Lezen

4 gezonde gewoontes om de klopgeesten gunstig te stemmen

“Pieter, wat heb jij gedaan om al die dwanggedachten, traumatische herbelevingen, paniekaanvallen en nachtmerries te bedwingen? Om maar te zwijgen over de insomnia, rusteloze benen, hartkloppingen, trillende oogleden en klopgeesten waar je zoveel lange jaren onder gebukt bent gegaan?” Hoewel ze uiterst relevant is, krijg ik die vraag maar zelden te horen. De waanzin staat dan ook niet in mijn aangezicht gekerfd. Ik loop niet rond met een aluminiumhoedje en in mijn staart willen bijten heb ik al lang afgeleerd. Hoogstens zie ik er een beetje verward uit. Waanzin is bovendien erg betrekkelijk. Hij heeft me vaak bedreigd, maar heeft me nooit verschalkt. Hoe heb ik dat gedaan? Door gewoontes te kweken die duidelijke grenzen markeren. De levenskunst is vooral de kunst om afstand te bewaren. Als twintiger was ik getuige van twee profetieën. De eerste kwam uit de mond van een oude vriend die me tijdens een kotfeestje toevertrouwde dat ik ofwel in een psychiatrische instelling zou belanden, ofwel succesvol zou worden. Het eerste deel van zijn voorspelling bleek wonder boven wonder uit te komen. Tijdens dat verblijf van elf maanden hoorde ik een tweede profetie, ditmaal afkomstig van een manische oud-tv-producer die voorzag dat ik voor mijn 50ste beroemd zou worden. In de 11 jaren die mij resten voor ook deze profetie bewaarheid wordt, tracht ik het hoofd koel te houden door vast te houden aan 4 gewoontes die mij beschermen tegen een al te grote portie euforie of naargeestigheid. 4 gewoontes die mij de gulden middenweg tonen, maar me tegelijk leren om de matigheid slechts met mate te bedrijven. Voor ik het weet belichaam ik immers de levensfilosofie die spreekt uit het griezelige klankexperiment dat Radiohead verstopte in het midden van hun magnum opus O.K. Computer: "Calm, fitter, healthier and more productiveA pig in a cage on antibiotics." Gezonde gewoonte 1: WandelenDe gezondheidsvoordelen van wandelen zijn legio. Zelfs in de grootstad waar ik woon, loont het de moeite om af en toe de benen te strekken en naar buiten te gaan. Al lijkt dat niet zo evident wanneer ik mij tijdens het strekken van mijn benen en het klaren van mijn hoofd een weg baan door slenterende dagjestoeristen, bizarre zigzagbewegingen maak om contact met fondsenwervers te vermijden of de neiging onderdruk om opgesmukte dames in bontmantels, gehuld in een misselijkmakende wolk van parfum en luid kakelend ter bevestiging van hun plaats in de pikorde (die ze louter danken aan het salaris van hun echtgenoot), in hun nek te fluimen en vervolgens keihard op hun enkels te stampen, zodat het de laatste keer is dat ze eenieders, maar vooral mijn pad blokkeren. Toch brengt wandelen rust in mijn hoofd. Al zijn de gezondheidsvoordelen groter als ik het vroeg in de ochtend doe, wanneer de dagjestoeristen nog in de file staan, de fondsenwervers nog liggen te stinken in hun studentenkamer en de madammen met een bontjas druk bezig zijn met het maken van hun toilette. Gezonde gewoonte 2: BiddenJa, bidden! Dat had je niet verwacht, hè? Ik heb geen idee of bidden een positief effect heeft op de gezondheid. De harde supporterskern van God zal beweren van wel. Voor hen is zo ongeveer alles een straf, beloning of als straf vermomde beloning van de Heer. Zo werkt het bij mij niet. Bij mij is het eenvoudig, zij het misschien een tikkeltje infantiel. Ik ben een mens en zoals elke mens verafschuw ik eenzaamheid. Daarom smacht ik naar de andere. Tegelijk ben ik soms het meest eenzaam in de nabijheid van die andere. Wat dat betreft, ben ik niet zo uniek. Mensen zijn in weinig dingen gelijk, behalve in hun kwetsbaarheid. Alleen al daarom is godsdienst zo hardnekkig uit te roeien. Gerard Reve sprak in dat verband over “de onvolmaaktheid van de menselijke liefde en onze totale afhankelijkheid van Gods genade”. Zelfs mensen die zichzelf graag wijsmaken dat de dood hen geen schrik aanjaagt, kunnen hun voordeel doen met bidden. Bidden bestaat uit drie momenten: dankbaarheid voor wat goed gaat, berouw voor het slechte en een wens om het beter te doen. Bidden is geen zelfkastijding, al nemen vrij veel gelovigen wel eens graag die afslag in een vlaag van sadomasochistische geloofsijver. Bidden is eerder een moment om uit te stijgen boven jezelf, een uitnodiging tot excellentie en tegelijk een zelfrelativering van die betrachting. En wat als God niet antwoordt? De vraag is vooral wat je verwacht van God. Wie een soort Disneyland van de ziel verwacht, komt bedrogen uit (of moet lid worden van de Pinkstergemeenschap). Wie inzicht nastreeft, krijgt altijd antwoord. Ooit. Gezonde gewoonte 3: KakkenKakken is niet alleen een noodzakelijk fysiologisch proces, maar ook een moment voor mezelf. Het is een dagelijkse zuiveringsritueel, waarin