Lezen

Atlas, of hoe wanneer hij vertelde wat er gebeurd was mensen letterlijk uit de lucht vielen

Ik peins dat het immers beleefd is uit de lucht te vallen wanneer iemand iets verschrikkelijks met u deelt. Wat zou het anders betekenen als iemand dit niet zou doen? “U had het zien aankomen?”, “U had het kunnen raden?”. Waaraan had u het gezien? Had u oog voor mijn blauwe plekken of spotte u eerder een mentaal kapitaal dat niet behoort in de publieke ruimte? U had ook niets kunnen zeggen. Of kunnen fluisteren: “Oh, wat erg.” Om vervolgens gedurende je kleinkindbezoek, je nageslacht stevig vast te pakken, een aantal seconden langer te omhelzen en hen in de ogen te kijken, zoekend. Maar nooit had ik kunnen bedenken hoe mensen letterlijk uit de lucht zouden vallen. Het startte aan de koffietafel, 6u15. Twee sneden geroosterd brood later, waar ik voor het eerste een verklaring gaf voor een uitgelopen ruzie diezelfde nacht. Mijn partner liet zijn verbrande brood vallen en waar kruimels tot nu toe verspreid lagen overheen het keukenblad vormden ze één front. Onze ogen kruisten, een duur tekort om op te maken hoe mijn partner werkelijk dacht. In minder dan een aantal seconden verdween zijn lichaam en vervolgens trof zijn vlees en bot de koude ondergrond van mijn achtertuin. Ik heb vernomen dat deze ongelukkigheid enkel mezelf treft en dat het niet uitmaakt of ik de mensen waarmee ik het deel al dan niet ken. Waar ik me oorspronkelijk schuldig voelde om de dood van naasten, weerhoud ik mezelf nu in oordeel. Mijn therapeut benadrukt dat de dood niet mijn verantwoordelijkheid is om te dragen, maar dat ik waakzaam moet blijven. Sommige dingen deel je beter niet. Ook mijn therapeut heb ik bedolven onder omgespitte aarde. Ondertussen heeft het gemeentebestuur me gedwongen te verhuizen. “Het aantal doden per vierkante meter overstijgt beter het aantal inwoners van een stad niet.” Ik neem het hen niet kwalijk, vertel ik terwijl ik langzaam knik. En nu? Ik vraag me af waar de uitspraak ‘uit de lucht vallen’ vandaan komt en of ik het al dan niet meer gepast vindt met de voeten op de grond te blijven wanneer iemand iets vertelt wat te zwaar is om alleen te dragen. Ik denk dat ik dat maar ga uitzoeken. Ik spreek u later nog.          

Flynn_ensor
26 0

Dipenda: Vlucht uit Matadi (waargebeurd - historische non-fictie)

