Lezen

De Katrienen

Ik ben van 1977. En blijkbaar was dat hét jaar waarin half Vlaanderen dacht: we noemen ons dochter Katrien. Gevolg? Al mijn vriendinnen heten Katrien. Dat is gemakkelijk. Ge kunt u eigenlijk nooit verspreken. Maar tegelijk is het ook ongelooflijk verwarrend. Ik heb het altijd over een Katrien. En dan volgt er een onderschrift. Katrien van Wijnberg. Katrien van de Chiro. Katrien van op kot. Katrien van Antwerpen. Katrien van de lagere school. Katrien van het werk. Katrien de buurvrouw. Het is precies alsof ik een abonnement heb. De Katrienen, ze weten dingen. Ze hebben me ooit op een bijzonder elegante manier uit mijn hoofd gepraat om mijn eerste zoon François te noemen. Achteraf bekeken: waarvoor eeuwige dank. Ze vinden het ook perfect normaal dat ge in een kledingwinkel niet wacht tot het paskotje leeg is. Dan trekt ge die broek toch gewoon in het midden van de winkel aan. Wat gaan ze doen? Ze lopen een winkel binnen, zien ergens een compleet over the top bloesje hangen en zeggen: "Katrien, uw naam staat daarop." En meestal hebben ze gelijk. Ze weten dat ge van porto heerlijke sangria kunt maken. En dat is écht waar! Ze weten dat ge een hele maand kunt verkondigen dat ge absoluut nog eens naar de Opaalkust wilt, om uiteindelijk met veel enthousiasme een hotel in Namen te boeken. Omdat dat op dat moment ook een uitstekend idee leek. Ze weten dat ge tijdens een uitstap ergens in de namiddag een pannenkoek moet eten. Niet omdat ge honger hebt, maar omdat het anders voor niemand nog gezellig wordt. Ik ga geen namen noemen.  Ze waren erbij toen ik dacht dat ik misschien zwanger was. Ze bladerden mee door de lijstjes met babynamen alsof zij uiteindelijk ook een stem hadden. Ze waren erbij toen we op kot de vrolijke poetsvrouw weer eens in een deuk lieten liggen. En toen ik trouwde, maakten ze achter mijn rug een geheime fotoreportage. Niet van de officiële foto's. Wel van de blikken, de slappe lach, de gênante momenten. De echte trouw, eigenlijk. Elke Katrien haalt een andere versie van mij naar boven. Bij de ene geloof ik plots in tarotkaarten. Niet omdat ik erin geloof, maar omdat zij de kaarten legt. Met een andere laat ik mij zonder morren meesleuren naar cafés, pleintjes en verborgen hoekjes waar het leven net iets lekkerder smaakt. En in de buurt van nog een andere blijk ik ineens sportiever te zijn dan ik mezelf ooit zou omschrijven. Ze kennen allemaal de volledige Katrien. Met mijn enthousiasme, mijn chaos, mijn gepieker, mijn drama's en mijn eeuwige "wat gaan ze doen?". Ze kennen de versie die ik vandaag ben, maar ook degene die ik dertig jaar geleden was. Ze herinneren zich verhalen die ik zelf vergeten ben en weten soms al wat ik ga zeggen nog voor ik mijn zin heb afgemaakt. Ik gun iedereen een paar Katrienen in het leven. En misschien moeten we afspreken dat de Jannen zich gewoon aan de Jannen houden. De Patricken aan de Patricken. De Liesjes aan de Liesjes. Dat maakt het leven een pak overzichtelijker. De Katrienen zijn mijn vuurtorens omdat ze, als het op mijn zee wat woeliger wordt, me moeiteloos weer naar de kust leiden. Niet met grote levenswijsheden. Wel met een koffie, een wandeling, een tarotkaart, een pannenkoek of gewoon de woorden: "Kom, we zijn weg." Een vuurtoren neemt de storm niet weg. Hij zorgt er alleen voor dat ge, hoe hoog de golven ook zijn, altijd weer weet waar de kust ligt. Ik heb geluk met de Katrienen aan mijn kustlijn. 

