vandaan komt.  

Katrien Daniels
119 9

Rapunzel gaat door het dak

Rapunzel zit in het archief. Het dakraam is op slot. Het is best spannend. Zo spannend dat je hoopt dat één haar tenminste wél ontsnapt. Haar vlecht trok haar de kelder in. Geen haar in die vlecht had het durven vermoeden, maar vele haren maken een vlecht zwaar. Zwaar genoeg om de trap af te slingeren. De trap is er niet van gediend;die was pas gekuist. Daar zit ze dan,tussen stalen archiefkasten.Doe het licht uiten je fantasie doet haar werk.Niet dat fantasie graag archiveert,al zeker geen harendie in dossiers blijven steken.Hoe rangschik je die op alfabet?Je bergt dat haar beter in je mond op;haar op de tandenkomt altijd van pas.Ondergronds is niet voor watjes. De archiefkasten hopen al jarenop een sprookje,maar Rapunzelhadden ze niet besteld. Die zoekt een uitweg.Niemand leeft op van administratie;papier legt ze liever in de as.Paperas protesteert niet, wordt als as in haar handen.Recycleren is niet voor sprookjes. Bureaucratie is als een doolhof:zoek daar maar eens de ingang.Een uitgang is er al helemaal niet.Dat dakraam dus.Ze is dan wel in de kelder beland,tijd om de uitgang te overtuigen.Die is er voor nood,maar haar contract is vervallen.Die werkt nu freelance,enkel bij paniek. Maar eerst kracht opdoen.Ze klopt wat stof uit een dossieren slaat het om zich heenals de nieuwste keldercollectie.Ook mode vraagt creativiteit in een kelder,al maak je van een dossiergeen haute couture. Boomknuffelen kan ook in kelders.Je tapt daar energie uit.Beloof zo’n dossier promotieen wie weetkrijg je een knuffel terug. Boven wacht het dakraam,stoffig,maar klaar voor de aanval. Ze zwaait haar vlecht,als een rode vlag.Het dakraam, stierlijkzoals enkel dakramen zijn,geeft meteen op:te veel haarom te bevechten. Rapunzel gaat door het dak.Dat is nu eenmaal gevoeligvoor vlechten met ambities. (eigen afbeelding)

Lien Van Droogenbroeck (Pennig)✍️
66 7

Burengerucht

burengerucht   er is geen houden meer aan, je word alsmaar naar buiten gezogen terwijl je binnen had willen blijven, je kunt je eigen stem amper meer horen door de halve zinnen, de lachsalvo’s, de ronkende motoren, en als ze even zijn vertrokken, bandensporen achterlatend in je toch al metaalmoe geheugen, begint het onophoudelijke blaffen van de hond die het ook niet kan helpen dat de golflengte nooit overeenkomt, zelfs als het seinen op rood staat en je denkt dat ieder mens toch van dezelfde makelij is en wil deugen als het moet.   ook als je al je kieren hebt dichtgesmeerd en je alle rookmelders hebt vervangen door luchtreinigers, grijpt hun longinhoud je bij de keel, terwijl je vannacht nog droomde dat de rook om je hoofd was verdwenen en je ventilatoren op volle toeren draaien in je bovenkamer.   je bent pas echt de sigaar als je huid te dun is voor de geur van motorolie en je stofzuigergeluiden nu eenmaal niet kunt verdragen ook nadat je oordoppen geprobeerd hebt omdat het 24-uurs brommen van de jacuzzi inmiddels ver voorbij je gehoorgrens is geraakt en je doofheid nu vooral naar binnen gericht is.   je bent met stomheid geslagen terwijl je huis wordt overgenomen zonder aan een schuilplaats te hebben gedacht en je afvraagt of het woord stilte voor ieder mens uiteindelijk hetzelfde betekent of dat jij gewoon in het verkeerde tijdsbeeld bent gestapt en ontsnappen via een capsule of een sleutelgat geen optie meer is.   je dacht hier te kunnen wonen en ook al heb je jezelf inmiddels onbewoonbaar verklaard zijn er altijd die de toegang forceren, en je huis vullen met ongenode gasten, terwijl jij blijft rondspoken in je stoffige zolderkamer, op zoek naar kennismaking.