Het verhaal dat hier volgt kan worden geclassificeerd als historische non-fictie. Het behandelt een belangrijke gebeurtenis uit de geschiedenis, namelijk de onafhankelijkheid van Congo in 1960, en biedt een perspectief vanuit een Belg die destijds in Congo werkte. ----------------------------------------------------------------------------------------- Een getuigenis uit de memoires van mijn vader Uit respect voor de geschiedenis en ter nagedachtenis van de ervaringen van mijn vader wil ik een fragment uit zijn memoires delen. Hij was architect en kaderlid met grote verantwoordelijkheid bij de bouwfirma Auxeltra-Béton (nu het huidige Besix). Zijn woorden brengen ons terug naar de turbulente tijd rond de onafhankelijkheid van Congo in 1960, de zogenaamde dipenda. Wat begon als een hoopvol moment voor de Congolese bevolking, veranderde al snel in een chaotische en soms gewelddadige periode, vooral voor de Europese kolonisten die tot dan toe hun leven in Congo hadden opgebouwd. Mijn vader bevond zich destijds in Matadi, een havenstad aan de Kongostroom, waar hij werkte aan het bouwproject voor de uitbreiding van de haven van Matadi. Hij bleef in Congo toen zijn vrouw, mijn moeder, en hun kinderen begin juni 1960 met de laatste paquebot naar België terugkeerden. Zijn verhaal beschrijft hoe de Force Publique, het Congolese leger, in opstand kwam en hoe dat een abrupt en gevaarlijk einde maakte aan zijn verblijf en werk in Congo. Hieronder volgt zijn getuigenis, overgenomen uit zijn memoires:  Dipenda: Vlucht uit Matadi "Jammer genoeg kwam er een abrupt en brutaal einde aan dit verblijf en de werkzaamheden in Matadi door de Indépendance (dipanda voor de lokale bevolking), die gepland stond voor 1 juli 1960. De blanke bevolking zag de storm aankomen, en velen stuurden hun echtgenotes en kinderen tijdig terug naar België. Ook ik deed dit voor mijn vrouw Emma en drie kinderen, begin juni, met de laatste paquebot of Kongoboot, de Baudouinville, terug naar Willebroek. Ik bleef alleen achter, hopend dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen, maar dit was ijdele hoop. Enkele dagen later, op 8 juni, liep het mis: het Kongolese leger, de Force Publique, kwam in opstand. In Matadi kwamen de soldaten uit hun kazernes en bezetten de straten. Op mijn bouwwerf hoorde ik schoten en wist dat het menens was. Ik sprong in mijn auto en reed door de stad om mijn huis te bereiken. Hoe ik het voor elkaar heb gekregen om zonder kleerscheuren thuis te komen, door al die wilde barrages van opstandige soldaten, begrijp ik nog steeds niet. Eens thuis pakte ik snel wat kleren en toiletspullen in een tas en vertrok met mijn buurman, die ook alleen was, in mijn auto (Opel) richting de Angolese grens, zo’n vijf kilometer van mijn huis. Maar enkele kilometers verder liep het al mis: er stond al een lange rij van andere blanken die ook de grens wilden oversteken. Ze werden echter tegengehouden door de opstandelingen en moesten terugkeren. Dat deden wij ook, mijn buurman, een Nederlander van een handelsmaatschappij, en ik. We wachtten af wat er zou komen. Vroeg in de namiddag kwam een jeep met opstandige soldaten mijn erf oprijden. Het ratelen van hun stemmen in het Lingala, een taal die ik gelukkig begreep, was echter niet geruststellend. Hun bevelen waren kort en hard: "Stap in je auto!" zei een soldaat, terwijl hij met zijn geweer naar mijn Opel wees. Mijn keel werd droog, maar ik wist dat tegenspraak geen optie was. Met mijn tas in de hand gehoorzaamde ik. Een van de soldaten nam zonder aarzelen plaats achter