Katrien Daniels
110 3

Voor vorst, voor vrijheid en voor recht

Ik ben geen voetballiefhebber. Nooit geweest. Sterker nog: het geluid van een voetbalwedstrijd op televisie behoort voor mij tot de top drie van de auditieve foltertechnieken. Een commentator die moeiteloos tweeëntwintig namen uit zijn mouw schudt alsof hij met al die mannen samen op internaat heeft gezeten. Die typische voetbalintonatie waarbij zelfs een inworp klinkt alsof de wereldvrede ervan afhangt. Op de achtergrond tienduizenden supporters die al negentig minuten dezelfde klinkers staan uit te rekken. Er zijn maar twee geluiden die ik nog erger vind: een Formule 1-race op televisie en een jengelend kind op een vlucht van drie uur na een veel te korte nacht. Voetbal is dus, laat ons zeggen, niet mijn habitat. Behalve tijdens een WK. Dan gebeurt er iets vreemds. Plots heb ik een mening over een gele kaart voor Brazilië. Maak ik me zorgen over de blessure van een middenvelder van wie ik vijf minuten eerder het bestaan niet kende. Ik zeg zinnen als: "Die had hij toch moeten laten staan." Alsof bondscoaches al jaren op mijn analyse zitten te wachten. Ik blijf op om "de Belgen" te zien, ook al moet ik de volgende ochtend gewoon werken. Ineens weet ik tegen wie we beter wel of beter niet uitkomen in de volgende ronde. Ik betrap mezelf erop dat ik "we" zeg, terwijl mijn grootste sportprestatie van de voorbije maand erin bestond de trap op te lopen zonder mijn boodschappentas neer te zetten. Een WK doet rare dingen met een mens. Zelfs met een cultuurmens. Misschien hou ik uiteindelijk zelfs niet het meest van het voetbal. Misschien hou ik van alles errond. Van pleinen die vollopen. Van cafés die ineens vreemden samenbrengen. Van buren die elkaar plots high fives geven terwijl ze de rest van het jaar niet verder komen dan een beleefd knikje. En vooral van de volksliederen. Het kippenvelmoment van de match.Geef mij maar die paar minuten voor de aftrap. De Spaanse hymne, die het zonder woorden moet doen en daardoor misschien net alles zegt. De Marokkaanse, waardig en ingetogen. En dan de absolute klassiekers: de Marseillaise, God Save the King en The Star-Spangled Banner. Liederen die zelfs zonder stadion al iets groots oproepen. En dan ons eigen volkslied. Voor Vorst, voor Vrijheid en voor Recht. Ik zing nooit verder dan die ene regel. Omdat ik de rest niet ken. Zoals de helft van het land, vermoed ik. Misschien is dat ook het mooie aan een WK. Dat ge een maand lang ergens bij hoort zonder dat ge de spelregels helemaal begrijpt. En dat zelfs mensen zoals ik, die elf maanden per jaar zweren dat voetbal hen koud laat, zich ineens luidop afvragen of de bondscoach niet beter wat vroeger had gewisseld.

Katrien Daniels
49 1

hoe een pvda er denkt.

Ik had het er een paar jaar geleden over met een oud-Amadees, nu een PVDA'er. Ik zei tegen hem: "Jullie weten niet hoe een arbeider denkt." Hij was in zijn gat gebeten, zoals dat heet. Hij vond dat ik juist niet wist hoe een arbeider denkt. Hij wist het zogezegd wel, omdat hij een tijdje in een fabriek was gaan werken.Ik daarentegen ben op mijn 14e in een fabriek beginnen te werken. Vanaf mijn 21e als vrachtwagenchauffeur. Op mijn 29e maakte ik mijn eerste kunstwerk: een alternatieve ontmoetingsplaats voor de lgbtqia+-gemeenschap. Na tien jaar, op mijn 39e, ben ik weer op de camion gesprongen tot aan mijn pensioen.Volgens de PVDA'er was ik een anarchist en wist ik niet hoe een arbeider denkt. Daar stopte het gesprek. En toen ontvriendde hij mij. Toen ik zestien was en al twee jaar als arbeider in een fabriek werkte, hadden de Amadezen mij gevonden in de jeugdclub die ik destijds bezocht. Ze stelden me voor om deur aan deur te gaan om de voordelen van de revolutie met andere arbeiders te delen. Zo stond ik op een bepaald moment voor een arbeider die zijn auto stond te wassen voor zijn sociale woning. De student, een vurige Amadees, was met me meegekomen. Later vermoedde ik dat hij me moest controleren. Opeens begreep ik het. Die student was opgegroeid in een groter, vrijstaand huis met een enorme tuin eromheen. Hij werd rondgereden in een veel grotere auto, waar hij de opvoedingsregels van zijn ouders moest volgen. Misschien haatte hij hen wel. Ik ben het geklaag over het 'monster' dat kapitalisme heet grondig beu. Men blijkt te vergeten dat de emancipatie van de lgbtqia+ gemeenschap is begonnen in het meest kapitalistische land ter wereld. Ook de aanzet tot natuurbescherming vond daar plaats. Zelfs de armoede is wereldwijd massaal verminderd. Zo kelderde de armoede in China pas nadat het land het kapitalisme invoerde. Wat Cuba betreft, is het bijna misdadig dat men nog altijd weigert toe te geven dat het systeem daar totaal mislukt is. Maar volgens de aanhangers ligt dat niet aan hun eigen systeem, maar aan hun grote, kapitalistische buurman. Hoe blind kun je zijn? Iedere Amerikaan herinnert zich nog hoe ze leerden te schuilen onder de tafel bij een atoomaanval, toen Cuba Russische atoomraketten stationeerde. Misschien vergeven, maar niet vergeten. LEEF  In de oudheid had de mens angst voor de natuur. Hij aanbad die natuur zelfs. Tijdens de industriële revolutie wilde de mens de natuur echter overheersen. Nu weten we dat we geen angst hoeven te hebben, maar ook dat we de natuur niet kunnen controleren. Dus zullen we ermee moeten leren leven.   **************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
60 0

