Lezen

Zitten en knikken

Je vindt ze in de stad, in het bos of op de begraafplaats. Daar zet ik me wel eens op een bankje, vlakbij mijn ouders. Er staan oudere banken met een leuning, waarbij het zitgedeelte ietwat naar beneden helt. De nieuwe hebben enkel een horizontaal zitgedeelte en geen rugleuning. Soms moet je in het leven zelf naar houvast zoeken. In musea zijn ze breder, zodat je rug aan rug met een andere bezoeker kan zitten. Misschien heeft iemand interesse voor het kunstwerk aan de andere muur. Het zitgedeelte is vaak van een zachte stof, zodat je lang kan blijven zitten. In het Museum Mayer van den Bergh in Antwerpen staat al een bankje bij het binnenkomen. Of bij het buitengaan, dat is hoe je het bekijkt. Het museum ligt vlakbij het standbeeld van Willem Elsschot. Hij zit met een boek op een stoel en kijkt over het Mechelseplein, in de richting van het café ‘In den boer van Tienen’. Na het museumbezoek zaten we op dat bankje. Onze vriendin was nog in het museum. Het was iets na de middag. Altijd een kwaad moment. Onze pa deed na het middageten ook altijd een dutje. “Efkes knikken”, zei hij dan. Twee minuten later sliep hij. Het is bij mij niet anders. “Jij kan overal slapen”, zegt mijn vrouw als ik het moeilijk krijg. Maar meestal hoor ik dat niet meer, omdat ik al slaap. “Ge hebt serieus gesnurkt”, zei mijn vrouw. Overdreven wellicht, maar het zal een zicht geweest zijn, met dat hoofd dat alsmaar naar beneden dreigt te vallen. Alsof het losstaat, zoals bij een pop aan een touwtje in een poppenkast. De man aan de balie werd net afgewisseld door een collega. Ik zag hem naar mij wijzen. Ik hoorde niet wat hij vertelde, maar ik heb vriendelijk geknikt.

Rudi Lavreysen
15 1

Milieustraat

Sommige klussen waren gewoon niet mijn ding. Mijn maatje en ik hadden het daar niet eens over. Andersom was dat ook zo. Er waren klussen die ik deed, waar mijn maatje dan weer niks mee had. Een van de dingen die ik dus nog nooit gedaan had, was een bezoek brengen aan de milieustraat. Met een aanhangwagentje naar de stort, nee, dat stond nooit op mijn actielijstje. Opruimen, dat wel, dat kan ik als de beste. Soms zelfs tot ergernis van mijn maatje, die meer van het slag “wie wat bewaart, die heeft wat” was. Terwijl ik alles wat een jaar niet was gebruikt zonder gewetensbezwaren weg kon gooien. Opruimen, heerlijk, het geeft ruimte en rust in je hoofd. Inmiddels heb ik die rust heel hard nodig en ben ik dus begonnen met het opruimen van spullen die al jaren op zolder liggen en nooit meer worden gebruikt. Wat past, gooi ik in de grijze container. Ik huldig het standpunt dat als ik hem kan verplaatsen, de mannen van de gemeentereiniging dit ook kunnen en de container dus niet te zwaar is. En inderdaad, hij is iedere keer nog keurig geleegd. Wat niet past, tja, dat is natuurlijk een ander verhaal. Het moest er toch een keer van gaan komen. Dus, in mijn vakantieweek, besloot ik de stoute schoenen aan te trekken. Ik propte mijn auto vol, fijn dat hij nog behoorlijk groot is, en zette koers richting milieustraat. Ik was al van alle kanten gewaarschuwd. Ook mijn maatje vond het destijds geen feest, van nature eigenwijs als hij was, vond hij het niet prettig ‘rondgedirigeerd te worden’. Dus ik nam me voor mijn ‘ik ben blond-act’ uit de kast te halen. En braaf te doen wat me gezegd werd. En zo reed ik dus drie keer het terrein rond. Want wat ik dacht dat bij het grofvuil mocht, moest toch echt gesorteerd in andere bakken. De oude jassen die ik had meegenomen moesten in een afgesloten zak worden aangeleverd. Die ik dan ook weer bij het betaalpunt moest gaan halen want die had ik natuurlijk ook niet bij me. Maar uiteindelijk viel het eigenlijk best mee. Ik volgde de aanwijzingen en had nergens last van. Anders dan de mensen die vol haast het terrein op rijden met hun aanhangertje. Niet gewend met zo’n karretje te rijden en daarom veel ruimte nodig hebben. Want anders gaat het scharen en dan sta je nog meer voor schut. Ze kunnen de aanwijzingen niet opvolgen. Dan moeten ze immers achteruitrijden als ze weggaan. En dat, tja, dat is lastig. Je ziet het in hun ogen, ze willen zo snel mogelijk weg. Ik heb er met plezier naar gekeken. Arme mensen, meestal mannen, je ziet ze ongelukkig zijn. Nee, dan heb ik het er toch beter afgebracht, ik moet misschien wel meerdere keren rijden maar dat vind ik niet erg. Ik heb de horror van De Stort overwonnen.    