het stuur. Ik hoorde flarden van hun gesprekken, scherp en gespannen, terwijl de jeep ons op de voet volgde. Onze eerste stop was de gevangenis. Mijn maag kromp samen toen ik het gebouw zag, omringd door zwaargewapende soldaten. Binnen zaten tientallen blanken samengedreven, hun gezichten een mengeling van angst en wanhoop. Mijn Nederlandse buurman werd zonder pardon uit de auto gesleurd en tussen hen geplaatst. "Waarom brengen ze mij niet ook naar binnen?" vroeg ik me af, terwijl mijn adem stokte. De soldaten spraken snel met elkaar in Lingala. Ik ving woorden op als motoba (auto) en ndako ya mundele (huis van de blanke), maar het was niet meteen duidelijk wat ze van plan waren. Uiteindelijk reden we verder, door straten die leken verlaten maar waar chaos heerste. Gebroken ramen, plunderende groepen en achtergelaten eigendommen vormden het decor van deze dodelijke onrust. Bij het Hôtel Métropole werd ik uiteindelijk afgezet. Een menigte van naar schatting tweehonderd blanken – mannen, vrouwen en kinderen – was daar samengedreven. Angst hing als een zware deken over de groep. Toen ik uitstapte, hoorde ik fluisterend de gruwelijke verhalen die de ronde deden: Belgische vissersvrouwen, die waren gebleven terwijl hun mannen op zee waren, waren door opstandige soldaten verkracht. Ook nonnen die werkten in de zwarte cité zouden hetzelfde lot hebben ondergaan. Hoewel ik hun taal verstond, voelde het alsof woorden geen betekenis meer hadden in deze allesoverheersende chaos. Angst was universeel, en die nacht werd dat pijnlijk duidelijk. De tweede dag na de gevangenzetting van praktisch de gehele blanke bevolking van Matadi, kwam er bezoek in Hôtel Métropole van Lumumba, vergezeld door enkele 'generaals'. Zij probeerden de mensen om te praten en terug naar hun werk te laten gaan, maar dit was blijkbaar niet naar de zin van de opstandige soldaten, die de blanken liever kwijt waren zodat ze al hun bezittingen konden plunderen. Het plunderen was trouwens al begonnen toen ik van mijn huis naar het hotel werd gevoerd. Toen kregen de blanken twee uur de tijd om hun bezittingen bijeen te pakken en zich naar de twee Kongoboten te begeven, die toen nog aangemeerd lagen in de haven van Matadi. De ene was een Belgische vrachtboot en de andere de Thysville. Ik slaagde erin om aan boord te komen samen met enkele Belgen van mijn maatschappij. Toen zag ik hoe enkele Belgische officieren hun koffers en auto’s op de vrachtboot konden laden met hulp van de opstandige soldaten. Dit was echt schandalig. De Thysville mocht normaal gezien niet vertrekken van de opstandelingen en moest waarschijnlijk dienen om hen te beschermen tegen een aanval van de Belgische zeemacht, die over enkele kleine oorlogsbodems beschikte op de zeemachtbasis aan de monding van de Kongostroom. Om middernacht nam de kapitein een gewaagde beslissing. Ondanks strikte orders om in de haven te blijven, gaf hij bevel de trossen los te gooien. In volledige duisternis, zonder navigatielichten, gleed de Thysville haast geruisloos van de kade. De spanning aan boord was te snijden; iedereen hield zijn adem in, wetende dat opstandige soldaten met geladen wapens langs de oevers patrouilleerden. Plots klonken er schoten. Kogels floten door de lucht en sloegen in het water rondom de boot. Mensen aan dek doken in paniek weg, terwijl sommigen zich vastklampten aan relingen of elkaar, in een mengeling van angst en hoop. Toch bleef de bemanning onverstoorbaar. De kapitein, met stalen zenuwen, manoeuvreerde het schip de duisternis in, op weg naar een van de