Het heeft een naam!

Ik wist het niet, maar dat kleine steentje dat af en toe nog eens tegen mijn hart tikt, heeft blijkbaar een naam. Ik las het in de Flair. Ik geef toe: niet de eerste plek waar ik levenswijsheid verwacht. Tussen de zomerjurken, hydraterende serums en de vraag welk type barbecuegezel ik ben, stond ineens een woord waarvan ik dacht: verdorie... dat ken ik. Vriendschapsverdriet. En plots viel er van alles op zijn plaats. Ik dacht altijd dat dat gewoon hoorde bij ouder worden. Dat er onderweg mensen uit uw leven verdwijnen. Niet omdat ze sterven. Niet omdat ge hen niet meer graag ziet. Maar omdat ge elkaar ergens, tussen een misverstand en een stilte, gewoon bent kwijtgeraakt. Maar dat waren geen gewone mensen. Dat waren die twee handen op één buik. Mensen die wisten waar ge uw reservesleutel verstopte, hoe ge uw koffie dronk en waarom ge nooit een Viennetta kon laten liggen. Mensen die ge om drie uur 's nachts mocht bellen zonder eerst te beginnen met: "Sorry dat ik stoor." Mensen die zagen dat het niet goed ging nog voor ge zelf wist waarom. Met wie ge de chronische aandoening FOMO bestreed door gewoon overal samen naartoe te gaan. We zongen liedjes die veel te luid klonken. We deden zatte handenstanden tegen een muur. We verbeterden de wereld tussen twee pinten door alsof iemand daarop zat te wachten. We lachten tot onze buik pijn deed. Het leken toen gewone avonden. Maar het waren liefdesverklaringen. Niet de romantische soort. De andere. En dan wellicht één verkeerde zin. Ge zei net iets te eerlijk wat ge van zijn nieuwe job vond. Of hij maakte een opmerking over uw kinderen waarvan ge dacht: dat had ge echt niet moeten zeggen. Ge wordt boos. Ge zwijgt. Ge denkt: dit waait wel over. Hij belt wel. Of ik bel morgen wel. Ge kent elkaar al zo lang. Dit kan toch geen einde zijn? Maar dagen worden weken. Weken worden maanden. Maanden worden jaren. En op een bepaald moment is er geen ruzie meer. Alleen stilte. Laatst zag ik hem terug. Ik herkende hem meteen. Nog altijd dezelfde geruite hemdjes. Nog altijd een pet op zijn hoofd. Hij was wat uitgezet. Maar wie is dat niet op onze leeftijd? Zijn lach was nog exact dezelfde. Hij zag mij ook. En dat was het. Terwijl ik eigenlijk wilde vragen hoe het nu met die nieuwe job ging. Of die dakgoot eindelijk vervangen was geraakt. Dat zal ondertussen wel. Dat is intussen vijf jaar geleden. En leeft uw dikke, stinkende schildpad eigenlijk nog? En hoe het met de liefde ging, dat ook.  Ik wilde vertellen dat ik nog altijd dezelfde ben. Of toch bijna. Dat de scherpe kantjes wat afgesleten zijn. Dat de nachten minder wild zijn geworden. Dat mijn chronische aandoening FOMO nog af en toe de kop opsteekt. En dat ik soms nog aan ons denk. Aan hoe vanzelfsprekend wij waren. Hij verdween weer tussen de mensen. Ik bleef nog even staan. Ergens tussen de muziek, de pinten en de gesprekken liep een leven dat we ooit samen hadden. We schrijven romans over de liefde. We maken films over de liefde. We zingen over de liefde. We verklaren de liefde. We vieren de liefde met bloemen, ringen en trouwfeesten. Over vriendschap zijn we opvallend zuinig. Terwijl sommige vrienden langer blijven dan geliefden. Terwijl ze mee aan uw bed zitten na een operatie, uw verhuis helpen doen, uw kinderen zien opgroeien en zonder veel woorden weten wanneer het niet goed gaat. Vriendschap is een bijzondere manier van iemand graag zien. Misschien beseffen we dat pas wanneer er een stoel leeg blijft aan tafel waarvan niemand ooit had gedacht dat die leeg zou komen te staan. En, nog altijd, als ik in de diepvries een Viennetta zie liggen, denk ik aan hem. En blijkbaar bestaat daar dus een woord voor.

