Lezen

Laatste noot

Ik kijk uit het raam. Een lantaarnpaal, een auto, een hele rij bomen, weer een auto… Het is krap op de achterbank. Ik zit helemaal links, mijn kleine broer Arno naast me en zijn vriend aan de rechterkant. Een tikkend geluid verspreidt zich in de auto. Een tijd lang is het gewoon een vervelend geluid, maar later valt het wel mee. Sterker nog, ik begin er een beat in te voelen. Tekst komt in mijn hoofd op zoals regen in de aarde sijpelt na een bui. Ik grijp naar mijn rugzak en trek mijn schrijfblok en pen eruit. De inkt vloeit uit de pen. Mama zit achter het stuur. Plotseling trapt ze op de rem. De auto stopt abrupt en maakt een scherpe bocht naar rechts. Bijna had ik een streep door mijn tekst getrokken die nu al ongeveer een pagina lang is. De auto rijdt de oprijlaan op. Eenmaal boven glijden de schuifdeuren van ons grijze volkswagenbusje open. Eén voor één stappen we uit. Mama en papa zijn als eerste uitgestapt en beginnen de boodschappentassen uit de auto te halen. Bij ons, achterin, duurt het langer. We zaten met ons drietjes op de derde rij, dus moeten we eerst wachten tot oma en opa van de tweede rij zijn uitgestapt. Oma is al wat minder goed te been, dus help ik haar nog even. Hun huis staat schuin tegenover dat van ons. Terwijl onze grootouders naar hun huis wandelen, moeten Arno en ik nog wat zakken uit de auto naar binnen dragen. De garagepoort staat al open. Met mijn halfopen rugzak over mijn schouder hangend, mijn schrijfblok en pen in mijn handen, sjouw ik drie grote tassen de trappen in de garage op. Boven aangekomen, duw ik met mijn rug tegen de deur naar de berging en zet de zakken naast de wasmachine neer. Meteen daarna snel ik door de keuken, de eetkamer, de trappen en gangen, twee verdiepingen omhoog naar mijn kamer. Daar gooi ik mijn rugzak naast mijn bed en leg mijn tekst en pen op het bureau. Ik ga op mijn blauwe bureaustoel zitten en pak mijn gitaar uit de staander tussen het bureau en een nachtkastje. Eerst tokkel ik maar wat, en een paar minuten later heb ik een prachtig akkoordenschema. Ik speel het een aantal keer en begin de tekst erboven te zingen. Ondertussen ben ik al een half uur bezig, en ik denk dat ik klaar ben. Er is nu wel één ding dat me een beetje stoort. Het akkoordenschema klinkt heel mooi en vrolijk en dat is natuurlijk heel leuk, maar het klopt niet helemaal. Het onderwerp van de tekst is allesbehalve passend bij de gitaarklanken. Het lied gaat over oma. Zij is wel altijd vrolijk en is een echte levensgenieter, maar niemand behalve ik, mama, papa en opa weten wat er aan de hand is. Zelfs Arno weet het niet. Oma heeft verschillende allergieën en lijdt aan een of andere ziekte waardoor ze altijd pijn heeft aan haar gewrichten en moeilijk kan ademen. De laatste tijd wordt het steeds erger, en ze is zelfs naar het ziekenhuis gebracht tijdens het straatfeest. Ik mocht toen samen met opa met haar mee in de ziekenwagen. Ze had toen enorm veel pijn, maar in het ziekenhuis werd ze goed verzorgd door de verplegers. Er was toen ook een specialist bij haar langsgekomen, die haar helemaal onderzocht. Ik herkende haar nog van een andere keer, alleen was haar donkerbruine haar de tweede keer korter geknipt. Terwijl het onderzoek bezig was, zaten opa en ik in de cafetaria. Een halfuurtje later kwam de specialist ons halen en gingen we terug naar de kamer waar oma lag. De specialist keek ons serieus aan. Ik zag aan opa's blik dat hij bezorgd begon te worden. Toen kregen we voor het eerst te horen dat oma nog maar twee jaar te leven zou hebben. Daarstraks in de auto dacht ik terug aan wat de specialist drie maanden geleden had verteld. Daardoor kwam ik op het idee om een lied over oma te schrijven. Een lied over haar positiviteit, haar doorzettingsvermogen, haar kracht, goedheid en ook over wanneer ze er niet meer zou zijn en hoe ik me dan zou voelen. Eerlijk gezegd kan ik me dat niet goed inbeelden. Ze is er al sinds... Sinds... Ze is er gewoon al sinds altijd. Dat zij er niet meer is, bestaat gewoon niet. Elke dag na school eten we bij haar en maken we samen ons huiswerk. In het weekend spelen Arno en ik spelletjes met haar, en wanneer we op vakantie gaan, komt zij mee en stippelt de mooiste wandelroutes voor ons uit. Ondanks dat ik niet goed weet hoe ik me dan zou voelen, is het me wel gelukt om er een lied over te schrijven. Ik denk dat ik de gitaarakkoorden gewoon zo vrolijk ga laten, maar er moet wel nog een ander instrument bij. Misschien een vioolintro en wat piano om het af te werken. Dat lijkt me een goed idee. Ik haal mijn microfoon uit mijn lage, witte kast in de hoek van mijn kamer en verbind deze met de computer. Het opneemprogramma opent vanzelf. Ik klik op "Play" en begin te spelen. Eerst de gitaar, dan in een nieuwe track de vioolmelodie, daarna de gezongen tekst en ten slotte