gevaarlijkste passages van de Kongostroom: de beruchte Chaudron d’Enfer, een verraderlijke draaikolk die zelfs bij daglicht al menig schip fataal was geworden. Met uiterste precisie navigeerde de bemanning het schip door de wilde stromingen. Het water kolkte en brulde onder de romp, alsof de rivier het schip zelf wilde verslinden. Elke fout, hoe klein ook, kon rampzalig zijn. Maar de ervaren kapitein en zijn bemanning hielden het hoofd koel. Toen de Thysville uiteindelijk door de draaikolk heen brak en de kalmere stroom bereikte, steeg er een zucht van verlichting op uit de verborgen menigte aan boord. Ze hadden het gehaald – tegen alle verwachtingen in. De boot zette koers naar de haven en hoofdstad Luanda, in de aangrenzende Portugese kolonie Angola. Alle vluchtelingen werden daar ontscheept, en de Belgische ambassade zorgde samen met de lokale bevolking voor onderdak, zij het in hotels of bij burgers, die zich zeer inspanden om al die mensen zo goed mogelijk op te vangen. Hoe hij het voor elkaar heeft gekregen, weet ik niet, maar een van mijn agenten (zoals men de Belgische bouwvakkers noemde) had zijn kleine Renault kunnen laten inladen en beschikte dus over vervoer in Luanda. Normaal werden de vluchtelingen opgehaald en via een luchtbrug van Sabena naar Melsbroek overgebracht. Ik vroeg per telegram aan mijn directie in Brussel toestemming om met de auto van die agent, tegen terugbetaling van de kosten, terug naar de grens met Congo te rijden (ongeveer 600 km zeer slechte aardewegen) en te proberen terug in Matadi te geraken om de werken te beveiligen en eventueel weer op gang te brengen. Na twee dagen van onderhandelen en palaveren mislukte dit totaal, en ik moest terugkeren naar Luanda om vervolgens met Sabena naar Brussel te vliegen. Toen de laatste vlucht vertrok, dacht ik bij mezelf: dit is echt het einde van mijn verblijf in Congo. Ondanks de vele beloftes over de terugkeer van de rust, was het voor mij definitief: er was geen toekomst meer. Toen ik eenmaal weer in Brussel was, was ik terug bij mijn gezin, en ik had het bedrijf tijdelijk moeten achterlaten in Zaire. Maar mijn verhaal was nog niet ten einde. Kort daarna kreeg ik een uitnodiging om terug te keren naar Zaire, het voormalige Belgisch Congo, voor nieuwe bouwprojecten van het bedrijf waarvoor ik werkte. Daar zou ik nog verschillende jaren actief blijven, projecten leiden en mijn werk in Zaire voortzetten. Uiteindelijk, na deze nieuwe ervaringen, kon ik het land weer achter me laten, met een gevoel van afsluiting. De tijd in Zaire markeerde voor mij een nieuw hoofdstuk, maar ook een definitief afscheid van de Congo die ik had gekend. Reflectie Dit verhaal is niet alleen een persoonlijke getuigenis van mijn vader, maar ook een herinnering aan de complexiteit van de geschiedenis en de onvoorziene veranderingen die persoonlijke levens kunnen raken. Het toont de harde realiteit van een overgangstijd, waarin beloftes van vrijheid vaak overschaduwd worden door chaos, verlies en onzekerheid. Het is een herinnering aan de veerkracht van de mensen die zich wisten te redden en de impact van de gebeurtenissen op de dagelijkse levens van duizenden mensen, zowel in België als in Congo. Door de ervaringen van mijn vader te delen, wil ik de persoonlijke kant van de Congolese onafhankelijkheid laten zien – hoe de grote politieke veranderingen het leven van gewone mensen door elkaar schudden, en hoe de lessen van die tijd, ondanks de jaren die zijn verstreken, nog steeds resoneren in de verhalen van de mensen die het meemaakten. .

