Lezen

Ik ben de stilte

Ik ben de stilte en ik woon in een klein appartement op een vergeten straat in een stereotypische stad. Een van degenen die nooit echt stilvallen en waar nieuwbouw de strijd tegen jarennegentighuizen nog steeds niet heeft gewonnen.Soms vraag ik me af of het wel kan winnen. Dat idee maakt me zowel hoopvol als triest. Het is fijn om te weten dat mijn hoekje wereld altijd zal bestaan, maar ik vrees voor het welzijn van de verrotte kozijnen die hard vechten om de tocht uit mijn kamer te houden. Het is de ruimte die ik als mijn viermurige fort beschouw, of zevenmurige als ik alle kleine hoekjes meetel. Het is het getal van de volheid, iets waarvan ik de ironie niet helemaal kan ontzien.Niet dat een vlug oog het hier als leeg zou beschrijven. De houten beeldjes op de kast vechten om aandacht met de omgevallen beterschapskaarten. De lege vitaminepotjes hebben hun verlies al erkend en liggen ietwat verdwaald op de grond. Het bureau lijkt wel een ruïne met zijn scheve blad, waarop half een map met werk en een pennenbakje nog net balanceren.Binnenkort zullen ze ongetwijfeld aan hun race naar de grond beginnen. Of was het al die tijd een wedstrijd over wie het langst volhoudt? Ik weet het niet. Ik heb beide spellen gespeeld, maar nog nooit gewonnen.Misschien is dat waarom ik nu hier ben, in een slordig opgemaakt bed in het midden van mijn georganiseerde chaos, in een staat die niet als volhouden nog als vallen kan beschreven worden.Leeg, moet het oog dat het mijne vasthoudt bekennen, maar dat doen blikken niet meer.Mijn vader, die in de groene stoel naast mijn rustplaats zit, kijkt weg. Denkrempels schilderen zichzelf op zijn voorhoofd en voor even lijkt hij net zoveel ouder dan ons huis.We lijken op elkaar, besef ik me, op meer manieren dan onze praatgrage buurvrouw beweert. Het is niet alleen onze bruine ogen en de slordige krullen die we beiden op hebben moeten geven. Het is hoe we hetzelfde comfort vinden in de afwezigheid van woorden.Toch stapt hij voor mij uit karakter. 'Hoe voel je je?'Ik antwoord niet, want ik durf mezelf niet te breken. De glimlach op zijn gezicht doet me denken aan abstracte kunst in een achttiende-eeuws gebouw. Hij is zo misplaatst dat het triest voelt. Zijn hand overbrugt de afstand tot de mijne en hij plaatst hem op de rand van het bed.'Ik weet het,' fluistert hij, alsof ik heb gesproken.Een deel van me wil zeggen dat hij dat niet doet, maar we hebben dit gesprek gisteren ook gevoerd, net als de dag ervoor. Het is een rode draad door de dagen die als gewichten opeenstapelen. De meeste woorden zijn met de tijd gesneuveld, maar hij kent mijn antwoorden en ik de zijne. Zelfs al waren de pagina's verband, dan had de context de waarheid stilzwijgend verteld. Er is een limiet aan de keren dat een vader zijn dochter zo kan zien, voordat hij het begrijpt op een manier die ik geen man toewens.'Ik zal je met rust laten.' Zijn woorden zijn net zo misplaatst als zijn uitdrukking. Ze horen na een ruzie door de gang te echoën, maar in plaats daarvan zijn ze een vriendelijke fluistering. Een overgave aan de ziekte die dat moment van ons gestolen heeft.Ik forceer mijn lippen omhoog in een lach. Honderden kleine naaltjes prikken in mijn huid.Mijn vader klopt voorzichtig op de rand van het bed. Dan loopt hij weg, de kamer wordt opnieuw stil en ik word mijn kamer.