het lichaam zichzelf reinigt en samen met excrementen ook zonden en angsten uitdrijft. Wie zichzelf ontlast, gaat lichter, bijna dansend, door het leven – of toch minstens gedurende de volgende 10 minuten. Alles welbeschouwd, is kakken de meest basale uitdrukkingsvorm van onze geestelijke nood. Volgende! Gezonde gewoonte 4: Uit de bol gaanGezonde gewoontes zijn belangrijk: niet roken, voldoende water drinken, elke dag groenten en fruit op het bord, voldoende lichaamsbeweging, constructieve gesprekken met kennissen en collega’s en blablabla. Maar om te vermijden dat je wordt zoals het gekooide zwijn uit dat Radiohead-nummer, moet je soms de teugels laten vieren. Soms moeten lichaam en ziel uit evenwicht worden gebracht. Ja, je kan dat koppelen aan een gezonde levensstijl. Voorafgaand aan een marathon volg ik een Spartaanse training en let ik extra op voeding en slaap, maar de marathon zelf is een uitputtingsslag waarin je grenzen overschrijdt. Maar wat ik eigenlijk bedoel met ‘uit de bol gaan’ is dat je al het nuts- en prestatiedenken nu juist laat varen. Je kan ook gewoon eens een keer lachen, vreten en zo hard feesten dat de buren de politie opbellen. Je moet jezelf verliezen om jezelf te vinden. Dat geldt evenzeer voor ons godsverlangen als voor ons verlangen naar seks, lekker eten en roes. Laat je dan gewoon alle grenzen varen? Ja en nee. Uiteraard moet je grenzen bewaken. Niemand wil het meemaken om 9 maanden na het kerstfeest plots vader te blijken van de dochter van zijn nicht. Het eigene aan de goed geplande roes is dat je niet goed weet waar de grens ligt, maar wel wanneer je erover gaat. Al geschiedt dat jammer genoeg wel eens met enige vertraging. Vandaar dat het belangrijk is dat deze gewoonte (namelijk de mentale en lichamelijke ontregeling, niet het bezwangeren van familieleden) nooit helemaal een gewoonte wordt. je doet het hoogstens een paar keer per jaar. Krijg je niet genoeg van mijn onwijze levenswijsheid? Lees dan ook deze artikels: 11 levenslessen die ik hoopte eerder te leren: “Zelfrealisatie is zelfverraad.” 5 alledaagse dingen die me gelukkig maken Pieter Van der Schoot Deze tekst verscheen eerder op Observaties uit het ondermaanse.

Pieter Van der Schoot
26 1

Nino (2)

Bubus’ café was een bruine kroeg waar de gemiddelde leeftijd boven de veertig lag. Ik was zestien toen ik er voor het eerst belandde. Mijn klasgenoten droomden eerder van ‘hard-rockcafé’s in Singapore of Londen, hoewel de meesten hoogstens een paar weken met hun ouders naar Toscane of Zuid-Frankrijk trokken in de zomer, althans zij die er het geld voor hadden. We keken op naar onbereikbare sterren, experimenteerden met haarmascara, scanden jongens op romantisch potentieel. Maar populariteit was een kastensysteem: één procent beeldschone meisjes oefende een magnetische kracht uit op het gros van de jongens. Die laatsten verdrongen elkaar om dichter bij een goddelijk perfect, en in mijn ogen dus oersaai, meisje te raken. De capsones van die steeds zelfgenoegzamere schoonheden namen ze voor lief. Had je het slechte lot getrokken, dan zat je je hele schooltijd op de reservebank van de liefde. Ik zag hoezeer andere meisjes zich dubbel plooiden om hogerop te raken in de populariteitspoll. Zelf weigerde ik op dieet te gaan of mijn zwembandjes eraf te trainen, strakke kleedjes aan te trekken of voetbaluitslagen van buiten te leren. In plaats daarvan zweerde ik alle conventies af, liep tot ergernis van mijn ouders rond in veel te wijde broeken en tweedehandstruien met gaten. Hevig stampend op de trappers fietste ik de stad uit, op zoek naar een wereld die zo veel mogelijk verschilde van de mijne.  Amper twee kilometer verder bolde ik Deux-Acren binnen langs een holle weg, en ik herinnerde me hoe Romeinse soldaten de tegenpartij in een hinderlaag lokten in die natuurlijke loopgraven. Ik trapte hard om de gedachte aan de lessen Latijn van me af te schudden. Maar de wegwijzer dwarsboomde dat plan en afficheerde ‘Lessen’. Dan hield ik meer van de Franstalige naam Lessines, en van Deux-Acren, Silly, Soignies … Elk Frans woord proefde als een nieuwigheid. Het was zo rustig in de streek dat ik me met gemak kon inbeelden dat ik er de eerste toerist was. Minutenlang nam ik het landschap in me op, het hoge maïs maakte een gang van de weg tussen de velden. In een tuin zag ik een zelfgemaakte vogelverschrikker en een porseleinen toiletpot, wat verderop een villa met een buitentrap aan weerszijden, zodat boze echtelieden elk aan één kant uit hun huis konden ontsnappen. In het eerste dorp kocht ik een blik cola bij een kruidenier. Terwijl ik het lipje van het colablik haastig open trok en de koele drank zo gulzig naar binnen slokte dat mijn ogen er vochtig van werden, luisterde ik naar de praatjes van de klanten. Op mijn fiets herhaalde