Katrien Daniels
149 4

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 2: De eerste ochtend

Hoofdstuk 2: De eerste ochtend   Ik moest om kwart voor vier ’s morgens aan het postkantoor staan. Dat is geen sinecure en het kwam er dan nog eens bij dat het putje winter was. Ik bekijk alles echter pragmatisch en maak me de bedenking dat zij het niet kunnen maken géén verwarming te hebben, wat wel het geval was in mijn kamer. Op mijn bed lag immers boven het laken nog een wollen deken en daarboven nog een donsdeken, en nog had ik het koud. Dat kwam niet alleen door het ontbreken van centrale verwarming, het gat in het raam speelde ook een rol. Ik stond op rond drie uur, want het kantoor was nog geen kwartier rijden, zelfs niet met lood in de schoenen. Pa had de kwalijke gewoonte het huis bij elkaar te brullen als iemand moest opstaan, maar alleen als het om werken ging. Was het voor iets academisch, dan moest je zelf maar uit je nest zien te geraken. Of liever niet, eigenlijk, want in dat huis wordt gespuwd op alles wat maar een beetje naar kennisvergaring rook. Toen ik naar beneden kwam, had hij al een verkreukeld blikje Jupiler naast zich staan, op de tafel. Er waren ook al drie sigarettenpeuken aan het smeulen in de asbak. Hij keek me aan en leek haast te lachen. Denk ik, want ik heb hem zelf nog maar weinig zien lachen in de negentien jaar dat ik hem ken. Hij haalde een schriftje met daaraan een pen aan bevestigd tevoorschijn. ‘Hier,’ zei hij met dezelfde grijns, ‘houdt dat maar goed bij. Ge moet geen leesboek meepakken naar ’t werk, maar ge gaat wél mogen schrijven. Ge doet dat toch zo graag?’ Ware het niet van de lauwe biergeur uit zijn mond, ik had het misprijzen zo in zijn woorden kunnen proeven. Hij gooide het boekje op tafel en smeerde verder zijn boterhammen. As van zijn sigaret viel op de smeerkaas waarmee hij het brood beboterde maar dat scheen hem niet te deren. Hij ging ook vlot van confituur naar boter naar chocopasta, zonder zijn mes schoon te maken. Voor mij zullen het dus boterhammen met niets worden. Ik prop ze samen met een potje yoghurt in de pastelgroene brooddoos die gedurende mijn secundaire schoolcarrière al zijn nut had bewezen en nog lang niet op pensioen mag gaan. Het ding blijft de stille getuige van de neergang zonder opkomst van zijn eigenaar. Maar kan je wel een eigenaar zijn van iets dat je geen frank heeft gekost? De portokosten van de opgestuurde spaarkaart naar de commerciële dienst van de lokale koekjesfabriek en de kosten om het ding toegestuurd te krijgen daargelaten? Ik mag het hopen, anders ben ik eigenaar van bitter weinig. Vele van mijn weinige boeken heb ik immers verdiend met schrijfwedstrijden hier en daar. Ik werd wel nooit eerste maar vaak viel er wel een boek voor de tweede van de stapel die de eerste mee naar huis nam. We gingen samen naar het werk – hij nam me vooral mee omdat hij zeker wou zijn dat ik niet plots het hazenpad zou kiezen. Allebei op de fiets. Hij op zijn dienstfiets van De Post zelf, ik op die die ik vier jaar geleden kreeg als nieuwjaarscadeau. Het ding was groen-wit-roze, want het waren toen nog de jaren negentig. Het was stikdonker en berekoud. Hier en daar was er een lichte hint van sneeuw, van die kleine poedertjes, niet groot genoeg om een vlok genoemd te worden. Toch waren we niet alleen op baan – vele traiteurs hadden hun familieleden opgetrommeld om de eerste “pla’s” bij de vroege vogels te kunnen afleveren. En of ik veel vogels gezien heb. Het Groeningemonument zat er zwart van. Veel tijd had ik niet om van de schoonheid te genieten, want toen ik me de bedenking