Lezen

Donkerrood

De trein raasde over de spoorwegen, op weg naar de Ardennen. In een tweede klas wagon zat een groep kinderen druk te praten. Boven hun hoofden lagen grote volle rugzakken op het bagagerek. Ze gingen op kamp in Bras.   Een meisje met rosse krullen, groene ogen en een ronde bril, Anna zat naar buiten te staren. Naast haar zat nog een meisje, Eline. Ze was het tegenovergestelde van Anna. Ze had lang blond sluik haar en helderblauwe ogen. Eline lag te slapen op Anna´s schouder en in haar handen had ze een rood teddybeertje dat bestond uit oude lakens. Anna keek glimlachend naar het teddybeertje. Juist op dat moment reed de trein door een lange donkere tunnel. Het rode beertje draaide zijn kop naar Anna. Zijn ogen waren glimmend groen, hij had een gemene glimlach op zijn genaaide zwarte lippen. Anna kreeg het warm en koud tegelijk haar hart ging wild tekeer. De trein reed de donkere tunnel weer uit. Door het verblindende licht moest Anna haar ogen snel dicht knijpen. Toen ze haar ogen weer open deed keek ze bang naar het teddybeertje. De kop van het beertje hing weer slap en zijn ogen waren weer normaal, knopjes. De groep was aangekomen op het veld. De zon scheen fel op het grasgroene landschap. De kinderen legde hun rugzakken vermoeid op de grond en wachtte op het middageten. De leiding kwam met een kartonnen doos aangewandeld. Vanaf dat de doos op de grond stond stortte de kinderen zich op de boterhammen en beleg.  De kinderen zaten in kleine groepen rustig te eten. Twee met choco besmeurde messen zaten in een chocopot, op één van de messen genoot een wesp van het lekkers. In de verte loeide luidt een koe. Die avond toen de schemering kwam om de dag te sluiten, vlocht  Anna het lange blonde haar van Eline. Terwijl Eline drie grassprieten vlocht. Krekels sjirpten luidt. Anna dacht na over wat ze gezien had. Het beertje spookte door haar hoofd. Die glimmend groene ogen die haar aanstaarde.  Anna schudde haar hoofd. Het zal wel een droom geweest zijn. Terwijl Anna de rekker rond Eline haar haar bond kondigde de leiding aan dat ze moesten gaan slapen.  Anna en Eline stonden rond de bidon hun tanden te poetsen. Anna  roggelde en spuugde water.  ‘Eline?’ vroeg Anna.  ‘Ja.’ Antwoorde Eline nadat ze de tandpasta had uitgespuugd. ‘Ik vind jou beertje schattig enzo maar.’  ‘ Maar?’ onderbrak Eline. ‘Maar’ ging Anna verder. ‘Ik had in de trein een enge droom over jou beertje, hij had glimmend groene ogen, zo van die ogen die je doorboren en echt ik krijg er koude rillingen van telkens als ik eraan denk.’ ‘ Maar Anna toch, je zult wel moe geweest zijn.’ glimlachte Eline   Het was stil in de groene gammele tent. Enkel een het getsjirp van krekels was te horen.  Anna kon niet slapen en staarde naar het donker. Ze kreeg die enge ogen maar niet uit haar hoofd, ze zag ze telkens als ze haar ogen sloot. Ze schrok toen iemand een hand op haar schouder legde. ‘Psst, Anna’ fluisterde Eline.  Emile en ik moeten naar toilet. Kom je mee? ' Uhm…ok…Ik kom mee.' Antwoordde Anna.  Emile, Anna en Eline wandelde naar het toilet. Emile zei dat hij in het bos ging en dat hij ging wachten op Anna en Eline. De meisjes stemde in. Anna en Eline waren met twee bij het toilet. Het geruis van de bomen werd plots onderbroken door een hoge schelle gil. Eline keek Anna  geschrokken aan. Eline zag dat Anna lijkbleek zag. Er liep een koude rilling over Anna´s rug. Ze spurtte samen het bos in. Plots greep Eline Anna´s hand vast en wees naar boven. Anna keek langzaam omhoog. Ze trok wit weg. Bloed sijpelde lang de wervels van de schors. Emile hing als een pop aan een tak. De tak zat door de borstkas van Emile. Op de bebloede punt zat een teddybeertje gemaakt uit oude rode lappen. Hij had glimmend groene ogen en een gemene glimlach op zijn genaaide zwarte lippen.

