Lezen

Tip

Soms droom ik

Soms droom ik van kasjmier, mijn langste benen, elegante zwanen, galante mannen, erudiete vriendinnen en saffraan op tafel. Soms droom ik van oranje en roze en alle oranje en roze daartussenin wanneer we wolken voorbijvliegen, onderweg naar Wenen of New York. Soms droom ik van gladgestreken hemden en gepoetste naaldhakken. Soms droom ik van velours, mahonie en marmer. Soms droom ik van op-maat-gemaakte tegels en geen keuken maar cuisine. Soms droom ik van schaak, golf of paarden, een onontdekte troef die uitgespeeld wilt worden. Soms droom ik van de stilte, zoek achter al dat glimmende. Soms droom ik van al dat glimmende op zoek naar stilte. Soms droom ik van eenvoud en van water. Gekoelde flessen tussen rijen appels, tomaten en kazen. Soms droom ik van olijfolie en haar velden. Soms droom ik dat ze uit Andalusië komen, maar als me dat niet verteld werd droom ik soms van de vlaktes nabij en hun vruchtbaarheid zonder regen. Tranen vloeien er. Soms droom ik van groene thee én olijfolie en ben ik tevree dat het me langer helpt leven. Soms droom ik dit alleen maar en droom ik van het tegendeel. Soms droom ik van het simpele. Soms droom ik van afgeknipte boeketten en het bloeien van tulpen en zondagen. Soms droom ik van lossere haren en een hand die door ze graait, op zoek naar een wonde nabij geheeld. Soms droom ik van mama en haar hand die twee seconden op me rust. Soms droom ik dat het er twintig zijn en voel ik me twintig jaar geliefd. Soms droom ik van dauwdruppels op het gras en soms op de daken. Soms droom ik van de sterren en vind ik ze overal. Soms droom ik van verdriet en pijn die in de controleerbare plooien van woorden vallen. Soms droom ik van de stilte in de woorden die op mijn lippen liggen. Soms droom ik van een nacht met wie ik vroeger was, ik zou haar beminnen zonder minachting. Soms droom ik van vandaag, hoe de plooien van het laken rond mijn benen vallen en hoe ik droom van een lach die me wakker kraait. Soms droom ik van amandelen, treinabonnementen en mensen die hun ramen op dezelfde dagen poetsen. Soms droom ik van voldoening, groei en daadkracht. Soms droom ik van doem en besef ik dat mensen op andere manieren naar buiten wandelen. Soms droom ik dat ik voel, beweeg en bibber. Soms droom ik van dromen en verhalen, vuren en vliegen. Soms droom ik van geuren, fris en vrijgevig, bloemig en sensueel. Soms droom ik van wit en soms droom ik van zwart en wat ze met elkaar gemeen hebben. Soms droom ik van donker en licht en hoe ze ons steeds twee stappen voor zijn. Soms droom ik van Tunesië, Tsjechië, Turijn of Tibet. Soms droom ik van Kaapstad, Kopenhagen, Kyoto of Kos. Soms droom ik van Zweden, Zaïre, Zakynthos of Zonnebloemdorp. Soms droom ik van alle onbekenden en bekogel ik hen met pennen — laat het klinken zeg ik ze — waar je vandaan komt, waar je staat, waarheen je je begeeft — troost me met antwoorden op vragen die ik je nooit zal kunnen stellen.

