Lezen

Mi groot: lente in littekens

Er bestaat geen oprechte vrede in de wereld. Dat besef kwam langzaam, maar het werd duidelijker naarmate ik ouder werd. Het is de stilte na de storm. De les die muziek me, zonder woorden, leerde. Er zijn dagen dat de waarheid doorsijpelt in onverwachte momenten — zoals die ijskoude ochtend in maart. De lucht prikte aan mijn wangen en de geur van natte aarde kondigde een lente aan die nog niet zichtbaar was. De takken trilden in een bries die te kil was om geruststellend te voelen. Ik was acht en zonder besef van wat me die ochtend te wachten stond. Mijn voeten bungelden boven de vloer terwijl ik op een te grote stoel zat. Toen begonnen de eerste noten van Vivaldi’s De lente en veranderde alles. Die muziek. Ik wist niet wat ik hoorde, begreep de klanken niet, maar het was alsof een deur openging, een deur die ik nog niet had durven openen. Mi groot — helder en hoopvol, maar ook doordrenkt van een waarneming dat ik later als melancholie zou herkennen. Die noten waren niet zomaar geluiden. Ze waren een verhaal. Een geheim in klanken, dat ik voelde, maar nog niet begreep. Toen ik die avond aan mijn moeder vroeg: – Hoe kan muziek… zó voelen? – Stopte ze midden in de afwas. Ze draaide zich naar me om, haar handen nog nat van het sop. Ze keek door het raam, waar de avond langzaam verdween in een blauw dat bijna zwart was.   – Vivaldi schildert niet alleen de lente, – zei ze. – Hij legt vast wat onzichtbaar is. Wat je voelt, maar nooit hebt kunnen zeggen. – Pas jaren later begreep ik wat ze echt bedoelde. Mi groot is als een sneeuwklokje dat zich door de bevroren aarde wurmt, fragiel, maar met vastberaden kracht. Het weerspiegelt de spanning van de lente, die probeert te ontsnappen aan de kou van de winter. Het belichaamt het paradoxale van een lente die nog worstelt met de kou van de winter. Die spanning fascineerde me. En zonder dat ik het wist, werd mi groot een sleutel tot hoe ik de wereld zag. Als tiener ontdekte ik Nulla in Mundo Pax Sincera. De serene opening bood me een belofte van vrede te geven, maar die vrede was nooit eenvoudig. Het stuk zingt over schoonheid, maar ook over haar broosheid. De zang is als een ademhaling: kwetsbaar, haast breekbaar, maar toch vol kracht. Op donkere dagen luisterde ik naar dat stuk alsof het een baken was. Ik herinner me een specifieke avond. Mijn handen trilden van frustratie omdat ik de indruk had dat ik nergens paste. Terwijl de muziek speelde, voelde ik een vreemde troost. Alsof het zei: Dit gevecht is niet voor niets. De pijn hoort erbij, en dat is oké. Gaandeweg verloor ik die verbinding. Toen ik mijn twintigste naar de andere kant van de wereld verhuisde, veranderden mijn dagen in een eindeloze draaikolk van verplichtingen, mislukking, en een groeiend gevoel van leegte. Het voelde alsof ik mij niet herinnerde wie ik was, of waar ik naartoe moest. De elektrische piano in de hoek van mijn studio werd langzaam een opslagplaats kleding.  Ik herinner me die zondag nog goed, de regen tikte ritmisch tegen de ramen, alsof de wereld buiten zichzelf in de druppels verloor. Ik zat in mijn kleine studio, omringd door de stilte, mijn gedachten verdwaald als bladeren in de wind. Maar toen het geluid van Vivaldi begon te spelen, viel alles stil. Het was alsof de wereld om me heen ophield te bestaan, en ik alleen nog maar kon luisteren. De sprankelende opening raakte een diepere gevoeligheid in me die ik vergeten was. Een deel van mezelf dat ik verloren had in de chaos van tijdsdruk en verwachtingen. Voor ik het wist, zaten mijn vingers op de toetsen van de piano. Ik speelde mi groot, aarzelend maar vastberaden, en het voelde alsof ik een gesprek hervatte met een oude vriend. Mi groot leerde me een waardevolle les: wedergeboorte is geen schone lei. Het is leren leven met je littekens, terwijl je toch blijft groeien. Het is als de eerste zonnestraal na dagen van regen. Niet perfect, maar warm genoeg om je hoop terug te geven. De kracht van mi groot zit in haar balans. Ze is helder, maar niet naïef. Hoopvol, maar niet blind. Als je goed luistert, hoor je de melancholie in de harmonie. Het is het geluid van de lente die nog niet zeker weet of ze kan blijven, maar het toch probeert. Deze sensatie is een spiegel voor het leven zelf: de vreugde die alleen maar intenser voelt door de pijn die eraan voorafging. Toen ik dertig werd en mijn eigen appartement had, kocht ik een vleugelpiano piano. Niet om concerten te geven, maar om weer verbinding te maken met dat deel van mezelf. Elke ochtend speel ik de grote toonladder van mi als een manier om te mediteren. Het is een ritueel dat me herinnert aan waar ik vandaan kom en waar ik heen wil. Op een van die ochtenden, voordat ik begon met mijn vingergymnastiek, herontdekte ik Nulla in Mundo Pax Sincera. Nu begreep ik de betekenis van de woorden die ik als tiener had gevoeld, en voelde ik de waarheid in die ene zin. In de stilte van de muziek vond ik wat ik al die tijd had gemist: een gewaarwording van vrede dat niet puur was, maar geworteld in de erkenning van de pijn die ik met me meedroeg. Mi groot is meer dan een toonaard. Het is een toon die me herinnert dat het leven een cyclus is: elke winter draagt zijn eigen lente in zich. Dat elke winter een lente brengt, maar ook dat elke lente een winter in zich draagt. Het leert me dat schoonheid niet zit in perfectie, maar in veerkracht. In de kracht om op te staan en opnieuw te beginnen, keer op keer. Misschien is dat de grootste gave van muziek: dat het ons helpt te zien wie we werkelijk zijn. Voor mij is mi groot een spiegel die niet alleen mijn littekens uitbeeldt, maar ook de kracht waarmee ik ze draag. Het is de toonaard van hoop, van veerkracht en van het leven zelf.   Mephis (aka) Evelyn Mérida

