Lezen

Knikkertijd

Vandaag start de knikkertijd op school. Na een sperperiode die werd opgelegd door de directeur en gehandhaafd door de toezichthoudende leerkrachten, mogen de leerlingen knikkeren op de speelplaats. Tijdens de speeltijd brengen we onze zakjes en doosjes met knikkers mee naar buiten. Er zijn jongens en meisjes die hun waardevolle bolleket op de rand van een tegel leggen en erachter gaan zitten. Zij hopen een mooie opbrengst te halen door andere jongens en meisjes naar hun glazen kleinood te laten mikken van op een afstand uitgedrukt in aantal tegels. Vier tegels voor een gewone bolleket, zes of meer voor één met een speciale kleur - olies, planeten, piraten, smurfen. Knikkers schieten weg vanuit de kromming gevormd met de wijsvinger, gelanceerd door een flukse beweging van de duim. Sommige handen blijven hierbij mooi op de voorgeschreven afstand, andere handen schieten tot wel een halve tegel vooruit. Andere knikkers worden met een schuivende beweging losgelaten van tussen de toppen van duim en wijsvinger. Een knikker die in de juiste baan vertrekt, zijn koers aanhoudt en tegen de bolleket aanketst bezorgt de jonge eigenaar van de knikker een adrenaline rush. Er volgt een luidkeels geroepen “Ik heb hem!” en het opeisen van de bolleket plus één knikker. Immers, de knikker waarmee je raak treft - of stekt - mag je volgens de ongeschreven spelregels terug opeisen. Naargelang de opbrengst aan verschoten knikkers mee- of tegenvalt, blijft de vorige eigenaar van de bolleket tevreden dan wel ontgoocheld achter. Sommigen spelen het groot; een mini moet worden geraakt vanop een afstand van acht of tien tegels om zo een gespikkelde blauwe reus te bemachtigen, nog anderen vinden het gat in de markt: een set verroeste bielen uit versleten kogellagers levert de jongen een dagopbrengst van enkele duizenden knikkers op. Ik zie hem nog naar huis vertrekken met twee grote zakken en een waspoederdoos vol knikkers. Koning voor één dag. Dat schooljaar was de markt totaal verzadigd met verroeste, slecht rollende bielen. De dynamiek van de knikkertijd was fantastisch. Gedurende de eerste vijf jaren van de lagere school kon ik hiervan genieten, elk jaar opnieuw in de maand juni. Mijn broer en ik maken dagelijks afspraken over het budget aan knikkers dat we die dag meenemen naar school. ‘s Avonds voegen we de dagopbrengsten toe aan onze gemeenschappelijke verzameling, of we vergeven elkaars verliezen op broederlijke wijze. De herinnering aan het knikkeren op school brengt bij mij een uniek sentiment naar boven: de opwinding, het behoedzaam inzetten van middelen, het omgaan met winst en verlies. Net zoals een volwassene actief is op de financiële markten met eerder behoudsgezinde, dan wel risicovolle beleggingen. Merkwaardig genoeg stopte mijn knikkertijd niet omdat ik het spel ontgroeide, maar door een toevallige wending volgens de economische wetmatigheid dat devaluatie steevast volgt op overaanbod. In het jaar na de pensionering van de oude directeur kondigde een leraar van het vijfde leerjaar het begin van de knikkertijd aan met een nota in de agenda’s van zijn leerlingen. Op een moment ruim binnen de vroegere sperperiode. Nog precies één week werd er op onze school geknikkerd met de intensiteit van de voorgaande jaren. In de daarop volgende weken verminderde de interesse bij veel leerlingen en doofde de knikkertijd vanzelf uit om dat jaar niet meer terug te keren. En ook niet meer tijdens het volgende schooljaar, waarin ikzelf het zesde leerjaar doorliep.

