Lezen

Tip

Schit - v. (Zuidn.) koedrek.

https://www.2dehands.be/q/verf+ed+memory+en+desire/ foto gallery   https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/   Ik heb al zoveel drek overMij heen gekregen.Dat nieuwe schitNog weinig effect heeft. ===================================================== Foto VERF ED memory en desire ***************************************************************** encyclopedische mens https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
363 1

Water

Vrijdagochtend, 6u22.                                                                                                                 Net als op alle andere weekdagen werkte Lea 60 lengtes af. Met haar een handvol andere fanatiekelingen. Ze zwom 25 meter heen en 25 meter terug in een soepele crawl met tussendoor een goed ingeoefend keerpunt. Ze voelde zich als een muis in zo’n loopwiel dat doet denken aan het reuzenrad op de kermis, maar dan zonder pretparkvibe. Zouden muizen zichzelf die monotone beweging opleggen net als zij? Zouden ook zij die routine nodig hebben om niet gek te worden?  Dat ze eigenlijk veel verder wilde dan die 25 meter, vertelde ze aan niemand. Ze verlangde naar eindeloos zwemmen, slag na slag, met om de drie slagen een gecontroleerde ademhaling. Ze hoopte zichzelf zo langzaam uit te wissen. Ze wilde verdwijnen uit het hier en nu, overgaan in een parallel universum zonder gedachten. Er zou enkel water zijn met happende, stille monden en langzame, zwemmende bewegingen.   60. Lea tikte de rand van het bad aan. Ze duwde zichzelf op haalde haar spullen uit de locker. Bijna vergat ze haar eurostuk.  Zwijgend droogde ze zich af. Op de grond van het kleine hokje lagen een klit lange, zwarte haren en een verdwaalde pleister met nog wat bloed. Ze walgde. De chloorgeur en de warme, vochtige lucht maakten haar draaierig. Ze haastte zich naar buiten en hapte naar adem. Ze voelde de frisse ochtendlucht in haar longen.   Ze bedacht dat ze morgen naar zee zou rijden. Ze wilde het open water in. 