Mephis
21 2
Tip

Brieven aan Layla (5)

  Op akelige dagen blijf ik buiten liggen. Mijn haar wordt langzaam gras. Als wortels lijken armen uit een schouderblad gekropen en twee handen woelen door de grond op zoek naar mollen en hun vel. Aaibaarheid is wat donkere wolken missen wanneer zonnestralen weigeren ze aan te raken. U bent zo klam, is wat de hemel zegt. Mijn hoofd beweeg ik vandaag niet. De schedel is al bijna leeggegeten door een wreed verlangen en een orebeest of tien. De specht ziet nooit zijn rood. Hij zit naast de schelp van mijn doof linkeroor. De wormen die zich met mijn dromen voedden, weten niet dat er een vogel op hen wacht. Gelijk een vrachtvliegtuig met volle buik, zal er straks gevlogen worden door de trage lucht. Vandaag lachen de bloemen niet. Het is alsof verdriet door dunne stengels stroomt naar bladeren die dat verdragen kunnen. Of liggen luizen, rupsen op de loer? Sommige dieren durven zomaar van mijn smarten eten. Echt, ze schamen zich niet eens, ze kauwen zonder gêne op de droefenis die in mijn ogen zich zo veilig voelde. Liefste Layla, was er maar een weg waarlangs de eenzaamheid vertrekken kon. In tuinen die haar borgen kunnen, in die bergen met éên arend die naar warme lagen in de hemel zoekt. Het blauw verging. Wat rest is nog die dorst naar frisse regen. Hier is het te koud, mijn schat. Ik heb nog geprobeerd mijn benen met wat animo te wekken, maar ze wilden blijven slapen.  Het voelt alsof ik reeds een eeuw die wintertenen heb en alles kraakt wanneer ik toch probeer dat hoofd te tillen. Rond mijn nek gewenteld stierf de slang die dacht dat uit hart een appelaar zou groeien.  De boomgaard heeft zijn telgen gisteren geteld. Alle stammen spraken van een opstand tegen veel te lange winters. Misschien komen ze dan toch, mijn Layla en de lente die haar blik getekend heeft tegen een achtergrond die mij begrijpen kan.     uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
44 1