Machteld
0 0

Asielzoeker

Mensen denken dat ze het allemaal zo goed weten, maar ik kan je vertellen: ze snappen er niks van. Ik ben zo’n zeven jaar oud, met een beetje mazzel heb ik de helft van m’n bestaan nog te gaan. De eerste helft was geen pretje. Ik heb geen zin in details te treden, maar ik heb me stevig moeten verdedigen. Erg ver ben ik daar niet mee gekomen: uiteindelijk dachten ze dat ik een leuk, klein en onberekenbaar hondje was en hebben ze me een hok gegeven en een lange lijn. Zo kon ik volgens hen alle kanten op en volgens mezelf geen enkele kant. Ik zag het al gebeuren: de rest van mijn leven aan de lijn op een opslagterrein. Maar als je nergens heen kan zit er weinig anders op dan liggen en wachten. Dat deed ik dan ook. Af en toe kwamen er mensen langs die nieuwsgierig naar me waren en die wilde ik best laten merken dat ik leuk en klein ben en niet zo onberekenbaar. Daar sprong ik tegenop en ik likte ze in hun gezicht, of hun handen of benen of ander vel waar ik bij kon. Soms wilden ze me optillen, maar zonder je poten op de grond en met een paar handen om je lijf kan je geen kant op, dus moest ik wel even van me af bijten. Na een tijdje gingen ze dan weer en mocht ik doorgaan met liggen en wachten. Op een gegeven moment kwamen er twee en toen ik die gelikt en toegeblaft had namen ze me mee aan een lijn in hun hok op wielen. Na een poos kwamen we bij hun huis aan, met een stuk grond erom heen. Ik herinner me zoiets nog van vroeger, maar het rook er anders. Ik kende die geur, buiten op mijn opslagterrein kwam er wel eens een kat in de buurt, maar als ik daarop af ging, kon de kat altijd verder dan mijn ketting. Toen we het huis ingingen was de geur van kat overweldigend: op een gegeven moment zag ik er zelfs een paar. Ik kefte en gilde, wilde er meteen op af maar de lijn hield me tegen en ze trokken me weer naar buiten, de tuin in. Later gingen we nog naar een andere plek, waar een mens in een witte jas me betastte en op wilde tillen, maar toen ik hem had laten zien waar m’n tanden zitten gaf hij de moed op. Inmiddels is de passage door het huis met de katten een ongeveer dagelijks terugkerend ritueel. Verder breng ik mijn dag door in de studeerkamer bij de ene baas, en in de woonkamer, bij alle twee. De katten hebben ze dan verstopt in een andere kamer, en ik kan ook naar de keuken, waar het altijd ruikt naar eetbaar, of verderop, naar de tuin. Dan kom ik door de bijkeuken, mijn slaapkamer. Ik heb daar een kussen en een deken onder het aanrecht, maar ik mag er ‘s nachts niet uit, ook al wil ik dat nog zo graag. Dat is aan de deur te zien, maar tegenwoordig laat ik het maar zitten. Als ze “ga maar slapen” hebben gezegd weet ik dat ik tot morgen moet wachten. Overdag laten ze me ook wel eens een tijdje in de tuin, maar in mijn eentje vind ik dat minder leuk. Als hond heb je een baasje nodig, iemand om in werktijd prooi mee op te jagen en om bij te gaan liggen als er niets te doen is. Binnen is vooral niets doen en liggen, maar baasjes schijnen daar anders over denken: voor hen is het daar werktijd.In ieder geval is buiten voor mij werktijd. Dat weten de hagedissen ook. Die duiken iedere keer onder een steen of achter een bloempot; die leg ik dan op zijn kant en dan begint de jacht opnieuw. De tuin is ook de plek voor de kunstjes. Dan willen de mensen dat ik kom of ga zitten. Nou, ik ben niet achterlijk, maar ik heb ze inmiddels al wel zo ver dat ze me iedere keer als ik dat doe een snoepje geven. Win-win noemen ze dat geloof ik. De wandelingen zijn leuk, al merk ik ook daar dat mensen er werkelijk niets van snappen. Als we ‘s morgens vroeg of ‘s avonds onder het lopen een hert of haas zien, dan blijft het mens aan het andere eind van de lijn staan om ernaar te kijken. Terwijl ik wel beter weet: “erachteraan”, gil ik dan. Maar hij houdt de lijn strak, en als het wild weg is prijst hij mij en krijg ik een koekje omdat ik het niet gevangen heb. Had ik natuurlijk kunnen vermoeden: ook in huis ze houden ze me aan de lijn en als we langs de plekken lopen waar de katten zich ophouden trekken ze me de andere kant op. En dat ondanks dat ik gil dat die katten niet dààr zitten. Werkelijk, geen benul van jacht of prooi. Ze hebben ook geen idee van de manier waarop je gevaar te lijf moet