Lezen

Popeline

Al enkele dagen kunnen de lieftallige Vollezeelse wederhelft en ik de slaap niet vatten. We zijn nochtans zo moe dat we nauwelijks onze oogleden openkrijgen. Dus waarom turen we alsnog met bloeddoorlopen oogwit naar het plafond? Het is niet dat er fresco’s van Michelangelo te bewonderen zijn. Omdat we ons schuldig voelen. Schuldig als de pest. Het bijt in ons been en knabbelt aan onze kleine teen. Links én rechts dan nog wel. Want ons schuldgevoel gunt ons geen snippertje rust. We woelen onrustig onder onze klamme tussenseizoenslakens en zelfs de katjes kijken ons argwanend aan. En terecht ook. We hebben namelijk iets verschrikkelijks op onze kerfstok staan. Heb je even tijd? Dan doe ik ons verhaal. Maar zweer eerst op je plechtige communiezieltje dat je niet zal oordelen. Laat staan ons aangeven. Want we wisten niet beter. Het begon vorige week woensdag. Omstreeks 15u26 en 37 seconden in de namiddag. Ja, het is zo onvergeeflijk dat we het tot op de seconde herinneren. Getik op de ruit. Want uiteraard hebben we nog steeds die lege deurbelbatterij niet vervangen. Maar dáárover meer een volgende keer. De pakjesman stond op de stoep. Met in zijn handen een pakje. Dat was op zich niet zo gek. Want zonder pakje zou hij maar een man zijn. Een man zonder bestaansreden en met nóg minder kneiterballen dan hij nu maandelijks op zijn mistroostige bankrekening sprokkelt. Excuses. Ik wijk weer af. Zenuwen door de schuldgevoelens, ongetwijfeld. Soit. De pakjesman, dus. Achteraf gezien is het altijd gemakkelijk. Dat zal je altijd zien. Dan weet je 100% zeker dat je helemaal geen pakje had besteld. Maar op onverwachte ogenblikken wanneer het lot zijn al even onverwachte geschenken offreert, denkt een mens nu eenmaal niet altijd even logisch na. Het was bovendien niet eens een pakje. Maar een bruine gekreukte zak van een niet nader genoemde Spaanse modeketen die weleens een loopje neemt met de waarheidsgetrouwe pasvorm van zijn kledingmaten. Het witte busje was al uit het straatbeeld verdwenen, toen ik mijn vergissing inzag. Daar stond ik dan. Met een bruin gekreukte zak van de Zara, ik bedoel een niet nader genoemde Spaanse modeketen, in mijn grijpgrage tengels. Het verzendlabel loog niet. Het stond er zwart op wit. Timothy Decraecker. Koolzaadstraat 7. En wij wonen wel degelijk in de Koolstraat nummer 7. Waar onze kool het zonder zaad moet doen. En niemand van ons heet Timothy Decraecker. Tenzij mijn lieftallige Vollezeelse wederhelft hier nog ergens een huisgenoot waarvan ik het bestaan niet vermoed voor mij verbergt. Wat zeg je? Waarom ik het pakje niet gewoon terugbreng naar de post? Dat gaat niet. We hebben het namelijk al opengedaan. Ja, dat hoort niet. Dat weten we allemaal wel. Zie je. Mijn lieftallige Vollezeelse wederhelft neut al eeuwen dat ik deftige nieuwe kleren nodig heb. Zeven babyborrels en drie verjaardagen in de agenda komende weken. Maar geen cent te makken, want die babyborrel- en verjaardagscadeaus betalen zichzelf niet. Doch. Plottwist! Misschien zat er wel een net linnen zomerjasje in dat pakje. Dat op de koop toe ook nog eens exact mijn maat is. Als de niet nader genoemde Spaanse modeketen eens woord houdt, tenminste. Quod non. Het was een pyjamaset van ademend katoenpopeline. Met een relaxed fit overhemd. Mooi afgewerkt met contrasterende rode biesjes. Zit écht lekker hoor. Alleen jammer dat het zo warm is wanneer je schuldgevoel ’s nachts weer eens opspeelt onder de klamme tussenseizoenslakens.  

Matthias Van de Velde
0 0

Open brief aan Johan Vandevelde

Helaas is er op Azertyfactor geen mogelijkheid om commentaar te leveren; vandaar dat ik het op deze manier via een open brief doe.  Allereerst wil ik Idha Zadel feliciteren met het feit dat het gedicht Deze ochtend werd ik wakker op 7 oktober als tip van de week in de kijker is gezet door Johan Vandevelde. Een goede keuze en terechte tip.  Toen las ik het commentaar van Johan. Ik ken deze meneer niet, maar ik wil graag iets zeggen over wat je zijn juryrapport zou kunnen noemen. Ik kan mij voor het grootste deel in zijn betoog vinden, maar de volgende passage schoot mij volledig in het verkeerde keelgat. Terwijl we Rusland terecht isoleren omwille van brutale oorlog in Oekraïne, sturen we volop wapens naar Israël, dat een brutale genocide uitvoert tegen net zo onschuldige mannen, vrouwen en kinderen in Gaza. Meneer Vandevelde, u mag een tip van de week wat mij betreft gebruiken om uw politieke standpunten en morele verontwaardiging te laten blijken, maar had u dat niet beter op een andere datum kunnen doen? Zijn de mannen, vrouwen, baby’s die op 7 oktober zijn vermoord ook niet onschuldig? Hebben die het verdiend om door de barbaren van Hamas willekeurig te worden afgeslacht? Had uit respect even een dag gewacht. U heeft het over de hypocrisie van het ‘westen’ en hoe de onschuldigsten niet ontzien worden. Hoe witte mensen belangrijker zijn dan donkere mensen. Maar de term onschuldigsten geldt klaarblijkelijk niet voor Joden. Die moeten allemaal over een kam geschoren worden. Ik sluit mijn betoog daarom graag af met mijn eigen tekst:    Als men zelfreflectie ontbeert Van de geschiedenis Niets heeft geleerd   Dan is daar altijd weer De Jood De eeuwige zondebok