de piano. Die moet ik beneden opnemen omdat de piano in de woonkamer staat. Gelukkig zijn Arno en zijn vriend in de tuin aan het spelen en is het hier niet te lawaaierig. Ik zing het einde van het lied. Alles is nu opgenomen. Na een uurtje werken aan de tracks heb ik ze mooi samengevoegd en is alle achtergrondruis verdwenen. Ik ga naar het bureau op de eerste verdieping waar mama en papa zitten te werken. Ik laat ze het lied horen. Tijdens het afspelen zie ik mama meebewegen op de beat van de muziek, terwijl papa niet echt geïnteresseerd lijkt. Als de laatste noot in de kamer heeft geëchood, geeft mama me een miniapplaus. Meteen roept ze bijna: "Dit gaat de grootste hit ooit zijn, je moet dit echt uitbrengen!" Bij die woorden schieten er wel duizend gedachten door mijn hoofd. Meent ze dit nu, of is ze sarcastisch? Vindt ze het echt mooi? Kan ik dit lied überhaupt uitbrengen? Ik ben nog maar vijftien jaar. Ik kijk haar in de ogen en meteen zie ik dat ze het meent. Alsof papa mijn gedachten kon lezen, vertelt hij met zijn serieuze stem: "Ik weet al hoe je je lied publiek kan maken terwijl je vijftien jaar oud bent." Hij opent een website op zijn laptop en meldt zich aan. Een paar minuten later staat mijn lied online. Ik weet niet zeker of het lied goed genoeg is om het aan de wereld te laten horen. Even dacht ik nog te vragen om het toch offline te halen, maar net op dat moment verschijnt er een melding op de laptop dat iemand het lied is begonnen te luisteren. Niet veel later staat er bij het hartje onder het lied een één, en dan een twee, vier, zeven… De hartjes blijven maar oplopen. Na een paar uur heeft het lied al bijna 50 hartjes. Misschien is het maar goed dat ik het niet offline heb gehaald. Een week later komt papa plotseling mijn kamer binnen. Ik ben net bezig met mijn boekentas klaar te maken voor school. Papa vraagt of ik even met hem mee wil gaan naar zijn bureau. Hij trekt aan een hendeltje aan het bureau, dat plots in beweging komt. De tafel staat ineens zo hoog dat de laptop die erop staat gelijkkomt met mijn schouders. Papa zet de helderheid van het scherm wat hoger en wijst met zijn vinger naar een getal: 87.462. Dan verplaatst hij zijn vinger iets naar beneden. Nu wordt duidelijk wat het getal aangeeft. Dit zijn de hartjes die mijn lied heeft gekregen. Even ben ik sprakeloos. Dan scrolt papa naar beneden, naar de reacties op het lied. Veel mensen hebben een reactie achtergelaten. "Wauw, ik hou van deze song!, #MijnNieuweLievelingslied", "Waar heb je de inspiratie vandaan gehaald?", "Echt een topsong!", en er zijn nog veel meer reacties. Nog wat verder naar beneden staat er een recensie van XtremeRecords. Ik lees wat er staat, en mijn mond valt letterlijk open: "Hey daar, we hebben gezien hoe populair je song is. Zo veel mensen vinden het geweldig. Wij hebben een aanbod voor je. Als je wil, kun je deze song groots maken in samenwerking met onze platenmaatschappij. We zoeken nog iemand met talent. Zin om mee te doen? Ik kan het nog steeds niet geloven. Ik kijk papa aan, en dan mama, die naast me is komen zitten. Ze hebben de tekst volgens mij al eerder gelezen. Ik kijk ze aan met mijn "mag het alsjeblieft"-oogjes. Ze knikken. Papa zegt dat hij al contact heeft opgenomen met de maatschappij en dat ik er morgen naartoe moet gaan. "Maar dan heb ik toch school?" vraag ik, waarop mama antwoordt: "Deze keer niet." Ze lacht en geeft me een knuffel. Dan vraag ik of oma het lied al heeft gehoord, en of ze het niet erg vindt dat het over haar gaat. Het blijkt dat oma er geen probleem mee heeft, en het zelfs leuk vindt. Ze is heel trots op mij, maar dat was ze altijd al. Vandaag is het eindelijk zo ver! Ik spring uit bed en kleed me aan. Vliegensvlug ren ik naar beneden en eet het ontbijt dat mama al voor me heeft klaargezet: een kommetje met haar zelfgemaakte granola met melk. Ik schrok de maaltijd op en maak me klaar om te vertrekken. Ondertussen is het al halfnegen. De auto staat al klaar. Snel stap ik in en sluit de deur. Na een uurtje rijden ben ik er eindelijk. Ik sta voor een groot gebouw vol antennes, recht voor een grote deur. Aarzelend stap ik richting de glazen deur. Deze opent vanzelf. Plots sta ik in het midden van een reusachtige inkomhal. Ik ga naar de balie en vertel waarom ik hier ben. De man achter de balie weet meteen waarover ik het heb en drukt op een knop. Het lichtje boven de knop kleurt rood en plotseling komt er uit een van de gangen een grote man op me afgewandeld. Hij heeft een wijde zwarte jeans aan met daarboven een sweater. Zijn haar zit wat in de war en hij draagt een achterstevoren pet. Deze eerste indruk geeft me meteen een goed en welkom gevoel. Ik draag een short en een hoodie met een tekening van een skelet met een gitaar op de achterkant. Het is wel jammer dat je dit niet kunt zien, want mijn