maakte, was ik al de Veemarkt voorbij en reed ik omhoog langs de Sint-Janslaan. Dan rechts en we arriveerden aan het postkantoor. Toen ik klein was – afijn, jonger – kwam ik er soms wel eens om in het restaurant van het postkantoor te eten, als ik met ma op pad was. Toentertijd kon je in het restaurant van De Post heel goedkoop, heel lekker en heel veel eten, zolang je een band met de openbare dienst kon aantonen. Maar de plaats waar mijn leven zich voortaan vaak zou afspelen, de postmannenzaal, die had ik behalve eens vluchtig nog nooit gezien. Het eerste wat mij opviel waren de grote, zware deuren, precies deuren van een gevangenis, die de mannen moeten binnenhouden. Ik dacht aan de zinsnede van Dante toen ik er voor de eerste keer door wandelde, “laat alle hoop wegvaren, gij die hier binnenkomt”. De poorten tot de Hel. Het zag er ook zo uit. Geüniformeerde chaos, darren als in een bijen- of wespennest, de individualiteit gedood. Wolken rook van alle slag tabak kringelden in de lucht. Zeker de helft van de postmannen had een asbak op zijn werkpost staan – één er van was een hand met een tet in, waarop stond “ik hou van tetten en van sigaretten”. Dat was nu mijn milieu. Mijn vertrouwd milieu, zoals thuis, maar tot in het oneindige uitgerekt. Mijn ogen traanden, zij het van consternatie, zij het van de tabak, ik weet het niet. Pa distantieerde zich al gauw van mij en iemand leidde me bij mijn arm naar vooraan de postmannenzaal, als was ik een chimpansee die ontsnapt was uit de zoo en terug naar zijn kooi werd geleid, met de vinger in de mond en een banaan in de andere hand. Ik zou toegewezen worden aan een zekere Bruno, op een dienst 18. Elke dienst heeft zijn nummer en in die tijd – voor de Georoutes er flinke gaten in sloegen – liep dat van 1 tot 48 in Kortrijk.  In Heule en Bissegem, beiden in datzelfde gebouw gevestigd, respectievelijk van 49 tot 57 en van 58 dan tot 62. Zo waren de straten verdeeld onder de postmannen. Die van mij waren de buurt van het Ring Shopping Center. Veel mensen denken verkeerdelijk dat dat Kuurne is, maar niets is minder waar. Dat heb ik tot mijn scha en schande moeten ondervinden toen ik er stagiair was. Ooit nam ik de telefoon verkeerd op – het is te zeggen, ik begroette mijn gesprekspartner met “Ring Shopping Center Kuurne, goeiemorgen” terwijl dat Kortrijk had moeten zijn, wat me op een uitbrander kwam te staan. En zo keert alles terug want de eerste dag van de rest van mijn leven zou ik doorbrengen in de streek waar mijn vorig leven zich ontspon. Ik heb ook nog wat straten daarrond, het Ringerf zoals ze dat noemen en dan de Ieper- en Izegemsestraat. Bruno was een tiental jaar ouder dan ikzelf. Vol van zichzelf, letterlijk en figuurlijk. Een eerder papperig aandoende man die niet veel thuis te zeggen had en het dan maar op kantoor deed. Hij was één van de enigen die niet rookte in de rij waar ik zat en daar was ik ergens wel dankbaar voor. Hij stelde zich voor als Bruno Derycke en die zou mijn peter worden. Ware het niet dat hij het een goed jaar later zou aftrappen om kranten te gaan ronddragen. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Raf, de postbode van dienst 17 werd komisch “de Chinees” genoemd omdat hij er volgens de collega’s uit zag als een Chinees, t.t.z. hij had spleetoogjes. We hadden ook een Marokkaan, de postbode van dienst 20. Die zag er blijkbaar als een Marokkaan uit. Want zo origineel waren de collega’s wel. Zelf was ik voorlopig wel gespeend van een bijnaam, of het zou moeten te maken hebben met mijn familiebanden. De kleine van Reginald, Junior, Billy 2 enzovoort.