Aerin Thijs
301 1

Een verraderlijk ding

Kent u het tv-programma waarbij je om ter snelst een stoel moet trachten te vinden? Wij hebben ook zo'n stoel. Al is de onze geen strandstoel, maar een canapé. Daarenboven staat die canapé altijd op dezelfde plek. "Wat heeft het dan met dat tv-programma te maken?", hoor ik u zeggen. Wel, het is ook vechten om er als eerste in te zitten. Nog een verschil: de winnaar krijgt geen reischeque naar een exotisch land. Tenzij naar dromenland, want onze lange canapé nodigt uit om er uitgestrekt in te gaan liggen. We hebben hem nog maar een tijdje. "Krijgen we hem wel binnen langs de deur?", vroeg ik aan de man die hem leverde. "Ik denk het wel", zei hij. Ik twijfelde serieus, maar anderzijds heb ik niet zo veel ervaring met het plaatsen van canapés. Het lukte natuurlijk voor geen meter. Langs het raam dan maar. Ook dat was niet eenvoudig. Het leek wel een Laurel en Hardy film, zoals we met ons tweeën met die canapé van voor naar achter sjokten. Nu de canapé binnen is, wil niemand hem nog buiten. De familie nestelt zich er 's avonds in zoals een stel poezen in een kattenmand. Ik zit er zelden als eerste in. Mijn tijd komt pas als iedereen naar bed is. Dan is het aan mij om me te nestelen en kijk ik wat de tv me te bieden heeft. Een slaapmutsje is niet nodig, want na 5 minuten knor ik zoals een kat met slaapapneu. Drie uur later word ik wakker van de afstandsbediening die op de grond klettert. Eenmaal in bed doe ik geen oog meer dicht. Wat nu gedaan? Terug naar de bank dan maar. Maar ook daar kan ik de slaap niet meer vatten. Wat is het me toch een verraderlijk ding, die canapé.