Melanie Huyghe
24 1

GOD HEEFT TWEE NEUZEN

Hij zag eruit als een gewone man van reeds gezegende leeftijd. Hij was gehuld in bruine en grijze tinten, droeg een geruite bompaklak en een blazer van hetzelfde motief. Zijn gezichtsbeharing was wit als sneeuw, uit zijn oren priemden enkele lange haren en zijn wenkbrauwen waren even weerbarstig als een afgeleefde tandenborstel. Maar hij had één zeer in het oog springend kenmerk, hij had een soort gezwel vlak naast zijn neus, waardoor het leek alsof hij over een reserve-exemplaar beschikte. De beleefdheid zorgt er natuurlijk voor dat mensen niet kijken naar dat ding, want zo leert onze moeder het ons. Niet staren en niet wijzen. Zie je een man met een jurk en hoge hakken, iemand die heel luid zingt in de tram met een blik in zijn hand, een vrouw die een hond heeft aangekleed als een baby of een kerel wiens gezicht er volledig is afgebrand, je doet alsof het de normaalste zaak is van de wereld. En dat is het ook. We zijn allemaal aberraties van God. Toch vond ik het een hele uitdaging om niet naar de man te kijken. Ook al omdat ik het gevoel had dat hij constant naar mij keek. Want daarover zeiden onze moeders ons niets: wat als die vreemde figuren wel naar ons keken? Ik richtte mijn blik voorzichtig op zijn neuzen. Hij staarde me ongestoord aan, terwijl hij kauwde op een broodje hesp dat er zeer droog uitzag. Hij bleef naar me kijken, nam een gulzige slok van zijn flesje Fanta en maalde het brood met behulp van de gifgele frisdrank tot een weke substantie die hij alsnog met moeite kreeg doorgeslikt. Dan glimlachte hij. Omdat ik wist dat ik mijn nieuwsgierigheid voor zijn aparte reukorgaan niet kon beteugelen en dus af en toe moest kijken, glimlachte ik terug. Opeens scheen het me toe dat niet hij maar ik de vreemde eend in de bijt was. Mijn tafelgenoten waren namelijk allen bejaard. Niet onlogisch, ik had plaatsgenomen in de cafetaria van een ontmoetingscentrum in Wijnegem omdat mijn zoon leert programmeren in het belendende gebouw. Meestal neemt dat een drietal uren in beslag, die ik dan gebruik om toetsen te corrigeren of om aan mijn roman te schrijven. Ik had veel bekijks van die oudjes, ze zien op hun conventies (deze stond in het teken van plantenverkoop) niet zo vaak hippe jonge vaders met een laptop die hun party komen crashen. Op een of andere manier paste hij ook niet hier. Al was het maar omdat hij helemaal alleen zat. Er zaten wel mensen naast en over hem, maar hij had niemand, hij praatte met niemand, terwijl alle anderen elkaar zelfs bij naam schenen te kennen, alsof zij wekelijks samenkwamen. Maar niemand maalde om deze man, hij zat er maar. Bij het eten en drinken maakte hij abnormaal veel geluid, alsof het de allereerste keer was dat hij voedsel en drank tot zich nam. Aan zijn linkerkant zat een keurige man die voor de gelegenheid zijn beste zondagskostuum had aangetrokken. Hij droeg een rechthoekige Lanoyebril en zijn haar lag in een zijstreep tegen zijn kalende schedel. Hij was in gesprek met zijn overbuurvrouw over de nakende verkiezingen. Aan de andere kan van de man zat een vrouw die er kwiek uitzag voor haar leeftijd. Ze was een knop in een krans van oude dames die lachten als schoolmeisjes. Ze was danig verdwaald in het gesprek dat ze haar speculoosje al voor de vierde keer in haar kop koffie had gesopt, waardoor het afbrokkelde. Toen ik na enige tijd opnieuw naar de man keek om nog maar eens een glimlach uit te wisselen en een zoveelste blik te krijgen op zijn fascinerende gezicht, was hij verdwenen. Vreemd, ik had hem niet zien of horen weggaan. Ik ruimde alles op om mijn zoon op te halen en merkte dat de man zijn pet had laten liggen op zijn stoel. Toen ik hem van de stoel wilde nemen om hem af te geven aan de bar, legde de heer met Lanoyebril zijn gerimpelde hand op de mijne en sprak me toe dat het zijn pet was. ‘Excuseert u me’, zei ik, maar ik wist bijna zeker dat het de bompaklak was die ik op het hoofd van de man met twee neuzen had zien staan. ‘Bent u daar wel zeker van? Volgens mij is die pet van de man die naast u zat’, probeerde ik zo voorzichtig mogelijk te suggereren. Ik wist niet hoeveel slachtoffers Alzheimer al had gemaakt aan deze tafel. De man kijkt me aan alsof ik degene ben met Alzheimer. ‘Hier zit niemand, daarom leg ik mijn pet altijd op deze stoel’. Zijn buurvrouw treedt hem bij: ‘Renaat zit altijd op deze plek en wil niet dat er iemand anders dan ik naast hem komt zitten, het is nooit anders geweest.’ Een beetje verward wandel ik naar de bar en ik moet terugdenken aan het tweede middelbaar, waar een jongen uit mijn klas niet gepest werd maar gewoon genegeerd, alsof hij niet eens bestond. Ik weet niet of dat erger is dan pesten. Omdat ik nog een kleine honger heb, besluit ik ter ere van de man die al dan niet in mijn hoofd bestaat een broodje hesp en een Fanta te bestellen. Ze serveren geen van beide.

