Lezen

Dark Roast

  'Een café lungo,' bestelde hij bij de barista. Eigenlijk best een fancy naam voor een kopje koffie, dacht ik en van achter mijn lievelingstafeltje bij het raam van de koffiebar bekeek ik de man die eruit zag als een karikatuur van Dr. Livingstone. Hoe komt iemand erbij zich zo te kleden en waar koop je nog zo'n spullen? Ik had stiekem een foto willen nemen. De café lungo kwam mijn richting uit. 'Is deze stoel vrij?' Vroeg hij wijzend naar de lege stoel recht tegenover mij. 'Ja hoor. Geen probleem.' Toen hij recht tegenover mij aan mijn lievelingstafeltje plaats nam schoof ik wantrouwend mijn portefeuille en smartphone een beetje dichter naar mij toe alsof ik voor hem plaats wilde maken. Ik had mijn antwoord misschien anders, iets duidelijker, moeten formuleren. 'Ik dacht dat je die stoel nodig had aan een ander tafeltje.' probeerde ik nog maar de karikatuur deed zijn Baskenmuts en zijn handschoenen al uit en legde ze op de plaats die ik net had vrij gemaakt. Nu viel me zijn grijze haar pas op dat in alle richtingen in grote warrige krullen uitstraalde. 'Ik weet het, meestal stelt men mijn gezelschap niet zo erg op prijs.' Hij wist dat mensen hem meden, was het niet om zijn rare kledingstijl dan wel om zijn overdreven gelaatstrekken, dacht ik. Livingstone goot suiker uit het glazen potje in zijn koffie lungo en begon langzaam te roeren. Ik nam nog een hap van mijn croissant. 'Het is altijd hetzelfde wat je leest in de krant, covid, covid en nog eens covid,' en hij liet het hoekje van de krant los, die ik aan het lezen was. Een gevoel vol bedreiging overviel me. Dit kon toch niet? 'In mijn krant, bedoel je,' antwoordde ik en hoorde hoe scherp ik klonk. Zo kende ik mezelf niet echt maar ik vond het nu wel passen. 'Sorry, in úw krant,' zei hij met een over geacteerde klemtoon op de ú, 'lees maar gerust verder als je wilt geloven wat er in úw krant staat.' 'Misschien had ik toch moeten zeggen dat die stoel bezet was.' Zei ik en ik was even vergeten wat mijn moeder mij geleerd had over beleefdheid. Nu zat ik hier met die rare ontdekkingsreiziger. Zelf weggaan was waarschijnlijk de enige manier om dit ongemak te beëindigen maar mijn cappuccino was nog niet op. 'Ik heb jaren in Congo gewoond.' Hij pakte mijn aandacht voor mijn krant terug af. 'Voor of na Stanley?' onderbrak ik hem en ik schrok zelf van mijn cynische reactie. 'In Kitanga, in een grote villa met mijn vrouw en kinderen en twee boys.' zei hij onverstoord door mijn opmerking en schoof zijn handschoenen en pet een beetje verder op het tafeltje. 'En waarom moet ik dat weten?' 'Er was daar een grote blanke gemeenschap, die gerund werd door de vergadering na de zondagsmis. Niet heel democratisch maar het werkte wel.' 'Waarom vertel je mij dat?' Ik begon danig mijn geduld te verliezen. Hij niet. Waarom, in Gods naam, een lungo en geen espresso, of beter nog, een ristretto aan de bar? 'Wij deden in hout, we verscheepten boten vol tropisch hout, eerst met de trein naar Bas- Congo en vandaar meestal naar Antwerpen. Mooi hard hout, Jembé en Padoek onder andere. Naar Antwerpen en vandaar naar overal. 'Sorry, maar ik heb mezelf nog niet voorgesteld. Martijn,' zei ik en gooide het over een andere boeg, 'en jij bent?' 'Rodney,' antwoordde hij. Hij hoort mij dus toch, dacht ik spontaan, en vroeg mij nog steeds af waarom Rodney aan mijn tafeltje was komen zitten. En terwijl hij zijn café een beetje minder lungo maakte nam ik de laatste beet van mijn croissant. 'Eigenlijk Rodney Jr., mijn vader was Rodney senior. Hij was de oprichter van het houtbedrijf in Congo. “Le patron”. Hij was een selfmade-man, van kleine schrijnwerker tot belangrijke groothandelaar in tropische houtsoorten. Van de boom tot de plank.' Oh nee, dacht ik, zo meteen komt Leopold III hier ook nog aan mijn tafeltje aanschuiven. En alsof hij mijn gedachten kon lezen, vervolgde hij, 'Wij waren niet zoals veel andere blanken. Wij waren goed voor onze mensen. Een goed loon, goed werk en goede woningen.' 'En goede winst.' 'Heel goede winst.' bevestigde Rodney zonder verpinken. Die winst is dan toch duidelijk niet bij hem terecht gekomen, dacht ik, hij was waarschijnlijk het zwarte schaap van de familie. Of hij heeft alles er door gejaagd. 'Maar genoeg over mij, Martijn, waar heb jij overal uitgehangen in je leven?' Veranderde Rodney plots het gesprek. Ik was hier niet gemakkelijk bij. Daar had die onbekende, van wie ik alleen de voornaam kende, toch helemaal geen zaken mee? Vanwaar die familiariteit? Je eigen leven vertellen gaf je nog niet het recht om dat van iemand anders te kennen, toch? Misschien was de man eenzaam en had hij behoefte aan gezelschap. 'Een beetje hier en daar, in België en een jaartje in Nederland.' Ik had al spijt dat ik het gezegd had voordat mijn zin uitgesproken was. Ik moet opletten dat ik zo meteen mijn gsm-nummer of e-mailadres niet geef. Voor je het weet heb je er een beste vriend voor altijd bij en staat hij om de haverklap voor je deur, dacht ik. Ik nam mijn krant op en hield ze een beetje omhoog terwijl ik lichtjes achteruit leunde. 'Dat koekje eet jij toch niet op, wel?' vroeg hij terwijl hij het ingepakte koekje van mijn koffieschoteltje plukte. Ik wou eigenlijk op zijn hand slaan maar ik sloeg denkbeeldig hard op mijn voorhoofd. 'Nee, doe maar.' Dat koekje mocht hij wel hebben, maar mijn leven ging ik niet aan zijn neus hangen. Ik moest uitkijken want op een of andere manier liepen mijn verstand en mijn mond niet synchroon. Rodney was wel erg opdringerig. Ik nam voor de zekerheid het chocolaatje van mijn schoteltje en at het meteen op. “Weer eenzame ouderen verwaarloosd aangetroffen in serviceflats.” las ik in mijn krant en zag een schoolvoorbeeld van een verwaarloosde oudere tegenover mij zitten. Toeval bestaat wel. Zou hij nu over het weer beginnen of terug over covid, of over hoe gezellig het hier wel is? Of was dit nu zo'n “être” waar ze in kruiswoordraadsels altijd naar zochten? Een amateur theateracteur die een rol uitprobeert? Verborgen camera? Neen, dit was gewoon een vervelende klier die mijn koffie kwam verpesten. Had ik iets verkeerd gezegd of gedaan misschien? Ik zat hier toch maar gewoon, rustig aan mijn lievelingstafeltje mijn cappuccino te drinken, en ja nu ik eraan dacht, ik had hem al eens eerder gezien in dit koffiehuisje, toen zat hij … aan dit tafeltje. Ik stond op, deed mijn jas aan en voor ik me naar de uitgang keerde, keek ik nog een laatste keer naar hem zei: 'Zo Rodney, bedankt voor de cappuccino,' en liet mijn krant op zijn tafeltje liggen.