Rudi Lavreysen
2 0

straatje Bermuda

I. Ik weet waar ik vandaan kom. Ik hoef maar rond te kijken. Mocht ik het vergeten zijn dan helpen ze mij er wel aan herinneren. Niemand in het bijzonder, jan en alleman in ’t algemeen. Het is een schande hier geboren te worden, op deze morzel, deze vierkante meter, onbenullige grond. Geperst tussen water en fabrieken, snelwegen en andere parels voor de zwijnen. Er hangt lading aan uw wieg. Hier. Ge weet het niet, maar nog voor ge kunt lopen dreigt ge te verzuipen. Hier geldt de wet van de sterkste. Als ge niet vecht hebt ge niets. Vechten: uw vuisten gebruiken en op het juiste moment keihard toeslaan, bijleggen kan altijd later nog. Hier passeert ge, als een Speedy Gonzalez op een driewieler, doorgedraaide, kromgewerkte wroeters op een bankje van het perkjespark, het enige beetje long wat nog in redelijke staat verkeert, raaskallend met een pint goedkoop lauw bier. Ogen glazig en troebel als de niet gekuiste visbokaal die bij uw grootmoeder op de eettafel stond toen zij en de vis nog leefden en het er altijd naar koeken rook of ongewassen ondergoed.   Étienne, zonder tong, die mompelt aan één stuk door in onvaste toonaarden, paffend van straffe tabak. Zijn tong verloor hij in café ‘Winterhof’, op een avond met te veel bier. Of Anton de man met een allergie voor de zon. Niemand die weet of hij nog leeft. Hij zit, stil meestal, asgrauwe kaken, knagend op zijn eigen tanden. Hier hoort ge tot in de oneindigheid botsautomuziek. Hier, waar op zaterdagen wordt geschuurd en ge moet maken dat ge weg zijt onder moeders rokken vandaan, waar gras wordt gemaaid. Waar de lente ruikt maar het qua geur niet haalt van de petrochemie. Ge ziet de brandende toorts boven alles uitsteken en dromen affakkelen. Hier brandt de zon uw hart aan flarden. Omdat ge wacht, wacht op betere tijden, ge denkt dat ze u komen halen, maar er komt juist niemand. Nooit. En telkens als ge denkt: het gaat prima. Dan passeert de man met de hamer.Fatum. Meneertje peertje, Sjarelke Jan mijn kloten. Dat heb ik van thuis. Zo was het bij ons altijd. Als het dan eens rustig was dan reed mijn vader zijn auto wel aan gort. Sloeg de deurwaarder alles aan, mijn ouders waren zot van uitgesteld betalen, leven op krediet. Niemand zag nog door de bomen het bos. Wij waren dat gewoon. Als ’t goed was dan was er feest. Met alles er op en er aan. Mijn pa had altijd een nieuwe motor voor de deur staan, Honda Firestorm of een groene Kawasaki. Wij hadden breedbeeld, playstation en een jacuzzi. Voor even toch, want altijd kwamen ze het uiteindelijk toch wel aanslaan. Aasgieren in opdracht van de banken. Mannen in pak, met neuzen als kromgeslagen spijkers en dunne beentjes, witte armen in een hemd met korte mouwen. Mannen die het lachen verleerd zijn gedurende hun ellendig lange leven. In het begin verzet ge u nog, maar uiteindelijk weet ge wanneer ge verliest en kijkt ge lijdzaam toe hoe alles wordt meegenomen. Mijn vader, de held, zag er de grap wel van in. De ene dag boter bij de vis, ’s anderendaags droog brood. Wij, met ons vier, tegen de rest van de wereld. Thuis mocht het kletteren. Serviezen door de keuken suizen. Kapotte muren en gedeukte deuren. Venijnige nepen en knepen. Maar eens we buiten kwamen sloten we de rangen, dat heet solidariteit. Dat doe je voor elkaar. Punt. Mijn broertje is gehandicapt. Down. Sympathieke gast, maar maak hem niet kwaad. Dan wordt hij furieus en mongolen kennen hun eigen krachten niet. Als ik ruzie had, met buurjongens, omdat ze mijn liefje hadden ingepikt, maakte ik hem op voorhand al lastig, ik