gaan. Gevaar herken ik meteen: het maakt lawaai, beweegt, en kan altijd op je af komen. Het lijkt wel of ze dat niet willen zien. Ze nemen me moedwillig mee naar plekken waar mensen en andere honden door elkaar lopen en lawaai maken, en ze doen of niets ze kan deren. Hoe hard ik ook blaf, het lijkt wel of ze het niet in de gaten hebben. In plaats van dat ze die herrie en drukte uit de weg gaan, beginnen ze tegen mij. Dat er niets aan de hand is, en dat ik niet zo’n drukte moet maken. Nou vraag ik je: hordes door elkaar bewegende, kletsende en schreeuwende mensen, honden waar ze niet eens aan gesnuffeld hebben – en ik moet niet zo’n drukte maken? Als ik een baasje was, zou ik wel beter weten. Dat laat ik ze horen. En als het enkel keertje te gortig wordt en iemand me te na komt, moet wie niet horen wil maar voelen. Zou ik dat anders moeten aanpakken? Waarschijnlijk, maar dat moet je maar kunnen. Iets met de aard van het beestje, zoals mensen dat noemen. Ik weet dat de katten hier in huis blijvertjes zijn, dus het is de vraag of ik dat ook ben. Ik ben nou eenmaal wie ik ben, voor poezen is bij mij geen plaats. Ik zie echt de pure paniek wel in hun ogen als ik me weer eens teweer moet stellen in een chaotische situatie. Maar ik kan daar niets aan doen en ik snap het ook niet zo goed. Dagelijks gaan mensen elkaar met messen, pistolen en erger spul te lijf, maar als ik mijn tandjes laat zien of voelen is het hek van de dam. Dan hebben ze het over bang en onzeker, en halen ze er therapeuten bij. Terwijl het enige dat ze hoeven te doen is me af en toe een beetje met rust laten. Maar ja, zo zijn mensen niet. Die zijn de hele dag bezig met elkaar en de wereld om hen heen. Alles moet daar geordend zijn en in hokjes passen. Probeer dan maar eens uit te leggen waarom je door die pestherrie die zij “feest “ noemen heen blaft of hapt naar ledematen die ineens uit het niets op je af komen. Intussen hou ik harpstijf in de gaten wat ze doen en zeggen. Ik weet ze dat me leuk een aardig vinden, maar tussen de bedrijven door hebben ze het regelmatig over dingen als asiel en ander huis. Wat dat asiel is weet ik niet, maar ik begrijp wel dat het erg is: zoiets als levenslang zonder gratie. En ander huis zou betekenen dat ik hier weg moet. Hoeft geen ramp te zijn. Nooit achter katten en ander prooispul aan mogen is geen pretje, en andere mensen kunnen ook aardig voor me zijn, vooral als ze niet van drukte en herrie houden. Maar het schijnt dat ze Jan en alleman gevraagd hebben of die niet voor me wilden zorgen en dat die allemaal geroepen hebben dat ze dol zijn op zielige kleine hondjes. Maar als dan blijkt dat dit zielige kleine hondje al een dagje ouder is, niet zielig en af en toe best wel eens zijn tanden wil laten zien als het te gortig wordt – tja, dan zijn er ineens andere hondjes die zieliger zijn en harder aandacht nodig hebben, of er zijn teveel zielige hondjes of ze hebben liever een zielig hondje dat uit een ander land vandaan komt. Dus is het elk dag weer spitsroeden lopen voor mij. Soms is het een goeie dag: dan loopt de wandeling gesmeerd, houdt de blaffende buurhond zich gedeisd en staan er geen festiviteiten op het programma. Ik werk mijn maaltje naar binnen, lig lekker wat te soezen in de studeerkamer, we gaan naar beneden en ik lig een paar uurtjes in het hok in de woonkamer, we wandelen nog wat en verkassen weer naar de studeerkamer. Aan de poezen denk ik dan niet zo erg, en als we ‘s avonds naar beneden gaan, nog een stukje wandelen en dan naar bed gaan is er eigenlijk weer een rustig dagje voorbij. Maar soms bestormen de prooigeuren mijn neusgaten, misdragen alle honden die ik zie zich, snapt die man aan het andere eind van de lijn er niks van. Dan hoor ik hoe ze tegen elkaar zeggen “dit kunnen we toch niet volhouden”, en ik vraag me af hoe het verder zal gaan. Zo rijen de dagen zich aaneen. Wandelen, eten, studeerkamer, huiskamer, wandelen, studeerkamer, huiskamer, wandelen, eten, slapen. De ritjes in het hok op wielen zijn altijd spannend – waar gaan we nu weer heen? Meestal is het een winkel, soms een plek om te wandelen, een enkele keer een plek waar chaos heerst. Zal ik ooit belanden bij dat andere huis waar ze voor me zullen zorgen? Of wordt het dat asiel? Ik weet het niet. Ik ben bang.