lange blonde haren liggen erover. De man in de sweater omhelst me meteen en begroet me vriendelijk. Zijn accent klinkt licht Spaans. De man stelt zich aan me voor. Zijn naam is Alejandro Mora. Hij is een van de bekendste Mexicanen in de buurt. Hij neemt me mee door de gangen naar een kleine studio. Ik moet achter een glazen plaat gaan staan, waar een microfoon aan het plafond hangt. Alejandro geeft een teken dat we gaan beginnen met opnemen. Een man die verantwoordelijk is voor alles wat met de computers en het opnemen te maken heeft, begint aan knoppen te draaien en hendeltjes over te halen. We nemen het lied opnieuw op. Deze keer is er ook een zangcoach, Lien, bij die me extra tips geeft. Ook zijn er nu professionele gitaar-, piano- en violisten en kan ik zingen zonder afgeleid te worden door voorbijrijdende auto's of zoemende airco's. Aan het einde van de dag hebben we al veel vooruitgang geboekt. We hebben afgesproken dat ik elke zaterdagnamiddag naar de studio zou komen. Zoals afgesproken word ik de eerstvolgende zaterdagnamiddag weer afgezet voor het gebouw. Deze keer ken ik mijn weg al en hoef ik niet meer de man achter de balie om hulp te vragen. Het is de eerste gang naar links, bij de zithoek naar rechts, aan het einde van die gang de trappen op, en dan is het bij de bloembakken aan de linkerkant. Ik klop zachtjes op de deur. Er komt niemand opendoen. Ik wacht nog eventjes op het bankje voor de deur. Niet veel later vliegt die open en staat Alejandro in de deuropening. Een grote glimlach staat op zijn gezicht en er komen tranen uit zijn ogen. Hij trekt me naar binnen. Onbegrijpend kijk ik rond. Ook de man achter het opneempaneel en Lien hebben de slappe lach. Ik snap niet wat er gaande is. "Laat ik iedereen horen. Dat weten wij ook niet!" schatert Lien. "Waarom lachen jullie dan zo?" Alejandro neemt de muis van de computerman en speelt iets af dat ze net hadden opgenomen. "Hoor je het nu?" vraagt hij me. Een lied speelt zich af. Het klinkt als Alejandro's stem. Een beetje later komt er een instrumentaal deel. Plots horen we drie klopjes op een deur midden in het lied. Ik begin te begrijpen waarom ze zo lachen. Beschaamd zet ik een stap achteruit. Alejandro pakt me vast en zegt dat het helemaal niet uitmaakt. "Dat doet me denken aan toen ik voor de eerste keer naar een studio ging. Toen klopte ik ook aan midden in een opname. Het enige verschil was dat ik bij de verkeerde studio had aangeklopt en dat het een live-uitzending was op de radio." Zijn slappe lach begint te verdwijnen en ik begin me alweer wat beter te voelen. "Maar waarom moesten jullie dan zo hard lachen?" vraag ik aan Lien en de paneelbestuurder. Volgens mij weten ze het zelf niet goed. Ze kijken elkaar aan. "Ik moest gewoon lachen door Alejandro. Zijn lach is zo aanstekelijk," zegt Lien. De computerman knikt hevig. Uiteindelijk beslist Alejandro dat we aan het werk moeten. Zoals de vorige keer ga ik weer achter het glazen paneel staan. Een aantal uur later is het opnemen klaar. Mijn keel is uitgedroogd als een vis in de woestijn. We laten de computerman en de mensen die de instrumenten bespelen achter ons en gaan met ons drieën naar de zithoek. Onderweg maakt Alejandro al bekend dat mijn lied, dat we in de studio hebben opgenomen, straks op alle radiozenders te horen zal zijn. We komen aan bij de zithoek en nemen plaats in oranje zetels. Daar tovert Alejandro drankjes en wat koekjes tevoorschijn. Wanneer mijn glas cola bijna leeg is, voel ik iets trillen in mijn broekzak. Het is vast mijn gsm. Ik trek hem uit mijn achterzak en ontgrendel hem. Mama heeft me een bericht gestuurd dat ze over vijf minuutjes hier is en dat ik al buiten moet gaan staan. Alejandro en Lien staan op en lopen met me mee naar buiten, waar mama de auto al had geparkeerd. Ik neem afscheid van Lien, druk Alejandro de hand en stap in. Wanneer we vertrekken, vertel ik mama wat ik allemaal heb gedaan en dat mijn lied straks al op de radio zal komen. Ze is echt trots op mij. Dat voel ik gewoon. Ondertussen zijn we bijna thuis en mijn lied begint te spelen op de radio. Plotseling rinkelt mijn gsm. Ik haal hem weer tevoorschijn en klik op "oproep beantwoorden". Nog geen seconde later hoor ik Liens stem. Ze klinkt heel erg opgewonden. "Jana, je moet dit echt horen! Ik heb superbelangrijk nieuws voor jou. Je lied is op dit moment aan het draaien en de likes komen het dak uit! We hebben nog nooit zo'n grote hit gehad! Dit is nog niet alles. Op dit moment krijgen we tientallen telefoontjes van producenten die naar jou vragen. Voorlopig zeggen we nog dat we eerst jouw toestemming moeten vragen voordat we hun toestemmingen mogen geven voor hun projecten. We houden je nog op de hoogte. Daag." Lien haakt af. Ik kan mijn oren gewoon niet geloven. Had ze dat nu echt gezegd? Ik weet niet meer wat ik hierop