Lowa Vermeer
12 1

Het spook van het jaagpad

Hudson Rivers stierf een gewelddadige dood, zo zeggen de verhalen. Aangevallen op het jaagpad en brutaal in elkaar geslagen tot hij levenloos bleef liggen. Als je de verhalen mag geloven dan sprongen ze met zeker vijftien man uit de braamstruiken langs dat pad om zich als één op bloedbeluste roedel op hem te storten. Ze deelden geen meppen uit, zoals voorgeschreven door hun baas, ze verscheurden hem. Ze plunderden zijn zakken en gingen aan de haal met de schrale buit: één munt, drie keitjes en een mondharmonica (een tin whistle in een andere versie) tevens de bron van inkomsten van arme Hudson Rivers. Het is maar een verhaaltje. Iedereen weet dat geen één weldenkende belager zich zal verschuilen in de wildgroei van bramen. Maar voor Hudson Rivers bleef het resultaat natuurlijk gelijk, welke planten er ook in de berm naast dat jaagpad groeiden. Het was op klaarlichte dag, volgens de ene bron. Het was in het holst van de nacht, volgens de ander. Maar ook dat maakte geen enkel verschil. Hij was daar en ze hadden het op hem gemunt. Hudson Rivers dankte zijn naam aan een rivier in het verre Amerika. Hij ging als verstekeling aan boord van een driemaster en zette maanden later voet aan land in een onbekende wereld. Hij verzon zijn eigen naam.  Het had iets, vond hij. Het klonk goed, vond hij. Hudson Rivers, voor als hij later beroemd zou worden als straatmuzikant. Ja, Hudson droomde groots. Zijn dood schokte niemand, het haalde niet eens de kranten. Pas toen het wekenlang stilbleef op de straathoek waar hij normaal speelde, dacht iemand er eens aan om hem te gaan zoeken. De kleinschalige zoektocht leverde niks op.  De drieste meute duwde het lichaam het water in. Gebroken en vernietigd. Hudson Rivers loste op als deeltje van het waterleven tot niks meer van hem restte en zijn volledige bestaan in de vergetelheid raakte. Hudson wie? Zijn geest dwaalt nu over het water, eenzaam en verloren in tijd speelt hij deuntjes van eeuwen terug. Want ook oude volksverhalen maakten de oversteek, sluimerend in de duistere buiken van schepen vertelden de nerveuze passagiers elkaar verhalen van het thuisland. Bruggen dienen bewaakt te worden door de geesten van kinderen. Veldwegen en handelroutes hebben best ook hun eigen bewaker, zo voor de zekerheid.  Ze kozen hem tijdens een vergadering in het salon van een statige woning. Tussen de glazen wodka en sigarenrook door. Een vrolijk deuntje dartelde de woonkamer binnen door het open raam, opgewekt naast het klateren van hoeven en het ratelen van houten wielen. Hudson Rivers bezegelde daar zijn lot. Niemand had iets persoonlijks tegen hem, dat moest hem duidelijk gemaakt worden van de opdrachtgevers. Het was niets persoonlijks, het was noodzaak.  Het jaagpad is nu veilig en wordt bewaakt door de geest van een jongeman. Zijn bestaan opgeofferd voor de zielenrust van velen. Het is een liefelijke plek, met bankjes zodat de fietsers kunnen uitrusten terwijl ze naar het kabbelende water kijken. Tot op heden werd geen enkel incident gemeld. De geest van het jaagpad is onvermoeibaar in zijn taak om booswichten de stuipen op het lijf te jagen.  Hij was perfect voor de job. Al wist hij dat zelf niet. Ze kozen hem uit voor het gemak, er zou geen straf volgen. Hudson Rivers was niet belangrijk genoeg. Zeg nu eerlijk: wie kan beter opdraaien voor de bewaking van een nieuwe handelsroute dan een boze geest? Die vragen tenslotte geen loonsopslag...    