Cabaret Lumière

  Verlieslatend zijn is het lot van de meeste romans. De Uil wil niet dat hem dat overkomt. Zijn Fabeltjeskrant is gelukkig één groot succes. Daar staat zo veel in. De strippagina met de Pedofiele Streken van Nonkel Bob is in ieder geval zeer populair bij de smerige onderlaag. Verder, vlak vóór de doodsberichten staan de Kleine Annonces. Geesteswezen zoeken er ouderschap. Sekteleiders bieden daar slaapgelegenheden aan. Er is deze week ook een advertentie die een Revolutionair Cabaret aankondigt. Alle verdwaalden van het Gehucht hebben het gelezen. Zij kwijlen als zij daarvan dromen. De Grote Opluchting is nakend. De Trainer van de Clown heeft ingestemd. De tent waarin de Opstand zich normaal vertonen laat, is veel te klein voor gans dit Dorp. Welkom allemaal in de Theaterzaal van de Gemeenschap voor het Cabaret Lumière. Daaronder staan de datum en het uur van de Verlichting. Aan de ingang zal de Controleur zitten die door middel van een oortje in contact staat met het Beruchte Slot. In die Burcht leeft de Uil. Hij peuzelt op de muzieknoten van Nonkel Bob en andere nare overblijfselen uit duistere tijden. Daar komt anders niemand. Men beweert dat de Clown daar is opgegroeid en geschoold werd door de Trainer. In ieder geval. Hier in het Dorp is men er eindelijk klaar voor. Het moest en er mocht een einde komen aan die geestesslavernij. Het orgel staat gereed. De pijpen zullen verse buitenlucht opzuigen en de geur van muffe wierook mag verbannen worden uit de longen van de ziel. Iedereen brengt zijn geheugen mee en zal de blinde overgave mogen uitspuwen, de gal van al zijn valse geel ontdoen. Spuugzakjes en plastiek emmers zijn voorzien. De Clown zal met een Lach vol Vuur de Dorpelingen meenemen in dromen vol extase. Daarna zullen de Sterren eindelijk naderen. Het Dak van het Theater zal zich openen. De Clown zal zweven door de lucht en alle dwalingen met zich meelokken. Gefluit zal weerklinken. De ratten van het Oud Verraad, zij zullen volgen in de richting van het Zwarte Gat.     uit de reeks 'Duivelsverzen'     

Bernd Vanderbilt
0 0

De pruimen zijn gevuld met mars

  Wat de sterrenhemel en een aquarium gemeen hebben zijn de vissen. Elke dag zonder slagzin voelt zich moedeloos. Ignace beet de kop af. Het betreft geen gepekelde haring. Zout hebben wij voorbehouden voor een dode zee. Alles drijft daar zeer gelaten en de Brit die aan de klaagmuur likt is altijd grof geweest gelijk een boerenbrood. Ze hebben nu een internationaal paspoort nodig die ontaarde eilandschijters, hooligans die nimmer bedaren. Ik hoop dat ze wegblijven. Ook die wrede dromen over lome zon bij dageraad. Alfred moeit zich zelden maar wanneer het moet dan onderbreekt hij de debatten. Fish and ships. Dat is voor smeerlappen die daarmee kunnen leven. Frieten die naar vis smaken, dat is gelijk vrouw proeven die te lang in haar mossel sliep. Wat weet een gnoom van vrouwen?  Een dartel keun dat in zoete pruimen lag sudderen, is veel beter. Igance denkt een keukenprins te zijn voor daklozen met stille tongen. Zij zeggen zelden iets. Vergeten zelfs te bedelen. Nog één euro heb ik te kort voor een ticketje. Geef mij dat opdat de doembeelden mij zouden verlaten. Mijn oprechte dank aan de straatsteen bodem waarop ik dat muntje vobd en aan de linkerkant voorbij de kassa's van de zoo is het planetarium. Ik weet niet waarom, terwijl de pinguïns in een ander kot de dagen niet meer tellen. Sukkels. Een planetarium is een sterrenhemel met slechts één ster, een wees in een obscuur theater omringd door een paar dwergen. Dixit Alfred. Ja, die zoo. Antwerpen is een oord vol barbariteit en rechtse terreur. Net gelijk Elon Musk. Hij moet nu echt naar de gevangenis. Genoeg van dat neofascisme op moderne batterijen. Bovendien. Op mars is de zwaartekracht veel te laag. Melancholie maakt daar geen schijn van kans.Niets kan daar zalig wegzinken. Zelfs een luie pik kan daar geen rustig dutje doen. Na deze woorden hoest de keel van Ignace en godverdomme. Wat moet een geest soms struikelen, weer opstaan, terugkrabbelen. Heb moed en wees heldhaftig in uw zoektocht naar een rode draad. Dat is mijn advies. Laat nooit zomaar los. Dat zeg ik telkens weer aan de sterren aan de hemel aan de regen in de lucht aan de warboel van de nacht.     uit de reeks 'Waanhoop'         