de Walter
0 0

Dag 1, 2 en 3 van Novembervers (2 voorbije dagen ziek geweest, vandaar inhaalmanoeuvre)

1 November: Slijm in mijn keel keel hebben is overweldigend op een sensorisch niveau wanneer ik een micro voor mijn neus zet. 2 November:  "-Hey man, gelukkige verjaardag hé. - Merci, gij ook ne gelukkige!" Conversatie tussen juist 23 jarige ik en juist 12-16 jarige jongen, die door puur toeval in hetzelfde restaurant zijn verjaardag kwam vieren als ik met wie ik samen ervoor gezorgd heb dat het hele restaurant niet 1 maar 2 keer heeft kunnen genieten van hetzelfde 3-delig verjaardagsdeuntje op 1 avond, toen zowel hij als ik tegelijk vertrokken. Comotapas us trouwens echt een aanrader 3 November : Soms heb ik van die momenten waarop ik besef/beredeneer dat sommige zaken in en taal wel/niet/potentieel bestaan, vooral tussen 2 talen (voornamelijk Engels en Nederlands). En dan kan ik gemakkelijk een half uur spenderen aan het uitdokteren hoe dit toch zou werken in beide talen.  2 voorbeelden die ik me vanochtend op de fiets bedacht: - De Engelse taal heeft geen woord dat voormiddag scheidt van ochtend (+ het uitdenken voor welke uren ochtend, vm, nm en av toepasselijk zijn in zowel Engels als Nederlands). Technisch gezien wel eigenlijk (before noon) ma dat is ni 1 woord zoals afternoon en wordt naar mijn weten zelden tot niet gebruikt. - Gekmakend is het Engels is "maddening". Bij gevolg bestaad ook iets met een gekmakkend gehalte (een zekere gekmakendheid) in "maddeningly". Da is al spicy and tickles me in my literary place. Maar wacht, het beste komt nog: gekmakend is het de bijvoegelijk naamwoord geworden vorm van gek maken, wat betekend dat in het engels ook "enmadden" mogelijk moet zijn. EN "enmaddening". EN ZELFS F'ING "ENMADDENINGLY".... en dan vragen mensen zich af waarom ik van taal hou.