wist perfect hoe: zijn cd’s verstoppen of mijn gat afkuisen met zijn slaapdoekje. Dan werd hij pissig. Net genoeg om hem nog tot aan het park te krijgen zonder ongelukken. En als ik dan een slachtoffer zag sloeg ik toe. Ik wees naar de oetlul met te veel zoutloze praatjes en zei: ‘hij daar weet waar uw cd ligt’. Dan stormde hij erop af, greep hem bij de keel. Dan liet ik die sukkel even sudderen voor ik mijn broertje tot bedaren bracht. Niemand die iets deed. Iedereen begreep het, iemand met een handicap valt niets te verwijten. Het ergste was nog dat ik eens kaarten voor Bellewaerde had gewonnen. Vier stuks, zelf gewonnen. We zouden gaan, op een zondag. Ik werd laat wakker die ochtend, ik had gedacht dat ik zou gewekt worden. Toen ik langs de trap de woonkamer inkwam zaten mijn ouders te roken in de zetel. Mijn broer was aan het kleuren. Tong uit de mond, een zwijmelende toon zingend hortend en stotend als een krakende plaat. ‘Waarom zitten jullie hier, en waarom heeft niemand mij wakker gemaakt?’‘Zwijg kleinen. Is er iets misschien?’‘We gingen toch vandaag naar Bellewaerde?’‘Uw pa heeft de kaarten gisteren nog kunnen verkopen. Voor die ene keer dat ge iets binnen brengt.’ Daarmee was de kous af. Ik haatte ze. Tot ik ze maar weer in de armen sloot, telkens opnieuw. II. Ik was te laat vertrokken, naar het wooncentrum van Lede waar mijn broertje nu woont. Na al die jaren weet ik de weg nog niet uit mijn hoofd. Daarenboven deed mijn ‘Waze-app’ lastig. Abonnement vergeten betalen, beetje nijpend cashflow probleem. Lede is lastig. Niemand daar die het wooncentrum weet zijn. Als ge er naar vraagt dan kijken ze u aan alsof gij een enge ziekte hebt. Dat komt omdat ze dat niet wilden, ze hebben het nooit gewild dat centrum. Het zou het delicate evenwicht in hun buurt kunnen verstoren. Te veel kwijl op straat doet de waarde van vastgoed dalen, en vastgoed is troef. Wie minder af is, illegalen en andere migranten, gehandicapten en kloefkappers, valt allemaal onder dezelfde categorie: verworpenen. Wij kunnen maar ergens zijn als het past, als we het evenwicht niet verstoren. Als we ons gedeisd houden, gelijk vogeltjes in hun kooitje. Uiteindelijk zag ik hem, mijn broertje. Enfin zien. Van achter glas wat staan zwaaien. Hij had een tekening voor mijn zoontje, die binnenkort jarig is, gemaakt. Hij liet de tekening zien en wilde ze aan ons geven. Maar het mocht niet. Kutcorona. Ik vroeg of ik niet toch die tekening kon krijgen. Het maakt mij niet uit en daarmee bleef de vrede bewaard. Er kon geen uitzondering toegestaan worden. Dan weet ik precies wat er volgt: ik rijd weg, hij gaat in crisis en eindigt met zijn blote reet in de isolatiecel. Voor onbepaalde duur, tot hij door zijn kwijl en slijm heen stamelt dat hij het nooit meer zal doen. Al heeft hij geen idee wat hij dan niet meer mag doen. Mijn zoontje had de tekening gezien. Hij wilde ze echt graag en hij had honger. We zouden veel te laat thuis komen. Niet oké want zijn moeder kwam hem halen. We zijn niet meer samen. Hij heeft nooit anders geweten dus voor hem maakt het niet uit. Het ging niet tussen ons. Na een week ploegen draaien in de staalfabriek wilt ge rust aan uw hoofd. Training, zetel, bier. Ze verweet me dat ik er nooit was. Ik had geen idee, er was voor mij ook nooit iemand geweest. Op een dag is ze gegaan. Ze had ons kind mee. Ik was daar niet rouwig om. Ik heb een kind niets te bieden, dacht ik en denk ik eigenlijk nog steeds. Maar ze begon opnieuw. Ik zag ze, soms, want ze woont nog dichtbij. Zij drie. Hij ook. Hij was er wél, op het speelpleintje, het