moet zeggen. De auto vertraagt en neemt de afslag naar rechts. Dan haalt mama de handrem over. We doen tegelijkertijd de deuren open. Mama heeft bijna de hele rit niets gezegd, maar nu we zijn uitgestapt, vraagt ze: "Wat wil je vanavond eten?" Natuurlijk antwoord ik dat ik lasagne wil, de zelfgemaakte lasagne van opa met mama's salade. Volgens mij wist ze al dat ik dat als antwoord zou geven, want op het keukeneiland liggen alle nodige ingrediënten en opa zat ons al op te wachten in de eetkamer. Ik ga in de beige leren zetel zitten in mijn favoriete hoekje, helemaal rechts met een kussen in mijn handen en een blauw dekentje over me heen. Dan zet ik met de afstandsbediening, die naast me ligt, de tv aan. De muur wordt verlicht door de lampjes aan de achterkant van de tv. Onze tv neemt de helft van de muur in beslag en heeft een heel scherp beeld. Ik zap naar zender één. Het is acht uur en het nieuws gaat net beginnen. Het is al een tijdje geleden dat we het nieuws hebben gekeken. De man aan de andere kant van het scherm begint: "We starten vandaag het nieuws in Antwerpen. Daar is vanochtend…" Het eerste deel let ik niet goed op. Ik val bijna in slaap. Zingen en muziek maken is heel leuk, maar best vermoeiend om de hele dag te doen. Mijn ogen beginnen dicht te vallen en ik schuif onderuit in de zetel tot ik iets hoor dat ik zeker niet wil missen. "Dan gaan we nu naar een bijzondere plek, want we hebben daarstraks een zeer uniek bericht binnengekregen. We gaan vandaag een kijkje nemen bij platenmaatschappij XtremeRecords. Jana, een meisje van vijftien jaar, heeft ons daar bewezen dat je niet oud hoeft te zijn om hoge prestaties neer te zetten. Dan gaan we nu door naar onze live reporter." "Ik sta hier nu ter plaatse bij platenmaatschappij XtremeRecords en het eerste wat me opvalt is dat het hier enorm druk is. Een vijftigtal mensen staan hier aan de deur te wachten om binnen te mogen. Gelukkig mogen wij als nieuwsreporters langs de achterdeur naar binnen… Ik sta hier nu bij Lien Goesers. We volgen het gesprek tussen Lien en een producent. Zo te zien wordt er gevraagd om Jana mee op tournee te nemen. Lien belt nu naar…" Mijn telefoon rinkelt. Het is Lien. Ik spring uit de zetel en ren de gang in. "Hallo Lien…" "Hey Jana, ik had je verteld dat ik je nog zou terugbellen. Er staat hier een producent bij mij die je heel graag even wil spreken." Ik geef toestemming. Dan hoor ik wat gerommel aan de andere kant van de lijn. "Ja, ja, hallo?" Ik zeg ook nog hallo terug. "Ik voel me vereerd om met u te mogen praten. Ik heb uw song gehoord en vind deze even indrukwekkend als alle andere mensen die hier nu staan te wachten. Daarom wil ik u om een gunst vragen. Het zou me zeer vereren als u met mijn team op tournee zou willen gaan. Over twee weken spelen we op een concert in Brussel en Sint-Truiden, de dag daarna nog in Parijs en een week later in Amsterdam. Heeft u misschien zin om zich bij ons aan te sluiten?"  Ik vraag aan de man aan de lijn om een minuutje geduld te hebben. Ik spurt terug naar de keuken om aan mama te vragen of het mag. Nog voordat ik iets kan zeggen, steekt ze haar twee duimen in de lucht en wijst nog even naar de tv om duidelijk te maken dat alles uitgezonden wordt. Ik stem in met de man. Na het telefoontje en het nieuws wordt het weer wat rustiger. We eten, maken ons klaar om te gaan slapen, en gaan naar bed. Het is nu al bijna twaalf uur en iedereen slaapt al, behalve ik. Ik ben veel te opgewonden. Morgen moet ik het contract gaan ondertekenen, en als dat is gebeurd vertrekken we al meteen. Na een lange tijd wachten wordt het dan toch nog donker en heerst de stilte en rust in mijn hoofd. Het is ochtend en ik heb niet goed geslapen, maar ik heb geen tijd om moe te zijn. Het is nog maar zeven uur en er staat al een zwarte auto voor de deur. Nog voor er gebeld wordt, open ik de deur. Een man met een zwarte zonnebril houdt het document dat ik moet tekenen voor mijn neus. Ik schrijf mijn handtekening onderaan, en vertrek terwijl mijn ouders en kleinere broer me uitzwaaien. Ze waren speciaal vroeger opgestaan daarvoor. Eenmaal vertrokken, werd er een heel strak schema doorlopen. De volgende vier weken verliepen volgens dat schema. Ik heb de leukste tijd van mijn leven meegemaakt. Twee jaar gingen voorbij, en ik heb ondertussen al een veertigtal concerten gegeven. Tijdens die momenten kreeg ik les van een privéleraar omdat ik niet meer naar school kon, en wanneer ik dan wel naar school ging, werd ik niet meer uitgesloten en was iedereen aardig tegen me. Eindelijk ben ik weer eens thuis, eet ik thuis, slaap ik thuis, en zie ik mijn familie terug. De eerste week eten we weer allemaal samen, ons gezin en oma en opa. Oma’s gezondheid was nog steeds hetzelfde als toen ik vertrok. De dokter had waarschijnlijk gewoon een fout gemaakt en bedoelde