Guy Van Damme
25 0

En toen maakte ik het uit

Nochtans was het gezellig aan tafel. Wellicht had Wim gekookt, en had ik samen met de kinderen de tafel gedekt. We zaten er met z’n vieren rond, de tafellamp boven ons verspreidde een zacht licht. Ik weet niet meer precies wat er gezegd werd. Ik reageerde op iets, zei tegen een van de kinderen dat papa het niet juist voorhad, zoiets. Al had ik het toen al gevoeld. Ik had het gezien aan zijn blik, die kende ik. Zijn ogen die langs me heen keken, alsof ik er niet was. Er klopte iets niet, maar ik wist niet wat. En dan, plots. Een donderslag bij heldere hemel. Hoe hij in mijn beleving over de tafel vloog met ogen vol haat, hoe ik in één tel van een seconde verwachtte hoe zijn handen om mijn nek zouden grijpen en me zouden wurgen. Dat deed hij niet. Hij was opgestaan, boog zich over de tafel, en zijn stem klonk luid, scherp, dreigend. Hij had me niet aangeraakt, nóg niet, toch hing het gevaar in de lucht. Gevaar voor mij, voor mijn kinderen. Ik zag al de titel van een krantenartikel voor mij,  iets van een gezinsdrama. En ik, vol verantwoordelijkheidszin, nam het zekere voor het onzekere. De vastberadenheid won het van de paniek in mijn keel. Ik nam mijn handtas, mijn jas, en de jassen van de kinderen. Kalm vroeg ik Yaro en Yonas op te staan van hun stoel, want we gingen naar huis. Yonas, die luid begon te schreeuwen -  zijn bord lag nog vol en hij had honger - greep ik onder zijn armen uit zijn stoel en we vertrokken door de deur die zelden gebruikt werd, de deur die het dichtst bij de voordeur was. Buiten liep ik snel, met Yaro aan de hand en Yonas op mijn arm, naar de auto, met drie erin, de deuren op slot. Maar ik had me niet hoeven haasten, Wim was ons niet gevolgd. Toen ik de straat uitreed, zag ik hem steun zoeken tegen de spijlen van de voordeur, een donkere schaduw tegen het licht binnen. Eens thuis stuurde ik hem bericht dat ik het uitmaakte, er was een grens overschreden. Er volgde een antwoord met sorry, en nog een, en nog een.  Tientallen. Ik zette mijn telefoon uit. Het was echt voorbij, geen sorry kon daar nog wat aan veranderen.