basketveldje. Ik werd jaloers. Dan maar voorgesteld om ons zoontje te mogen zien. Het mocht niet zonder slag of stoot. Hij, die paljas, zat er voor iets tussen. Ze stelde voor om iets met gezinsbegeleiding te doen, om een regeling op maat van ons zoontje af te spreken. Er was geen manoeuvreerruimte. Ik wilde wat: ik wilde hem zien en vastpakken, want bloed trekt verdomme, dat wist ik, als een van de weinige dingen zeker, maar ik besefte het te laat. Nu moest ik door het stof dus, op mijn knieën als een schooier. III. In de te kleine straat waar ik woon staan alle auto’s dubbel geparkeerd. Gedeukte voertuigen, afgebladderde lak, net als het leven hier. Verstoken van kleur en schoonheid. De kasseien spelen een vuig spel met de banden en de veringen. Soms lijkt het alsof midden op de baan auto’s en fietsers verdwijnen, net als in de Bermudadriehoek. Plots weg, nooit meer teruggezien. Ik droom soms van weg zijn. Ik hoop soms dat de straat mij inslikt. Al blijf ik staan als een pilaar van een historische tempel, hoe vervuilt en beschimpt ook. We konden niet door, ik niet en hij niet. Ik kon tussen twee geparkeerde auto’s even wachten. Het enige wat hij moest doen was een beetje naar achteren rijden. Dat weigerde hij. Trok ostentatief de sleutel uit het contact en toonde mij zijn middelvinger. Ik volgde zijn voorbeeld. Daarbij gebaarde ik nog dat er vlak voor mij ruimte was, waar ik in zou kunnen staan, dan kon hij passeren. Als hij maar een klein beetje naar achteren wou.   Inmiddels groeide achter hem de rij wachtende auto’s aan als een slang. Gif spoot in mijn aderen. Ik stapte uit, tikte op zijn raam en vroeg waarom hij zo lastig deed. Gewoon een beetje naar achteren, zo moeilijk is het niet. Hij keek mij niet eens aan. Claxons van de slang sisten naar mij, de ideale prooi. Mijn zoontje huilde een beetje. Hij bleef maar zeggen dat hij honger had. Hij riep: ‘papa, wat doe je?’ Ik reed naar achteren. Hij had vrije baan. Toen hij passeerde keek hij uitdagend mijn auto in, zijn smalende blik maakte iets in me los. Ik sloeg mijn deur open tegen zijn flank. Hij stopte, stapte uit, keek naar zijn beschadigde zijkant en schreeuwde dat het mij verdomme geld ging kosten. Hij begon me te filmen met zijn smartphone. Iemands hoofd tegen de borduur slaan werkt bevrijdend. Eerst hoor je het gekraak als van een okkernoot, daarmee valt ook de gloed van een herfstmiddag over je heen. De eerste koude is er en na een beetje buiten te zijn geweest kan je je lijf en leden warmen aan een vuurtje. Dan hoor je een doffe plof als een drol die in het toilet klettert. Daarmee gaat het bevrijdende gevoel gepaard dat je dan hebt. Vervolgens zie je bloed, slijm en kwijl wat zich zedig vermengd met zand, grint en kiezels. De man kreunde. Bijna alsof hij klaar kwam. Zijn broek werd ook nat. Ik sloeg nog twee keer hard tegen zijn gespleten schedel. Bestuurders van andere auto’s waren inmiddels uitgestapt en renden zo hard ze konden naar ons toe. In de verte klonk een ambulance, dichterbij krijste mijn zoontje zich een weg door de waanzin die rond hem gaande was. Toen ik uit mijn roes ontwaakte, ik voelde mijn knuisten tintelen en zag mijn kapotte horloge naast hem liggen, keek ik rondom mij. Uit de derde auto kwam de gezinsbegeleidster op mij afgestapt. Ze keek me aan. In haar ogen een triomfantelijke blik. ‘Bingo’, ze gespte mijn zoontje los uit de autostoel en nam hem mee. Het was de laatste keer dat ik hem zag. Ik ging zitten op de stoep naast de langzaam wegkwijnende man en bad voor verlossing. Ik leek te verdwijnen, eindelijk.  