Brecht Fevery
39 2

In de wereld waarin ik leef

In de wereld waarin ik leef, worden er weinig vragen gesteld. De voorgekauwde zekerheden schuiven er gemakkelijk in en de aangeleerde overtuigingen zitten als gegoten. Naast routineus geplande vrijetijdbestedingen zoals het apathisch staren naar een beeldscherm en/of het verzinken in een verslavende roes, gaat het gros aan levensuren op aan moeten en verlangen.In de wereld waarin ik leef, dreunt op de achtergrond van elk tafereel de alomtegenwoordige toxiciteit als een aanhoudende valse toon. Maar het collectief gehoor is er immuun voor geworden. De chronische donkere benauwdheid wordt gedwee verdragen, als was het een vanzelfsprekende eigenschap van het leven. De connectie met intuïtie en gevoel ligt in duigen. Het gif is in promotie en wordt gulzig geconsumeerd.In de wereld waarin ik leef, is levensleed vruchtbaar zaad voor de toekomst. Het lijkt erop dat transformatie veelal pijn doet. En dat al de moeizaam vergaarde wijsheid gedoemd is om telkens weer vergeten te worden, cyclisch, zoals het licht elke avond opnieuw plaats maakt voor duisternis.In de wereld waarin ik leef, is angst een drijvende kracht. Wankele zielen verschuilen zich onder een verhullende laag van aangeprate drogredenen. De ogen die mij kruisen zijn vensters van lege huizen, aanbellen heeft geen zin. Iedereen is buiten zichzelf, op zoek naar verlossing. Er heerst een blinde bereidheid om zichzelf te verloochenen in ruil voor geruststellende leugens.In de wereld waarin ik leef, wordt ongemak angstvallig bestreden, omzeild en onderdrukt. Mensen willen het lijden en vergaan steeds een stap voor zijn en zouden daar een arm voor geven. Met ingehouden adem proberen ze weg te sluipen van hun eigen schaduw. Daarbij de meest absurde en tegenstrijdige kronkels makend.In de wereld waarin ik leef, is de vrije wil dood verklaard. Men wordt liever veilig gestuurd in plaats van onzeker in vrijheid te leven. Volgzame burgers schuiven gebocheld door zelfverachting aan in moedeloos lange rijen. Wie goed is, krijgt lekkers. Met de naïeve verwachtingsvolle blik van een kleuter wordt er uitgekeken naar instructies van wat kan en mag. De beperkende regels voelen als een tweede huid, een beschermende laag. Maar verstikt de ware essentie die intern leeft.In de wereld waarin ik leef, hou ik mijn hoofd net boven water. Ik poog een evenwicht te vinden in het zowel overstijgen als omarmen van de menselijkheid die mij werd aangemeten. Doorheen de scheuren van de rafelige sluier van auto-mutilerende onwetendheid ontwaar ik de ingenieuze en magische schoonheid van deze aardse ervaring. Het is hier een waar paradijs, eentje met hoge muren en achterpoortjes waarvan de sleutels in omloop zijn. Tijdelijkheid doet deze plaats eer aan.In mijn huis, dat nog in de steigers staat, ontmoet ik zonnestralen met een herkenbare intensiteit. Het zijn bevestigende leidraden die ik dankbaar door mijn vingers laat glijden. Ook herinneringen aan de bron sijpelen er binnen. Ik heet u, gelijksoortige zoeker met ongenaakbare levens- en scheppingslust, er van harte welkom. Laten we samen ons verheugen over hoe de wereld waarin wij leven aan onze voeten ligt.https://www.karoliendeman.com/blog/2022/2/10/in-de-wereld-waarin-ik-leef