Bernd Vanderbilt
0 0

Lied van vroeger

‘We doen zijn jasje uit.’Het konijn hing ondersteboven uit te druppen. Keeltje door. Mijn grootmoeder wreef het mes met haar schort proper en depte haar neus met een zakdoek. Ze was niet ontroert omdat het konijn, inmiddels zonder jasje, ondersteboven hing te bengelen. Een verkoudheid noopte haar tot het meermaals snuiten der neus. Haar bril besloeg. Buiten slurpte mist het landschap op. Ergens joeg een paard zijn dromen achterna. Ze sneed met een achteloze precisie het buikje van het beestje open. Met haar lieve, oude handen, dezelfde handen waarmee ze mij knuffelde en streelde, voelde ze aan het buikje. Alsof ze een puzzel legde zorgde ze ervoor dat de organen klaar lagen om uit de buikholte te vallen als muntjes in het lunapark. De glimlach rond haar lippen maakte het tafereel vrediger dan het was. Het routineuze waarmee ze handelde gaf het iets gevaarlijks. De buurman stookte een vuurtje in een vat. Het verbrand rubber van oude banden overstemde iedere andere geur. Ik kreeg tranen in mijn ogen. Misschien was niet enkel de rook te scherp maar ook het leven dat zich aan mij presenteerde. Kippen pikten schraal graan. Later aten we het konijn met kroketten. We dronken tafelbier, ik wou dat ik roes kon proeven. Het huishondje week niet van de tafel. Nu vraag ik me af waar ze zijn de konijnen uit mijn jeugd. De talloze gevilde beestjes. Zullen ze, ontdaan van leed, hun opwachting maken wanneer ik oversteek naar gene zijde? Zullen ze, in een tijdscapsule, me terug mee nemen naar de jaren tachtig? Toen het gat in de ozonlaag het enige gevaar was dat op ons afkwam. Toen de Sint ook mijn schoen nog vulde en zomers eindeloos leken. Toen winters koud waren en al de rest nat.