Thomas De Mulder
15 0

droomkoe

Vanmorgen had ik weer een droom. Ik zat aan tafel met mijn familie, en een leerkracht gaf me mijn rapport. Ik ging naar een kunstschool, samen met mijn zusje. (De richting was iets omtrend acteren) De leerkracht had wit haar en een witte baard alsook een krachtig voorkomen. Hij was mager. De details sijpelen nu door mijn vingers heen, als een zandkasteel gemaakt van water.Maar de leerkracht, die man, was gemeen. Hij noemde me een moederskind. Een slappe sok. Het enige wat ik kon was me in haar armen verstoppen en jammerend wijzen naar de grote wereld. Ik had alleen maar onvoldoendes terwijl mijn zusje het veel beter had gedaan.Eerst lachte ik nog, toen wou ik hem slaan. Hij werd steeds gemener en kwader. Het was onmogelijk zijn tirade te onderbreken. Er was geen maar tussen te krijgen. Ik wou de man slaan. Ik stond op, trok mijn arm naar achter en maakte een vuist. Zoals een gespannen boog richtte ik me op hem. Het enige wat me weerhield was rede, redelijkheid en fatsoen. Hij leek het niet eens te merken!Ik werd vlak daarna wakker. De vorige keer droomde ik dat ik de kelder in brand stak. Dat ik me verzette tegen het gevoel van ogen die zich in mijn rug boorden. En het gevoel dat er iets vreselijk op het punt stond te gebeuren. Nee, tierend trok ik verder tot het verste punt van de kelder en stak alles in brand.Sindsdien droom ik veel minder over mijn ouderlijk huis. De keer daarvoor droomde ik dat mijn vader stierf en dat ik zijn plaats moest innemen. Dat was enkele maanden voor de geboorte van mijn eigen zoon. De keer daarvoor droomde ik dat ik auto reed maar niet kon remmen. Als een schip gleed ik verder. Daarvoor, de golf die me overspoelde. De zee dat me opslokte alsof het dorst had.