Lennart Vanstaen
19 1

Keteldorp

Omdat niets in potjes zit. Met een dekseltje. Misschien wat kruid gevangen en gedroogd. De mengeling bepaald door hem die geniale kok. Eerst het vlees mooi dichtschroeien. Daarna een tijdje laten rusten. De aderen zij mogen nog wat bloed verliezen. Toch best niet te veel. Zo liep die kip daar en mijn vader lachte zich een breuk toen die vogel zonder kop de stam boenk tegenliep. Het was een perelaar die jefkes schonk aan alle wespen. Dat plattelandsleven betreft immers de gulheid der natuur. Daarom had die smeerlap toen die romantiek gekocht, een boerderijtje op den buiten en geluk lag er te rapen tussen rijen bieten. Enkel confituur geraakte in potjes. De rest bleef zweven. Geur van de vergane glorie  stank van rottend leed en de kadavertjes van veel illusies laatste hoop, zij liggen ginds begraven in een bos. Ik dacht te moeten blijven leven. Om postzegels te verzamelen. Omdat ik helpen moest, zo sprak de zot. Rapen trekken onkruid wieden op een dag het kot ingaan om daar te helpen bij het slachten van mijn pony. Alles wat kreupel wordt moet prompt geholpen worden en dat kan ook heel gewoon, thuis. Met dezelfde hamer die ook diende voor de varkenskop. Alles moet eerst omvervallen  om dan te kunnen snijden. Dat is de regel maar bij een kip kan men ook zo en olijkweg de kop afhakken. Voor de lol. De ogen van je kinderen. Echte vaders maken zonen stevig hard. Zo ging dat blijkbaar op zijn platteland temidden al die bloemen velden met hun kruiden. Eerst het vlees mooi dichtschroeven. Het lukt want nergens klinkt een SOS. Toch is Piet gekomen. Pietje Puk. Hij is de postbode van Keteldorp. Daar stak ik postzegels in mijn verzamelboeken, bijna niets in kleine potjes. Een ketel staat daar op het plein. Met daarin grote stukken pony. Het is voor de honden. Alle monsters van het dorp. Zij woonden in zijn hoofd.     uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Annie en de tijd