KarolienDeman
48 1

39°25'32.0"N 26°23'44.0"E

Op sommige nachten hadden er wel honderd boten tussen de golven kunnen deinen en je zou er niet één gezien hebben. Evengoed meende je er wel tien te zien, en was er niet één echt. Shadi was er echter zeker van. “Vlak voor ons, ik zweer het je!” Hij schroefde het statief van de telescoop los om zijn invalshoek bij te stellen. Hij ademde nerveus, bevroren wolkjes dampten voor het zwart-witte beeld. Door de nachtvisie bekeken, had de zee iets van een maanlandschap: grauwe kliffen die oprezen, sneeuwduinen die tegen elkaar opboksten en in steenlawines afbrokkelden – en ergens in die ruis moest een klein, zwart stipje verborgen zitten. “Op hoeveel graden zag je het?” Lucrezia stond naast Shadi met een zwarte verrekijker tegen haar ogen gedrukt. De pelskraag van haar winterjas wapperde, elk ondanks dat elk woord haast van de heuvel werd geblazen, klonk ze helder, standvastig. “Ik… weet het niet.” Shadi’s stem hakkelde. Hij worstelde met het beeld, zoomde in en uit, verstelde de telescoop weer met een paar graden. “Vijf graden dacht ik. Ja, vijf. Werkelijk vlak naast de kustwacht!” Hij kon het nog zo helder voor zich zien: in een flits denderde het zwarte stipje vlak langs de kustwacht, met in haar kielzog een V-vormige golf, alsof de zee werd opengeritst. Het beeld benam hem zodanig de adem dat hij zich haast verslikte in de koude lucht. Zodra hij opkeek om Lucrezia te roepen, verloor hij de boot uit het zicht. Alsof het in één klap onder de golven was gedoken. Lucrezia trok een verkrampt gezicht. Veel viel er door haar verrekijker niet te zien; van de zee bleef enkel de geluidsband achter. Aan de overzijde tekende een dunne, gele stippellijn de Turkse kuststrook af. Vlak onder hun uitkijkpost rolde de heuvel naar beneden om met scherpe kliffen in de zee te duiken. Een kleine vuurtoren balanceerde op de rotsen. Het knipperlicht tekende spookachtige schaduwen over de kliffen en de kale, bevroren heuvel waar zij op stonden, terwijl de golven zo hoog oprezen dat ze de kleine vuurtoren haast verzwolgen. In de verte, middenin de zee, dobberde een onooglijk blauw lichtje. Het leek inderdaad op de kustwacht, moest Lucrezia erkennen. Maar je moest nuchter zijn: voor hetzelfde geld was het een visser die met het verkeerde licht voer. Wie weet zat de kustwacht elders zonder lichten op de loer voor vluchtelingen die de oversteek waagden. Lucrezia liet haar verrekijker zakken en nam een handradio uit de zak van haar winterjas. De kou knaagde aan haar oren. Ze draaide de volumeknop van de radio open. Er kwam geen enkel bericht, zelfs geen statische ruis. “Als er een boot was, dan had de kustwacht het vast gezien en dan zouden we het wel horen,” zei ze droog, alsof ze dit  al zo vaak gedaan had, dat het niet veel spannender meer was dan een Excell-sheet. In zekere zin was dat ook de gemakkelijkste manier om met dit werk om te gaan: mechanisch doen wat je moest doen en je hoofd vooral niet op hol laten brengen. “Ik heb het met mijn eigen ogen gezien,” beet Shadi haar van tussen zijn tanden toe. Hij klonk opgejaagd, alsof hij ergens op wou kloppen, alsof hij energie kwijt moest. Een windstoot duwde de nachtvisie uit positie, hij moest het statief met beide handen in de grond drukken zodat het niet omwaaide. Terwijl Shadi de telescoop weer in positie zette, liet Lucrezia zich op een gammel krukje zakken. Het krukje leunde tegen een kleine houten hut die was opgebouwd uit stukken scheepswrak – een deel van een boeg waar Öztürk op stond, rubber van vluchtelingensloepen, roeispanen. De hut was net groot genoeg voor één persoon om in foetushouding te slapen op een matras van aangespoelde reddingsvesten. Niet dat ze er ooit sliep. Lucrezia keek op haar horloge. Eén uur, nog een hele nacht te gaan. Dat was het meest vervelende aan dit werk: waar ze ook keek, er wachtte enkel een leegte zo roerloos dat ze elke seconde aan slakkentempo kon horen voorbij schrijden. Wat als ze een duiker was, dacht ze. Wat als ze uitgerust met nachtvisie in haar duikbril tussen de kelp en de scholen ansjovis het water kon afzwemmen? Ze beeldde zich in hoe ze ongezien tot bij de kustwacht zwom en dan even boven kwam, een hoofd dobberend in het water. Hoe ze hen zou zien zitten, verveeld rond