Tijs
6 1

In de machine

Ik ben vandaag radioactief. Een vriendelijke verpleegster spoot het goedje vanochtend in mijn rechterarm. “Veel water drinken, en veel plassen, en we zien mekaar straks om 15 uur”. Ik waarschuw haar dat ik metaal in mijn lijf heb. “Dat is geen probleem bij een botscan,” en ze besluit met een lachje, ”dus we laten dat metaal mooi zitten”. Liefst wel, ja. In de namiddag moet ik de machine in. De verpleegster stelt me gerust: “De plaat zal heel dicht bij je gezicht komen, dat is normaal”. Ze legt uit dat het hele gedoe in het totaal een half uur zal duren. Ze maakt het mij zo comfortabel mogelijk, het is immers de bedoeling dat ik zo min mogelijk beweeg. Ik krijg: twee kussens onder het hoofd, een kussen onder de knieën, een band rond de enkels waarin mijn voeten ontspannen mogen hangen, een band van arm tot arm, net onder de ellenbogen, waarin mijn armen ontspannen mogen hangen. Ik ga hier gewoon een dutje doen, niks aan de hand. De verpleegster trekt zich terug in de aanpalende ruimte, van waaruit ze de knoppen van mijn machine zal bedienen. Ik weet dat ze mij in het oog houdt door het raam dat de radioactiviteit bij mij, en van haar weg houdt.De zacht zoemende Discovery schuift boven mij, over mij. Het voorste gedeelte begint te zakken, en lijkt te blijven zakken, op deze manier gaat het mij pletten, komt het nóg dichterbij? Ik doe maar beter mijn ogen dicht. Mijn ademhaling versnelt, ik zou stil moeten liggen, niet zo druk ademen, doe nu rústig.Ik denk aan John, de Happy Socks-man, die belachelijk vaak in een machine moest. Er buiten adem geraakte, want het masker knelde zo. Die telkens hoopte dat alles goed zou komen. Voor wie het niet goed kwam.Als John zulke dingen kon, met slecht nieuws op slecht nieuws op slecht nieuws, dan moet ik dit zeker kunnen. Dit is een routineonderzoek. Twee tellen inademen, vier tellen uitademen. Ik hoef niets op zijn plaats te houden. Dit is geen keurslijf, dit is een cocon. Mijn hele lijf mag doorhangen; de simpele constructie met kussens en banden blijkt een ingenieuze. Als je ontvoerd bent door aliens, word je waarschijnlijk in zo’n positie gehouden, tijdens hun nieuwsgierige onderzoeken naar de menselijke anatomie. De vingers van mijn rechterhand raken de onderliggende tafel. Die begint zachtjes te verschuiven: ik vermoed dat ik in het wastrommelgedeelte van de machine word geschoven. Ik voel het schuiven met mijn rechterpink. Het lijkt wel strelen. Een pink strelende machine, zo doen die aliens dat dus. Ik glimlach. Dit komt goed. Nog zo’n twintig minuten gok ik, misschien maar een kwartier, of – de verpleegster onderbreekt mijn gedachtegang, “Zo, dat was het”. Ik antwoord met een lach, “Ik heb écht geslapen”. Mindfulness, zou John het noemen.