misschien geen twee jaar, maar twintig! Het is heel gezellig aan tafel. Ook al is de zon buiten nog niet helemaal onder, geven de kaarsjes in het midden van de eikenhouten tafel wel veel sfeer. De avond vloog voorbij en we zijn helemaal bijgepraat. Zo weet ik nu ook dat de hond van de buurvrouw is bevallen van vier pupjes. Het wordt al laat en iedereen gaat slapen. Alleen ik slaap deze keer weer niet meer. En ja, ik leg de nadruk op niet meer. Ik was namelijk al in slaap gevallen, en was zelfs al beginnen dromen, maar de beltoon van mijn gsm weergalmde weer eens door de gangen. Met mijn oogleden nog half over mijn ogen neem ik op. Ik lijk wel een zombie. Iemand aan de andere kant van de lijn begint te praten. Het is de man die mij meenam naar al die concerten. Hij vraagt me of ik mee wil met hem naar een groter concert. Een concert waar meer dan twintigdubbel zoveel mensen gaan zijn dan waar ik tot nu toe heb opgetreden. Plots voelde ik me weer springlevend. Dan vertelt hij verder. We vertrekken morgen om vijf uur en nemen het vliegtuig om zes richting Miami. Daar zal je optreden plaatsvinden. Je oma gaat trots op je zijn als ze hoort dat je het lied over haar voor bijna de hele wereld gaat zingen. Ik bedank de man, en leg af. Ik ga terug in bed liggen, weer klaarwakker terwijl ik naar het plafond staar. Zou oma daar wel echt blij mee zijn? Ik heb wel een lied over haar gemaakt, maar ze gaat erin dood. Ik weet niet of ze dat zo leuk gaat vinden. Gelukkig gaat ze toch nog niet sterven, want dan zou ze er al langer dan een half jaar niet meer zijn. Terwijl al deze gedachten door mijn hoofd dwalen, val ik in slaap. Mijn wekker gaat af. Het is vier uur. Ik schrijf een briefje voor mama met daarop dat ik wegga voor ongeveer twee weken. Ze had me gezegd dat wanneer ik weer zo laat een telefoontje krijg om mee te gaan de volgende ochtend, en ik dat graag wou, ik gewoon mee mag gaan. De regel was wel dat ik dan een briefje op de eettafel zou leggen. Zoals beloofd legde ik het briefje meteen op de tafel, mooi in het midden. Na zo lang wachten was het tijd. Ik was vertrokken en zit nu op het vliegtuig. Ik mag vliegen in eerste klasse, maar zie dat iedereen naar me zit te kijken. Gelukkig mocht Alejandro ook mee en zit hij naast mij. Naast hem voel ik me veilig. Hij heeft vroeger toen hij in het middelbaar zat aan vechtsport gedaan. De dagen strijken voorbij en het concert nadert. Over een aantal minuten moet ik op. Zes minuten voor het opgaan kwam Alejandro met een zeer betreurd gezicht naar me toe, met zijn gsm in zijn linkerhand, en omhelsde hij me met zijn andere arm. "Het spijt me, echt waar. Ik kon er niets aan doen!" Ik kijk hem met gefronste wenkbrauwen aan. Ik ben niet mee met wat er gaande is. "Alejandro, wat is er? Ik moet bijna op." Alejandro duwt de telefoon in mijn handen. "Hallo?" zeg ik. "Ik moet u zeer slecht nieuws meedelen," klinkt het alsof er een jonge vrouw aan de lijn is. "Je grootmoeder is een aantal minuten geleden heen gegaan. Ze had een bepaalde soort noot gegeten uit een notenmix. Ze kreeg daar waarschijnlijk een zware allergische reactie op. De ambulances kwamen zo snel als het kon, maar alle hulp kwam te laat. Het spijt me." De telefoon glijdt uit mijn handen. Lien, die ondertussen ook bij ons was komen staan, had hem nog net op tijd gevangen, vlak voordat het toestel de grond raakte. Tranen hopen zich op in mijn ooghoeken. Ik probeer het nog in te houden, maar dat lukt gewoon niet. Ik barst in tranen uit. Lien en Alejandro proberen me te troosten, maar het is gewoon onmogelijk. Zij leerde mij alles. Zij gaf mij alles. Zij was mijn alles, en nu is ze niets. Dat kan toch niet? Waarom? Ik heb er niet veel meer woorden voor. Het kan gewoon niet! De medewerkers van het concert komen naar me toe met een microfoon. "Je moet over dertig seconden opgaan." Ze zien wel dat ik verdrietig ben, maar de show staat vast, daar kan ik niet meer omheen. Alejandro veegt met de mouw van zijn sweater mijn tranen weg en geeft me een klein duwtje richting het podium. "Je kan het wel, ik geloof in je. Wij geloven in je. Doe het voor je oma, dit is wat ze had gewild!" Is dit echt wat ze wou? Ik begin eraan te twijfelen. Vlak voordat ik de eerste stap op het reusachtige podium zet, meen ik nog een filmpje te horen waarin oma zegt dat ze superblij is voor mij, wil dat ik mijn dromen najaag en dat ze in mij gelooft. Ik loop verder. Iedereen juicht en klapt voor me. De muziek start en ik begin te zingen. Ik heb deze song nu al zo vaak gezongen, maar het voelt toch anders. Deze keer is het niet zomaar iets wat ik zing omdat het mooi klinkt. Deze keer is het niet meer zoals anders. Deze keer is het niet meer doodnormaal. Deze keer… Deze keer is het écht. De song loopt bijna op zijn einde, net zoals oma. Toen weerklonk de laatste noot.

JanaT.