HildeA
2 0

1975… Met de 2 CV naar Platja d'Aro (waargebeurd)

Het was het jaar 1975, een zomer die de eerste mijlpalen markeerde in de prille relatie van Guy en Vera. Jong, verliefd en onbezonnen, stonden ze op het punt om samen een avontuur aan te gaan dat hen voor altijd zou bijblijven. De uitnodiging om met Vera's familie de vakantie door te brengen in het zonnige Platja d'Aro aan de Costa Brava voelde als een gouden kans. Maar het was niet zomaar een vakantie. Het was een soort inwijdingsritueel waarin Vera's familie deze nieuwe jongen, Guy, op de proef zou stellen. Het plan leek eenvoudig: Vera’s ouders en haar jongste broer, Marc, zouden in de ruime Renault naar Spanje rijden. Maar toen de auto eenmaal was volgeladen met bagage en proviand, bleek er geen plek meer over voor Guy en Vera. De oplossing? Ze mochten gebruikmaken van de blauwe 2CV van Vera's moeder. Een unieke kans voor het jonge stel om samen op pad te gaan. Maar toen het besef insloeg dat ze urenlang, helemaal alleen, door Frankrijk zouden rijden, maakte de familie zich toch wat zorgen. Wat zouden ze niet allemaal kunnen uitspoken? De familie kwam met een oplossing die hen allemaal geruststelde: Marc, Vera's jongere broer, zou mee reizen als een soort chaperon. Een beetje ongemakkelijk, maar ach, het was tenminste een oplossing. De reis begint Op een heldere zomerochtend stapten ze in de iconische eend: Guy achter het stuur, Vera naast hem, en Marc op de achterbank, met zijn kenmerkende droogkomische blik. De sfeer zat er meteen goed in. De zon scheen, de motor pruttelde opgewekt, en vanaf de achterbank schalde muziek uit Marc's draagbare cassettespeler. Maar net toen de reis goed en wel begonnen was, schoot Marc abrupt overeind. Net voorbij Waver schoot Marc ineens recht. "Verdomme, ik ben door een wesp gestoken!" riep hij uit, terwijl hij naar zijn bil wees. Nog geen twintig kilometer voorbij Waver en hun chaperon had al zijn eerste probleem te pakken. Guy zette de 2CV aan de kant, Vera pakte een fles water om de plek te koelen, en na een korte onderbreking kon de reis worden hervat. De sfeer bleef luchtig, al was Marc een beetje knorrig over zijn onverwachte ontmoeting met de wesp. Maar Guy voelde al een lichte spanning in de lucht: dit avontuur zou zeker niet saai worden. De Beatles als reisgezelschap De draagbare cassettespeler van Marc bleek zowel een zegen als een vloek. De 2CV had geen autoradio, dus Marc had deze oplossing bedacht om de lange rit wat aangenamer te maken. Het probleem? Hij had maar één cassette meegenomen, een compilatiealbum van de Beatles. Wat begon als een gezellige achtergrondmuziek, werd al snel een constante soundtrack. "Help!", "Hey Jude", en "Yesterday" schalden urenlang uit de luidsprekers. "We hebben tenminste goede muziek," grapte Marc, terwijl Guy en Vera zich afvroegen hoe vaak een mens dezelfde liedjes kon aanhoren voordat hij gek werd. Vera glimlachte af en toe naar Guy, maar in haar ogen was een lichte vermoeidheid te zien. Elke keer dat "Hey Jude" weer begon, voelde ze zich steeds verder wegzakken in gedachten. De reis was nu echt begonnen, maar het werd steeds moeilijker om haar geduld te bewaren. De kilometers gleden voorbij, en met elke uur kwamen ze dichter bij het warme zuiden. Toen ze voorbij Lyon reden, voelde het eindelijk alsof ze de grens tussen het bekende en het exotische hadden overgestoken. Het landschap veranderde, de lucht werd zwoeler, en het avontuur voelde nu echt. Guy merkte op hoe Vera iets meer ontspande, haar gespannen schouders begonnen te zakken. Dit was het moment waarop ze allebei wisten dat ze echt onderweg waren naar iets groters dan alleen een vakantie. Kamperen onder de sterren In het schemerlicht van de koplampen rolden ze hun slaapzakken uit tussen de wijnranken. Marc grijnsde breed terwijl hij zijn luchtmatras opblies, wat in het stille veld klonk als een op hol geslagen harmonica. De sterrenhemel bood een magisch decor, en de stilte leek hen te omarmen. Al snel vielen ze in een diepe slaap, uitgeput van de lange rit. Rond middernacht werd Guy wakker van een vreemd geritsel. Het klonk alsof iets, of iemand, door de wijnranken sloop. Hij spitste zijn oren en tikte Vera zachtjes aan. "Hoor je dat?" fluisterde hij. Vera richtte zich half op, haar ogen wijd open. "Wat is dat? Een everzwijn? Of een... dief?" Net op dat moment stootte Marc, die nog heerlijk sliep, een luid snurkgeluid uit. Guy schudde zijn hoofd. "Nee, dat is Marc. Maar het andere geluid komt dichterbij." Guy besloot wat stenen richting het geluid te gooien. De eerste steen raakte een wijnstok, waardoor het hele veld leek te bewegen. "Oh nee, het komt op ons af!" riep Marc ineens, die nu rechtop zat met een lege wijnfles in zijn hand alsof het een wapen was. "Ik zei toch dat kamperen in de natuur gevaarlijk was!" Binnen een minuut hadden ze in paniek hun spullen bij elkaar geraapt. De 2CV werd gestart, de motor pruttelde, en met piepende banden reden ze weg. Ze voelden hun hart in hun keel toen ze door de wijngaard raasden, maar eenmaal op de weg, met het donker achter zich, kwamen ze tot rust. Pas de volgende ochtend, bij het ontbijt, biechtte Guy op. "Het was waarschijnlijk niks. Waarschijnlijk... mijn eigen stenen." De stilte aan tafel werd onderbroken door een luid gelach van Marc. "Dus jij hebt ons laten vluchten voor je eigen aanval? Fantastisch!" Aankomst in Platja d'Aro Na een lange reis vol Beatles-muziek, wespensteken en nachtelijke escapades bereikten ze eindelijk Platja d'Aro. Het was alles wat ze hadden gehoopt: zonovergoten stranden, helderblauw water, en een ontspannen sfeer. De familie verwelkomde hen met open armen, en de avonturen van de heenreis werden al snel anekdotes die rond de eettafel werden verteld. Marc, hun chaperon, bleek al snel de grootste grappenmaker van het gezelschap, en zijn Beatles-cassette werd het onderwerp van vele lachsalvo's. Guy voelde zich steeds meer op zijn gemak in de familie, en Vera straalde. De spanning die tijdens de reis tussen hen had gespeeld, was verdwenen, vervangen door het comfort van de gezamenlijke herinneringen. Terugblik Jaren later, als de geur van wijnvelden hen weer terugvoert naar die zomer van 1975, denken Guy en Vera met warmte terug aan hun avontuur met de blauwe 2CV. Het was een reis vol kleine ongemakken en grote vreugde, een reis waarin liefde werd versterkt door humor en onvoorziene wendingen. "En de Beatles?" vraagt Vera soms met een grijns. "Die zitten nog steeds in mijn hoofd," lacht Guy. "Maar ik zet ze nooit meer op repeat."