Romi
11 0

De schaduw van geluk

  Op een schommel dommelt evenwicht. De rust zij tuimelt altijd richting zwaartepunt. Niets luistert naar mijn wil. Ik zou veel liever drijven zonder iets te moeten voelen. In de lucht. Daar durven vogels zomaar vliegen over zee al is het water veel te zout om zich te laven. De oceanen zijn gemaakt voor langgerekte stromen en het zingen van een walviskoor. Zoeter zijn de dagen als de tijd geen misdaad plant. Hij is nochtans steeds onderweg. De gezant van ongeluk draagt onder zijn tenue een t-shirt met daarop een olifant. Ik heb weer eens gedroomd. De nacht was van kristal en ieder laagje ijs op warme hoop, het brak. Zijn poten zijn zo zwaar een draak kan zijn. Ik sprak tegen mezelf die wartaal van altijd. Over een fris begin. Toen er nog kikkers zwommen in mijn glas dat ik een vijver noem wanneer de wereld veel te groot lijkt voor een kind met nieuwe ogen. Over het middenstuk. Die romp van schepen tussen boeg en roer. Ja, er bestaat een theorie die altijd heeft beweerd dat bootjes moeten drijven. Zolang rivieren zich niet vullen met te hete lucht. Ik heb de gaskraan afgezet. Mijn masker weggelegd. Er stak een blik achter dat scherm die niemand had verwacht. Ik heb een oog te veel. Het ziet geen kleuren, enkel diepe gloed. Kijk mij niet aan. Dat zeg ik altijd tegen ijsvogels. Ze zitten meestal op een tak te wachten op de dooi van bange dagen. De lente mag zich haasten, denkt de bol met in zijn hart een bloem. Over het einde durven enkel gieren vliegen. Hun vleugels en hun bek, zij kennen goed de weg naar restjes levensmoed. Die liggen doorgaans aan de rand van het bestaan. Toen er nog kikkers zwommen in mijn glas. Zolang de draak zich maar vergist tussen het spook en schimmen in mijn hoofd. Ik spreek die wartaal liefst wanneer een langbek naar een dikkop vist. Ik heb de gaskraan afgezet. De vinken hebben nog geen pan gekozen om hun blindheid te vergeten. Gebakken smaakt verdriet niet beter, lacht de zon. Er wordt nochtans al lang op hem gewacht. Op hem die slome kerel. Ja, die zendeling met in zijn rugzak salami op kruimels die wat brood proberen zijn. Kijk mij niet aan. Dat zegt hij ook. Ik ben zo traag dat rampspoed met gemak mijn hielen strelen kan. Ik struikel dan. Over de schaduw van geluk.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Vriendin

Ik heb niet heel veel vrienden. Ik gebruik het ook niet als modewoord. Sommige mensen hebben zoveel vrienden dat ze het zelf niet meer bij kunnen houden. Maar aan de vrienden die ik heb, ben ik trouw. En als er iets met een van hen is, raakt me dat diep. Een paar maanden geleden kreeg een lieve vriendin het nieuws dat de longziekte die zij had haar binnen afzienbare tijd fataal zou worden. Een mokerslag, natuurlijk in eerste instantie voor haar en haar man, maar ook voor de mensen die om haar heen stonden. Waar ik er één van was. Zij reageerde zelf heel nuchter. Er was niets aan te doen dus ze zou het moeten accepteren. Daar had ik al bewondering voor. Ze was niet boos, ze heeft niet gescholden. Ze aanvaardde haar lot.  En dat lot bracht haar heel wat zware dingen. Van het nog kunnen lopen van een blokje rond tot een half uur moeten bijkomen van tien meter lopen. De rollator werd een rolstoel en daarna kwam er een bed in de woonkamer te staan. En nog steeds kwam er geen onvertogen woord over haar lippen. Waar ik de hele wereld verrot zou hebben gescholden, zei zij alleen maar “het is wat het is”.  Tot het ook voor haar niet meer acceptabel was. Ze nam het moedigste besluit dat een mens volgens mij kan nemen en begon haar eigen einde te regisseren. Ze vertelde wat haar wensen waren. Tegen haar man, tegen de huisarts, tegen mij. Ze gaf spullen weg, maakte een lijstje van muziek die gedraaid moest worden en bepaalde een datum. Dinsdagmiddag. Ik liep de dagen voorafgaand aan die datum iedere dag een keertje bij haar binnen. We kletsten over koetjes en kalfjes maar spraken ook over ernstige dingen. Ik weet nog dat ik vroeg of ik op maandag ook nog welkom was. Of dat ze dat misschien liever niet had. “Jij mag wel komen”, zei ze “jij bent geen jankerd.” Onwillekeurig moest ik er om lachen. De dag er na liet ze het leven los. Omdat het voor haar niet meer menswaardig was. Ik heb diep respect voor haar dat ze dat zo heeft kunnen doen. En ik mis haar.    