ik zinnen die ik had gehoord. ‘Elle a vu mon frère, elle m’a dit, avec une blonde, tu t’imagines pas…' ‘Tu rêves’, zei Nino. Het was waar en het paste niet bij de ernst van Bubus overlijden, hoewel Nino mijn dagdromen vroeger fijn vond, op welk moment ze me ook overvielen. Alleen aan hem durfde ik mijn gekke fantasieën vertellen. Samen breiden we er een vervolgverhaal aan. Nu vertelde ik hem over de herinnering aan mijn eerste fietstocht naar het café, hoe haarscherp de huizen en het landschap me voor de geest kwamen. Bubus en zijn stamgasten verzaakten aan de eerste lentezon om een voorjaarskoers te volgen in het café. De massieve houten toog en de hoppige geur van bier gaven je een verzadigd gevoel dat beter paste bij de winter dan bij de lente. De muren van het café waren een golfbreker voor de kreten van de stamgasten, telkens als er een wielrenner demarreerde. Door de open deur gluurde ik naar binnen. Niemand zag me, de klanten hadden hun stoelen allemaal naar de tv gericht. Bubus’ oude kijkbuis hing zo hoog aan de muur dat ze schildpadjes leken die hun neus boven de waterlijn staken. Straks zouden ze allemaal nekpijn hebben. Een nasale commentator holde op tv de feiten achterna: coureurs, démarrage, chasse-patate, arrivée, oui, c’est Valverde, Valverde qui a gagné. De stamgasten zuchtten: ‘Ce putain de Valverde, il est trop fort.’ Ze waren fan van Philippe Gilbert. Pas toen ze elkaar het einde van de wedstrijd nog eens hadden verteld, kon ik bestellen.  ‘Je n’ai plus de coca. Un seven-up. Ca te va?’ vroeg de cafébaas me.  ‘Un sept-up,’ zei de vrouw bij het eerste tafeltje. ‘Tu parles français?’ vroeg ze wantrouwig. Ik knikte en legde de muntstukken voor mijn sept-up in de mollige hand van de cafébaas. ‘N’y fais pas attention, on accepte tout le monde ici.’, stelde hij me gerust, ‘Même les chiens.’ Hij knikte in de richting van een pluizig hondje dat af en toe een wenkbrauw optrok om zich ervan te vergewissen dat niemand hem een trap zou geven. Het hoorde bij een oudere vrouw die ook op deze warme lentedag een wollen gilet droeg. De zakken van de bleke trui waren zozeer uitgerokken dat ze iets vleselijks kregen. Af en toe stak ze haar hand erin en duikelde een snoepje op voor de hond. Haar man zette een kelk bier aan zijn mond, een schuimlaag bleef achter op zijn bovenlip. Hij likte ze weg. Toen ik de cafébaas mijn geld overhandigde en met mijn seven-up naar buiten wou, zong hij uit het niets: ‘Qu’est-ce qui m’arrive aujourd’hui, je suis amoureux de ma femme!’ Ik wist niet wat hem overkwam. ‘Et t’as même pas de femme,’ lachte een vrouw aan het eerste tafeltje luid.  ‘Il rêve,’ zei één van de mannen aan de biljarttafel, ‘ça fait pas de mal de rêver.’ De cafébaas drukte een toets in op de juke box, we hoorden het lied van een man die steeds vreemd ging, tot hij verliefd werd op zijn eigen vrouw. Richard Anthony, las ik op de juke box. Op de toog kleefden citaten van de stamgasten: ‘Nous sommes des hommes, pas des omelettes. M.’. of ‘J’ai commencé à chanter en 1985, j’ai arrêté en 1992. T.’. Een paar weken na mijn eerste bezoek waren de stamgasten verwikkeld in een discussie over de job van een man die Tristan heette. “Maar wat doe je dan precies als ‘Technicien de purification, ben je een goeroe misschien?’, schaterde Michel, een kale man met een dikke baard. Tristan, een wat benige kerel die er door zijn gegroefde gezicht en groene, levendige ogen zowel oud als jong uitzag, verdedigde zich. Hij deed heus meer dan poetsen bij het farmaceutische bedrijf in de buurt.  ‘Je zal veel werk hebben om ons puur te krijgen! De zuiverste van al, is ‘notre Léa’,’ lachte Nadia, een vrouw die op een mooie manier goed in het vlees zat. Ik vatte het niet op als een compliment, ik wou zo snel mogelijk van mijn naïeve status af. Maar ik wist ondertussen dat Nadia het niet kwaad bedoelde.  ‘En wat verkoop jij eigenlijk aan de telefoon?’, plaagde Tristan haar terug. Nadia was verkoopster geweest in een kousenwinkel ‘de haute qualité’, niks in China gemaakt. Maar de mensen kochten steeds meer brol, kloeg ze. De zaak ging op de fles en stond leeg. Nu werkte ze in een callcenter voor een energieleverancier, sleet ze contracten aan mensen die daar niet om vroegen. Tientallen keren per dag kreeg ze een ‘non, merci’. Haar pauzes werden gemonitord en ze vreesde dat ze niet genoeg verkocht om te mogen blijven.  ‘Tout le temps au téléphone sans voir les gens,’ kloeg ze.  ‘Hier zie je ze, maar wil je dan nog met ze praten?’, lachte Michel.  Hij was ‘électricien’, en bijzonder fier op zijn baan. ‘Je bent onmisbaar, al beseffen de mensen dat niet altijd.’ Hoe de stamgasten continu over ‘les gens’ praatten als de basis van de saus, vertederde me. Soms hadden ‘les gens’ geen goed begrip van de dingen, de andere keer werden ze zelf niet goed begrepen, maar altijd stonden ze bovenaan de lijst in het café.  ‘Als het licht uitvalt of de koelkast niet mee wil, dan moeten we er meteen staan,’ ging Michel verder, ‘liefst de dag zelf. Dan zeggen ze, zonder u was ik niks.’  ‘Al goed, al goed’, zei Nadia en ze veegde de bovenkant van haar vingers een paar keer onder haar kin, een teken dat Michel aan het opscheppen was. Maar hij was niet te stoppen.  ‘De elektricien zal nooit verdwijnen, het is een vak dat al decennia teruggaat tot…’ ‘De Middeleeuwen’, lachte Nadia. ‘Pas maar op dat ze weer niks anders uitvinden’, zei Tristan, ‘een nieuwe technologie, dan ben je je baan ook kwijt.’ ‘Cafébazen, dat zijn de enige blijvers’, besloot Bubus.  ‘En hoeren’, zei Michel, waarop Nadia hem met een los handje op zijn kale hoofd sloeg. Bij het gordijn volgde een jongen, de enige van mijn leeftijd, het schouwspel. Ik wist alleen dat hij Nino heette.  Hun woorden hadden niks revolutionairs, maar niemand probeerde me er op te voeden. Ik was voor het eerst gelijkwaardig onder volwassenen, onder mensen die bovendien niks verbloemden. Ik observeerde gretig wat hen bezielde. En wanneer ik moeizaam Franse woorden bijeen harkte om over vrienden of de school te vertellen, scheen ik beter te begrijpen hoe ik zelf in elkaar zat.  Na een vijftal bezoekjes aan zijn kroeg, noemde Bubus me Mistinguett en zette hij een 7-up klaar terwijl ik mijn fiets nog aan het stallen was. Aan zijn pretogen wist je dat hij een grapje achter de hand had. Als iedereen in de loomte van de namiddag verzonken was, haalde Bubus een zak appels tevoorschijn en riep ‘Chihuahua’ naar het liedje van DJ Bobo. ‘C’est l’heure de la pomme,’ bromde hij. Hij schilde de appels en sneed ze in partjes voor de stamgasten. Aan elk van hen deelde hij ze uit, als een persoonlijk geschenk.  Dit is een fragment uit 'Nino'. Lea en Nino reizen per tractor naar de begrafenis van Bubus, een oude vriend. Meer dan tien jaar geleden leerden ze elkaar kennen, in de grensstreek tussen Oost- Vlaanderen en Henegouwen. Ze slepen een pakje onverwerkt verleden mee. 

Pons
11 1

De Backpackersbijbel

Luid kreunend pakt ze de rugzak op met haar rechterhand en zwiert hem zo snel mogelijk op haar rug. Sarah maakt de gespen vast aan haar middel en springt een paar keer op en neer om te zorgen dat alles goed zit. Alsof het een Olympische sport is: rugzak heffen. De gouden medaille zal ze niet winnen, want na maanden onderweg kost het haar nog steeds een enorme moeite om het gedrocht onder controle te houden. Ze kijkt nog snel naar haar telefoon, neemt dan de kleinere rugzak die ze op haar buik draagt, en vertrekt. De zon staat hoog in de hemel en Sarah’s gehaaste passen door de brede laan vol verkeer en stinkende uitlaatgassen doen het zweet snel langs haar rug druppelen. Een groepje keuvelende senioren op een bankje kijkt zoals gewoonlijk op wanneer ze voorbij marcheert. Deze keer zal ze niet stoppen om hen te vertellen waar ze vandaan komt en hoe ze hier is terechtgekomen, maar beperkt ze zich tot een vriendelijke “buenas tardes, señores!” Als ze snel is, kan ze nog een horchata drinken voor ze de bus op moet. Met dat vooruitzicht versnelt ze haar pas nog wat, tot ze plots een boek ziet liggen op het trottoir. Niemand anders lijkt het op te merken, een dik exemplaar, maar met een kleurrijke kaft, dat kan geen bijbel zijn. Opnieuw gepaard met een luid gekreun, zakt Sarah door haar knieën en grijpt ze het boek. Shantaram, ook wel bekend als de bijbel voor backpackers. Ze streelt de kaft zachtjes… Achter zijn boek ziet ze enkel zijn donkergroene ogen, die erg geconcentreerd aan het lezen zijn. Ze probeert zich in te beelden hoe de rest van zijn gezicht eruit ziet, wanneer hij niet druk bezig is met deze kloefer. Af en toe kijkt ze uit het raampje en bestudeert ze het voorbijflitsende landschap, zodat het niet té erg opvalt. Terwijl ze de kaft van het boek bekijkt, staart hij plots recht in haar ogen. Uh-oh.“Have you read it?” Hij laat het boek zakken en glimlacht. Oh, wat een knapperd.“Sorry?” stamelt ze, nog niet klaar om te spreken. Ze doet haar oortjes uit.“The book, Shantaram, have you read it?” Oh waw, zelfs zijn ogen lachen mee.Ze beginnen een gesprek dat begint bij de protagonist van het boek, maar al snel overgaat in persoonlijke anekdotes en bekentenissen. Sarah voelt de vlinders haar hele lichaam overnemen. “Oh, you picked it up!”Verward kijkt Sarah een blond meisje met blauwe ogen aan. Die draagt een duur uitziende rugzak en is duidelijk minder zwaar beladen. Zeker een Duitse, die hebben altijd de beste spullen mee. Sarah glimlacht en geeft haar het boek terug.“ Don’t worry, I wasn’t going to keep it, read it already and it’s too heavy to hold on to.” Ook al weegt het 936 pagina’s tellende boek beduidend minder dan haar liefdesverdriet. 