De Donderklif
19 2

Zelfontwikkeling als de vruchtbaarste maatschappelijke interventie

Wat is jouw bijdrage aan de ‘maatschappij’? En wat houdt het juist in om een bijdrage te leveren? Ik zou denken dat het gaat over het maken van persoonlijke keuzes die ook een positieve invloed uitoefenen op het collectief. In het huidige mainstream narratief klinkt die bijdrage als een offer: persoonlijke energie en tijd die ten dienste staat van een collectief systeem. Het individu dat iets ‘inlevert’ en ‘opbrengt’; belastingen, diensten en goederen die de economie draaiende houden. Iedereen moet zijn steentje bijdragen. Welk steentje precies, dat moet je voor jezelf uitmaken, zolang je maar iets te dragen hebt. Wie niets bijdraagt profiteert. We hebben tegenwoordig te maken met een ‘solidaire afscheiding’. Juist omdat we het zogezegd voor een ander doen, verliezen we het contact met die ander. Klinkt dat bekend? Iedereen dient een offer te leveren door in zekere mate geoccupeerd te zijn met het bijdragen van zijn of haar steentje. Aan de toename van het fenomeen burn-out te merken, voelt het voor velen niet langer als een steentje, eerder als een blok aan hun been. Wat ooit een samenleving was, is een maatschappij geworden. Zoveel mensen die gebukt gaan onder hun werk- en levensritme en er tegelijk op toezien dat hun ‘maten’ het zeker niet beter hebben. De ‘maat’ in maatschappij verwijst nu naar een maatstaf waarmee het gewicht van jouw bijdrage wordt beoordeeld. De collectieve energie, die onder andere te lezen valt in reacties op sociale media, bevat veel bitterheid en afgunst. Als er bijvoorbeeld iemand aankondigt een camper te hebben gekocht en voortaan off-grid wil leven, dan wordt er spottend gewezen op de regels en verplichtingen die zo’n keuze bemoeilijken. Iemand die stiekem, of zeg maar onbewust, droomt van zo’n vrij leven, maar zichzelf diep heeft ingeprent dat zo’n levensstijl onmogelijk is, zal deze overtuiging ook op anderen projecteren. De beperkingen die mensen zichzelf opleggen, willen ze evenzeer een ander opleggen. Het gaat hier over beperkingen die aangeleerd en ingeprent zijn en dus in essentie niet eigen zijn. Het zijn in feite externe verhalen die zich zodanig prominent opdringen dat we ernaar zijn gaan leven. Ik zie hoe beperkingen die van ‘bovenaf’ komen, gestuurd door autoritaire krachten, eigen gemaakt en verdedigd worden alsof het gaat om een persoonlijke waarheid. Mensen die ontwaken uit deze massahypnose, en dat zijn er steeds meer, voelen hoe onnatuurlijk de druk is die het systeem uitoefent. Mensen blijven soms in een destructieve relatie omdat het alles is dat ze hebben en kennen. Het alternatief is het onzekere onbekende. Liever de voorspelbare ellende, dan een sprong in het ongewisse. De relatie die mensen met het huidige systeem hebben, zal niet zomaar opgegeven worden. Uit angst voor verlies van comfort en zekerheid. De polariteit van vandaag gaat over de kloof tussen mensen die de relatie reeds hebben opgegeven en mensen die ze nog hartstochtelijk verdedigen. Niet authentiek kunnen leven levert frustratie op, en die frustratie zorgt ervoor dat men het anderen ook niet gunt. Men zit geklemd in de klauwen van een systeem dat alles dat natuurlijk is op zijn kop zet, onder het mom van zekerheid en controle. Intuïtief weten en voelen we dat,  ons lichaam bezit die natuurlijke intelligentie waarmee we het onderscheid tussen ‘echt’ en ‘onnatuurlijk’ kunnen maken. Dat verklaart ook de enorme toename aan auto-immuunziekten en andere welvaartsziekten. Onze lichamen schreeuwen