Mijn oma hangt vast aan een zus die er niet meer is. Dat vertelt ze me aan de telefoon terwijlik wandel, in plassen en modder, met opzet want ik heb nieuwe laarzen en die moeten getestworden. ‘Je weet hoe we aan elkaar hingen’, zegt ze me en ze huilt aan de andere kant, in een andere stad, aan een andere telefoon, in een ander hand. ‘Ze was bijna 20 jaar ouder dan ik’, zegt ze. Er zijn veel plassen maar mijn laarzen doen wat ze moeten doen: mij drooghouden. ‘Zij was de oudste. Ik de jongste.’ Er zit een hele generatie geperst tussen de twee zussen. ‘Ze heeft mij eigenlijk opgevoed. We hingen aan elkaar’, zegt ze in de verleden tijd. Hoe ze zich voelt, vraag ik haar. Nu haar zus. Nu ze geen zus. ‘Ik heb het er moeilijk mee’, zegtze. ‘Je weet hoe graag ik haar zag’. Maar haar lichaam was uitgeput, gooi ik in gedachten op.Ze woog nog amper 46 kilo en lachte niet meer. Ze wou niet meer leven, denk ik in stilte. Zehad een doodswens. De papieren waren getekend. ‘Je weet hoe ik aan haar vasthing’, zegt mijn oma. De doodswens van de zus startte een paar jaar geleden maar het is niet waar ze uiteindelijkaan stierf. Annie wou al een tijdje dood en stopte met eten. Mijn oma had goede hoop enprobeerde haar om te praten met leven. Kleine flesjes wijn hield ze apart. ‘Hier zal ze wel voor willen leven’, zei mijn oma dan en glimlachte met een beetje pijn. Maar Annie was oud en ook op. Geen vet en nog amper vocht, haar handen zwart van de transfers donorbloed. Elke dag dronk ze een glas rode wijn op doktersvoorschrift, om haar bloedtekort tegen te gaan. Aldus mijn oma. Maar glimlachen deed ze nog amper, aldus de zus. Ze wou niet leven dus ondertekende ze papieren zodat ze kon stoppen wanneer ze wou. Einde contract. Een formele doodswens. Toch stierf ze een natuurlijke dood. Toen de dokters haar in de laatste uren vroegen ‘Annie, zullen we je laten inslapen?’ weigerde ze. Het werd een lange nacht, we weten niet hoe het exact stopte, dat leven. Wat we wel weten is dit: ze werd niet omringd door dierbaren. Als een oudere in een rusthuis ‘s nachts sterft bellen ze de familieleden niet meteen. Ze wachten tot de ochtend nadien, tot de nabestaanden die nog niet weten dat ze nabestaanden zijn rustig zijn opgestaan, zich hebben gewassen, hebben gegeten, ze wachten tot na hun ontbijt want dit hoor je niet op een lege maag te horen. ‘Het gaat al beter’, vertelt mijn oma me de dag nadien wanneer ik haar bel. Buiten is het koud, de temperaturen zakken onder het vriespunt. ‘Ik heb wel hard gehuild. Ze was als een moeder voor me. Je mama heeft ook moeten huilen. Iedereen hing aan Annie’. ‘Huilen is goed’, zeg ik, de dertiger die online artikels leest over kwetsbaarheid en tranen en die het allemaal beter weet dan wie dat niet doet. ‘Laat maar stromen’, zeg ik, die minder dan de helft levenservaring heeft dan mijn oma maar dat goedmaakt met praktische tips en goede raad. Ik weet dat je soms vooral moet luisteren en knikken en zeggen ‘ik begrijp het’, maar toch heb ik vooral woorden en advies. ‘Huilen is goed’, bevestig ik mezelf nog eens en ‘ja’ zegt mijn oma nu ook. Ze schakelt over op de praktische afhandeling van sterven. Hoe de kransen nu gewoon online te kiezen zijn, hoe de prijzen er ook gewoon bijstaan. Ze is onder de indruk, je kan het gewoon zo bestellen en ook helemaal niet zo duur als ze dacht! Enkel over de tekst moet ze nadenken, maar dan heeft ze iets te doen, zegt ze. Ik knik maar dat hoort ze niet. Iemand zei me ooit dat hardlopen de hele tijd een soort van bijna-vallen is. En dat je net voor je echt valt een volgende stap zet. Voor Annie was het leven de laatste jaren de hele tijd bijna sterven. Dat ze net voor elk bijna-einde nog een volgende hap lucht inademde. Tot ze dat niet meer deed. Het is koud. Al dagenlang. De plassen en modder van een paar dagen geleden hebben zichgehard tot ijspoelen en krokante stukjes grond. De laarzen, getest en welbevonden, blijf ik voor de zekerheid dragen wanneer ik me een weg glijd naar werk. Er is veel werk. Elke dag. Op heel veel plekken, voor heel veel mensen. Tijdens de middagpauze bel ik mijn oma. ‘Het gaat’, zegt ze. ‘Gelukkig heb ik genoeg te doen.’ Morgen is de uitvaart van Annie. ‘Geen dienst, gewoon uitstrooien’, zegt mijn oma aan de telefoon. ‘Ik weet niet of ik kom’, zeg ik. Midden in de dertig zijn is een balanceren tussen je brongezin en een nieuw gezin, dat je misschien probeert op te bouwen. Je neemt afscheid van je eigen kind-zijn en stelt een huishouden op orde. Je maakt takenlijsten en afspraken, moet je gevel nog zandstralen, de serre nog uitspoelen, de bedden opmaken. En er zijn maar zoveel minuten in een dag. En dan moet je ook nog eens werken. En misschien zorgen voor een ander. ‘Ik weet niet of ik kom’, herhaal ik nog eens en twijfel tegelijkertijd. Mijn oma antwoordt niet. Het blijft stil. Ergens in de verte hoor ik ijs zachtjes kraken, breken misschien.