Sietske
7 1

Nino (1)

NINO  Na tien jaar zonder bericht belde Nino bij me aan. Door de vierkante raampjes in de voordeur herkende ik hem: het onderste raam liet zien hoe strak zijn jeans om zijn benen zat. Het tweede speelde met de ruiten van zijn rood-zwarte hemd. Achter het bovenste raam draaiden blonde lokken weg en verscheen een scherp blauw oog. Zo verkruimeld was hij helemaal Nino. Behoedzaam deed ik open.  ‘Ca va, Léa?’, was het eerste wat hij vroeg, met een bezorgdheid die niet past bij iemand die je tien jaar niet hebt gezien. Maar er gebeurden de laatste tijd zulke onwerkelijke dingen dat Nino’s komst me niet eens zo verbaasde. Corona hield de hele wereld thuis, en dat zou nog weken, misschien zelfs jaren duren. Wist Nino dat dan niet? Hij mocht hier helemaal niet zijn.  ‘Het gaat wel’, zei ik, ‘en met jou?’ Hij knikte afgemeten. De huid rond zijn ogen en langs zijn kaken was een landschap geworden van fijne lijntjes, alsof iemand hem probeerde te schetsen en zijn contouren niet vond. We omhelsden elkaar niet. ‘Je hebt je haar gekleurd’, zei hij.  ‘Ja, doe ik al lang.’ Hij zei niet dat het me stond.  ‘Mooie buurt hier.’ ‘Vind ik ook. Veel groen en dicht bij de stad.’ ‘Heb je het gekocht?’ ‘Wat?’ ‘Je appartement.’ ‘O, ja, twee jaar geleden.’ Hij knikte bewonderend. Met steun van mijn ouders, wou ik toevoegen, maar ik bedacht me. Hoe wist hij dat ik hier woonde? De lijntjes in zijn huid leidden me af van die vraag. De mooiste bejaarden hadden een huid als het oppervlak van een snijplank, hun huid weerspiegelde een leven. Waarom bestonden er handlezers, maar las niemand je bestaan af via de lijnen van je gezicht?  ‘Wat denk je?’ lachte hij.  ‘Niks.’ ‘Dat zei je vroeger ook altijd.’ ‘Dat is waar.’ Aan de overkant van de straat zette iemand een raam op kiep. Het zonlicht reflecteerde op de ruit, zodat ik de buur niet zag, maar hij ons wel. Achter alle ramen zaten mensen, en ik dacht aan het Paleis der winden in Jaipur, de gevel met honderden ramen waarachter de haremvrouwen van de maharadja naar de straat keken zonder zelf gezien te worden. ‘Wat doe je hier?’, vroeg ik. Hij keek naar de rubberen tippen van zijn oude sneakers. ‘Mag ik even binnen komen? Ik heb al een paar dagen niemand gezien.’ Zijn stem klonk lager dan toen we tieners waren. Er zat nog steeds een knik midden in zijn zin, een korte pauze waarin hij checkte of zijn woorden het juiste effect hadden. Niet om me te manipuleren, maar omdat hij in al zijn soepelheid toch verlegen werd. Toen ik hem leerde kennen was hij zestien. Zacht baardhaar ontkiemde langs zijn kaaklijn die nog twijfelde tussen rond en hoekig, en zijn ogen blonken van de plantrekkerij onder zijn witblonde kopje.  Ik ging hem voor naar mijn appartement. Mijn deur stond nog open, net als de ramen binnen, zodat ik toch het idee had buiten te zijn. ‘Wat heb je veel licht.’, zei hij. De zon scheen overvloedig en we hadden al weken geen regen, alsof we dat niet verdroegen bovenop ons huisarrest. ‘Ik woon hier wel graag’, zei ik. Nino bezichtigde de kadertjes aan mijn muur, liet zijn hand rusten op mijn tafel.   ‘Gezellige plek’, zei hij.  Hij zag een hoopje schelpen en slakkenhuizen op de commode, en keien die ik ooit had meegebracht uit de Oostzee bij Litouwen. Nino hield de mooiste, die met de oranje spikkels, tussen zijn duim en wijsvinger en bestudeerde hem. Hij liet zijn duim over het oppervlak glijden.  ‘Ze zijn gepolijst door de zee’, zei ik, ‘Onder water blonken ze heel mooi. Spijtig dat stenen en schelpen zo dof worden, eens je ze meeneemt naar huis.’ ‘En slakkenhuizen zo fragiel zonder bewoner’, zei Nino. Hij pikte er een geel exemplaar uit met fijne, bruine lijnen. In de buitenste baan van de spiraal zat een gat. Nino kon het slakkenhuis zo vermorzelen, maar hij legde het behoedzaam op de palm van zijn hand.  ‘Waarom verzamel je ze?’, vroeg hij. ‘De perfectie’, zei ik, mijn schouders ophalend.   Nino lachte om het kleinood in zijn hand. ‘Wat is hier zo perfect aan?’ ‘Het is gewoon wiskunde, een slakkenhuis is eigenlijk een rij van … Fibonacci’,  hoorde ik mezelf zeggen.  ‘Hoe bedoel je?’ ‘Niemand heeft het gemaakt en er moet niks meer aan verbeterd worden. Ik volg de lijnen graag, van de buitenkant naar het midden, tot ik er een beetje duizelig van word. ’ Nino lachte. ‘Je kijkt graag.’ Hij keek ook. Naar mij.  ‘Wil je iets drinken?’, vroeg ik. ‘Graag’.  ‘Ik heb thee, en misschien appelsap,’ zei ik terwijl ik de koelkast open trok.  ‘Water is ok’, lachte Nino, ‘dat is er gewoon en daar moet niks aan verbeterd worden.’ Ik vulde een glas aan de kraan. Nino stond bij mijn boekenkast met de wijd uitstaande pootjes. Hij veegde met zijn hand over de plank. Ongetwijfeld lag er stof op.  Toen ik hem het glas aanreikte, legde hij het boek op tafel dat hij net nog doorbladerde, een reisgids over Lissabon. ‘Ben ik ook eens geweest’, zei hij. We hadden vroeger nooit samen buiten België gereisd. Hij hief het glas, dronk er een teug van en wees naar de boeken.  ‘Doe je er iets mee?’, vroeg hij. ‘Ik lees ze. Toch de meeste. Die daar heb ik bijvoorbeeld niet gelezen. En die.’ Waarom hield ik ze eigenlijk bij, al die boekenruggen die ik nooit meer uit hun rij haalde. Het scheen Nino te vermaken. Glimlachte hij, of was het een grijns? ‘Waarom koop je meer dan je kan lezen?’, vroeg hij. Hij leunde tegen de keukentafel achter hem lag een hoop foldertjes en facturen. Zou hij die straks ook uitpluizen? Wat was het Japanse woord voor het fenomeen waarbij je meer boeken koopt dan je er kan lezen? Die moest ik in de WhatsAppgroep voor goede quizvragen zetten. Al die boeken samen kostten honderden euro’s. Hoeveel vluchtelingen kon je daarmee voeden?    ‘De belofte van een mooi verhaal verleidt me, denk ik.’ Maar ik wist het niet zeker. Hij knikte, en hij dacht er iets over dat hij niet met me deelde.  ‘Verzamel jij niks?’, vroeg ik. ‘Weinig eigenlijk. Ik weet niet of ik graag dingen bijhoud. Ik heb nieuwe meubelen gekocht onlangs, dat vond ik wel cool. Nieuwe sofa, salontafel, en een tv voor series.’ Het klonk als een goedkoop dating profiel van iemand die alle fun buiten zichzelf zoekt. Nieuwe spullen en series. Of deed ik dat ook met mijn boeken en feesten? ‘Toen ik vroeg of je wat met die boeken doet, bedoelde ik wel: in je werk’, zei hij, ‘Ben je leraar? Of schrijver?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik organiseer wijkfeesten, enfin, tot voor corona begon.’ ‘Wijkfeesten?’ ‘Zoals bij jullie met carnaval, of la Ducasse.’ La Ducasse, het feest van de patroonheilige. We neurieden mee met de fanfare terwijl de relikwie door de straten werd gedragen.  ‘Klinkt fijn’, zei Nino.  ‘Ik organiseer geen traditionele feesten’, corrigeerde ik, ‘meer iets om mensen samen te brengen, om de buren te leren kennen.’  ‘Dan zit je nu zonder werk.’  ‘We doen kleine dingen, zoals gedichten op ramen schrijven. En we hebben plannen om muzikanten favoriete nummers te laten spelen in de straat.’ Hij zweeg. Vroeg hij zich af waarom ik hiervoor zoveel gestudeerd had? Waar was hij zelf eigenlijk aan de slag als technieker? Want dat studeerde hij toch vroeger, toen we op de middelbare school zaten.   ‘Zijn die schilderijtjes van jou?’, vroeg hij. Dat waren ze. Hij ging op een paar neuslengtes afstand van het werk staan, volgde de penseelstreken.  ‘Die ezel lijkt op Mona Lisa, hoe mysterieus die naar ons kijkt’ ‘Vind je?’ ‘Ja, echt.’ Hij nam een stoel en ging aan mijn keukentafel zitten alsof hij op een bord eten wachtte. Er hing een sigarettenluchtje in zijn kleren.  ‘Rook je?’, vroeg ik hem.  ‘Niet vaak’, zei hij, ‘Ik probeer te stoppen.’ Destijds waren zijn sweaters doordrongen van de poederige en wat metalige geur van wasmiddel. Ik rook het nog sterker toen ik hem later tegen me aandrukte, mijn neus in het kuiltje tussen zijn hals en sleutelbeen begroef. Ik vroeg hem toen om niet van die deodorant te kopen waarmee de jongens op school zich tot maffioso spoten. Hij vond het grappig, hij begreep niet wat er zo cool was aan wasmiddel.  Jaren na onze breuk bespeurde ik Nino’s geur in het gewoel van een metrotunnel of op een festivalweide. Haast onbewust scande ik dan de mensenmassa. Natuurlijk vond ik hem niet, tientallen mensen wasten hun kleren met hetzelfde poeder. Zijn geur raakte langzaam van hem losgekoppeld en gekoloniseerd door anderen, net zoals zijn beeld overschreven werd in mijn geheugen.  Hoe rook ik eigenlijk? Ik droeg een harembroek, ik had me de comfortabele ‘maak van een nood een deugd’-homewear laten aanpraten waarmee we de lockdown zouden doorkomen alsof het een langgerekte zondagmiddag op de bank was. Onder mijn T-shirt spande een vetbandje, maar ik had mijn haar wel gewassen deze ochtend.  ‘Ik heb de indruk dat lentegeuren vroeger veel intenser waren, bomen, bloemen, afgemaaid gras, verse regen,’ zei hij, ‘misschien ligt het aan de sigaretten dat ik minder ruik.’ ‘Of aan de pesticiden. Je ziet ook veel minder insecten.’ Nino leunde op zijn ellebogen en boog wat voorover, wat hem schijnbaar hielp het antwoord te vinden.  ‘Misschien verrast het me gewoon minder.’ Klopt het dat we de intensiteit ontgroeien, en heet dat dan ‘wijzer worden met de jaren’? Dat je niet meer bij het minste onrecht uit je krammen schiet, niet meer hoteldebotel verliefd wordt?  ‘Waar woon je nu?’, vroeg ik. ‘Nog altijd in Genlay.’ ‘Dan mag je niet naar hier komen. We mogen maar vijf kilometer ver.’ ‘Dit is een essentiële verplaatsing.’, zei hij plechtig.  ‘Waarom?’  Zijn ogen veranderen nog steeds razend snel van tropisch blauw naar staalhard grijs. ‘Bubus n’est plus’, sprak hij. Eind deze week begraven we hem. Ik kom je halen.’  Die kwam binnen. Bubus was de patron van het café waar Nino en ik elkaar leerden kennen. Hij droeg meestal een donkerblauwe broek, een hemd met een motiefje en bretels. Een golfje haar gaf zijn ronde gezicht de frivoliteit die hem onderscheidde van de papzak. Hij was iconisch zonder dat na te streven en misschien dacht ik daarom dat hij immuun was voor een vroege dood.  ‘Hoe? Door het virus?’, vroeg ik. Nino schudde zijn hoofd. Andere scenario’s kwamen bij me op: een auto- ongeluk, een brand, een hartaanval. Verbeelding is een pest als je slecht nieuws krijgt.  Hij ging bij het raam staan en tastte in zijn borstzak, haalde er een pakje vloeitjes uit. De zilverkleurige verpakking weerkaatste de zon op zijn gezicht. Hij plukte wat tabak uit een zakje en verdeelde het over een vloeitje, zijn hand als dienblad.  ‘Prostaatkanker,’ zei hij. Hij legde de filter op zijn plaats en rolde de sigaret behendig tussen zijn vingers.  Onder zijn hemd bolden de spieren van zijn schouders op. Even wou ik mijn hand erop leggen, voelen of deze Nino echt was, hem een teken geven dat de dood van Bubus me raakte. Maar ik hield mijn handen over elkaar gevouwen, ging naast hem voor het raam staan en tuurde de lege straat in. Tussen de voegen van de straatstenen was de aarde poederdroog, opgeschoten onkruid werd geel. Bubus was langzaam uitgebloeid, zonder dat ik ervan wist.    Tien jaar geleden had Bubus roerei voor ons gebakken in zijn keuken achter het café. Nino en ik zaten op de rieten stoelen aan dezelfde kant van de tafel met het vichy-ruitjeskleed, we hadden elkaar enkele dagen tevoren voor het eerst gekust in de groene badkamer van Bubus, en we hielden elkaars hand vast onder de tafel. Twee kinderen die verliefd waren en zich volwassen waanden, hoewel ik ondertussen wist dat volwassenheid misschien een staat was die je nooit helemaal bereikte. Er lag toen geen filter over de dingen, alles presenteerde zich aan ons in helder ochtendlicht. Cynisme meden we of schilderden we af als een oudemannenkwaal, en oud was je in onze ogen al op je veertigste. Ondertussen sta ik qua leeftijd dichter bij die oude mannen dan bij de tieners die we waren.  Aan de muur hing een karikatuur die een straatartiest in Parijs ooit van hem gemaakt had. Verder hing er een foto van Bubus die trompet speelde, hij was veertien. ‘Op de kermis van Anderlecht, zelfs de koningin was er.’ Veertig jaar later voelde hij nog steeds de opwinding van dat moment, zijn vrienden van de fanfare hadden er weken naar uitgekeken. De koningin had mee geknikt op het deuntje, en toen ze terug naar het paleis vertrok, barstte het feest los. Ze dansten tot in de vroege ochtend - op Sinatra en ‘Hound Dog’ van Elvis. Achter Bubus’ snor kon je zijn glimlach niet altijd ontwaren, maar zijn bolle gezicht vertrok tot een hartjesvorm als hij lachte en zijn ogen glommen van trots. Nu hing Nino uit het raam en blies de sigarettenrook zo ver mogelijk.  ‘Heeft hij… veel afgezien?’ Nino kneep zijn lippen op elkaar en knikte, hij trok van zijn sigaret en ademde de rook meteen weer uit, waardoor ik wist dat hij een krop in zijn keel had.  