bobcom
23 1

Hondenleven

Ik ben een hond. Het schuim staat op mijn bakkes. Voorbijgangers deinzen terug als ik blaffend door de straten ga. Ik draag een wurgband. Als ik te ver loop knijpt die mijn luchtgat dicht en drijft pinnen in mijn nek. Toch blijf ik sleuren en trekken. Adrenaline is sterker dan pijn. Ik ben een mens, maar de hond is mijn gelijke. We zijn verbonden door de ketting tussen mijn pols en zijn hals. Ik weet niet wie de sterkste is. Mijn arm is krachtig genoeg om bijtincidenten te voorkomen, maar soms is mijn viervoeter zo pissig dat hij mijn hoofd tegen de muur ramt. Mijn hond kan dat. Hij is zodanig met me vergroeid dat hij moeiteloos een menselijke gestalte aanneemt. Ik weet niet waar hij vandaan komt. Misschien was ik als kind zo gewend aan de honden thuis dat ik sindsdien als een hedendaagse Mowgli in hun schaduw loop. Misschien is hij een Siamese tweeling, een verborgen bloedverwant in mijn schedel, die wakker schiet als zijn broer in gevaar is. Ook de dokters wijzen naar mijn schedel. Het heeft iets te maken met een frontale kwab die slecht samenwerkt met een andere kwab of zo – en ook iets met neurotransmitters. Mijn hoofd is de ideale biotoop voor dolle honden. Bij gebrek aan neurotransmitters krijgt mijn hond amfetaminen te vreten. Dat helpt hem te concentreren. Ook doe ik ademhalingsoefeningen. Het op en neer gaan van mijn borstkas heeft iets van een pendule. De hond kijkt ernaar en wordt zo moe dat hij in slaap valt. Soms zie ik hem wekenlang niet en denk ik dat hij dood is, maar hij komt altijd terug. Zijn komst is onvoorspelbaar. Ik kan wekenlang waden door poelen van bloed zonder zijn lust te wekken. Dan stoot ik mijn knie tegen de hoek van een ladeblok en een seconde later blaft hij op iedere vriend, collega, kennis of onfortuinlijke passant. Mijn hond is psychopaat noch zielepoot. Hij is simpelweg de verkeerde reu op de verkeerde plaats. Hij is geen burger, maar een frontsoldaat. Hij is geboren in de geur van bloed en buskruit, maar door een speling van het lot leidt hij het leven van een chihuahua. Hij speurt naar mijnen in de zandbak van een buurtpark, ontwaart geslepen messen in de handtassen van oude dames. Bij gebrek aan kruit smijt hij zelf met voetzoekers. Mijn hond is een paranoïde, onberekenbare provocateur, maar niemand heeft een betere neus voor verval, ziekte en dood. Hij is mijn beste vriend. Zonder hem is het leven vlakker dan een Hollandse horizon. Pieter Van der Schoot Afbeelding: Jenvanderlinde, CC BY-SA 3.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0, via Wikimedia Commons  