een klein tafeltje in de kajuit met een pak kaarten en een fles ouzo, terwijl ze grapjes maakten over de laatste boot vluchtelingen die ze naar Turkije hadden teruggeduwd. # “Wat schrijf ik nu over wat er gebeurd is?” Shadi zat op het krukje voorovergebogen boven een opengeslagen logboek. In zijn ene hand hield hij een sigaret, in zijn andere een blikje Redbull. Lucrezia keek moe op van de nachtvisie. Ze had kleine oogjes, alsof haar lichaam na zoveel nachten naar datzelfde vormeloze grijs staren de handdoek in de ring wierp. Iedereen heeft zijn grens in dit werk. “Ben je nog steeds over die boot bezig?” Ze stampvoette op de bevroren aarde. Ze wist dat ze onderkoelingsdekens in haar schoenen had moeten proppen, de kou drong zo door haar zolen. Shadi gaf haar enkel een nijdige blik als weerwoord – zijn expressieve, donkere ogen spraken altijd boekdelen. Hij nam een lange trek van zijn sigaret, tuitte zijn lippen en knikte smalend. “Uiteraard, jou kan het nooit wat schelen.” “Er is niets bevestigd, Shadi,” antwoordde Lucrezia monotoon, haast in een zucht. Ze voelde zich veel te licht in haar hoofd om een discussie aan te gaan. “We weten niet wat je gezien hebt. Er is niets dat je kan schrijven.” “Dingen verzwijgen is ook liegen,” zei Shadi bits. Hij wierp de sigaret met een theatrale zwier weg en gleed zijn dikke skihandschoenen weer in. Lucrezia keerde zich naar de nachtvisie. Ze knikte nog van ‘neen’ maar besloot verder niets te zeggen. Dit was archeologenwerk, dacht ze. Met een tandenborstel beenderen afstoffen en daar dan een hele dinosaurus bij verbeelden. Al de rest speelde zich af in je hoofd. Maar welk verhaal vertel je over wat er in je hoofd gebeurt? Ze moest aan mensen in een bos denken.  Ze beeldde zich gezinnen in, ouderen die slecht te been zijn en alleenstaande jonge mannen. Ze beeldde zich een vader in die beschimmelde reepjes platbrood doorgaf aan zijn twee kinderen, zijn zwangere vrouw en zijn bejaarde oom. Daarna haalde hij zijn smartphone boven, zette die aan en stuurde een bericht naar zijn moeder, ergens in een ver land: “misschien steken we vanavond over, ik stuur je morgen,” waarna hij de smartphone weer uitzette en in een waterdicht Ziploc zakje schoof. # “Mayday mayday mayday, all ships, all ships, all ships.” De handradio kraakte. Shadi stond met een grijs deken om zich heen geslagen achter de nachtvisie. Lucrezia zat met de handradio in haar schoot op het krukje, haar ogen waren gesloten. Ze schoot met een schok wakker. Ze keek verward om zich heen. “Mayday mayday mayday, all ships, all ships, all ships,” herhaalde de omroeper. Met een klap sprong Lucrezia op. Ook Shadi schoot uit zijn trance. “Fuck, oh fuck,” zei Lucrezia. De omroeper dicteerde enkele coördinaten. Lucrezia griste haar gsm uit haar dikke winterjas en begon de coördinaten over te typen – zelfs slaapdronken wist ze perfect wat te doen. Shadi stond aan de grond genageld, de mond wagenwijd open. Hij gaapte naar de handradio alsof hij geen flauw idee had wat er gebeurde. Het grijze deken gleed van zijn schouders. “Hier zijn ze.” Lucrezia duwde haar gsm in Shadi’s gezicht. Na enkele tellen niet goed weten waar zijn hoofd stond, draaide Shadi zich met een ruk om naar de nachtvisie. Halsoverkop, met houterige bewegingen richtte hij de kijker naar waar de boot zich moest bevinden. Deze zee zag eruit als een slachtveld. Je kon nauwelijks nog uitmaken wat nu water was, de bergen, de broeierige wolken daarboven en wat gewoon de wind die zo hard woedde dat je strepen door de lucht zag razen. Shadi vloekte. Lucrezia keek door de verrekijker, kalm en beheerst. Natuurlijk was het zinloos, de boot zat nog veel te ver in Turks water. Zolang die coördinaten niet dichterbij kwamen, konden ze niets doen. Een ijskoude motregen begon neer te dalen. Fijne druppels, haast mist, tikten tegen de lenzen van de verrekijker, op Lucrezia’s haar, op Shadi en de nachtvisie. Het voelde als minuscule ijspegels, als bevroren stoom. Geen van beiden dacht eraan om hun kap op te zetten. “Ik wed je dat dit de boot is van daarstraks,” zei Shadi opgejut. Lucrezia klemde de handradio vast als een talisman, alsof ze hoopte dat de ether enige macht had om hulp over te zenden en begon nerveus heen en weer te lopen. Een duiker, daar dacht ze