Ik stond als aan de grond genageld, ik wist niet wat te zeggen. Ik herinnerde me dat mensen vaak praktische gesprekken als de dood in zicht is. Net voor haar overlijden vroeg mijn grootmoeder aan mijn moeder wat ze zou aantrekken. Ze bedoelde daarmee in welke kledij ze opgebaard wou worden. Waarop mijn moeder een paar van haar mooiste mantelpakken uit de kast haalde en ze haar voor hield. ‘De blauwe’, zei mijn oma. Zolang je dingen plant, leef je. En ook net na oma’s dood was het overleg over de houtsoort van haar doodskist en het beleg voor de koffietafel een buffer tegen het ergste gemis. ‘Hoe zie je die reis?’, vroeg ik dus, ‘waar slaap ik, bijvoorbeeld?’ Nino was duidelijk niet mee in mijn praktisch discours en schrok van mijn vraag. Zag hij het als wantrouwen? ‘Ik heb een logeerkamer. Of je kan bij Nadia logeren.’ ‘Is Nadia terug?’ Ik klaarde op.  ‘Al een paar jaar.’ Trotse, koppige Nadia.  ‘Doe het gewoon, denk aan Bubus. Deze rit is zijn geschenk aan jou, je kan er even tussenuit, net zoals vroeger.’ De lucht was stralend blauw sinds dit virus rondwaarde. Ik zei mijn quarantaine op voor de begrafenis van een vriend die ik al jaren niet meer had gezien. ‘Hij praatte vaak over je.’, zei Nino. De stijgende sterftecijfers maakten me moedeloos, ik kon net zo goed naar een begrafenis van een oude vriend.  ‘Goed’, zei ik, ‘ik pak een paar spullen.’ Uit mijn berghok viste ik een cilindervormige sporttas van het type waarmee bajesklanten de gevangenis verlaten. Ik stopte wat ondergoed en een pyjama in de tas, griste een zwarte jurk uit de kast. ‘Als je die voor de begrafenis meeneemt, laat dan maar - Bubus haatte dat zwart gedoe.’, zei Nino. Hij wil dat we hem begraven zoals we bij hem op café zaten. Ik koos een blauwe rok met felle oranje bloemen, een koningsblauw T-shirt en porseleinen oorringen.  Het idee van de reis begon me aan te spreken. Nino had zichzelf overtuigd van dit plan. Op dezelfde manier had hij me vroeger uitgenodigd voor onze eerste fietstocht, met het voorstel ‘Amerika te verkennen’. Zelfs al was het niet waar, dan nog was het spectaculair.  Hij droeg mijn sporttas, aan mijn schouder bungelde een kleine handtas. Ik sloot de deur achter me en hoopte dat mijn buren zich niet al te veel vragen zouden stellen. ‘Waar staat je wagen?’, vroeg ik toen we het einde van de straat naderden en hij zijn pas nog steeds niet vertraagde.  ‘In de volgende zijstraat.’ ‘Er is toch genoeg parkeerplek?’ ‘Het was makkelijker daar’, zei hij. We sloegen de doodlopende straat in waar een outlet van kleren en schoenen was. De winkels waren gesloten, maar op de parking stond een tractor. De gigantische achterwielen hadden rode velgen en op de groene neus prijkte een pijp.   ‘Je meent het’, zei ik toen Nino erop af stapte.  ‘Zo is het tweemaal een noodzakelijke verplaatsing’, zei hij, ‘Eén: we zijn op weg naar een begrafenis’.  ‘In een tractor?’ ‘Twee, we gaan mijn land bewerken. Jij bent mijn vrijwilliger nu de Roemenen en Bulgaren het land niet meer binnen mogen.’  ‘Je ‘land’ ligt op zo’n 60 kilometer van hier.’  ‘Je verliest je in details.’  ‘Waarom doe je zo veel moeite om me mee te nemen?’  ‘Ik doe het voor Bubus,’ zei hij.  ‘Die zou het prachtig gevonden hebben’, beaamde ik.  ‘Mijn tractor rijdt maar vijfentwintig kilometer per uur,' redeneerde Nino. ‘Puur wiskundig duurt het dus twee uur om naar Genlay te rijden. Het is nu drie uur in de namiddag, dan komen we tegen de vooravond aan. We kunnen ergens onderweg proviand inslaan.’ Terwijl hij dat alles uiteenzette, sprong hij op de treden langs het achterwiel en gooide mijn sporttas in de glazen cockpit. Nu reikte hij me de hand om de tractor te bestijgen. Zijn hand was ruw, en ik hoorde ze niet aan te raken. Had ik alcoholgel mee? Ik tastte in mijn tas, smeerde mijn handen snel in en liet me in de tractorcabine hijsen. Toen Nino het sleuteltje omdraaide, schokte de tractor als een wild dier. Ik voelde de trillingen in mijn buik en kon me niet bedwingen om te juichen. Nino grinnikte zoals vroeger toen hij me ergens plezier mee deed. De tractor had twee remmen. Drukte je de foute in, dan ging je van het paadje. Nino liet beide remmen los en liet de diep gegroefde wielen over de kasseien draaien. Momenteel werk ik een manuscript af over een tractortocht van twee oud-geliefden, Nino en Lea. Ze reizen naar de begrafenis van hun oude vriend, Bubus. Tussen hen in ligt nog een pakje onverwerkt verleden. 

Pons
10 1