Thomas De Mulder
19 0

De Woef

Het jaar? Dat moet 1978 geweest zijn. We waren twaalf jaar en zaten in onze banken te wachten. Het was een vrijdag. De dag dat de Woef naar onze zangkwaliteiten kwam luisteren.  Ik was al de hele week zenuwachtig en had veel geoefend. Voor de spiegel in de badkamer, in mijn kamer of terwijl ik in bad lag. Meezingend met David Bowie op een cassette die ik van de Top 30 had opgenomen. Zelfs de woorden van de radio-dj kende ik uit het hoofd. De Woef was onze meester in het zesde leerjaar. Zijn bijnaam was afgeleid van zijn familienaam, maar dan vernam ik pas op het einde van het schooljaar. Namen van mensen waren toen nog niet belangrijk. Met de voornamen van je vrienden kwam je al ver.   Hij was vooral groot. Je kon niet naast hem kijken. Hij was groter dan twee meter en speelde volleybal. Een hatelijke sport, vond ik toen. Vooral omdat ik klein was en meer aanleg voor voetbal had. Ik liep vlot onder het volleybalnet door zonder me te moeten bukken. De Woef was zo groot dat hij zonder zijn armen te strekken het plafond in de klas kon aanraken. Daarvoor moest hij wel op het verhoogje vooraan in de klas staan, maar echt hoog was dat niet.  Het verhaal ging dat de Woef ooit klem was komen te zitten in een schoolbank. Het waren van die banken waarvan je het werkblad omhoog kon doen. In die bak lagen boeken en schrijfgerief.  Om een leerling een vraagstuk voor de tiende keer uit te leggen, was hij in de bank naast de jongen gaan zitten. Ze hebben de bank moeten demonteren omdat hij er met zijn lange benen niet uit geraakte. De banken waren op maat van 12-jarige kinderen gemaakt. Doorgaans zijn die anderhalve meter groot. Al kwam ik daar niet aan. Zondag over een week zou er een speciale viering in de kerk zijn. De kinderen met de mooiste zangstem mochten vooraan in de kerk enkele liedjes zingen. Zij waren het gelegenheidskoor. Het was geen David Bowie, maar het leek het me wel leuk.  Danny naast me in de klas bleek minder zenuwachtig te zijn. Hij was ook een voetballer en zou die zondagochtend liever naar de wedstrijden van de grote jongens kijken dan naar de kerk te gaan. We zaten samen in een team. Onze wedstrijden speelden we op zaterdagnamiddag. Omdat Danny en ik meteen naast de deur zaten zei iedereen dat we op de eerste bank zaten. De bank aan de kant van de venster die op de speelplaats uitkeek, zou je ook de eerste bank kunnen noemen, maar dat werd niet gedaan. We kwamen wellicht als eerste aan de beurt. Het was een kerklied waarvan ik de inhoud ben vergeten. De Woef had vooraf gezegd hoe het in zijn werk zou gaan. “Iedereen begint te zingen en ik kom bij jullie langs. Niet schrikken, maar ik ga vlakbij bij je mond staan met mijn oor, zodat ik goed kan horen wie vals zingt en wie niet. Wie niet zo mooi zingt, geef ik een zachte tik op het hoofd met mijn hand. Als je dat voelt, mag je stoppen met zingen. Doe ik niets, dan blijf je gewoon zingen.” Met zijn handen zo groot als een kolenschop, kon hij ons met één hand uit de bank lichten, dus die tik was niet iets waar we verwachtingsvol naar uitkeken. Al was het uitdelen van een tik in die late jaren ‘70 grotendeels uit het schoolbeeld verdwenen. Toch had Danny ooit dicht bij een handafdruk op zijn linkerwang gestaan, toen hij tijdens de speeltijd het raam van het secretariaat aan diggelen had gestampt met de leren bal, die hij van thuis had meegebracht. We mochten enkel met plastic ballen voetballen. Maar als er wind was, voetbalde dat voor geen meter. Je moest dan al een aardig effect in de voeten hebben om te scoren. Na twee regels gezongen te hebben, stond de Woef bij onze bank. Danny had amper twee woorden gezongen en hij kreeg al een tik op zijn hoofd.  Daarna was het mijn beurt. Wat stond hij dicht bij mijn mond. Ik kon mezelf amper horen zingen. Ook best akelig, met dat grote oor van de Woef voor mijn ogen. Bij mij leek het langer te duren, maar ik voelde plots toch ook een hand op mijn hoofdhaar. Het leek alsof hij met die tik eigenhandig mijn mond sloot en mijn muzikale toekomst de grond in boorde. Ik keek naar Danny maar die leek zich er weinig van aan te trekken.  De klas zong verder. Op het einde bleef exact de helft van de leerlingen over, die alsmaar luider zongen. Alsof ze onze valse stemmen moesten overnemen.  Tijdens de misviering kregen de uitverkorenen een plaats op het altaar, het podium van de kerk. Wij kregen een andere taak toebedeeld.  Op het einde van de plechtigheid mochten we tekeningen ophangen. Alsof we kleuters waren. De zangers en zangeressen van onze klas stonden nog altijd recht op het altaar terwijl wij, de valse zangers en zangeressen, naar de stoelen op de eerste rij sjokten.  Ze keken ons hooghartig aan. Wij keken vals terug. De misviering was bijna afgelopen. Ik vertel dit voorval omdat het een kleine rol heeft gespeeld in mijn liefde voor muziek. Je moet weten dat muziek altijd enorm belangrijk voor me geweest is.  Maar het ultieme gevoel moet zijn om zelf op dat podium te mogen staan. Maar zingen was voor mij niet weggelegd. Dat had die tik van de Woef voor gezorgd. Ik zong vals, dat was duidelijk. En dat betert niet met de jaren. Hij had mijn mond gesloten.  Dertig jaar later We zijn ondertussen dertig jaar verder. Mijn vrouw en ik staan in de concertzaal AB in Brussel. Wat hebben we hier naar uitgekeken. We zijn allebei muziekliefhebbers.  Het internationaal bekende gezelschap ‘Choral 2000’ doet ons land aan. Alhoewel, gezelschap. Eigenlijk zijn ze maar met twee. Een dirigent en een jongeman op akoestische gitaar.  