Miguel
0 0

Na de hittedagen.

Simultaan met het golvende pluimpje op mijn buik word ik wakker. Onmiddellijk voel ik dat mijn huid me weer als gegoten zit. Een ware verademing! De ochtend geeft me een knipoog, nodigt me uit om opnieuw deel te nemen aan de dag. Gestreeld worden mijn benen die via de trap naar beneden, naar buiten naar het midden van de tuin. Een frisse lucht walst als een dans, wikkelt zich rondom elke vorm van leven, een kleed dat zich gedragen weet. De planten krijgen weer zintuigen, de vele vogels krijgen hun partituren terug, de huppel ontwaakt in de kat en ik...ik voel me opgetild om gedoopt te worden, dit is het lichaam dat kan ademhalen zonder overmatig te transpireren, zonder te kleven. Dit is het lichaam dat mijn geest vertrouwen geeft, een diep soort geloof dat onze planeet niet zal opbranden onder de agressieve zon.   #zwembad met twee figuren   Het zwembad had altijd al een aantrekkingskracht op mij die de voorbije dagen enkel maar sterker werd. In het popart-schilderij heb ik er alle plaats die nodig is om af te koelen tijdens het trage voortbewegen onder water. In het plaatselijke bassin kwam een massa mensen aangestormd, in haast en spoed sprongen ze in het levensnoodzakelijke water. Buiten het gebouw bleef de zon met in de handen het mes en alle goesting om het gebod te kerven in mensenhuid: sterf jij stuk verderf! Van dat horrorbeeld ben ik nu en hier verlost, sinds dat ene golvende pluimpje op mijn buik toen ik wakker werd. En toch, ergens blijft de hitte nazinderen met een boodschap die ontcijferd wil worden, waar meningen zich over buigen.