Pieter Van der Schoot
16 1

Caïro, november 2021

druppels vallen petrichor dik en wij zijn de eersten die ze vangen de ober oud aan de rand en ik dronken en bloot op het dak het was wachten op een zeldzaamheid om te beschrijven wat deze stad met mijn hoofd heeft gedaan hierboven zie ik alles de stippen zijn nog mensen tussen muren van gebrand oker maar straks vlieg ik weg en wordt Caïro een vlek en de Nijl een dampende slang in het zand het wemelt hier van ontgoocheling en vermorzelde dromen de vrouwen dragen de patronen van geribbelde politiezolen in hun jurken en ik zuig mee aan de duizend sigaretten die ze roken ik vraag hoeveel de whiskey kost en wanneer mijn boeman aan komt draven vallen de druppels dik in het glas onze jongens zijn als bliksem zegt de ober ze zullen altijd ooit de aarde raken, en hoe zwemmen in een Nijl die leegloopt het meisje dat ik ontmoet heet vrouw maar ze draagt donkere glazen om haar kindertranen te verbergen haar armen en benen spinnen als een vacht geaaid willen ze worden en haar nek en haar hoofd en de drie moedervlekken tussen haar wenkbrauwen als de gordel van Orion maar de huid waarnaar ze smacht zit gebrandmerkt in de cel en ik voel me steeds kleiner naast HAAR er is de man die bleef schrijven in de cel temde hij zijn taal op keukenpapier hij blies in het vuur en zijn woorden werden witheet hij smeedde zijn taal tot een dolk tot een bloem tot zachte bijenwas zijn taal werd een sterke, buigzame legering duurzaam en onbekommerd om de roest die meteen begint te vreten want ook morgen wordt het niet wat het vandaag had moeten zijn en voor de gevangenispoorten van Abu Zaabal staat een lange rij wachtenden met smeltende taarten ze weten niets van de truck die nooit zal vertrekken ook zij dragen zonnebrillen, opdat ik niet zie hoe ze twijfelen hun zonen en vaders rotten weg voor vijf pakken Marlboro mogen ze hun ouders bellen ‘Mam, deze truck is  te heet en de mannen roken steeds en toen vuurde een gek traangas in de laadruimte en nu zijn we dood’ en ik op het dak van de stad voel hun krop in mijn keel voor hij die bleef schrijven wil ik schrijven en hoezo mag ik dromen hoezo wilde ik ooit acteur of natuurontdekker of dichter worden er zitten monsters in de cel en het gas kwam uit de VS en was de houdbaarheidsdatum voorbij en hoe kun je blijven doordrammen over grasmaaiers op zondag en de studiekeuzes van prinsessen en applaudisseren voor de escorte van dode farao’s deze plek heet Odéon Palace en het is oud en het vervalt en de ober wacht op me aan de glazen deur van het dakterras de laatste druppel heeft de grond geraakt en hij weet precies hoe laat het is hoe lang het duurt eer de ijsberg in mijn glas gesmolten is en mijn whisky lauw water wordt  

Johannes D.
15 0