Machteld
12 1

Beaulieu-sur-Mer

  Er is een racecircuit ooit aangelegd op deze rug. De littekens verbinden wegen waar een korstje heeft geleefd. De auto’s reden door mijn hoofd. Er was een gat gemaakt voor duiveltjes die met hun zwart geweld het lot bestuurden richting rechteroog. Aan deze kant werd ik voorgoed volledig ongevoelig voor het rode licht dat avonden soms blind beloven. De lens is er zelfs uit. Ik draag daarom meestal een ooglap. Het is een stukje stof gescheurd uit een bedrogen vlag. Men sprak van landverraad toen ik de zee verkozen had. Ik heb mijn koersmobiel verkocht aan een piloot die ‘s morgens pap met brokken at. Ik heb mij met dat geld een vliegdekscheepje aangeschaft. Het was te klein geworden voor de aanloop van de reus, die er zijn stappen wilde tellen. Alles richting ondergang. Een pas of tien misschien en hij lag overboord. Zo gaat dat vaak in sprookjesland. Het is nu helemaal van mij. Hier aan de linkerkant is er die grote vlakte voor het ene vliegtuig dat ik heb. Het is een dubbeldekker uit een oorlog heel dichtbij. Ik vecht nochtans al lang tegen de molens op de wal. De dwaaltocht wil mij nog niet laten gaan. Het was Frestoen die me beval. Ik moest, ik zou in Noorse fjorden naar verkoeling zoeken voor een zomer die niet sterven wilde. Onderweg trof ik de herfst. Dat was vlakbij Beaulieu-sur-Mer. Ge zijt verkeerd, vertelde een verlaten strand. Je bent hier aan de Mediterranée. Het was midden november en de doden sliepen weer zeer diep zodat ze al die bloemen snel vergaten. In het familiegraf werd het opnieuw heel stil. De eendagsvlieg zij zweeg. Daar is een kerkhof op het strand met tussen al die zerken slechts één stoeltje voor de kapitein van dat verlegen vliegdekschip. Ik kijk hier nu vanop de wal naar al hetgeen mijn ziel bezit. Wat ijzer in een grijze vorm, een vliegtuigje dat bijna overlijdt. Er is een racecircuit, hier achter mij. Het loopt over die berg tot in het dal waar ik geboren ben. Daar wil ik niet meer heen. Het zijn de milde wolken die over de wonde strijken. Elke dag opnieuw rijdt er een trein langs de rivier waarin verleden stroomt. De machinist hij weet van niets. Hij denkt dat alle tunnels zijn gegraven door een grote rat. Hij rijdt daarom liefst traag. Het is altijd zijn eerste rit. Misschien is verderop de rat nog in de weer en ligt daar nog geen spoor. Ik heb die speelgoedtrein gekocht nog voor ik racen kon, nog voor ik ben verongelukt. De eerste keer verscheen dat gat. Het werd niet dichtgenaaid, gewoon ontsmet en ik mocht gaan. De tweede keer heb ik mijn rug zelf opgelapt. Met dank hen, de spiegel in de gang, die haakjes en die tang. Ik prijs ook hem, de kangoeroe die mij vergat, want anders was mijn reis zo zacht geweest. Ik dank ook iedereen die oorlogsschepen doelloos schenkt. Ook hen die treinen stelen, sporen eeuwig rusten laten, eindstations hun langverwachte leegte schenken. Tot slot, Frestoen, gij zot, geef mij dat oog terug! Het ander wil mij niet geloven. Als ik beweer dat scheel kijken bestaat. Wanneer het tranen laat. Dat beste oog. In eenzaamheid. Voel ik die rat. Ze loopt over mijn rug. Ze is de weg weer kwijt.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
3 0