Hedianne
3 0

Piu ping ping!

Mijn benen zinderen nog na van de blauwe plek, die samen met alle andere schrammen en regenboogkleuren het slagveld vormt van mijn onhandigheid. Fietsen. Ik moet doorfietsen. De rode lichten negeer ik. Een Nederlandse vrouw schelt me uit voor krapul omdat ik haar afsnijdt. Ik excuseer me niet, noch geef ik haar een repliek. Geen tijd, choose your battles. Net te laat. Ik vloek. Dat gaat van mijn loon en mijn prestatiescore af. Nu ik er ben, kan ik me rustig installeren. Wat water drinken, die granola reep die al twee weken in mijn rugzak zit wordt mijn brunch. De zonnecrème geeft me spookachtige schijn. Mijn hoofd is bedekt onder de kap van mijn fietshelm. Mensen kijken me raar aan als ze passeren. Tenslotte sta ik op het voetpad, onder een brug. Ik kijk raar terug. Wat maakt het uit. Ze kunnen toch voorbij? Of is het eerder omdat het knaloranje t-shirt slobbert rond mijn kleine lijf, onder het heuptasje en mijn fietsbroekje bijna bedekt. Mijn lijfje dat in mijn grote, uitvouwbare matchende oranje LazyFoods rugzak zou passen. Een grap waar menig, vooral witte Vlaamse mannen in de 50, zich heel erg mee vermaakten.  Piu ping ping! Mijn eerste order. Meteen al de supermarkt op de top van de boerentoren. Die sky-markets poppen als paddenstoelen uit de grond. Met de betonstop mogen er geen gronden meer ingenomen worden; dus bouwen ze maar in de hoogte.  Met een zacht gezoem activeer ik de vliegfunctie. Het bezorgd me nog steeds tuimelaars in mijn maag. Gewoon ga ik dit nooit worden. Met een klein hartje zorgen de blazers dat ik opstijg. Ik vlieg de tunnel uit. Tweede versnelling. Derde. De weg ken ik uit mijn hoofd. Daken, nog meer daken. Turnhoutsebaan. Het dak van het oude gerechtshof van Borgerhout. Centraal station. Rooseveltplaats, bussen, vliegende steppen… Ik kijk even op de app of ik juist zit. De vliegende brommer leek van nergens te komen. Met alle macht rem ik. Mijn fiets begint plots te trillen. Piu ping pong! Anti-bots modus geactiveerd.  Voor mijn hersenen begrijpen wat er gebeurd fiets ik dwars door de brommer heen. Alsof we beiden niet  meer uit materie bestaan. De persoon op de brommer is alweer weg. Een muur komt op me af. Voor mijn ogen zie ik mijn leven voorbij flitsen. De muur lijkt van lucht te bestaan, en ik fiets er dwars doorheen. Eindelijk kan ik vaart minderen en lijken mijn remmen toch te werken en kom ik tot stilstand. Ik bevind me in een slaapkamer. Alles is roos en Barbie. Duizenden poppenhoofdjes staren me aan. Een meisje gilt haar longen eruit. Ik begin ook te gillen. Tot we uitgegild hebben kan ik enkel vragen of ze me kan helpen uit haar huis te geraken. Ze wijst me haar huis uit, een gedoe met trappen, en veel schrammen later. Piu ping ping! Het lijkt erop dat je al even stilstaat. Als alles goed is, ga dan verder richting de supermarkt. Ik denk dat ik me ziek meld voor de rest van de dag.       