6 1

EEN GEWAARSCHUWD MENS

Toen Rikkie mij vroeg om samen een drankautomaat te plunderen, wist ik dat hij de ware was.  Het was vrijdagavond, en ik zat aan een tafel bij het raam in het café waar we hadden afgesproken, toen ik iemand zag gebaren dat ik snel naar buiten moest komen. Ik herkende Rikkie niet. Ik had hem nog nooit in het echt gezien en op zijn foto’s droeg hij nooit een boerenpet. Sterker nog, als ik had geweten dat hij een boerenpet droeg, was ik nooit met hem op date gegaan.  Ik maakte een verrekijker van mijn handen en hield hem tegen het raam. Niemand anders had zulke oren, zonder één keer in de ring te hebben gestaan. Ik wees naar mijn volle glas bier, waarop Rikkie zijn portefeuille uit zijn achterzak haalde en erop tikte als een goochelaar. Met één arm in mijn jas liep ik naar buiten. ‘Kom mee,’ zei hij. ‘Ik wil je iets laten zien.’ Rikkie was een van mijn zesjes. Om het lot een rol te laten spelen op Tinder, sloot ik iedere zesde foto mijn ogen en swipte naar rechts. Soms waren zesjes knap, soms spuuglelijk. Maar om wekenlang mee te chatten waren ze net zo vervelend als al de rest. Behalve Rikkie. Rikkie was niet als eerste met mij beginnen te chatten, en daarom had ik besloten met hem op date te gaan. Ik hield van zijn onderkoelde reactie. Alsof hem iets gratis werd aangeboden wat hij eigenlijk niet nodig had. Waarom ook niet? ‘Wil je niet weten wat het is?’ vroeg hij. Hij liep zo snel dat ik moest rennen om hem bij te houden. ‘Nieuwsgierigheid is de remedie tegen verveling.’ Hij stopte en keek me onderzoekend aan. Het haar in mijn nek kwam overeind. Een van de voortekenen. Maar ik negeerde het. ‘We gaan bijklussen vanavond,’ zei hij ten slotte. ‘Die date doen we wel een andere keer over.’ Ik schudde met mijn hoofd. ‘Hij is precies goed zo.' We liepen verder en Rikkie praatte over mensen die hij kende en dingen die hij had meegemaakt, en zo nu en dan, als het onderwerp het toeliet, las ik tussen de regels dat hij me slim vond, of dat hij dacht dat ik zo door hem gezien wilde worden. Hij praatte veel, maar niet op de luide, domme manier van iemand die dronken was, en maakte weinig zinnen af, alsof hij meteen spijt kreeg van elke gedachte waaraan hij begon. Toen, na een wandeling van vijf minuten, trok hij me een donker steegje in. Het stonk er naar pis en afval en keukenlucht van goedkope restaurants. Het soort steegje waar vrouwen in films werden verkracht. Ik keek achterom. Niemand hier op dit uur. Zelfs geen keukenhulpje dat na een drukke service namaaksigaretten stond te roken. Halverwege, bij een grauwe gevel waarvan de onderkant enkele meters terugsprong, hield Rikkie halt. Zijn blik zocht naar bevestiging. Ik keek rond, maar ik zag niets wat de moeite waard was om te laten zien. Er zat een verroeste poort in de terugsprong, en ernaast tegen de muur stond een stoffige drankautomaat. Ik kon me niet voorstellen dat er achter die poort iets waardevols werd bewaard. En wat de automaat betrof, het was een oud model. Dat zag ik aan het paneel. Bovendien brandde de verlichting niet, en dus dacht ik, net als iedereen die erlangs liep, dat het ding buiten werking was. ‘Telkens als ik er een zie,’ zei Rikkie, ‘druk ik op de muntretourknop. Een oude gewoonte. We hadden niet veel geld thuis. Maar let nu goed op.’ Rikkie liep naar de automaat en drukte op de knop. Het geluid van iets zwaars dat in een holte naar beneden tuimelde. Hij bukte zich en grijnsde me toe, voordat hij zijn hand door het luik stak en een blikje Coca-Cola tevoorschijn haalde. ‘Alsjeblieft,’ zei hij. ‘Voor daarnet.’ Ik hield het blikje ondersteboven. Het was niet over datum. ‘En hij doet dat iedere keer?’ vroeg ik. Rikkie knikte. ‘Hoeveel denk je dat erin kunnen?’ ‘Geen idee,’ zei ik. ‘Doe een gok.’ ‘Honderd.’ ‘Tweehonderd tot vijfhonderd,’ zei hij. ‘Afhankelijk van het model.’ Rikkie had geen auto, en aangezien hij degene was die de automaat had gevonden en we afspraken om de buit gelijk te verdelen, leek het me fair dat we mijn wagen gebruikten. Maar eerst gingen we terug naar het café om mijn fiets te halen. Daarna liepen we, ik met mijn fiets aan de hand, in de richting van mijn appartement. Toen we bij het gebouw aankwamen, vroeg ik Rikkie om beneden te wachten, wat hij niet erg vond.  In de lift zei de stem in mijn hoofd: ‘Je kunt nog stoppen. Het is nog niet te laat.’ Maar toen ik door het raam in mijn appartement naar beneden keek en Rikkies boerenpet zag, deed ze er het zwijgen toe. Ik liep naar mijn slaapkamer en kleedde me uit. In de plaats van de rode jurk trok ik een zwarte jumpsuit aan. Dat leek me gepaster bij de gelegenheid. Enerzijds wilde ik dat Rikkie zag dat ik het serieus meende. Anderszijds was ik bang dat hij me zou uitlachen. Ik bekeek mezelf in de spiegel en stiftte mijn lippen. Toen ik op de benedenverdieping uit de lift stapte, was Rikkie al in de hal. Hij stond voor de glazen deur te wachten tot ik opendeed. Ik beeldde me in dat de hal een gevangeniscel was en dat hij me smeekte om hem vrij te laten. Ik moest me door mijn verbeelding hebben laten meeslepen, want ik leek uit een droom te ontwaken, toen hij mijn naam riep en met zijn vinger op het glas tikte. Samen liepen we de wenteltrap naar de ondergrondse garage af. Toen hij mijn bestelwagen zag, die in het enige vak stond waarboven geen armatuur hing, verstijfde hij. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Waarom hangen er belletjes aan?’ ‘O,’ zei ik, bijna vergeten hoe zonderling andere mensen mijn wagen vonden. ‘Ik kocht hem vijf jaar geleden van een man die in de nesten zat en snel geld nodig had. Tweeduizend euro. Op voorwaarde dat hij hem op elk moment van mij mocht terugkopen. Wat hij nooit deed. Ik heb de bestickering er proberen af te halen, maar dat is niet zo goed gelukt, zoals je kunt zien. Ik zweer het je, het gaat snel vervelen, dat gebons op je deur telkens als je ergens stilstaat. Maar ik gebruik hem vooral als camper, stop mijn bagage in de vriezers. Het is verbazend hoeveel erin past.’ Rikkie maakte aanstalten om weg te gaan. ‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ik. ‘Weg.’ Ik liep achter hem aan en pakte zijn arm beet. ‘Waarom?’ ‘Waarom?’ zei hij. ‘Het is een ijscowagen. Je kunt net zo goed je identiteitskaart achterlaten op de plaats delict.’ Ik liet zijn arm los. ‘Je doet net of we een moord gaan plegen.’ ‘En jij doet net of we een asbak gaan stelen.’ ‘Het zijn maar een paar blikjes,’ zei ik. ‘En het is niet eens jouw wagen. Als ze ons betrappen, zeg dan dat je me niet kent, dat we op date zijn. Je hoeft niet eens te liegen.’ Rikkie bewoog zijn getuite lippen heen en weer. Toen liep hij naar het portier en stapte in. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij, zodra ik achter het stuur ging zitten. ‘Dit is een date.’ Ik startte mijn wagen en reed de ondergrondse garage uit, een beetje geïrriteerd door het feit dat hij de belletjes had opgemerkt, maar niet mijn jumpsuit. Toen hij zijn pet op het dashboard legde, zag ik dat hij kalend was. Daar zat ik niet mee. Zijn hoofd had een mooie vorm. Ik dacht erover hem een compliment te geven, over de vorm van zijn hoofd, maar ik was bang dat het een gevoelig onderwerp was. Waarvoor droeg hij die anders? Toen we bij het steegje aankwamen, aarzelde ik om het in te rijden. ‘Wat is er?’ vroeg Rikkie. ‘De schuifdeur,’ zei ik. ‘Ik begrijp het niet.’ ‘Hij zit aan de verkeerd kant.’ Rikkie tuurde het steegje in. Toen zei hij: ‘Dan rijden we er toch gewoon aan de andere kant in?’ Een luide motor haalde ons in. Ik wachtte tot hij weg was. ‘Te nauw,’ zei ik. ‘Als er een tegenligger opdoemt, mogen we achteruit terug. Vijfhonderd meter, oog in oog, voorruit tegen voorruit. Nee, ik heb een beter idee.’ Ik deed mijn richtingaanwijzer aan en sloeg linksaf het steegje in, de rijrichting volgend. Ik reed traag, hield mijn spiegels nauwlettend in het oog en negeerde Rikkie telkens als hij voorstelde om uit te stappen. Als ik hulp nodig had, zou ik het wel vragen. Toen ik in het donker de automaat ontwaarde, trok ik mijn handrem omhoog en deed mijn raam omlaag. De motor liet ik draaien. Daarna klauterde ik de laadruimte in, pakte een handdoek van het schap en gooide hem in Rikkies schoot. ‘Iemand haalt de blikjes eruit,’ zei ik. ‘En iemand blijft in de wagen om ze aan te nemen en in de vriezers te stoppen. Ik stel voor dat ik in de wagen blijf, aangezien ik de chauffeur ben.’ ‘Waar dient de handdoek voor?’ vroeg Rikkie. Zijn vraag verbaasde me. ‘Om het geluid te dempen.’ Zeven seconden deden we erover om op de retourknop te drukken, het blikje uit de automaat te trekken, drie stappen te zetten, het blikje door te geven, en het in de vriezer te leggen. Op die manier zouden we al snel een uur zoet zijn. Nadat ik nog een blikje in de vriezer had gelegd, zocht ik naar een krat zodat Rikkie niet voortdurend heen en weer hoefde te lopen. Onder de bestuurdersstoel vond ik een ingeklapte plooibox van Collect&Go. ‘Hier,’ zei ik, toen hij weer aan mijn raam verscheen. ‘Dat gaat sneller.’ Rikkie klapte de box uit, zette hem voor de automaat neer en begon hem te vullen. Maar in plaats van dat hij de blikjes op hun zij legde, zette hij ze recht, hoewel hij er zo veel minder in zou krijgen. Ik besloot er niets van te zeggen. Ik wilde niet bazig overkomen.  Maar wat zou hij straks doen terwijl ik de box leegde? Ik schudde met mijn hoofd. We hadden hier niet goed over nagedacht. Niet goed genoeg. Maar de volgende keer zou het vlotter gaan. Snelle voetstappen. Terwijl ik ons werk stond te evalueren, zag ik Rikkie door de voorruit wegrennen. Hoewel ik meteen zag dat hij het was, duurde het enkele seconden voordat ik het echt geloofde.  Ik keek door de achterruit. Een struise politieagent beende in de richting van mijn ijscowagen, pratend in de portofoon hoog aan zijn borst. Achter hem, in de smalle strook van de overstaande gevels, piepte de stompe neus van een patrouillewagen. ‘Fuck.’ Wat moest ik doen? Als ik wegreed, leek ik verdacht. Als ik niet wegreed, werd ik het misschien.  Ik kon niet kiezen. Ik ging achter het stuur zitten en deed mijn gordel om. Kon hij me daarvoor tenminste al geen bekeuring geven.  Tien meter. Negen. De dispatcher zei iets over een steekpartij. Ik moest iets doen. Ik griste mijn smartphone uit het vakje in het dashboard en belde het laatst gebelde nummer terug. Voicemail. ‘Rikkie,’ zei ik. ‘Ik ben het, Lilly.’ En weerstond de verleiding om in mijn achteruitkijkspiegel te kijken. ‘Ik bel gewoon om te zeggen dat ik het leuk vond vanavond. Hopelijk vond jij dat ook? Ik denk dat je het leuk vond. Maar vond je het ook zo leuk dat je nog een keer wilt afspreken? Je was plots weg. Zoiets hoor je aan het eind van een date te zeggen, Rikkie, of je dat wilt. Je mag een meisje niet in het ongewisse laten. Daar …' Toen verscheen de agent aan mijn open raam, met zijn rug naar de automaat en de handdoek en de voor de helft gevulde plooibox. Ik deed of ik schrok. Beleefd sneed de agent met zijn vinger zijn keel door. ‘Ik moet ophangen,’ zei ik. ‘Bel me terug, oké? Bye.’ 'Juffrouwtje,' begon de agent. ‘Ik vind het helemaal top dat u uw voertuig aan de kant zet om te bellen. Maar u blokkeert de doorgang. Er kan zelfs geen fietser meer langs.’ Hij wierp een blik opzij. Ik stak mijn hoofd door het raam. Achter me stond inderdaad een fietser. Waar kwam die ineens vandaan? ‘Het spijt me,’ zei ik tegen de agent en trok mijn hoofd weer naar binnen. ‘Ik had mevrouw niet gezien. Anders was ik meteen doorgereden.’ Hoelang stond ze daar al? En waarom had ze niets tegen de agent gezegd? ‘Voor één keer zal ik het door de vingers zien,’ zei hij. ‘Maar denk eraan, een gewaarschuwd mens telt voor twee.’ ‘Dank u, meneer de agent. Dank u.’ De struise man keerde zich om en liep terug naar zijn patrouillewagen, zonder iets te hebben opgemerkt.  Toen ik mijn motor wilde starten, hoorde ik een snerpend geluid. Hij draaide nog. Ik pakte mijn stuur vast, ademde in en uit. Vervolgens ontgrendelde ik mijn handrem en reed weg, met de fietser in mijn kielzog, en in haar hoofd, mogelijk, het geheim van onze misdrijf. Ik weet niet wat me bezielde, maar ik ging terug en maakte de klus af. Het had zomaar gekund dat de agent nog eens langs het steegje was gereden en mij daar weer had zien stilstaan. De smoes van het telefoontje zou niet meer hebben gewerkt. Maar dat deed hij niet. De volgende dag zat ik op de grond in mijn appartement en telde de blikjes, die boven me uit torende als stalagmieten in een grot. Honderdachtennegentig. Meer dan ik in mijn eentje kon opdrinken. Minder dan Rikkie had gehoopt. Zou hij me ervan verdenken een deel achter te houden? Ik stuurde hem een appje. Ik repte niet over wat we hadden gedaan. Dat zou onprofessioneel zijn. Ik schreef alleen dat ik zijn pet had - ze lag nog steeds op het dashboard, waar hij ze had achtergelaten - en dat ik ze hem, al hield ik er eigenlijk niet van, op onze eerstvolgende date zou teruggeven.✦  

Kenny De Thaey
3 0

Opnieuw treinperikelen

Na een verkwikkende dag in de stad van Rubens en Jordaens lazen we een minder verkwikkend bericht op het stationsbord met de vertrektijden. “Deze trein rijdt niet”, gevolgd door “Vertrekt wel vanuit Berchem”. We hadden die dag twee stadsfietsen gereserveerd en we hadden nog twintig minuten tijd, dus ik stelde voor om met de stadsfiets naar Berchem te rijden. Mijn telefoon leerde me dat het negen minuten zou duren. Mensen die ons zagen moeten zeker gedacht hebben: “Die twee proberen het werelduurrecord fietsen met de stadsfiets te breken.” We vlogen langs het spoor. Waar de Belgiëlei op de Mercatorstraat uitkomt meende ik even te stoppen, want daar staat het herdenkingsmonument voor de gedeporteerde Joodse bevolking tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik ben immers van mening dat je bij dergelijke monumenten altijd even moet blijven stilstaan, hoe vaak je er ook voorbijkomt. Maar nu hadden we echt geen tijd. Omdat we ook geen tijd hadden om over te steken moesten we een stukje tegen de rijrichting fietsen, wat tot boosheid leidde van een speedpedelecer die uit de andere richting kwam. Ik riep sorry, maar hij was al aan het centraal station. Die dingen gaan snel. Bij het station van Berchem aangekomen moesten we onze tweewielers parkeren en dat Velo station staat redelijk ver van de ingang. Daar vroeg een maatschappijbewuste jongeman of we een minuutje tijd hadden voor enkele vragen, maar hij zag meteen dat we gehaast waren. Op spoor 1 stond de trein ons op te wachten. Net als de conducteur. Hij zei meteen, alsof hij wist wat we gingen vragen: “Jawel. Lier, Herentals, Mol, Lommel enzovoort. Dit is hem.” Ik meende nog te vragen waarom de trein niet tot in Antwerpen Centraal reed, maar ik besloot het zo te laten. Je moet ook niet alles willen weten in het leven.

Rudi Lavreysen
26 1