birgit mellebeek
231 6

In zoverre ik korte rokjes en goedkope groene nylon slipjes draag…

Kids zitten in de straat op de stoep, een rode bal aan de voeten, met een stok iets aan het porren in de goot, stellen geen moeilijke vragen. Een zwarte Ferrari rijdt voorbij. Dromen maken me bang.  Mij papieren toesteken voor een hele hoop geld, papieren waarop doodles staan, mannetjes met eierhoofden en streepjes voor armen en benen, papieren waarop gedichten staan, kortom ‘bewerkte’ papieren, zo’n papieren mij toesteken op de stoep, terwijl ook zij zich naar haar werk begeeft, zo’n papieren mij toesteken, dat kan opgezet spel lijken, maar in dit geval was het puur toeval.  Of althans, zo beweerde zij toch. Zij, dat was een mooie brunette die ik had ontmoet terwijl ik tweedehandse gitaren aan het verkopen was. Het was het verdrietigste meisje dat ik ooit in éen gulp een RedBull zag leegdrinken. Haar naam was Sarah. Ze zei dat alles begint met luisteren en dat deed ik dan ook, luisteren naar haar en de rest van de wereld verdween rond me. Ondertussen probeerde ze vertrouwelijke informatie te stelen, uit mijn hoofd, gegevens over mijn bestaan, dingen over mijn karakter die alleen ik pretendeerde te weten. Ze kon dit, I suppose, door me nauwgezet gade te slaan met die jaguarogen van haar, die vanuit struikgewas (mijn kamerplantencollectie) het blinkende computerscherm op mijn lessenaar reflecteerden. Ze woelde met haar vingers door de wanordelijke troep documenten op mijn bureau, ze legde haar handen op een energiebol die ik had, een plasmaglobe zoals dat heet, en dwong zo de elektrische vonk die in me zat op haar warme huid over te slaan. Bijna, ware het niet voor het glas dat tussen haar en mij inzat. Ik sprak haar die dag. Toevallig zat zij in een zwarte zetel achter het stuur van haar stoere Landrover. Ze deed haar autoraampje op een kier omdat ik haar daartoe met een roterende handbeweging teken deed – ze had geen elektrische bediening in die oude, gele trofeewagen van haar, maar een roestbak was het niet. Ze droeg er zorg voor, zoals voor zoveel dingen. Zoals voor mij. I suppose. Ik sprak haar over dingen als foto’s van Courtney Love die ik bezat, over de wiskundige staartredenering die achter E = mc2 zat en die niemand kende noch volgen kon, maar die ik wel op een kurken wandbord had geprikt in mijn leeskamer, alsof ik er alles over wist.  Ik had een vouwbare bureaulamp die boven het blad van mijn lessenaar en mijn computer torende als een plasticgehelmde, anorectische robot met een spillenruggengraat van blinkend staal. Inclusief spiraalveer.  De platitudes, banale onderwerpen waar ik het met haar over had, terwijl zij haar handen op het stuur liet liggen en voor zich uitkeek, terwijl ik leunend tegen haar auto haar van iets probeerde overtuigen, waren evenzovele manieren om niet het hoofdonderwerp aan te boren dat me op de lever lag.  Toch zei ik, niettemin, ‘Zal ik vertellen wat ze over ons zeiden, wat er over ons de ronde ging op het feestje?’ Gisteren waren we beiden op een feestje. Sofia viel me lastig door haar ogen in mijn rug te boren telkens ik die naar haar toekeerde en mijn aandacht bij Sarah verdeelde. Sofia viel me lastig door te vragen of ze nog een Martini mocht. Sofia viel me lastig door me in de badkamer ongevraagd op de mond te zoenen. In weinig woorden gezegd, Sofia leidde me af van mijn lijmen van Sarah. Er speelde muziek van Coltrane. Favourite things. Ik ging naar een microgolfoven en warmde twee leverpasteitje met wat pommes duchesse op, propte die in mijn mond en overwoog wat me te doen stond om me niet stierlijk te vervelen, hier in het appartementje van Gerard waar ik beland was. In de mix. Er stond, puur voor de show van het prestige denk ik, een fotokopieermachine in de woonkamer van Gerard, die dit feestje organiseerde. Nou, het was veeleer een geïmproviseerd feestje anyhow. Maar er werden spelletje gespeeld met die Xeroxmachine en daar onthield ik me van. Zodat ik aan een al even geïmproviseerde chromen drankkar terecht kwam en me een gin-tonic ingoot. Sarah sprak me als eerste aan. Ze had zo’n verdrietige ogen, leegde in éen keer een RedBull-blikje en zei, ‘Weet jij iets over de dimensie waar je terechtkomt als je door een zwart gat wordt ingeslikt?’ Dat ze het over een fase in haar leven had, dat ze me misschien om raad vroeg waar ze zich naartoe had te bewegen in het vacuüm dat New York City geworden was, wist ik niet en werd me pas later duidelijk. Ik dacht er alleen maar aan bijdehand, ad rem te zijn en antwoordde daarom, ‘Nee, maar als het lijkt op dit soort bijeenkomsten, deze lui onderling, in deze slordige woonkamer, dan is het niet veel beter dan wat wetenschappers voorspellen wat er gebeurt in zo’n geval.’ ‘O ja?’ vroeg het meisje, ‘En wat is dat dan?’ Ik slikte het laatste restje leverpastei van tussen mijn kiezen door en antwoordde, ‘Je wordt uiteengereten.’ Het meisje begon te lachen en vroeg mijn naam. ‘Jerry,’ zei ik, ‘en jij?’ ‘Sarah.’ Ik droeg een geel overhemd en bij Sarah hing er, geloof het of niet, een zwarte stropdas met PacMans erop rond haar nek, het leken wel smileys van indertijd bij acid house en new beat zoals die hot en her tot logo’s, tot zwierige krullen in chats en e-mails uitgegroeid waren. ‘Ja, onze entourage is op sterven na dood,’ zei Sarah terwijl ze met een veelbetekende, doch uiterst neutrale blik teken deed rond ons heen. Ik voelde nog steeds de ogen van Sofia in mijn rug. ‘Hopelijk,’ zei ik, ‘hopelijk vind je het hier niet even doods als toen je de BadMonkey binnenstapte. Ja, ik herinner me je nog.’ ‘Oh, hoezo?’ vroeg Sarah. ‘Nou, je kwam toch om een gitaar de andere dag?’ zei ik. Ik baatte nu eenmaal de BadMonkey uit, een tweedehandsgitaarshop, ik had het er al over. ‘Ja, maar hoezo, ‘niet even doods’?’ wilde Sarah weten. ‘Nou, er waren bijzonder weinig klanten en wie weet wat vond je nou écht van de jongeman die achter de toonbank stond om al die gitaren te verpatsen,’ vroeg ik. ‘Je bedoelt jezelf?’ vroeg Sarah. ‘Yes,’ zei ik.  Ik wist dat ik om een complimentje viste. Ze aarzelde even en sprak, ‘Oké, ik zal me schikken. Nee, je was best leuk, leuker en nieuwer dan al die opgelapte gitaren aan de muur en in de rekken alleszins,’ en terwijl ze dit zei, streelde ze een bruine lok van haar haren uit haar ogenveld, en ik was verkocht. ‘Maar wat ís het dan, dat ze over ons zeiden, als je dat per se wil delen met me?’ riep Sarah die dag doorheen het kiertje in haar opengewrikte autoraampje, nog steeds in haar Landrover maar opgeschrikt vooroverschietend waarbij ze zich geïrriteerd weer in haar zetel liet terugvallen, evenwel nog steeds met haar handen op het stuur en het sleuteltje werkeloos in het zilveren contactslot rechts van haar. U kan het wel bijeenpuzzelen dat we een ruzie hadden gehad. Wel, het draaide om een onenigheid over de spiegel die ze me had voorgehouden, in de zin dat ze me verweet dat ik nooit naar haar wilde luisteren als ze zei dat ze een waarzegster haar drie kinderen in aardse vorm had voorspeld. Ik wilde geen kinderen. Ik geloofde niet in waarzegging, ik lachte haar ronduit uit. Dat kon Sarah niet velen: zo kon ze me niet aanbevelen bij de Spirit in de sky waar ze onder meer in geloofde. Ik moest erom glimlachen. En dat, dat was een dealbreaker.  Sarah maakte me dit uitvoerig kenbaar door vervolgens de randlijnen van een nog groter drama uit te tekenen door het komende halfuurtje mijn algeheel gebrek aan geloof in de rust en oprechtheid van het leven en haar vruchtbaarheid op de korrel te nemen.  Waarom en hoe? Ze zei namelijk dat menige priesteres ooit prostituee was geweest, dienstbaar aan een godsdienst en bekleed met een heilig karakter. … gerespecteerd door hun klanten, verre van infaam of schandelijk geacht omwille van hun roéping, een uitoefening van meer dan gewone deugd en beloond met een hulde van bewondering, medelijden en zelfs aanbeden, niet minder dan wie tegenwoordig om heel andere redenen in het klooster gaat door aan de natuurlijke functie van zijn of haar geslacht voorbij te gaan… J.G. Frazer – The Golden Bough Wat ze zei, kwam zomaar uit de lucht vallen en ik zei, ‘Je doet alsof je zelf een hoer bent geweest.’ Waarop een vreselijke stilte viel. De waterlanders kwamen. ‘Ik oefen alvast voor een kind,’ snikte ze, ‘door naar de Teletubbies te kijken en jij, jij ligt daar maar te suffen in de divan en lacht met me…’ ‘Maar…’ probeerde ik terwijl ik had aan te zien hoe Sarah ermee strugglede zich verstaanbaar te maken. ‘Je geeft mij niet de aandacht die ik verdien als ik in mijn négligé om jouw tijd vraag,’ vervolgde ze, ‘Ik ben blijkbaar alleen goed om in de keuken tussen potten en pannen de korsten van je pizza’s weg te gooien.’  Sarah en ik waren op een punt in onze relatie gekomen waarop zij alleen goed was om de opbrengsten van mijn voortdurende geheugenverlies op haar te nemen en af te schrijven op een borg die ik niet vervullen wilde.  Of kon. Ik was sprakeloos. Even geloofde ik dat dit meisje een spelletje met me speelde en de gedachte kwam al in me op dat het zeker die tijd van de maand was waarop alle dingen uit hun context losschoten en dat de spiegels begonnen te rimpelen omdat je er te dicht bij in de buurt kwam. Maar ik zweeg, als ik had gezegd wat door mijn hoofd ging, zou Sarah zeker iets giftigs hebben genoteerd als ‘Als ik zou wensen nooit te sterven, dan kan jij maar beter niet in mijn buurt zijn, of ik zou willen sneuvelen zoals een zonnebloem waarvan het hoofd wordt afgesneden.’ As a matter of fact, ze zei dit ook daadwerkelijk en wel even giftig, maar dat was alleen maar omdat ik met mijn mond vol tanden stamelde dat de stoffelijke resten van een sybille of waarzegster wel eens werden opgehangen in een tempel[1].  En wanneer een groep vrolijke kinderen, moe misschien van het ravotten op het plein onder de opgehangen urne kwamen staan en vroegen wat de wens van de sybille was, en dat deze dan met een holle, enge stem antwoordde, ‘Ik wou dat ik kon sterven.’  Ik wilde hiermee doelen op de waarzegster waarvan ik vermoedde dat die vrouw (of man) wel eens aan de basis van deze emotionele uitbraak bij Sarah kon liggen. Bleek dat Sarah bij die waarzegster in ieder geval en onder ieder beding voor onsterfelijkheid een wens had uitgesproken. Ik kreeg dientengevolge de volle laag het volgende kwartier. Oeps. Maar ik maakte het nog erger door te zeggen dat iedere oud-Egyptenaar twee namen kreeg, de echte naam en een ‘goede naam’. Waarom ik het hiermee nog erger maakte, was omdat ik er verklarend aan toevoegde dat zij zeker een beroepsnaam had gehad en welke die dan was, want ik werd hoe langer hoe nieuwsgieriger. Was het Jewel? Porsche? Bambi? Het was nu eenmaal zo dat die eerste, ‘echte naam’ zorgvuldig verborgen werd gehouden om de eigenaar ervan te beschermen tegen bad juju, tegen slechte magie, omdat zwarte totems bijvoorbeeld alleen effectief waren als men beschikte over de echte naam van je tegenstander of vijand. En ikzelf was hier de vijand met de slechte magie geworden. Hoe dan ook, om een lang verhaal kort te maken, zoals ik het hier vertelde, met die ‘vreselijke stilte’ die viel na mijn onhandige suggestie dat zij ooit een lichtekooi zou zijn geweest, zo kwam aan het licht dat Sarah inderdaad ooit had bijgeklust als escortmeisje.  En daar schaamde ze zich blijkbaar verschrikkelijk voor, hoewel ikzelf het fenomeen niet eens zo rampzalig vond. Ze vervulde zo, rekende ik snel, alvast een van de voorwaarden, een prinses in gezelschap, een kokkin in de keuken en in de slaapkamer, wel tja… Nou ja, we kregen een enorme ruzie. Ik zei nog wel dat ze op het feestje van Gerard hadden gezegd dat Sarah er prachtig en gedistingeerd had uitgezien. Maar het fragiele zee-ijs waarop ik me met mijn ijsbreker al had begeven, bleek levensgevaarlijk. Het was alsof ik de mummie van haar schaamte aan het afwikkelen was, benieuwd hoe ze er onder die stinkende windsels uitzag, en of haar ziel nu nog wel even licht als een veer van een ibis kon wegen, of er een plekje voor haar in het bootje dat naar de sterren vaarde, gereserveerd kon blijven. Maar Sarah wilde mij een mep verkopen, al verhinderde een letterlijk ongemakkelijke window of opportunity (haar autoraampje) haar van succes daarin, temeer omdat ik op tijd terugdeinsde. ‘Wat wil je dan,’ vroeg ik, ‘perfectie? Iedereen heeft zijn ruwe kantjes. De menselijke natuur is een doelwit in een circus, geplaagd door de grillen en veranderlijkheden van het dagelijkse leven en door het noodlot als een geblinddoekte vrouw die op een draaiend rad de messen naast haar hoofd en vingers voelt suizen en zich vastgrijpen in het hout waaraan ze vastgebonden hangt.’ Maar zij barstte uit en zei, ‘Als jouw mannelijkheid nog een sprankel of een vonk van waardigheid zou bezitten, zou je niet zo surrealistisch reageren op mijn bekentenis hier. Hoe kan je de waarheid verdragen?’ Ik gokte er in feite op dat ik haar trots kon breken, terwijl zij dat ondanks alle schijn tegen ook probeerde met mij. Ik weet niet of u dat begrijpen kan. Het is iets Freudiaans. Ze wilde aan de ene kant een deftig meisje voor me zijn, maar aan de andere kant wond het haar op dat ze de ervaring en de automatismes nog bezat om me op de onmogelijkste ogenblikken te verleiden, een rol in een groots opgezette productie van promiscuïteit te spelen, hier en nu en, ten derde, mij met mijn mannelijkheid tot een duik in het onbekende te dwingen. Maar iets in mijn kortstondig geheugen, dat me op de meest wispelturige ogenblikken in de steek liet en zo ook nu, speelde op. Want in plaats van Sarah verder gerust te stellen, begon ik koortsachtig de gaten en kieren te dempen die, mijns ondanks, nu overal begonnen te verschijnen in mij, lekken die verraadden dat ik, ondanks alles, een nogal ouderwetse visie bleek te bezigen aangaande vrouwen van de nacht en van het rode licht. ‘Wat vies,’ zei ik. ‘Hè,’ schrok Sarah, ‘wat bedoel je, wat is er vies?’ Mijn moraliteit stond hier ter discussie. Dat ik mij bedreigd voelde, dat ik huiverde en al aan het terugwijken was voor haar plots mij nogal opdringerig aandoende persoonlijke idiosyncrasieën. Ik dacht aan haar net iets te gigantische oorringen soms, haar opgestoken haar, het riempje van haar beha dat zich onder haar veel te losse wollen pullover wel eens kwam verraden, net ogenschijnlijk iets sneller dan ik op zo’n ogenblik verwachtte. Het web van de kruisspin in Sarah spande zich voor mijn dwaas rakende gezicht en ik wist alleen te zeggen, misschien deed ik het wel opzettelijk om haar te raken, te ergeren en te vernederen, ‘Misschien heb je de idee om te wachten op me in bed, stap dan uit die Landrover van je en maak je klaar.’  Ik zei het op een sarcastische manier omdat de hele situatie me ineens verveelde. ‘Wat?’ barstte ze uit. ‘Ik kom zo meteen, ik moet alleen nog even naar mijn werk, naar de BadMonkey want het is mijn shift, en een bordje Gesloten wegens omstandigheden voor de deur hangen. Of misschien kom je liever dáar?’ ‘Wat?’ barstte ze uit. ‘Je wilde toch kinderen,’ merkte ik op. Het was waarschijnlijk mijn falende kortetermijnintelligentie die mij niet toeliet in te zien wat er zich zonet tussen ons afspeelde, haar eerlijkheid, haar poging tot ontboezeming die zich, hoe onhandig ook, aan het voltrekken was, het besef dat ik haar zonet nog aan het troosten was en dat ik, wat ik ook deed, nu zeker geen verkeerde insinuaties mocht droppen in haar bijzijn. Ze snikte, ‘Ik gedraag me alsof ik geen problemen heb met lichamelijkheid, maar nu ik je antwoord heb, moet ik zeggen dat seks me, opnieuw, rancuneus, smerig en verfoeilijk toeschijnt.’  Ik begreep er weinig tot niets van.  Ze zei, ‘Kom naast me in de auto zitten.’ Waarop ik, zo onhandig mogelijk, ‘Oké, dat gaat, ik voel een erectie opkomen en jij wil stoom afblazen.’ Wat ik zei, was naar waarheid. Niet wat ik, nonchalant, suggereerde. Wat ik had gezegd, was eerder lief en ironisch bedoeld dan beledigend en compromitterend. Dient het gezegd, dat ze met haar Landrover in opspattend grind van de oprit wegknarste. ‘Stik!’ hoorde ik haar roepen. Het was alsof ik voorovergestruikeld in een gigantische onverwachte plas regenwater viel, of alsof iemand een emmer met slijm in mijn gezicht kieperde. Ik keek haar na, ging naar de BadMonkey en deed mijn shift alsof er helemaal niets gebeurd was. Ik was alles al vergeten. De volgende dag kwam Sarah nog terug bij mij thuis, maar dat was om haar spullen op te halen, haar lipgloss inclusief, haar sexy ondergoed, haar boeken, haar haardroger en een plastic tupperware met vier komkommers erin voor haar veganistisch lijntjesdieet, waarvoor ik haar altijd al, dwaas die ik was, bekritiseerd had. Ik dacht dat ze het wel gezien had met mij, en ik had gelijk. Ik was te verbouwereerd en te verward om iets vergoeilijkends te verzinnen en haar bij me te houden. Over mijn aandoening, mijn short-term memory loss, praatte ik niet. Omdat ik me in die tijd er nog niet zo bewust van was, ook nog niet bij een geneesheer in behandeling was. Zij stormde de kamer uit, de drempel over, waar ik haar achteraf gezien best op een dag óver had willen dragen en, opnieuw, haar gele Landrover in. Daar stond ik dan. De volgende dag, terwijl ik naar mijn werk wandelde, kwam haar Landrover eraan gescheurd, stopte met gierende remmen vlak bij me. Sarah stapte uit, stapte op me af en overhandigde me een doos sjokvol beschreven papieren. Voor ik het wist, was Sarah alweer weggeraasd, ze riep alleen nog, ‘Je begrijpt dit zeker niet. Nou, beschouw het als puur toeval en misschien kan je ze verpatsen voor geld aan de boulevardpers.  Dick.’ Ik dacht bij mezelf, verdomme, ze geeft me haar dagboek en ik had geen ongelijk. Nu zit ik hier in mijn leeskamer haar dagboek na te lezen en ik sta verbaasd over de nou ja, vunzigheden van haar escorteverleden die ik erin aantref. Ik sta verbaasd dat het me zo schokt, dat ik zo puriteins blijk te zijn.  Hoe dan ook, er staan ook allerlei erg ontroerende dingen in, biechten die getuigen van een groot in-tune-zijn met een wereld van haaien en parasieten, haar klanten. Bekentenissen die getuigen van een groot en edelmoedig karakter van een meisje dat het hoofd boven water probeert te houden.  Het schrijven getuigt ook van een onmetelijke intelligentie, alleen raar dat Sarah mijn geheugennecrose dan niet onderkennen kon. Tja, uiterlijkheden misleiden. Ik zit nu aan het einde van de kartonnen doos met dagboekpapieren, allemaal netjes beschreven in hetzelfde mooie schuine, klassieke handschrift. Een laatste entry is de volgende… … gerespecteerd door hun klanten, verre van infaam of schandelijk geacht omwille van hun roéping, een uitoefening van meer dan gewone deugd en beloond met een hulde van bewondering, medelijden en zelfs aanbeden, niet minder dan wie tegenwoordig om heel andere redenen in het klooster gaat door aan de natuurlijke functie van zijn of haar geslacht voorbij te gaan… J.G. Frazer – The Golden Bough Ik heb Sarah nooit meer gezien.     [1] van Apollo te Cumae bijv.