Ingrid Strobbe
8 0

MY ASS.

"De herinneringen die ons het meest bijblijven, zijn gekoppeld aan sterke emoties. Als iemand dus laaiend enthousiast of juist doodziek van woede op mij wordt, is het dan niet logisch dat ik hem of haar nog heel lang zal bijblijven?" ******************************************************* https://www.2dehands.be/q/verf+ed+my+1975+rotselaar+torenhof/ *************************************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
52 1

Ik beken... ik ben een romanticus.

Ik beken. Ik ben een volbloed romanticus. Geef mij Tom Cruise. Richard Gere. De jurken van Sisi. Een paar rozenblaadjes. Een viool op de achtergrond. En voor ge het weet, heb ik in mijn hoofd al drie kinderen, een labrador en een gezamenlijke hospitalisatieverzekering. Zo erg is het. Ik geloof in grote liefdes. In blikken die alles zeggen. In handen die vanzelf in elkaar passen. In kussen waarbij ge heel even vergeet dat ge morgen gewoon weer moet gaan werken. Ik ben opgegroeid met Pretty Woman en An Officer and a Gentleman. Met films waarin het huwelijksaanzoek het einde was. De kus. De muziek. Richard Gere die glimlacht. Aftiteling. En ze leefden nog lang en gelukkig. Tenminste... dat dachten we. Want stel. Ge hebt een lief. Een goeie mens. Zo maken ze ze niet veel meer. Hij is lief, zorgzaam en attent. Hij belt om te vragen of ge veilig thuis zijt. Hij kent uw favoriete liedje. Hij onthoudt dat ge koriander lust. Hij zet de verwarming een graadje hoger nog voor ge zelf beseft dat ge het koud hebt. Ja, hij bedoelt het goed. Heel goed zelfs. Op een dag zegt hij dat ge een weekendje naar Parijs gaat. Gewoon met twee. Romantischer wordt het niet. Tot ge aan de trappen van de Sacré-Cœur komt. Daar staat een witte vleugel. Uw favoriete lied wordt gespeeld. Uw drie beste vriendinnen blijken ineens ook in Parijs te zijn, allemaal in een roze kleed. Er zijn bloemen. Champagne. Een fotograaf. Toeristen die spontaan beginnen te applaudisseren. En dan gaat hij op één knie. Ja, dat is schoon. Ja, zo maken ze ze niet meer. Ja, hij heeft weken, misschien maanden, aan dat ene moment gewerkt. Treintickets geboekt. Uw vriendinnen mee in het complot gekregen. Een witte vleugel geregeld. Ik krijg al stress van een barbecue voor acht man georganiseerd te krijgen. Maar nee. Hij mist dat ene. Dat je-ne-sais-quoi. En nee, dat zijn geen grote dingen. Hij gaat niet vreemd. Hij drinkt niet. Hij is gewoon een heel lieve mens. Maar hij kan gerust een halfuur bezig zijn over de voedingsstoffen in Nutella alsof hij een documentaire presenteert. Zijn ideeën over de klimaatopwarming zijn ronduit dom. Hij corrigeert de ober als die de naam van de wijn verkeerd uitspreekt. Hij spoelt de borden af vóór hij ze in de vaatwasser zet "omdat dat properder is". Hij leest luidop de ingrediënten op een pot confituur. Dat zijn geen redenen om iemand niet graag te zien. Maar misschien wel om er niet mee te trouwen. En daar staat ge dan. Met een witte vleugel achter u. Met drie vriendinnen die al aan het snotteren zijn. Met een fotograaf die klaarstaat voor hét beeld van de avond. Met een man die zijn hele hart voor uw voeten legt. En in uw hoofd klinkt maar één zin. Ja... Maar nee. En plots besef ik dat zo'n huwelijksaanzoek misschien helemaal niet romantisch is. Niet omdat hij slechte bedoelingen heeft. Die heeft hij niet. Hij doet alles uit liefde. Hij wil u verrassen. Hij wil u gelukkig maken. Hij wil u een verhaal schenken dat ge over veertig jaar nog altijd vertelt. Maar hij stelt u wel de belangrijkste vraag van uw leven op de enige plek waar ge ze onmogelijk eerlijk kunt beantwoorden. Want ge zegt niet alleen nee tegen hem. Ge zegt nee tegen Parijs. Nee tegen de witte vleugel. Nee tegen uw drie beste vriendinnen die speciaal de trein hebben genomen. Nee tegen de fotograaf. Nee tegen de toeristen die al staan te applaudisseren. Nee tegen een avond waar maanden werk in zit. Eigenlijk vraagt hij niet alleen: "Wil je met mij trouwen?" Hij vraagt ook: "Wilt ge alsjeblieft deze perfecte avond niet kapotmaken?" En dat is een heel andere vraag. In Hollywood is een huwelijksaanzoek het einde van de film. Kus. Fade out. Richard Gere glimlacht. Aftiteling. In het echte leven begint de film dan pas. Met hypotheken. Met schoonfamilies. Met vaatwassers. Met elkaar soms niet kunnen uitstaan. Met elke dag opnieuw kiezen. Ge trouwt uiteindelijk niet met de man die u op de trappen van de Sacré-Cœur ten huwelijk vraagt. Ge trouwt met de man die dertig jaar later nog altijd naast u zit aan de ontbijttafel. Misschien is een huwelijksaanzoek pas echt romantisch als het eigenlijk overbodig is. Omdat ge al honderd keer ja hebt gezegd. In de kleine dingen. In de afwas. In de stiltes. In de dinsdagen. Nog voor er ook maar een halve witte vleugel in beeld is gekomen. Want als ge na al dat spektakel nog altijd niet zeker zijt, dan is "ja, maar..." gewoon een nee.