Elle Hart
21 1

Geheim hart

De regen sloeg tegen het raam. Ze praatte snel. Haar woorden hadden haast, terwijl de regen haar net aanmaande om te vertragen. Zijn blik bleef rusten op haar borst, die op en neer danste. Net die blik spoorde haar woordenstroom dan weer aan. Ze moest zo meteen naar huis door de koude herfstregen. Ze voelde de loodzware jeans al aan haar huid kleven, de regen die striemend op haar gezicht zou vallen. Ze stond op uit de sofa. ‘Ik moet maar eens gaan’, zei ze zacht, bijna onhoorbaar door het geraas van regendruppels. In zijn ogen lag een trieste blik. Hij begreep dat ze opnieuw haar leven moest gaan leiden, opnieuw in de grijze maalstroom moest stappen. Ze nam haar jas en liep door naar de voordeur. Hij volgde, opende de deur voor haar en even staarden ze samen naar de waterstroom die over de straat gutste. Ze nam aarzelend een stap terug. ‘Misschien kan ik gewoon nog even blijven tot de bui gaat liggen. Ze zullen het wel begrijpen als ik wat later thuiskom’, zei ze terwijl ze zijn blik zocht. Ze glimlachte toen ze houvast vond in zijn donkere ogen. Ze vond er het wrakhout van haar gedachten, en klampte zich stevig vast. Haar jas ging uit, en samen vonden ze opnieuw de weg naar de sofa. De ruimte tussen hen werd kleiner. Ze draaide zich naar hem toe. Ze opende haar houding, en zo ook haar hart. ‘Ik las in de Kama Sutra dat een man altijd voorbereid moet zijn op regenweer. Als een vrouw door de regen naar hem toe moet komen, zorgt hij voor haar lievelingskost, iets warms om te drinken’, en terwijl ze het zei voelde ze een zachte gloed op haar wangen. Hij keek naar zijn handen die losjes in zijn schoot lagen. ‘Zal ik thee maken?’, antwoordde hij terwijl hij haar blik zocht. Een subtiele lach speelde om zijn dunne, strakke lippen. In zijn lippen toonde zich hun grootste verschil. Haar volle mond had iets baroks, gul en overdadig. Zijn lippen waren strak, beheerst, alsof zelfs woorden er niet zomaar overheen mochten. De regen liet zich niet bedwingen. Ze luisterde naar het ritme, naar haar eigen ontembare natuur. Ze wist dat er in hem ook een gelijkaardig temperament schuilde, ze had het al gezien in het tikken van zijn voet, in de vluchtige oogopslag waarvan hij dacht dat ze het niet merkte. Hij gaf haar het dampende kopje en samen dronken ze zwijgend. Hun blikken dwaalden af en gaven vooral niet toe aan de zin om elkaar terug te vinden. Ze zette het kopje neer, nam het kussen dat op de sofa lag. Ze klemde het stevig vast en keek hem strak aan. ‘Heb jij een geheim hart’, vroeg ze zacht. ‘Een wat?’, antwoordde hij aarzelend. ‘Een geheim hart, waar je al je verlangens verborgen kan houden. Dat alleen aan jezelf toebehoort, en dat je angstvallig dicht bij je bewaart. Een vat waarin begeerte rijpt, bestemd voor die enkelen die het durven aanraken zonder erdoor bedwelmd te raken.’Het werd stil, in zijn handen lag nog steeds het kopje waarvan hij nipte terwijl hij haar woorden savoureerde. Ze sloeg haar blik neer, legde het kussen weg en nam het kopje uit zijn handen. Met een korte tik zette ze het op de salontafel. Ze schoof dichterbij en legde haar hand op zijn dij. Haar andere hand volgde zijn kaaklijn, zijn zachte stoppels prikten. Met haar vingers streek ze over zijn lippen, ze voelden lichtjes droog aan. De vingers vervolgden hun weg, en gleden over zijn hals naar zijn borstkas. ‘Zit het misschien hier?’, fluisterde ze. Ze boog naar hem toe en kuste hem. Ze voelde de kleine barstjes, en vulde ze met haar kostbare begeerte die ze had opgespaard. Hij beantwoordde haar kus en sloeg zijn armen om haar heen. ‘Leer het me’, fluisterde hij. ‘Leer me hoe je dat geheime hart maakt, hoe je het vormt.’‘Het hart ademt, het is soms flinterdun als het fijnste ijslaagje op de eerste winterdagen. Soms is het zwaar en donker maar zacht als fluweel. Het groeit en krimpt, en soms blijven er alleen nog scherven over.’ Haar lippen zochten opnieuw de zijne. ‘Ik denk dat het je moet lukken, dat geheime hart vinden en cultiveren.’ Ze lag in zijn armen, en deinde mee op het ritme van zijn ademhaling. ‘Soms is het ook de zachte regen die de aarde opnieuw vruchtbaar maakt’, zei ze zacht. Het was bij die woorden dat ze besefte dat het stil was buiten. ‘Ik moet gaan’. Ze raakte hem nog één keer aan, en reikte hem zo zijn eerste bouwsteen aan.     

Jolien Van de Velde
228 1