Ekster Alven
16 0

Pizzadozen

De dagen en nachtendie ik gespendeerd hebal slapend op een torenvan pizzadozen daar schiet menigscheurkalenderpapierte kort voor teveel van ditte weinig van datechter een teveel aanuitblinken in imperfectiemeer als dat was het niet messen & vorken liggen bij ons thuiswel degelijk op de tafel& onder vier ogenwordt er zo normaal mogelijk getafeld de glazen blinken de ramen zijn gewassen                  de onderleggers zijn gestrekenik eet de korsten van het brood& smeer de hummus centimeterdiker valt niets te verbergen maar hij zij die niet weet        is hij zij die niet ziet & er is een oud zeer    en een zure appel     waar ik in één grote hap     hem gans doormidden bijt    al hield ik eigenlijk nooit van Granny Smiths ..    dagen van chronische tandpijn etterende abcessen & tandartsloos leven worden gemist        & ibuprofen baadt nu nietdie jongens met vierkante rugzakken dat zo vaak aan de deur staanzijn nu eenmaal geen apothekerséén van hen kent trouwens mijn naam uit het hoofdzij lachen wel naar mede mensen op straat kunnen mij niet aan zien - waarom werken er eigenlijk zo weinig meisjes ? een psychiater zei medat ik aan een vrouwenziekte lijdtmaar mijn broek is er niet kleiner op gewordenintegendeelzijn ogen spraken van compassie die durfde ik nog wel te voelen enigszins maar wie trekt zich een halve kloot aanvan een door zich zelfweg gewenst weerloos wezendat zich niet goed in zijn vel& niet goed in zijn kleren voelt De Snorlax bij uitstek vast in zijn fucking pokébalmet zijn stiekeme nachtelijke expeditiesrichting de vershoudmachine want de dagen dat ik mijn eigen fiets voorbij reedhonderdmaal pompte nog voor de wekker ging & vijf dagelijks op appèl werd geroepen door de spiegel& de weegbrugdie zijn al even weeral voorbij zwelgend in zelfhaat & zelfmedelijdenkijk ik toe hoe de dingen rondom mijverschuiven in de goede richtingterwijl ik aan narcolepsie lijdtop een raket die richting de Milky way schiet jammerdat iets banaals als gewichtzo zwaar kan doorwegenwat jammerdat een simpel getalvoor veel te veel kan tellen - het is maar eten  de tijden die ik verspild hebmet mezelf te verslikken in maar etenmet mezelf te verslikken in maar voeding met mezelf te verslikken in een eetstoornis maar die tijden zijn voorbij nunu zijn het de dagenwaarop ik slaap op de weegschaaldie zit nu ver verstoptonderin mijn bed& de mensen lachen weer deze maal zonder voorwaarde& er zijn geen geheimen meer  

Schrikkentist
7 1