Katrien Daniels
46 2

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 1: Van waar dit allemaal komt

Hoofdstuk 1: Van waar dit allemaal komt   Het begon als een vergissing. Zo begint het boek van Charles Bukowski over zijn tijd bij de Amerikaanse posterijen. Zo zou ook het mijne kunnen beginnen, al was het niet als een vergissing maar als een ongeluk – ik had werk nodig en toen vond ik werk. Wie ik ben? Jimmy Sabbe. Vervangend rekenplichtige in de kantoren van Kortrijk MC. Vierentwintig, bijna vijfentwintig jaar dienst bij de Belgische posterijen. Ik ben afgestudeerd aan een school in de Kortrijkse binnenstad, waar ik absoluut niet wou gaan, maar ja, je kent dat, het leven schopt je vaak de verkeerde richting uit. We waren net een nieuw millennium begonnen en ik wou verder studeren. Dat lag vooralsnog niet in de kaarten en ik moest werk zoeken. Ik schuimde her en der wat interimkantoren in Kortrijk af, begon als onhandige pseudo-schrijver een cursus Elektriciteit bij de VDAB – niet van ganser harte, moet ik er wel bij vermelden, want ik was zo’n beetje verplicht door mijn ouders. Pa wou me direct De Post in, net zoals hij bij mijn broer Billy heeft gedaan. Die heeft dan na een paar maanden voor de vlucht vooruit gekozen en studeert nu iets van Filosofie in Gent of zoiets. Ik hoor hem maar weinig. Ma wou vooral dat ik deed wat pa zei. Dat is zowat het nest waaruit ik kom. Ikzelf, mijn broer Billy, mijn vader Reginald, moeder Marjolein Van Suypeene en Maurits, de rosse kater die maar niet wil doodgaan. Ik zou willen zeggen dat ik ben grootgebracht door de straat maar eigenlijk valt dat wel goed mee. De Venning, aan de overkant, dáár zaten, voor de grote stadsdeelrenovatie, de zware sociale gevallen. Ons huis, dat is in de Schaekenstraat. Waar je van de Stasegemstraat naar de Leie kunt gaan, op de hoek met de Groeningekaai, daar is ‘t. Mijn jonge jaren waren getekend door familiale ruzies. Pa was immers ook postbode, eerst op de trein en dan op de fiets, omdat hij niet mocht bijtekenen in het leger, van zíjn vader, die ook bij De Post werkte. En hij wou het doorgeven aan Billy en mezelf. Ik had eigenlijk al een baan gevonden in een glasplatensnijdend bedrijf, maar ze moesten eerst nog mijn diploma zien. Alles was in kannen en kruiken, ik kon een functie op kantoor krijgen. Tot ze mijn diploma zagen. Want ik heb maar een BSO-diploma, weliswaar gelijkgesteld A2 maar het staat er op dus het blijft een BSO-diploma. Ik zou linea recta naar de fabriek zelf worden verwezen, wat ik niet zag zitten. Ambtenaar worden, dat leek me wel iets. Ik heb sowieso een levenslange fascinatie met zowel het trein- en postwezen en ma zei, als ge daar binnen geraakt, zit ge goed. Dus ik zowel voor De Post als de NMBS solliciteren en De Post antwoordde eerst. Dat is alles wat er is. Het was niet uit volle overtuiging dat ik dit deed. De idyllische wereld voorgesteld door fictie is net dat, fictie, en ik kan me niet inbeelden dat ooit iemand uit volle overtuiging zou zeggen van kijk, ik ga bij De Post gaan werken. Lang verhaal kort: ik had werk nodig en toen vond ik werk. Dat was nog een geluk – dat het later een ongeluk zou blijken, komt later nog aan bod. Eind december 2001. De kerstdagen komen weer dichterbij en we willen nog dat laagje vernis behouden dat in de jaren zeventig – ongeveer samen met het nog steeds in gebruik zijnde fonduestel – op de familie werd aangebracht. En dat betekent dat eerdergenoemd fonduestel terug van stal mag worden gehaald. Afijn, moet, want geen van ons drieën wil het écht. Ma wil de kruiswoordraadsels van de Libelle en Flair Kerstspecials oplossen en op een treffelijk uur naar boven gaan om te slapen. Vrij van onze pa, die beneden wil blijven en de ene pijp na de andere wil volproppen met zijn grove sneetabak en die, terwijl hij die oprookt, zich wil volgieten met de goedkope sterke drank van de lokale discounter. Ikzelf zit te bladeren in één of ander magazine dat ons ma heeft meegebracht van bij één van haar vele doktersvisites – de tere gezondheid zit haar in de familie. Ik zit op mijn kamer met de rolluiken naar beneden, ook al is het nog klaarlichte dag. Het zou één van de laatste klaarlichte dagen zijn die ik op die kamer in máánden zou doorbrengen, want in het begin werkte ik bij De Post van ’s morgens vroeg tot letterlijk ’s avonds laat, hopende dat ik ooit eens het kantoor “op tijd zou kunnen vervoegen” zoals een leidinggevende ooit op een model 9 heeft geschreven. Wat een model 9 is, ook dat komt later aan bod. Op mijn kamermuur stond over de volledige lengte de zinsnede van op het graf van Maurice Gilliams, namelijk “de onrust schenkt vleugels aan de verbeelding”, iets wat ik er in een duisterder emo-periode (avant la lettre) met alcoholstift had opgeschreven. Er was geen geld voor verf of behangpapier, dus betaalde ik met een blauw oog. Bij ons op school moeten ze vast gedacht hebben dat we massief eiken kasten hadden, waar ik steevast tegenaan liep, in plaats van de spaanderplaten afdankertjes die her en der in het huis staan. Het lijkt alsof die zinsnede ogen heeft en mij veroordelend zit aan te staren, alsof het ding wéét dat het zich in het leven roepen misschien  de meest rebelse daad is die ik ooit had gesteld, een opflakkering van individualisme die nu langzaamaan door het postbedrijf zal worden afgevlakt tot conformiteit, als ik voor de testen slaag tenminste. Zo verging het ons meestal, of het nu eindejaarperiode was of niet. De dag daarop, ergens eind december, zou ik naar Brussel gaan om de testen voor postbode te gaan maken. Ik had er eigenlijk niet zo veel zin in, maar als ik een eigen mening wou, moest ik maar doen als Billy – ik wist het gat van de timmerman zijn. Het gat van de timmerman is de voordeur. Het waren de laatste dagen van mijn zorgeloze adolescentie, die toch maar erg kort had geduurd. Mijn studiegenoten van het secundair kregen uitstel tot executie van wel drie tot soms vijf jaar en meer, maar voor mij was de bittere realiteit zo dichtbij dat ik diens hete adem kon ruiken en het rook niet al te fris. Een beetje zoals Roger, mijn grootvader en de vader van mijn vader. Roger Sabbe, nu reeds een paar jaar overleden, was een man die uit vierkanten leek te bestaan, een illusie niet geholpen door het constant dragen van geruite houthakkershemden en brillen met vierkanten monturen. Die werd iets verderop in het WZC De Korenbloem verzorgd in afwachting van zijn voor velen niet te vroege heengaan. Net zoals pa ma en mezelf onder de knoet probeert te houden met veelvuldig gebrul had ook pepe Roger daar wel een handje van weg. Inclusief op zijn eigen zoon, die het vaak te verduren kreeg als er geen jonge verpleegster was op wie hij zijn frustratie kon botvieren. Talloze dessertjes zijn zo al tegen het raam gekwakt.

Miguel
5 1