Janan
4 0
Tip

Boot

Paul is te laat en dat overkomt hem niet vaak. Het is de schuld van het touw. Hij had het vanuit de verte zien liggen en had het stuur van zijn boot gedraaid om te gaan kijken. Het dreef meterslang op het water en dook dan de diepte in. Het water was nog koud voor de tijd van het jaar. De winter klemde haar hand om de baai, het ijs tussen de sparren was nog niet volledig gesmolten. Paul steekt zijn hand door het wateroppervlak en rilt wanneer hij het touw langs zijn handpalmen voelt glibberen. Hij heeft hier nu geen tijd voor, maar het kan hier ook niet blijven liggen. Behendig loopt hij naar het voorsteven van de boot en knoopt een van zijn witte boeien los, die hij vervolgens aan het touw vastbindt. Op de terugweg, wanneer Sean bij hem is, zal hij dit probleem wel oplossen. Hij gooit de boei overboord. Door het akkefietje komt hij later dan verwacht aan op het vasteland. De twee Franse toeristen staan naast Sean te wachten. Ze lijken klaar om naar het eiland te vertrekken, waar ze drie weken zullen verblijven. Wanneer hij aanmeert, neemt hij hen van kop tot teen op. ‘Hebben jullie een trui en een jas mee?’ De Franse man ziet er jongensachtig uit in zijn zwarte T-shirt en jeans. Hij zegt niet veel, maar zijn vriendin knikt. ‘Doe die maar aan. Op het water is het minstens vijf graden kouder dan hier en de wind is ijzig.’ Ze stellen geen vragen en nemen hun jassen uit hun rugzakken. ‘De laatste keer waren hier drie Britse jongeren,’ vertelt Paul aan Sean. ‘Een van hen had niet eens een jas. Ze waren de kou wel gewoon, zei die. Ja, dan kende die ons Canadees weer toch nog niet. Ik heb hem halverwege de overzet mijn trui en mijn jas moeten geven.’ Sean moet er hardop van lachen, terwijl Paul hoofdschuddend de boot inlaadt. ‘Klaar?’ vraagt hij dan aan de Fransen. Tot hiertoe hebben ze nog steeds weinig gezegd. Ze lijken bijna geen échte Fransen, die Paul meestal arrogant of snobistisch vindt. Deze Fransen stappen zonder veel allures de boot in. Het meisje heeft regenlaarsjes aan. Op voorhand had ze Paul gevraagd wat ze mee moest nemen naar het eiland. Hij is blij dat ze zijn advies ter harte heeft genomen. Sean maakt de boot los van de kade en Paul manoeuvreert voorzichtig de haven uit. ‘Hoe gaat het met Anne?’ vraagt Sean, nu de motor nog niet oorverdovend is. Paul vingers klemmen zich even om het stuur en dan laat hij weer los. ‘Het gaat,’ zegt hij. Meer woorden vindt hij niet. Hij volgt de vlucht van zilvermeeuw die laag over het water scheert. Ondanks de kou prikt de zon in zijn gezicht. Hij kijkt pas weg wanneer Seans blik van zijn huid afkruipt. Het verblindende licht van de zon heeft een waterig laagje op zijn ogen achtergelaten. ‘De eerste zonnige dag van deze lente,’ zegt Sean tegen niemand in het bijzonder. De Fransen knikken en kijken hun ogen uit. Sean wijst hen op zeehonden die nieuwsgierig hun kop boven de zeespiegel uitsteken en een visarend die zijn nest verstevigt op een rots in de verte. ‘We moeten nog even een omweg maken,’ roept Paul wanneer ze op volle snelheid zijn. ‘Er drijft verderop een touw dat we weg moeten halen. Ik heb mijn boei eraan vastgeknoopt zodat ik het terug zou kunnen vinden.’ ‘Een touw?’ schreeuwt Sean terug over het geluid van de motor. ‘Krabbenkooien?’ ‘Ik vermoed van wel,’ zegt Paul. ‘En slecht vastgemaakt. Dat touw slingert echt meters de oceaan in.’ Het duurt niet lang voor hij zijn boei weer gevonden heeft. Zelfs op eenenzeventig jaar is zijn geheugen en zijn oriëntatievermogen nog erg goed. Hij legt de motor stil. ‘Jezus,’ zegt Sean. ‘Dat is echt gigantisch.’ ‘Is dat abnormaal?’ vraagt het Franse meisje. Sean knikt. ‘Krabbenkooien zitten meestal vast aan een lijn die met boeien gemarkeerd is en aan het land is vastgemaakt. Dit touw drijft gewoon vrij rond.’ ‘En is niet gemarkeerd,’ voegt Paul eraan toe. ‘Illegale praktijken?’ vraagt het meisje en Paul knikt. ‘Gebeurt dat vaak?’ mengt de Franse jongen zich nu ook. Sean haalt zijn schouders op. ‘Wij kennen zeker mensen die zo’n streek durven uithalen.’ Hij heeft zijn hand al in het water gestoken en trekt aan het touw. ‘Jezus, zo zwaar! Hier hangt een hele resem kooien aan,’ zegt hij. De spieren in zijn nek spannen op bij elke ruk die hij aan het koord geeft. Met zijn andere hand laat hij het touw in concentrische cirkels in de boot vallen, zodat het niet in de war geraakt. De Fransen steken geen poot uit. Ze kijken geïntrigeerd naar wat Peter doet, maar hoe langer het duurt, hoe vaker hun blikken afglijden naar het water. Op zoek naar zeehonden, waarschijnlijk. Paul had gedacht dat het touw sneller zou eindigen. Er ligt al vijftien of twintig meter in de boot en nog steeds is er geen spoor van een kooi die boven water komt. ‘Ik weet dat je die kooien met stenen moet verzwaren, maar dit is toch wel extreem,’ lacht Sean dan. Het is maar zeven graden hier, maar toch staat hij al in het zweet. ‘Zie je al iets?’ Sean schudt zijn hoofd. Paul heeft zijn handen nog steeds om het stuur. Hij houdt Sean scherp in de gaten. Pas wanneer er meer rimpelingen op het water ontstaan, beseft hij dat hij beter zou wegkijken. Hij wil niet denken aan de laatste keer dat de wateroppervlakte voor zijn ogen brak, maar het gebeurt vanzelf. De zee klotst op dezelfde manier tegen de boot aan, hij proeft hetzelfde zout op zijn lippen. Hij ziet Seans handen naar beneden reiken alsof het zijn eigen handen zijn die in de diepte graaien, trekken en sleuren. De Fransen staan recht om te kijken wat Sean uit het water haalt, hun stemmen klinken fel van verbazing. Ze steken nu toch hun handen uit, ze buigen hun lichamen over de rand van de boot om Sean te helpen. Paul wil hen waarschuwen, maar hij blijft staan met roerloze vingers. Hij voelt weer die natte, opgeblazen huid onder zijn handpalmen. Hij ziet weer de uitgedoofde blik van zijn kind, het haar dat uitwaaierde in de donkerblauwe diepte. Hij denkt aan Joanne, aan haar dunne lippen toen hij het lichaam van hun zoon over de drempel van hun huis droeg. Het liefst wil hij de sleutel omdraaien, de boot in achteruit zetten en wegvaren, maakt niet uit naar waar. Hij wil weg van dit water, de schommelende boot en deze verdomde blauwe hemel. ‘Wacht,’ zegt Sean. De Fransen houden allebei hun handen in het water, ze zeulen met iets zwaar. ‘Trek maar over de rand,’ instrueert Sean. ‘Tel tot drie en dan trekken.’ Met een enorme krachtinspanning halen ze een houten kooi aan boord. Grote, gladde keien botsen tegen elkaar op de bodem. Daarbovenop zit een kleine krab. ‘Zo’n kleintje,’ zegt het Franse meisje. ‘Hoe lief.’ De aanblik van de kooi haalt Paul uit zijn staat van verdoving. Hij merkt hoe Sean naar hem kijkt. Met vastberaden passen loopt hij naar zijn drie passagiers. Hij grijpt de kooi met beide handen. Hij is een visser, hij weet wat hij doet. De krab klikt met zijn scharen wanneer Paul hem bij zijn schild oppakt. Hij spartelt in de lucht als een verdronken kind tot Paul hem over de rand van de boot laat zakken en hem voorzichtig terug in het water laat glijden.