Begin jaren 2000 deden ze een oproep voor een optreden in een zaaltje. “Gezocht: 150 muziekliefhebbers om samen popklassiekers te zingen. Van Bowie en Nirvana tot Nina Simone.” Het recept bleek aan te slaan. Peter, de dirigent, bewerkte de songs voor een groot koor. Tweestemmig, driestemmig. Ze deden alsmaar grotere zalen aan. Eric, de man op akoestische gitaar droeg altijd een baseballpet van The Minnesota Twins, de baseballclub uit hun thuisstad Minneapolis.  In hun beginjaren tourden ze vooral in Amerika. Het ging van kleine naar grote zalen. Eerst koren bestaande uit 500 mensen, later werden het er 2000 en meer.  Via een vriendin die bij een concertpromotor werkt hebben we tickets weten te bemachtigen. Ze hebben een aantal koren uitgenodigd, maar er is ook plaats voor ‘gewone’ mensen, zoals wij.  Mijn vrouw, die geen onaardige zangstem heeft, hoopt op nummers van Nina Simone. Zelf kijk ik uit naar Bowie. Welke songs we gaan zingen, maken ze vooraf niet bekend. Ik heb er jaren niet meer aan gedacht, maar bij het betreden van de zaal moet ik plots aan het voorval met de Woef in het zesde leerjaar denken. Ik heb het nooit aan mijn vrouw verteld, besef ik tijdens het aanschuiven. Dat is iets voor straks. In de auto naar huis. Stel dat ze een zangtest afleggen vooraleer we naar binnen mogen, vraag ik me angstig af. Al is die angst niet nodig, want onze vriendin van de concertpromotor heeft ons gerust gesteld.  “Ze weten dat er in de zaal mensen zijn die niet al te best zingen. Maar dat is nu het mooie aan dit concept. Het merendeel van de mensen kan wel goed zingen. Zij overstemmen de mensen die ietwat vals zingen. Komt helemaal goed”, zei ze.  We geraken inderdaad zonder zangtest de zaal binnen. Iedereen krijgt een lintje met een bepaalde kleur. In de zaal wijzen medewerkers de bezoekers naar een vak met dezelfde kleur.  We staan in het gele vak. Naar wat ik kan zien, zijn er vier vakken. Er is voldoende ruimte in de zaal. Ik schat het aantal bezoekers op een twaalfhonderd.  Peter en Eric worden op een geweldig applaus onthaald. Vooraleer we tot een song komen die gefilmd wordt en later op YouTube belandt, gaat er een uur oefenen aan vooraf. “We spelen twee songs”, vertelt Peter. “De titel van het tweede nummer verklappen we niet, maar het eerste is ‘Here Comes The Sun’ van The Beatles. Een nummer van George Harrison. Zijn jullie er klaar voor? Yeah? Okay, let’s start.” Het oefenen gaat vlot. Eric laat ons helemaal in de song belanden met zijn fijn gitaarspel. Waar normaal een gitaarsolo klinkt, neemt de groene groep het over met een zeer subtiel ‘hmm hmm’. De magie van het zingen op een podium is voor mij nooit zo dichtbij geweest als op dit moment.  Na het eerste uur is er een pauze van een half uur. De twee pintjes gaan vlot naar binnen. Van zingen krijg je dorst. “Niet te veel”, zegt mijn vrouw. “Zodat je dadelijk niet begin te lallen. Of te luid gaat zingen.” Het is precies alsof ze me een knipoog geeft. In het café meen ik Danny te zien. De jongen naast me in de klas vroeger. Maar dat zou een al te groot toeval zijn. Hij had niets met muziek. Terwijl hij terug naar de zaal gaat, zie ik duidelijk dat hij het niet is. Maar hij heeft er iets van weg. Eric kondigt de tweede song aan. Hij heeft zijn pet afgezet. Nu zie ik pas dat hij lang haar heeft en een beetje op George Harrison lijkt. Of verbeeld ik me dat?  “We zoeken het niet te ver voor onze tweede song”, zegt hij. “We blijven bij The Beatles. Al is dit geen song van The Fab Four, maar wel eentje van de eerste soloplaat van George Harrison. Zijn jullie klaar voor ‘My Sweet Lord’?” Ik had op Bowie gehoopt, maar eigenlijk zijn deze songs nog beter. Een song over een mens die zoekende is. “I really wanna know you. I wanna show you Lord.” Doen we dat niet allemaal tijdens ons leven? Zoeken? Iemand leren kennen? Iemand iets willen tonen? Zoeken naar iets of iemand die ons bestaan zin geeft?  Het nummer lijkt gemaakt om samen met 1.200 mensen te zingen. We zijn klaar voor de opname van de definitieve versie die over een paar dagen op YouTube verschijnt. Ik zie drie camera’s. Eén bewegende op het podium en twee vaste op de balkons. Eric begint met de overbekende akkoorden van ‘My Sweet Lord’. Ik kijk naar mijn vrouw naast me. Een blik en een lach van verstandhouding.  Waar in de song in het begin al een elektrische gitaar weerklinkt, begint de rode groep met een fijn geneurie.  Wij mogen beginnen met de regels ‘My sweet Lord. Oh my lord.” Zo staat het ook op ons geel papiertje. Ik doe mijn mond open en voel plots een hand op mijn hoofd. Ik schrik en kijk achterom. Het is de Woef. Hij is natuurlijk ouder geworden en het lijkt alsof hij nog groter is dan vroeger. Hij torent boven iedereen uit. “Wat heb ik nu van dat zingen gezegd? NIET doen hè.” Ik hoor me nog net “WOEF” roepen en maak mezelf wakker van het schrikken. Ik zit rechtop in bed. Mijn vrouw naast me doet één oog open. Er komt daglicht door de jaloezieën van de slaapkamer. “Wat WOEF? Was je aan het dromen?", vraagt ze. "Weeral over dat voorval in de zesde lagere zeker?" "Heb ik je dat dan ooit verteld?", vraag ik. "Een paar honderd keer denk ik", zegt ze. "Maar in je droom wellicht niet." “Je was ook opnieuw aan het zingen. Of toch zoiets. Ik heb je al eens wakker proberen te maken.” Ik ben ondertussen een beetje gekalmeerd en lig terug op mijn kussen.  "Het was iets van George Harrison”, zucht ik.    