Sarah Skoric
32 2

Gaartijd - De Windmolen

“Achter de muur van de oude verkoolde fabriek pronkte een enorme metallieken wiek op een steel. ‘Windmolen’ zei bijna niemand hier. ‘Gedrocht’ en ‘lawaaimaker’, hoorde ik meer. Het was veel groter dan ze in de gemeenteraad gezegd hadden, zei Jacky, en ik geloofde hem, want hij was daar veel mee bezig en mij interesseerde dat niet. ‘Het brengt op’, zei mijn vrouw vaak, ‘als ge er een aandeel van hebt, ten minste. Louise haar man heeft er een paar gekocht.’ Het was duidelijk dat ik niet de man van Louise was, noch zijn vernuft had. ‘Om wat mee te doen, uw life coach mee betalen, zeker?’ had ik gezegd.” “Op een rare manier leek die molen groter als ge verder af waart en werd die kleiner als ge dichterbij kwam. Hij was even majestueus als die grote gouden Christus ergens op een berg in Brazilië, die over de sloppenwijken waakt. Ik ging op een bank zitten en zag de wieken op ‘t gemak zakken en dan weer naar boven draaien, gelijk de wijzers van een kalm op hol geslagen horloge. Mijn ogen vielen toe van die rondjes en ik moet even gelukzalig geslapen hebben op die bank. Toen ik weer wakker werd, maalde de turbine trouw verder. Ik kreeg honger van zoveel arbeid en keerde terug naar huis.” “Ik hielp de sla zwieren, tot mijn vrouw en ik door dat ratelend geluid van de slazwierder onze bel hoorden. We schrokken allebei omdat we niemand verwachtten. Mijn vrouw veegde rap haar handen af aan haar schort en liep de gang in. ’t Is voor u!, riep ze nog geen seconde later.” “Het was Jacky, met Erwin van de gemeenteraad. Erwin kwam op voor een nieuwe partij, Lijst de Stad of zo. In zijn kostuum met zijn zwarte leren schoenen zag hij eruit alsof hij nu al de burgemeester was. Hoewel ik de zon op mijn kale schedel voelde branden, hield hij zijn kostuumvest aan.” ‘Meneer Coorevits’, zei hij, en ik probeerde mij te herinneren hoe lang het geleden was dat iemand mij nog met meneer had aangesproken. ‘Uw vriend Jacky vertelde mij dat u het ook moeilijk heeft met de veranderingen hier.’ ‘Wie? Ik?’, zei ik. ‘Ja Fernand, gij vindt het toch ook erg dat onze winkels toe gaan.’, zei Jacky. In tegenstelling tot Erwin droeg hij een te korte T-shirt waar zijn dikke buik van onder kwam. Zijn haar was gegroeid en hij bond het in een dunne staart. De bleke grijze haren leken op riviertjes tussen de donkerdere slierten. ‘Ja, ik kwam graag naar uw krantenwinkel, Jacky.’, zei ik, ‘maar gij hebt zelf beslist om ermee te stoppen, meen ik.’ ‘Omdat hier geen kat meer het dagblad koopt.’ ‘Ik wel.’, zei ik. Erwin zag dat hij moest tussenkomen omdat de show niet de goede kant op ging. ‘Als wij hier iets nieuws krijgen, dan zijn het vreemdelingen, of een grote windmolen die ze in de grootstad niet naast hun deur willen. Wij zijn de vuilnisbak’, zei hij. Hij in zijn sjiek kostuum en ik op mijn sloffen en Jacky in zijn vuile t-shirt. ‘Ze pakken ons werk af’, zei Jacky, ‘ze zijn met weinig content. Of ze zitten op de dop.’ ‘Wie?’, vroeg ik. ‘Wel, die vreemde die hele dagen op een bank zitten te niksen en bloempitten eten en op de grond gooien, en wij mogen het allemaal opkuisen, terwijl hun vijf kinderen buiten roepen en tieren en hun vrouw binnen kookt.’, zei Jacky. Er vloog wat speeksel uit zijn mond op mijn hemd. ‘Met haar hoofddoek op. En lange mouwen’, voegde Erwin toe, ‘Zeg nu zelf Fernand, met zo een weer, dat ze niet smelt!’ Er stonden zweetdruppels op zijn voorhoofd, ze liepen langs zijn slapen en nek op de zwarte kraag van zijn kostuumvest. ‘En wat wilt ge dat ik daaraan doe?’, zei ik. ‘Stemmen op ons’, zeiden ze, ‘dat het hier weer van ons wordt. Dat wij hier terug de baas zijn. Gelijk vroeger. Dat we kunnen eten wat we willen. Stoofvlees met frieten, niet van die pitta en couscous.’ Ik dacht aan Mammoetje en de Bifi’s die hij mij zo welwillend toeschoof. En eten wat ik wou, deed ik toch nog amper. ‘Is dat niet overdreven?’, zei ik. ‘Allez, in de oude viswinkel zit nu een pittazaak. En Jacky zijn krantenwinkel, hebt ge gezien hoe verloederd die nu is?’ ‘’t Is meer bier en brol dan gazetten.’, zei Jacky. ‘En die rijstkakker denkt dat hij een mooie zaak heeft. Gelijk die altijd staat te lachen.’, zei Erwin in zijn zwart pak, ‘Nu ja, in vergelijking met ginder is zijn winkel de grote luxe, verzekerst.’ Zijn haar. Naar achteren gekamd. Een echte fafoule. ‘’t Is Mammoet’, zei ik. ‘Hoe wat?’, zei Jacky. ‘Uw opvolger, zijn naam is Mammoet. Niet rijstkakker. En als ge me nu wilt excuseren, mijn frieten worden koud.’ “Ik deed de deur dicht. Jacky zou ik niet meer zien en de gang naar mijn moderne vrouw scheen mij eindeloos lang. Ze had gelijk, veel gelukkiger zou ik niet meer worden.” “Ik ging terug voor mijn bord zitten, mijn vrouw had dat van haar bijna leeg gegeten. Vroeger wachtte ze op mij. De frieten werden stekels in mijn keel, ik dronk zoveel water dat mijn vrouw vroeg of ik het te warm had. Ik trok mijn schouders op. ‘Niks om over te zagen’, mompelde ik. Ik dacht aan die windmolen, hoe die rustig verder draaide hoewel zoveel mensen tegen hem waren. In gedachten volgde ik de molen. Op zijn dooie gemakken vees hij mijn beklemde borstkas weer open. De witloofsla van mijn vrouw met haar verse mayonaise gleed al makkelijker naar binnen. Ze at met haar schort nog aan, veegde wat vleessaus samen met een friet. Ik vroeg haar: ‘Wat kost dat misschien, een aandeel van die molen?’ Ze stopte met kauwen en leunde achterover. ‘’t Is misschien een goede investering.’, zei ik. Ze trok haar wenkbrauwen op en keek wat troebel, wat misschien aan haar cataract gelegen was. Ik dacht dat ze het geen goed idee meer vond, dat ze weeral over nieuwe informatie beschikte of een moderner systeem ontdekt had waar ik nog niks van af wist. Windmolens zonder wiek of zo. Ik boog mijn hoofd en richtte mij op de laatste frieten die doordrenkt waren van de vleesjus. Ze waren hun stevigheid verloren, lauw en verwelkt. Ik beet er nog ééntje middendoor voor ik mijn couvert als een werkloos zwaard op mijn bord legde. Mijn vrouw schoof haar stoel naar achteren en stond recht om af te ruimen. Maar ze nam geen bord van tafel, kwam achter mij staan en gaf mij voor het eerst in maanden een kus. ‘Ge zijt geen slechte mens, Fernand’, zei ze. En ik legde mijn gevlekte hand op haar arm en voelde haar boezem tegen mijn hoofd. ‘Als gij het zegt’.” In dit fragment uit ‘Gaartijd’ spreekt Fernand, de buur van een fabriek die in brand is gestoken. Zijn vrouw zit op Instagram, kookt dingen die hij niet kent en gaat naar de lifecoach. Zijn boezemvriend Jacky stopte met de buurtwinkel.

Pons
6 0