dat er iets niet klopt. Maar op rationeel vlak zitten we collectief met diepe indoctrinatie en hypnose. Wat nu als ‘normaal’ wordt geaccepteerd, wordt overeind gehouden met drogredeneringen en angst. Angst voor het mogelijke ongemak van verandering. De sociale zekerheid is al lang niet meer sociaal in een wereld waar mensen elkaar verklikken en benijden. De meerderheid doet exact wat het systeem (of de overheid) verlangt, wat een kernzaak is in het ontwerp van dat systeem. Want de motor of batterij van het systeem bestaat uit de mensen voor wie het ontworpen is. Terwijl er wordt geploeterd in de materie, schuift de energetische kant van de realiteit naar de achtergrond. Menselijke energie is niet enkel te vergelijken met een motor of batterij, maar ook met een antenne. De energie die we uitzenden als we een authentiek vrij leven leiden, heeft een heel andere frequentie dan wanneer we ons beperkt en geforceerd voelen. De vraag naar wat iemand bijdraagt aan het collectieve veld, link ik daarom aan de energie die iemand de ether inzendt en niet aan fysieke prestaties. Iemand die de natuurlijke voeling met zichzelf verliest door hard te werken en in te staan voor anderen, draagt vanuit dat opzicht minder bij aan het collectieve energieveld dan iemand die vanuit zelfzorg en dankbaarheid thuis op de sofa zit. Een zienswijze die op heel wat weerstand kan rekenen! Weerstand die het product is van een prestatiegerichte maatschappij en niet van een gezond functionerende samenleving. Wat mij betreft zijn de handelingen die we uitvoeren ondergeschikt aan de manier waarop ze uitgevoerd worden. In een natuurlijke samenleving primeert de trillingsfrequentie of gemoedstoestand waarin taken worden uitgevoerd en voelt het leveren van een bijdrage niet als een sleur of uitputtingsslag. En omdat we allemaal anders zijn, zou het dan ook meer dan normaal zijn dat er verschillende ritmes naast elkaar bestaan, in plaats van één algemene maatstaf te hanteren. Het collectieve veld is de co-creatie waar we allemaal mee te maken hebben en soms op botsen. Er is momenteel een omwenteling gaande waarbij de vorm van die co-creatie wordt herzien. De moeilijkheid is natuurlijk dat er meerdere krachten aan het werk zijn. En dat veel krachtbronnen zich niet bewust zijn van hun kracht. Ik ben erop uitgekomen dat zelfvertrouwen en eigenliefde de efficiëntste middelen zijn die iemand ter verzachting van de huidige co-creatie kan inzetten. En dat het belangrijk is om goed te onderscheiden welke intentie, en dus energie, elke persoonlijke keuze en handeling drijft. Want het is die energie die je bijdraagt aan het collectieve veld. Ik zou daarom bewuste zelfontwikkeling de vruchtbaarste maatschappelijke interventie noemen. Het is de basis die vereist is om ook in de praktische sociale wereld een positief verschil te kunnen maken. Schaamte, angsten en schuldgevoelens die gepaard gaan met het ‘uitvallen’ door burn-out of ziekte, horen bij een wereld die natuurlijke processen ridiculiseert, ontmoedigt en onderdrukt. Het is een geprogrammeerde respons met een lage trillingsfrequentie die indruist tegen onze ware aard en bovendien heling bemoeilijkt. Wie de wereld wil zuiveren van donkere vlekken, dient zichzelf aan te pakken. Een uitzuivering van de eigen beperkende overtuigingen is het meest waardevolle dat je aan het collectieve veld kunt schenken. Ik wens dat je je dit herinnert op een moment dat jouw kern om een ‘nee’ vraagt terwijl jouw persona zich verplicht voelt om ‘ja’ te zeggen, en omgekeerd.  www.karoliendeman.com    