Rudi Lavreysen
22 1

Kerkhof-aan-de-Demer (9)

  Sommige formuleringen in mijn Vergunning voor een Private Begraafplaats voor Kleine Creaturen moeten van de hand van burgemeester Schimmelryck zijn. Want wie gebruikt nu de term 'creatuur'? Dat moet uit een geïmpregneerde geest komen. Ignace knikt. Onze nepprofessor weet dat allemaal. Een Australisch Droomtijd kan het zijn. Ook een hindoe, boeddhist, islamiet denkt zo krampachtig. Helemaal van de pot gerukt zijn de scheppingssprookjes van de joden en de christenen. Alles in een dag of zeven, voor wie geen geduld had en graag snel een mens zag komen die de boel verkloten zou. Die Hemelryck is bij de CD&V. Een echte christenhond dus. Zijn ganse jeugd doordrenkt met christelijk kutsap. 'Wezens' ware beter geweest. Dat zou dan wel die akelige mensapen omvatten. Ja. Die worden vanzelfsprekend uitgesloten. Zoiets wil ik niet op mijn Kerkhof voor de Onschuld. En wat met kabouters?, vraagt Ignace die als een schijngeleerde mijn vergunning las. Alfred brengt onze dubbele portie Stoverij op de Wijze van een Stokoude Kok. Ik ben niet van plan te sterven, zegt Alfred  Je gelijkt toch te veel op een kleuter, stel ik hem gerust. Voor een gnoom met menselijke eetgewoontes zal er toch geen plaatsje zijn op mijn kleine grafakker. We proeven onze stoverij en weten het. een dag zonder poëzie eindigt altijd wreed  sinds mijn ontbijt kwam elke stap te vroeg ofwel te laat ik dronk thee, ik mompelde, ik stormpelde over de sporen van een weggelopen trein straks sleept het zijn mij mee omdat ik leven moet de geit die gisteren de nek uitstak terwijl een dolle wind op wielen ons verlegen dorp doortrok zij is niet meer, de laatste druppels melk en bloed die stromen nu niet meer, ik hoop dat ik een plaatsje vind ergens op de achtergrond, liefst in dat zacht langharig zand   - IX - uit de reeks 'Duivelsverzen'

Bernd Vanderbilt
0 0

Kerkhof-aan-de-Demer (5)

Elk rund weet het nu. Het favoriete gerecht van Tom de Zieke Griek is biefstuk friet.* Zwarte vla is voortaan ook een specialiteit in het fascistische Ninove. Een fascinerend weetje is ook dat Mussolini het liefst versgesneden look at. Gewoon op brood met olijfolie. Iets met het verjagen van boze geesten, diva's en vampieren. Kim Jong Un eet dan weer het liefst soep van haaienvin, prosciutto en emmenthal. Op de frieten van Tom na, zitten we nog altijd goed wat de menu van Frituur De Bosbrand betreft. De gloednieuwe neofascist Elon Musk lust graag sushi en jawel, Tom zal dat graag horen, his favorite dish is steak. Frieten staan niet vermeld in zijn rechts dieet en dat is een opluchting. Dat hij ook graag chocolade eet, zal hem niet naar Brugge lokken. Wat wel vaststaat: alle ramptoeristen zijn zot van chocoladefondue, net als pyromanen die het gemunt hebben op de Huizen van Verdraagzaamheid. Tot zover de weet-je-datjes. Bart De Pauw hebben we daar niet meer voor nodig. Als hij hier ooit zou binnenkomen, kijken we hem gewoon buiten en de levenden onder de overige bovenvermelde zwarthemden zullen we ook snel herkennen. Aan dat zwarte hemd. Aan hun valse tongval. Hun ogen zijn van wit glas en hun woorden stinken naar ammoniak. Elke pagina mag om een irrelevant voorwoord bedelen. Het doet er niet toe. Zelfs de spin die achter mij in zijn web rust, leest dit niet. Ik zit op mijn gemak. Ignace is hier niet vandaag en er is geen klok die mij in het oog houdt. Toch wil ik daar zijn tegen tweeën. Ik wil Maya Van de Meli in de ogen kijken. Eindelijk. Zij zal mij de vergunning voor mijn private begraafplaats overhandigen en ik zal gelukkig zijn.     *bron: www.wouldbechef.be - V - uit de reeks 'Duivelsverzen'

Bernd Vanderbilt
0 0

Kerkhof-aan-de-Demer (4)