eenstweedrie
57 2

De legende van de sterrenqueeste

Geboren uit de koude wolken van het oneindige zoeken zij de warmte van hun bestaan. Eenzaamheid bezorgt hoofdpijn, maakt klonters die te onhandig zijn om niet te botsen. Daar is waar de warmte groeit. Of die warmte een specifieke naam heeft, laat ik aan jou over. De kracht van een duizend zonnen vraagt veel van een klein hart, maar zij hadden veerkracht. Zweefkracht, dat is misschien een beter woord. Tijd tuimelde verder en hun oog knipperde. Bleef knipperen. Zacht. Alsof ze de eeuwigheid moesten overwinnen. Voor het eerst konden Anderen zien. Het was prachtig. Alles was schitterend. Als Arië eerst kon dromen, had ze zelfs dit niet durven voorstellen. Draaiende parels begroetten haar elke dag, bouwden tempels voor haar, deelden hun wensen met haar. Je kon ook niet langs haar heen kijken. Al ging ze soms verloren in de massa van haar broeders en zusters. De ene dag ging ze jaloers kopje onder in de zwarte zee. De andere dag tekenden ze samen figuren waar zij weinig betekenis achter zochten. Voor de parels betekenden het alles. In een plaats waar tijd louter een losse draad is, besef je niet wanneer het einde nadert. Arië was de jongste en zag er weinig erg in om het ene moment tussen rode reuzen te sluipen en het andere te tippelen tussen de witte dwergen. Nu was zij de grootste, de helderste, de sterkste. Maar aan welke euforie klampte jij je vast wanneer de rest één voor één de duisternis begon te omarmen? Ze moest dit stoppen. Wanhopig strekte ze haar armen uit, maar niemand die haar vlam aanvaardde. Ze stootte en botste, doch niets wat hun eerdere leven evenaarde. Ze keek toe hoe haar broeders en zusters zich gewonnen gaven aan de kilte. Meteorietentranen trekken als tirannen machteloos naar het niets. Het zou niet lang meer duren vooraleer de hoofdpijn zou terugkeren. Ze zag die stille, draaiende parel die zijn leven nog steeds toewijdde aan haar. Haar licht, zijn leven. Haar licht, hét leven. Een vonk ontsprong. Arië scheen als een wilde vuurvlieg. Ze kende geen einde, dus wilde ze er niemand in laten geloven. Haar broeders en zusters lachten haar toe. Ze waren leeg, maar spiegelden wit goud naar haar toe. Schijnen voor anderen heeft echter een prijs. Haar zwellend hart duwde tegen de rotsige ribben en voor ze zichzelf in eeuwige stilte hulde, schreeuwde ze nog een laatste keer alle kleuren die ze ooit had gezien uit haar roestige longen. Eerst was het heet, toen ijskoud. Geboren uit de koude wolken van het oneindige zochten zij de warmte van hun bestaan. Arië keek toe hoe nieuwe oogjes knipperden: dochters en zonen. Ze kroop weg uit de mist; zij moesten hun eigen queeste bewandelen. Bezweven, dat is misschien een beter woord. Arië wachtte af tot het einde hen zou inhalen. Waarna ze hen dan zou sluiten in een omhelzing en hen in haar eindeloze hart zou verder dragen.  De Sterrenqueeste is een tocht die een menselijke klok onmogelijk kan volgen. Hoe kort de woorden de queeste doen uitschijnen; ze helpen te schreeuwen tegen de geeuw van het einde. Het laatste woord zal daarom nooit van hem zijn.

Lana99
6 1