Stelselmatig
3 0

Antropologie bij de kabouters

Prof. dr. François L. Oude Kenterink wurmde met een takje de prut uit zijn schoenzolen. “Ga lekker wandelen, dat maakt je hoofd leeg” en meer van dat soort onzin kraamde zijn collega en vakgroepvoorzitter prof. dr G.H. Patloop uit. Midden in het bos en zelfs hier uitglijden over de hondenpoep. De takken geurden als de winkel waar hij van zijn vrouw cadeautjes moest kopen, met een standwerker die reclame maakte voor een verkeerd soort Eau de Cologne. Vreselijk die frisse lucht en wapperende takken, zijn bureau fungeerde als zijn natuurlijke habitat en de geur van boeken en zweet afgewisseld met deo van een bezoekende student voldeed prima. Literatuurstudie uitvoeren en video observaties uitwerken, dat was de kern van zijn werk. Als een dirigent voor een symphonieorkest stuurde hij studenten over de wereld waarna hij de observaties en resultaten van die kinderen onder eigen naam kon publiceren en wetenschappelijk scoren. Als het te moeilijk werd, stuurde hij een paar werkgroepen statistiek op de mailtjes van zijn studenten af en met nieuwe grafieken en tabellen poepte professor François weer een mooi artikeltje uit. Allemaal zonder vies te worden, zonder plakkerig zweet onder de oksels van een of ander tropisch land met enge ziektes, zonder misselijk te worden bij het opstijgen of landen en zonder zijn werkkamer in te ruilen voor een hotelkamer waarin je je afvraagt wie gisteren onder de douche heeft gestaan of op de pot heeft gezeten.    Antropologie moet wel leuk blijven. Hij pakte een pakje papieren zakdoekjes uit zijn jaszak, wapperde een zakdoekje los en legde deze zorgvuldig op een omgevallen boomstronk. Hij ging voorzichtig zitten en zorgde dat zijn broek niet in aanraking kwam met het mos op de boom. Hij peuterde verder met het takje.   ‘Flikker op!’ Piepte een stem.    François keek om zich heen, stond op, liep naar de dikke eik en keek erachter. Niets te zien, ook niet achter de eik ernaast, de esdoorn bij de omgevallen stronk of in de struiken tussen de bomen. Twijfelend aan zijn verstand keek hij rond de iep. Niemand. Hij reinigde de laatste resten van zijn schoenprofiel en schraapte de zijkant van de zool over de boomstronk om de randjes schoon te krijgen.    ‘Flikker op met die shitzooi,’ klonk weer het gepiep. ‘Ik smeer jouw huis toch ook niet onder?’ Vlak naast zijn schoen, boven op de boomstronk, wapperde een klein rood vlaggetje. De felle kleur stak mooi af tegen het mat groene mos op de stam. François zakte door zijn knieen en pakte zijn leesbril uit zijn binnenzak. Hij klapte de bril open en zette deze op zijn neus. Het vlaggetje bleek een muts. En deze muts stond scheef op het hoofd van een mannetje zo groot als François zijn hand.    ‘Wat sta je te loeren man,’ zei het mannetje. ‘Zeker nooit een kabouter gezien.’    ‘Nee.’ Daar moest François de rood gemutste bosbewoner gelijk in geven. ‘En je hebt een authentieke rode puntmuts.’   ‘Getver man, heb je bedorven knoflook gegeten?’ Het dwergje prikte zijn wandelstok in de neus van François. ‘Als je de volgende keer je bek open trekt, praat opzij in de richting van die boom daar.’   François hield zijn hand voor zijn mond en zei: ‘Jullie bestaan echt!’   ‘Tuurlijk bestaan we en natuurlijk heb ik een puntmuts, wat moet ik anders op mijn hoofd? Dat maffe witte hoedje van jou houdt het hier in het bos geen week schoon uit.’ De kabouter keek misprijzend naar de bruine vlekken op het dak van zijn hutje. ‘Elke keer komen we jullie malloten tegen, leggen uit hoe we leven, laten onze dorpen zien en vragen het op te schrijven en uit te leggen.’ De kabouter draaide drie keer zijn wandelstok in de lucht en een mini tornado raasde over het vieze dak en verwijderde de resten hondenpoep. ‘En de volgende die langskomt is net zo verbaasd, elke keer hetzelfde liedje.’ Het mannetje sprong van de stronk op de grond.   ‘Ik ben antropoloog.’ François maakte een korte rondedans.   ‘Ik ben postbode,’ zei de kabouter, maakte de overdreven buiging van een lijfeigene die de koning begroette. Hij stond op en schudde zijn hoofd. ‘Het benoemen van een beroep lijkt mij niet relevant. Ook niet met een moeilijk woord als beroep.’ François danste vrolijk verder en de kabouter sprong snel tussen de wortels van de boomstam.   De kabouter zei: ‘Pas op waar je springt met die lompe poten van je.’   Een licht geknars klonk en een deurtje tussen de boomwortels ging open.   ‘Kunnen jullie effe dimmen met dat gestamp?’ klonk het.   Een klein groen puntje verscheen, François zakte weer door de knieën en zag een vrouwtje. Hij kon zijn geluk niet op, dit werd een live observatie, de laatste observatie die hij zelf had uitgevoerd was tijdens zijn promotietraject. Hij pakte zijn telefoon en noteerde datum en tijd, hij legde de GPS coördinaten vast en maakte snel een foto. Het vrouwtje keek hem pissig aan en daarna naar de kabouter met het rode mutsje.    ‘En wie mag dit dan wel wezen?’ vroeg ze. ‘En waarom zwaait hij met dat platte kastje.’   ‘Een lomperik die zijn identiteit haalt uit zijn werk,’ antwoordde het mannetje. ‘Daarom pocht hij met een moeilijk woord. En als je hem zo blij ziet kijken, is hij onder de indruk dat hij met een echte postbode staat te praten.’    ‘Kan me niet schelen,’ antwoordde het vrouwtje. ‘Ik heb honger, wanneer is je hazelnoten grourf klaar?’   ‘Ik stookte net de oven warm en wilde de ketel erin schuiven. Maar ja, je weet hoe het gaat: ik hoorde geschraap, want deze hier,’ Hij prikte met zijn wandelstok in François zijn wang, ‘smeerde hondenpoep op ons dak.’    François wreef over zijn wang en stond op.   ‘En wat voor moeilijk woord mag jij tot je beroep rekenen?’ vroeg ze.   ‘Ik ben antropoloog,’ herhaalde François.   ‘Sukkel, anthropos betekent mens en logos dat je er iets van weet.’ Het vrouwtje tikte met valse bewondering aan haar muts. ‘Dus je weet iets van mensen. Wij noemen dat gewoon menskunde, dat doet neef Ploenkie ook.’   ‘Hij is gespecialiseerd in jullie soort,’ vulde de kabouterman aan.   ‘Die oversized mensen zijn allemaal hetzelfde.’ De vrouw draaide zich om en liep naar de deur. ‘Grote bek over niets. Hebben we een lekker toetje?’   ‘Zwarte bessenvrobel met schors,’ antwoordde de man.   ‘Mmmm,’ zei ze. Ze gaf hem een kushandje en verdween door de deur.   De kabouter keek haar liefdevol na, keerde terug naar François en zijn gezicht betrok. ‘We weten wat jullie uitvoeren, neef Ploenkie maakt aantekeningen en presenteert die elke volle maan,’ zei de kabouter. ‘Hij heeft een observatiepost aan de rand van het bos.’   François keek hem niet begrijpend aan.   ‘Wat staar je nu zo dom?’ vroeg de kabouter. ‘Dat gebouw met die dieren eromheen. Zo zien we hoe jullie leven.’   ‘Dat huisje met die rode luiken?’   ‘Noem het maar een huisje, dat is een kasteel.’   ‘Jullie kijken naar Robert Nazicht? Een televisienul? Zijn woonboerderijtje wordt onderhouden door anderen en die dieren zijn voor de hobby,’ schamperde François.   ‘Bagatelliseren tekent je zwakte en gebrek aan argumenten, irritant mannetje. Ploenkie heeft in drie eikenbomen op het terrein een holletje gemaakt en ziet op elke plek iets anders, namelijk rond de eerste boom jullie interactie met het dierenrijk en de rituelen die daar mee samenhangen, vanuit de tweede boom de oversized menselijke voederrituelen en op de derde plek het paringsgedrag van jullie soort. Alleen bij dat laatste schuiven jullie rode doeken voor het glas. Dat vindt Ploenkie lastig, vraag of ze bij de volgende paring die doeken weghouden, wil je?’   ‘Die gozer van Nazicht geeft geen voorstelling van het gemiddelde menselijke gedrag.’   ‘Je bent gewoon jaloers dat onze methodologie beter in elkaar steekt.’ De kabouter pakte zijn pijp en begon deze zelfvoldaan te stoppen. ‘Ploenkie formuleert een onderzoeksvraag, in samenspraak met onze raad van ouderen, daarna doet hij gestructureerde observaties die hij presenteert bij volle maan. Wij, de raad van ouderen, gaan hierover in discussie en daarna formuleren we aanvullende of nieuwe onderzoeksvragen.’   ‘Dat werkt toch niet?’   ‘Ja, jij hebt mooi lullen. Je strompelt random door een bos en alleen omdat je die strontpoten aan mijn dak afveegt, merk je iets op. Je bent net zo blind als de anderen.’ De kabouter stak zijn pijp aan. ‘Wat jullie proberen, doen wij ook, en om eerlijk te zijn, wij onderzoeken een stuk beter. Wij dissemineren de kennis tenminste behoorlijk.’   ‘Disseminatie?’   ‘Ja,’ De kabouter keek geïrriteerd. ‘Luister je niet ofzo? ELKE VOLLE MAAN EEN MONDELINGE RAPPORTAGE.’   François keek rond en de kabouter trok rustig aan zijn pijp. ‘Ik ga een artikel over het kaboutervolk schrijven!’ François keek trots naar beneden. ‘Ik stuur studenten voor gedetailleerde video opnames.’   De kabouter lachte sarcastisch, schudde zijn hoofd en nam een diepe trek aan de pijp waarbij de kop vervaarlijk gloeide zodat het leek of de tabak in één keer opbrandde. Hij hoestte en fluimde een bruine klodder vlak voor François zijn voeten.    ‘Beloftes, beloftes, beloftes,' zei de kabouter. 'Maar nakomen? Ho maar!’ Hij liep naar zijn voordeur. ‘Een paar jaar geleden kreeg mijn neef Plop bezoek van een paar je vriendjes. Een of andere Gert beloofde alles op te schrijven en te visualiseren. Plop is met zijn vrienden drie weken bezig geweest.’ De kabouter schudde zijn hoofd. ‘Aan je verbaasde kop te zien, ken je neef Plop niet.’ Hij stapte naar binnen en wende naar François. ‘Meer dan een halve eeuw geleden kreeg ik een of andere eikel met een snor en een baardje op bezoek.’ Hij staarde zoekend naar de grond. ‘De naam is mij ontschoten… Maar goed, die kwam met zijn hele hebben en houwen: pennen, kwasten, grote en kleine witte vellen, verf, ecoline inkt, you name it…’ Hij stond rechtop en riep triomfantelijk: ‘Poortvliet!! Ik weet het weer, die gozer heette Poortvliet.’ De kabouter knikte tevreden alsof hij de relativiteitstheorie had begrepen en klopte zijn pijp uit tegen de deurpost. ‘Zo dement ben ik niet…’ Hij keek naar François. ‘Die kon prachtig tekenen en beloofde alles in boeken uit te leggen. Dat heeft hij duidelijk niet gedaan, anders kijk je niet alsof je een alien ziet. En nu oprotten.’    De kabouter sloeg de deur achter zich dicht. Langzaam vertakten de vormen van het hutje totdat het niet meer te onderscheiden was van de boom.

MCH
14 1