Hoe dat zit met die mensen? Soms zijn ze klein en lief. Daarnaast is Maya Van de Meli werkend op die Dienst Vergunningen superzoet. Sommigen zijn wel ronduit braaf en doen weinig verkeerd. Ze hebben onschuldige hobby's, besparen op leed, leggen bizarre verzamelingen aan. Doodsprentjes, voetbalzantjes, averechts draaiende slakkenhuizen, linkshandige geschreven nazibrieven, roze steentjes om joodse grafstenen te leggen. Het is Ignace die mijn notities leest, zelf ook zijn dagboek neemt. Elke uiteenzetting over de mens neigt naar wreedheid. Dat ligt voor de hand. Ignace weet intussen veel over ons, kwaadaardige omnivoren. Het alziende oog van de vermeende god leest mee maar dat deert ons niet  Illusies slapen ondiep in het koekoeksnest en al de rest is bijzaak. Intussen wordt er veel gestolen uit de holen van de vos, uit het nest van de makaak. Poëzie is een noodzaak, zo beweer ik maar Ignace is niet zo zot van rijmelarij. Zijn studie van de eetgewoontes betreft christenen, de jood, een hindoe, eskimo, ook een hongerige wees, de zoeloes en één gele chinees. Het gaat ons relatief goed, hier in Frituur de Bosbrand. Alfred weet dat. Hij speelt nooit muziek die een hartslag kan inhalen. Rocksteady for Uncle Freddy weerklinkt vandaag en dat kan bekoren. De Noren met hun fjordgezwalm, de koren in verlaten kerken, zij houden hun muil. Hoe zit het dan met dat mensengevreet? Dat vraag ik aan Ignace. Hij eet één bitterbal en gunt me dan een blik op zijn geschriften. Zij eten gewoon alles die klootzakken, die onbarmhartige malloten. Elk varken dat losloopt in het Midden Oosten wordt door christenen gevangen en opgepeuzeld. Ze laten zelfs niets over voor de Hellehond. Ze kwellen islamieten met hun vertoning, terwijl in China elke aap eraan geloven moet. De tafel is rond en in het midden zit een gat. De kop van die aap past er schoon in. De schedel is opengezaagd, mooi horizontaal en met houten lepeltjes scheppen ze elk om beurt wat brein uit de schedel van die aap. In duistere winkeltjes verkopen ze ook gedroogde, fijngemalen olifant. Die geslurfde dieren zijn allemaal gestolen in India  Zo zit dat met die mensen. Ignace sluit zijn notitieboekje en we bestellen elk een Mort Subite.   - IV - uit de reeks 'Duivelsverzen' 

Bernd Vanderbilt
0 0

Kerkhof-aan-de-Demer (3)

  "Mijn oude Prius krijg ik niet meer opgeladen. Ik ben met de fiets gekomen." Dat zegt de man tegen Alfred. "En het plot, zeikerd, heb je daar al over nagedacht?" Insecten kunnen spreken. Overal hoor ik hun stemmen. Dit is zonder twijfel het taalgebruik van een strontvlieg. Intussen.Achter het frietkotglas. De regen valt fel. Kort daarna. Achter het frituurvenster. Het verleden vloeit samen in vuile plassen. Het is overigens niet eenvoudig een vergunningsaanvraag voor een private begraafplaats in Kerkhof-aan-de-Demer poëtisch te beschrijven. Trouwens. De rug van een strontvlieg is, kijk maar, wonderschoon groen. Wat dat plot betrett, gij kakbrommer, er zullen dramatische momenten genoeg zijn, er zal dood in overvloed plaatsvinden. Meer dan een padvinder in zijn rugzakje dragen kan Te veel.voor een plat bord dat nog nooit soep gegeten heeft. Wat ik U zeggen kan: Ze doen schoon hun best op die Dienst en dat mag. Het meisje met haar vingers, met haar luisterende typmachien, zij heeft het fraai geformuleerd. Aan de geëerde Heer Vanderbilt, dit zijn ze dan de voorwaarden verbonden aan het begraven van kleine wezens, grote wensen. Het betreft de eindbestemming en het lot van aarde, land, de bodem. Het gaat over de grond, het zand, de grenzen van percelen. Maya, Maya Van de Meli is haar naam voluit en ik zweer het, eerlijk is haar handtekening. Ik vermoed. Ik ben het bijna zeker. Maya is een schat zo zoet een snoep kan zijn  Haar lippen lachen als de dijken van een kusgroeve. Ze hoeft maar aan één kant te knipogen of er vallen lagen onmacht van mij af.   - III - uit de reeks 'Duivelsverzen'    

Bernd Vanderbilt
0 0