Droomkroketten

  Ik word daar helemaal high van. Droomkroketten of een meisje dat mijn ziel vervelen kan. Denk maar niet dat zoiets ooit een beetje saai kan zijn. Zij weet bij god goed wat ik zoek. Rust en lauw gekust worden. Meer wil ik niet. Er zit daar hoog in een verlegen boom een vogeltje met zachte vleugels. Wrijf het niet over de wangen. Zout dat kent het niet. Als ik een staart had als een slang, dan zou ik nooit meer bang zijn van de bochten die ik nemen moest. Ik viel zo vaak. Over mezelf. Over het zijn. Het klein konijntje in mijn tuin heeft scherpe tandjes, beetje schuin. Het bijt nooit in mijn hand noch vingers als ik het grassprietjes beloof. Geloof maar niet, Natuur, dat ik jou echt vrijwaren kan. Ik ben te klein om al wat straks verloren gaat te redden. Ik doe mijn best, al ben ik zwak. Ik voel het barsten binnenin. De overgave lonkt, terwijl een kikker wilde bellen blaast. Mag ik nog even zwemmen, vraag ik aan een vis die zonder dralen mij de beste slagen leert. Het water weet mij te bekoren want het streelt mijn vel. Rust en lauw gekust worden, meer zoek ik niet. De snoek hij kan zijn scherpe tandjes goed gebruiken voor het aaltje dat zijn mond passeert. De visser ginds aan lager wil. Hij is zich niet bewust van enig kwaad. Straks komt de vloed die al zijn moed verslindt. Was je maar thuis gebleven, prevelt zacht de voorhoede waarmee de storm zich aankondigt. Straks zal het mild vergaan. Ik voel iets barsten binnenin.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
2 0

De herder van het stof

  Elke kast, iedere dag met beetje faam, gelijk ook welke kaft of slapend schriftje met daarin mijn eerste letters, tekening misschien, wat balkjes voor een noot of tien. Alles krijgt een laagje stof. Zit er een filter op mijn hart? Het kaf is soms zo fijn dat overal waar ik durf wrijven, hoest een dutje bleek te doen. De longen van mijn lappenpop zijn niet zo teer, beweerde ooit een kind dat dokter of verpleegster worden zou. Ik heb een zak gekocht. Zonder merk voor al die brol. De wisselbeker die ik won toen ik een torenhaan afschoot, hij staat hier nog. Misschien moest hij terug naar de verleden tijd, de club waar ik begon als kindsoldaat. Ik kijk nu enkel nog naar sneeuw en dat geweer. De hijgende atleet hij schiet een beetje scheef. Daar gaat de eer die hij verzocht te krijgen. Wanneer zal hij die ski’s op zolder leggen, vraagt een been of twee. Alles is moe, maar niet het stof. Dat wacht geduldig op het einde van de vlucht. Wanneer het grijs dan rust kan en neervalt op een doos of drie. Er staat hier ook een wieg die veel verloor. Immer zal iets sterven, soms nog veel te vroeg. Alleen de dood kan trots beweren overal beroemd te zijn. Het hobbelding was sterk nochtans, gemaakt uit ebbenhout. De meubelkever wilde zich niet wagen aan het lichter maken en de nerven wisten goed wat er gebeuren ging. Ik liet de droefenis begaan. Ze knaagt altijd al aan een bot van het bestaan terwijl de zon achter een wolk voorzichtig lacht. Er drijven schapen door de lucht vandaag. De herder is niet mee. Ze zijn verlost van honger en de richting van de wind bepaalt elke bestemming van de mist. Het is die vochtigheid die vaak bij nacht mijn wangen zoekt. Ik kijk niet langer met mijn ogen open naar de ondergang. De zon zij weet waarom. Ik leg mijn hand dan in dit zand, niet fijn genoeg om stof te mogen zijn.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
2 0