Guy Van Damme
21 1

ONZE levende AARDE;

Stel u eens voor de aarde als, levend. Waneer de zwarte damp van onze menselijke uitstoot onze planeet zal omringen, dan zal onze aarde kuchen. Iedere kuch betekent een verstoorde wierewal van winden, de ademhaling van onze planeet, die dwarrelen, die verwoesting na verwoesting veroorzaken. De mens kan alleen het kuchen proberen te stoppen. Hopend dat het kuchen zal stoppen.    Stel u eens voor de aarde als, levend. Waneer de zwarte damp van onze menselijke uitstoot onze planeet zal omringen, dan zal onze aarde kuchen. Iedere kuch betekent een verstoorde wierewal van winden, de ademhaling van onze planeet, die over elkaar dwarrelend verwoesting na verwoesting veroorzaken. De mens kan alleen het kuchen proberen te stoppen. Hopend dat het kuchen zal stoppen.      Stel u eens voor de aarde als, levend. Waneer de zwarte damp van onze menselijke uitstoot onze planeet zal omringen, dan zal onze aarde kuchen. Iedere kuch betekent een verstoorde wierewal van winden, de ademhaling van onze planeet, die over elkaar dwarrelen, die verwoesting na verwoesting veroorzaken. De mens kan alleen het kuchen proberen te stoppen. Hopend dat het kuchen zal stoppen.    ****************************************************************************************** foto GALLERY  https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ schilderij RITME https://www.2dehands.be/q/verf+ed+ritme+akkoord/ ********************************************************************************  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
4 0

Zeppelin boven de Efteling

Vroeger. Toen heeft mijn vader veel verteld. Over hoe het was in de Efteling. Ik was nog zo klein van brein dat ik nog geen herinneringen kon creëren. Verhalen helpen. Voor reconstructies van mogelijke waarheden. Zo is dat. Meer hoeft Ignace niet te zeggen opdat dit een echt dialoog zou zijn. Ignace kijkt begrijpend. Dat hebben we zo afgesproken en de volgende keer doen we het andersom. Ik zal dan ogen vormen die niet tegenspreken. Wij moeten dat oefenen. Het is voor de wereld. Hij, mijn vader, sprak ook over zijn studententijd. Nochtans heeft hij geen diploma, at hij vooral biefstuk en rosbief. Toen en in die tijd. Ja. Er werden echte kwastreken uitgehaald. Ik maakte me daarbij realistische voorstellingen. Ik deed gewoon. Alles was normaal en mijn bestaan was nog van geen betekenis. Niet voor deze planeet, amper voor mezelf. Op een dag. Mijn vader leek er echt bij aanwezig geweest te zijn. Ze hadden het slangetje van de fietspomp in iemands gat gestoken. Hij was eraan gestorven. Niet mijn vader. Anders zou ik dit niet kunnen schrijven noch zijn wie ik ben. Intussen en echt waar. Ik ben iemand van betekenis geworden. De voorstellingen van alles wat er mij verteld is of echt gebeurd is, kan ik wonderlijk overstijgen. Nu kan men een medestudent waarlijks oppompen tot een zeppelin met alles erop en eraan. Een hoofd, romp en vier ledematen. We mogen enkel repliceren in zuivere evidenties. Dat hebben Ignace en ik zo afgesproken. De beeldvorming in eenieders hoofd is echter volledig vrij. Weet ook dat vandaag de dag het bestaan van elke mens van betekenis geworden is. Dat betreft vooral zijn (of haar) destructieve aard, ook al is de gebeurtenis ogenschijnlijk van geen enkel belang. Zoals het laten van een scheet en het methaan dat daarbij vrijkomt. We kunnen ook terugkeren. Naar de Efteling. Voor een update. Naar het bord met biefstuk of rosbief. Of erger nog. Geheel naar mezelf, naar mijn allereigenste celdelingen, hun onvermijdbaarheid en het noodlot. Omdat het van betekenis werd, moest ik het wel proberen. Om die evolutie tegen te houden. Ik heb me bewapend. Domweg. Met het jachtgeweer van mijn vader. Om een zeppelin neer te halen, te mikken op de ogen en goed. Dan valt het zicht weg  Het is de eerste troost. Blindheid en toch. Alle herinneringen blijven. Voorlopig blijft alles komen. Ezelscheten, het noodlot, reclame voor de Efteling, wij naar dit frietkot. Wees gerust. Wij weten het. Dit is de enigste manier. Wij moeten het vernietigd krijgen. Elk ongeloof. Elke verwondering. Alles wat betekenis probeert te zoeken. Het moet wegzinken in een blik vol begrip. Stilte wil het vinden. Ignace antwoordt niet. Graven doet de mol. Dat is zo afgesproken.     uit de reeks 'Dialogen met monsters en dia's'

Bernd Vanderbilt
0 0