KarolienDeman
14 2

Een Leven op de verkeerde rails

Soms, wanneer mijn gedachten zich in de schaduw van het bewustzijn verbergen, vraag ik me af of het de trein is die door het landschap schuift, of het landschap dat zich beweegt, geleid door de rails die zich ver onder de huid van de aarde verschuilen. Het is een vraag die zichzelf voortdurend herhaalt, zonder ooit een definitief antwoord te vinden. Het is niet zo dat ik onwetend ben, maar de kennis aan de oppervlakte is zo flinterdun dat ik me afvraag of het werkelijk de moeite waard is om te zoeken naar een antwoord dat er niet toe doet. Schuif ik door het leven? Of schuift het leven door mij? En waarheen schuiven de dingen? Vragen zijn mijn vervoersmiddel. Elke antwoord rijden ze voorbij. Zo ben ik geworden wat ik ben. Een lang verhaal zonder inhoud. Samen te vatten als: “Er was eens, en hij leefde ongelukkig en te lang.” De trein. Mijn eigen metronoom, de regelmaat van een leven dat zich in het ritme van de rails voortzet. Iedere ochtend weer, de vertrouwde rit van woonplaats naar werk, als een onvermijdelijk ritueel. Helaas bevindt deze metronoom zich in een andere dimensie van tijd, één die zich niet strikt aan het uurwerk houdt. Soms kom ik met een beetje geluk op de juiste bestemming aan, maar wanneer precies blijft altijd een verrassing. Gelukkig kruipt de trein altijd over dezelfde sporen, alsof dit de enige zekerheid is. Maar zelfs dat is betrekkelijk. En zo rijdt mijn leven voort. Een afgeleefde flat in Kortrijk. Een frustrerende job in Brussel. Mijn bestaan lijkt wel een… euh… trein. Waarin de bestemming niet altijd duidelijk is, maar de beweging nooit stopt. Hoe ik hier beland ben? Dat is een lang verhaal, en eerlijk gezegd, niet het soort verhaal dat de moeite waard is om te vertellen. De reflecties naar vroeger voelen als kleine wondjes die je vergeten bent, totdat je weer iets aanraakt en de pijn plotseling opkomt, scherp en ongemakkelijk. Het zijn de papiersneetjes van het leven – onmerkbaar, maar hardnekkig. Bespiegelingen vermijd ik. Wat laat een spiegel nu werkelijk zien? Alleen jezelf, en alles wat achter je ligt. Maar wat als je liever vooruit kijkt? Wat als er een spiegel was waarin je alles wat voor je ligt zou kunnen zien? Waar zou je dan staan? Een raam? Mijn ramen zijn stuk voor stuk verduisterd, reflecteren alleen de schemering van een leven dat niet altijd zichtbaar wil zijn. Trots, zelfvertrouwen, perspectief. Ik weet niet precies wat het is, maar het zijn geen vrienden van mij. Het leven leidt mij, en de mensen die zich rondom mij verzamelen – hoe miniem die groep ook is – sturen me verder, vaak tegen mijn wil. Ik volg, denk ik, niet omdat ik het wil, maar omdat ik het gevoel heb dat er geen andere keuze is. Een hond tegen wil en dank. Behalve dan dat ik zelf mijn poep zelf moet opruimen. Dwarrelen, ja, dat is wat ik doe. Al 26 jaar lang. Naar beneden, het grote smelten in. Het gevoel dat ik meer in de richting van iets verdwijn dan dat ik iets bereik. Gedachten zijn mijn schuilplaatsen. Daar is ruimte voor niemand anders, tenzij ik hen uitnodig. Alles kan er, maar niet alles mag. Het zijn geen eindeloze vlaktes die zich uitstrekken in de verte. Nee, mijn gedachten hebben grenzen. Variabele grenzen. Handig instelbare palen langs de weg die ik soms volg, maar die ook vaak in de weg staan. Ik breng veel tijd door in mijn gedachten, vaak zittend in een trein die wel rijdt, maar nooit weet waarheen. Mijn flat in Kortrijk, een bescheiden uitvalsbasis voor dit wankele bestaan, is niet veel meer dan een verzameling ruimte. Een piepkleine hal die rechtstreeks naar de woonkamer leidt, gevuld met meubels die niet meer van deze tijd zijn. Een bank die ooit comfortabel was, maar nu in een soort schrijnende leegte zit. De boekenkasten lijken zichzelf een rol toe te schrijven die ze niet kunnen vervullen, en de eettafel is het enige meubelstuk dat nog redelijk in harmonie is met de ruimte. De keuken, een open eiland zonder veel ziel, loopt door in de slaapkamer, die je alleen betreedt als het echt nodig is. En dan is er de badkamer, gescheiden van de woonkamer door een deur die net zo betekenisloos is als de kleur van de muren. Wat voor kleur? Een soort wit, maar je zou het niet kunnen zeggen. Het is kleurloos. Er is geen televisie, geen dressoir – ik heb nooit begrepen waarom mensen dressoirs nodig hebben. Twee grote ramen laten wat daglicht binnen, hoewel ik betwijfel of dit voldoende is om mijn bestaan echt te verlichten. Trots, dat ken ik niet. Maar ik houd mijn flat in een redelijke staat, opgeruimd. De bank is chaos, maar de rest is in enige mate in balans. Ik eet altijd aan de eettafel, nooit op de bank. Slapen doe ik in mijn bed, dat net genoeg ruimte biedt om tot rust te komen. De kleren die ik heb hangen netjes in de kast. Schoenen staan keurig in een rek. De enige uitzondering zijn de boeken. Die leg ik overal neer. Boeken zijn voor mij een soort gedachten die in papier gevangen zitten. Ze zijn alles, ze zijn evenwaardig aan mijn eigen reflecties. Ik leef er in. Mijn lichaam? Het krijgt de zorg die het nodig heeft, al is het niet veel. Ik wandel, ik loop. De lange afstanden, die is mijn ding. Niets valt te vergeleken met het gevoel dat ik krijg van een drie- of vier uur lange wandeling of looptocht. Terwijl mijn gedachten zich verliezen in de tijd, in de regen of zon, dat maakt niet uit. Beide kunnen naast elkaar bestaan. Denk ik. Er is zoveel waar ik van hou, maar het is niet altijd duidelijk waarom. Mijn begrip lijkt zo beperkt. Wat ik niet begrijp? Het dagelijkse ritueel van het woon-werkverkeer. Waarom blijf ik iedere dag opnieuw in die trein stappen? Wat bezielt me om deze absurditeit te herhalen? Dit, dit is mijn grootste raadsel. En dan, daar in Brussel, de stad die zichzelf met moeite bijeenhoudt, een oude man in een te strak wit hemd, altijd maar proberen te passen in het steeds kleinere jasje van de tijd. Brussel is een hutsepot zonder recept. Steeds maar hopen dat het ooit op smaak komt door er extra ingrediënten bij te gooien.

Piet V.
4 0