Lezen

Mijnenvegerman (2)

  Je préfère de contredire Victor Hugo. Mes poèmes ne vous mèneront nulle part. En plus, dans ma maison, cet escalier ne guidera vos pieds ni vers le haut, ni vers la cave, où mes cerveaux se baignent dans le vin qui refuse de mûrir. Neen. Deze frase is niet gestolen. Ze is van hem Etienne, die op dit schip nooit droomt van onderdak op vaste wal. Hij mijmert liefst over de komst van leegte in zijn hoofd, terwijl een kwal zijn schedel streelt. Je bent zo kaal, mijn kind, zo sprak de egel tegen de verweesde slak die gans in het begin van zijn bestaan de weg en zelfs zijn eigen huis verloor. Neen. Dit zinnetje staat dan weer niet op deze wand van onze mijnenveger. Het is te dwaas om dood te doen. Believe me though. The smallest things can kill. A single grain of salt is often lethal for a sweet beginning. Therefore, my dear. Promise me just pure potato chips. Please, my darling, stay with me until my sinful end, not for a bag or two. Je ziet het. Odilon. Mijn vriend met Britse linker vingers. Hij maakt zichzelf vaak wijs dat zijn gedachten niet zullen vergaan, eenmaal ze opgeschreven zijn. Hoe mist een hersenpan toch vullen kan. Die ijdelheid van hem gedraagt zich als bedorven snot dat snel een zakdoek zoekt. Dat mocht. Dat mag altijd. Zolang de fles waarin wij wonen rustig drijven blijft. Trouwens. Deze schuit onder dit glas is niet gemaakt van eeuwig hout. Ze is van zeer gewoon plastiek, maar niettemin moderner dan een stalen schuit. Er is geen sonar die ons vinden kan. De knaap met zijn metaaldetector zocht ooit munten op de bodem van de zee. Hebzucht en gebrek aan lucht, zij hebben hem daar laten liggen toen zijn lijf begaf. Zijn geest is nooit teruggevonden, maar dat geeft niet, werk genoeg. De veerman heeft genoeg verdwijningen te melden als zijn pontje weer eens oversteekt. Geloof me vrij. Hier is de ijver minder groot. Wij zoeken niets. Wij werken weinig, spelen liever en de zeemeermin, zij heeft een kruistochtje getekend van die zoete lip tot aan haar linker tepeltje. Zij weet dat zoiets nodig is voor mij. Haar mijnenvegerman. Het kind met die verdwaalde ziel.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0

Innana schreef een brief

  In de rubriek 'brievenbussen zonder gleuf' staat een model met open onderkant. Dat koopt hij nooit, de mol die mij goed kent. Hij is zo zacht stilte kan zijn maar laat zich zelden aaien door de tederheid. Ik wil nochtans alleen maar vragen welke bril hij wil. Gij zot, dat zegt altijd de blinde wolk die hier al eeuwen hangt. De zon ze is niet nijdig meer wanneer een straal gestolen wordt. Het gebeurt. Steeds op een maandag. Dan schiet hij over alle daken van het dove dorp. De onbezorgde post wilde geen duif. Daarom is het een albatros. Hij komt van over zeven zeeën. Innana schreef een brief voor mij. Ik weet niet wat ze zoekt. Misschien ben ik het welpje van de leeuw van wie zij droomt. Mijn antwoord mag zij raden op een dag dat zonlicht schaduw mint. Het mag van mij. Liefst omgekeerd. Ik wil haar klauwen voelen op mijn rug. Ze mag dit klad mijn vel en hart verscheuren. Omdat het lijmen van een helft of twee, het naaien van een paartje ogen op een kop, de horizon geen zorgen baart. Hij is de enige. De einder weet het waarom lucht van land gescheiden blijven. Er is geen lijn die dat veel beter snapt. Het was een grap gemaakt door een zeer radde tong. Zij vroeg aan een geslepen mes om twee verkleinwoorden de staart kort af te snijden. Zo maakt men een koppeltje reuzen met veel minder dan een oorlog nodig heeft om grote lijkkisten te vullen. Onderweg zag ik een kompas slapen langs de weg. Ben je iets kwijt, is dan een domme vraag. Het ding heeft noordenwind nooit aangevoeld als richting voor het vinden van een schuchter briesje. Layla, lieve schat, maak je geen zorgen. Innana heeft niet eens een pen. Zij paart de ganse dag met stijve nachten die geen rust meer vinden. Ik wacht alleen op jou. De albatros hij zit gewoon naast mij. De lijm gebruik ik niet om pluimen vast te kleven aan mijn wolk die weer eens naaktheid vreesde. Ik spaar alles. Een glimlach van de maan. Een traan van een dolfijn. Het leeft hier allemaal. Zo ook, voor jou het restje warmte. Dat de zon, nog voor haar ondergang. Snel ruilen wilde tegen die enkele bloem, met dat verlegen nectarhart.   uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
2 0

