"Ben ik framily?"
De toon is gezet; het gesprek belooft.
Geen runderklap op het menu vandaag.
De verschillige vriendin wil het dus graag weten.
Dat mijn antwoord nuance behoeft, verrast haar niet.
Ze wil het niet anders, nieuw‑schurig als ze is.
Familie zit onder je vel.
Onvoorwaardelijk. Je mag morsig zijn. Â
Met elkaar dan.
Elkaar veroorzaken, laten ontstaan. Â
Een soort ruilhandel, betaald in de munt van vriendschap.Â
Jij veroorzaakt iets. Â
In mij.
Ik geef gevolg aan wat jij veroorzaakt.
Dat gevolg veroorzaakt weer iets. Â
In jou.
En dat allemaal vanzelf.
“Jij wil wel eens gevolg geven aan mijn oorzaken", antwoord ik haar.Â
Met één zin is het beklonken.
De vriendin verheugd.
Framily. Al die verengelsing.
Laten we gewoon familie zijn.
Nu we toch dezelfde taal spreken.