Duikelend noorderlicht

  Anderzijds mag dat geen verrassing zijn. Ik weet goed, hoe onze dood seconden vierendelen kan. Wees dat maar zeker. Hij is van ons allen. Verstoppen doet hij zich nu eenmaal nooit. Het is vooral angst die in ons leeft en vindt dat hij dat nodig heeft. Het witste laken. Die rode tentjes. Die grote stenen platen twee bij één. Putten die met plooimeters gecontroleerd en diep genoeg bevonden worden. Zijn rug zal hij nooit buigen wanneer dagen vragen wat geduld te rapen. Graaf dat gat en zwijg. Zet je op de knieën, droom nog even van het noorderlicht en duikel dan. Zijn gefluister is altijd kordaat. Hier in dit achterhoofd heeft hij een eigen spreekgestoelte en verkondigt daar geregeld dat het stilaan menens wordt. Ik weet wat hij bedoelt. Hij wil helaas niet zeggen hoe het moet. Dat zal hij zelf beslissen omdat ik te laf ben. Meestal komt dat door een zonnestraal die zich door luiken waagt en hoopt dat ik hem nog verdragen kan. Er staat een glas met water naast mijn bed en die matras is de woestijn waarin de druppels van de tijd verdwenen zijn. Onmetelijk. Zo lang lig ik hier al. Het hielp niet toen ik beide wijzers van de klok wat inkortte. Ooit werd er nog gedanst rondom de boom waaruit dit hout gewonnen werd. De poten van dit ledikant, die hadden zo veel tijd om na te denken dat ze intussen weten hoe een toren rechtop slaapt. Mijn ogen kennen nu de bron van elke traan en zijn debiet. Dat is niet groot en ze geraken nooit voorbij de wang. Terwijl mijn nek dit hoofd nog even draagt, vraagt mijn hand aan het raam, of het luik zich fijn gesloten voelt. Daarna volgt mijn blik de wolfspin die een vaste route volgt. Eerst langs die barst van lang geleden. Dan over deze balk om daar, steeds in hetzelfde schilderij, weer te verdwijnen tussen Elpis en Apollo. Ooit wordt alles ingeslikt. Het is de kracht van zwarte gaten die veel sterker zijn dan ik vermoedde. Ik was nog jong, geloofde in een zinvol middenstuk. Elk grijze wolk vloog mij voorbij alsof het water dat zij droeg, slechts milde nevel worden zou. Gelijk een duizendpoot met nieuwe laarsjes pronkt, zo wandelden de uren ongenaakbaar door het bos. Volg me dan als je kan. Zo plaagden motjes rondom mij. Hun vlindervlucht werd nooit ruw onderbroken door een zuchtje wind. Zo leek het toch en daar heel hoog, toen ik een besje wilde plukken uit een hemelstruik, zong hij voor mij een deuntje. Het ging niet over hoogtevrees. Het was een maretak die liedjes kende over zacht verlies. Over een fleurig graf. Ik zag dat hij. Die maretak. Gebogen takjes had vol dapperheid. Ik vroeg nog snel. Waarom hij bladeren verdroeg, met daarin van het beste gif.     uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
6 0