aan. Aan een zuurstoftank op haar rug, aan onder de golven voorwaarts snellen, aan boven komen, aan een boot zien, aan vissers, aan mensen die veilig waren. Pas na een uur stopte het noodsignaal. Lucrezia en Shadi keken met ingehouden adem naar de radio in Lucrezia’s hand. De stem van de omroeper kwam terug. Het signaal klonk zo schor dat het leek alsof het nauwelijks tegen de wind kon opboksen. De Turkse kustwacht was ter plekke. Dat meldde de omroeper. De boot was een sloep met vluchtelingen. Slechts drie mensen waren gered. De rest was verdronken. Meer informatie zou volgen. De handradio viel met een klap op de grond. Lucrezia’s hand trilde. Ze staarde naar een punt in het oneindige, ergens voorbij de duisternis, voorbij deze plek, voorbij dit moment. Ze staarde naar de frêle lichten van Turkije tot de lichten vloeibaar werden, tot ze als vuurvliegjes begonnen te dwarrelen en met haar tranen van haar wangen rolden. “Wat als dit die boot was die ik zag, Lu? Wat als de kustwacht hen ook had gezien, het kan bijna niet anders! Wat als ze hen gewoon hebben teruggeduwd?” Shadi stormde heen en weer alsof hij zich geen blijf wist met zichzelf. Hij keek over de nachtvisie naar de zee die nog steeds even bruut woelde en sloeg met zijn vuist op de houten muur van de hut, en daarna nog eens, en nog eens. Lucrezia zakte op de kiezelstenen in elkaar. De regen vermengde zich met haar tranen. “Ik… ik weet niet wat… Ik weet het niet,” stamelde ze. Ze zag eruit alsof ze in de aarde wou wegzakken. Alsof ze geen letter over haar lippen kreeg, alsof er iets brak en het allemaal haar schuld was. Shadi stormde de kleine hut in. Hij nam het zwarte logboek en knalde het voor haar voeten op de grond. “Dus ik mag niets schrijven? Ik heb het verdomme gezien, Lu. Die boot was er en van jou moet ik zwijgen.” Hij stormde bruusk de uitkijkpost uit, het hoge helmgras in. Zonder achterom te kijken, liep hij de kale heuvel af, recht naar de vuurtoren. Alsof hij er klaar mee was. Alsof hij nu meteen zou vertrekken, naar huis zou wandelen, aan één stuk door, weg van deze plek, weg van dit eiland. Lucrezia keek naar de horizon, dikke tranen rolden over haar wangen, haar ogen kleurden rood. Ze dacht aan zwemvliezen. Ze dacht aan onderwatersonar. Ze dacht aan proestende officieren van de kustwacht, dronken. Ze dacht aan de sterren die er niet waren, aan een zwarte, olieachtige massa. Ze dacht aan mensen in het water, aan valse reddingsvesten. Ze dacht aan een walvis die vanuit de diepte naar boven dook en een hele boot op de rug nam. Ze dacht aan boeien, aan harpoenen, aan vleugels, aan warme dekens, aan stilte. De hemel begon lichter te kleuren. De wolken boven haar hoofd werden zichtbaar. De zon moest net over de Turkse heuvels aan het klimmen zijn. Terwijl Lucrezia naar het oosten staarde, waar ergens in het water een boot had gelegen, dacht ze aan het bos. Ze beeldde zich mensen in die onder een olijfboom ontwaakten. Ze veegden de slaap uit hun ogen en staarden naar die wolken. Ze beeldde zich een vader in die een tomaat uit zijn zwarte Eastpack haalde, hem in zes partjes sneed en de partjes verdeelde onder zijn kinderen, zijn vrouw en zijn oom. Dan ritste hij het voorste zakje van zijn rugzak open, haalde er een Ziploc zak met zijn smartphone uit, zette de smartphone aan, bekeek de berichten van zijn familie in een ver land en tikte: “niet overgestoken, slecht weer vannacht, misschien morgen,” alvorens de gsm weer uit te schakelen.

Maarten Luyten
24 0
Tip

HET GELUID VAN

Als je applaus met een ander beeld moest vergelijken, welk beeld zou dat dan zijn? De danseres stapte been voor been de glimmende metalen kooi in die boven het publiek uittorende. Rode lichten flitsten over haar kniehoge laarzen, haar leren slipje, zwarte handschoenen en glitter-BH alsof de spotlights haar lichaam likten. Onder zich zag ze een vlammende massa zich tot tegen de muren uitstrekken. Ze hield van die ogen die zich aan haar benen optrokken, hongerend naar meer. In de binnenkant van haar handschoenen zaten twee kleine speakers bevestigd. Een bas bromde door de speakers en zinderde over haar handpalmen als een brailleschrift. Het moeilijkste in dit leven is jezelf zijn. Dat leerde ze op de balletschool. Voor haar stond een rij in roze tutu’s geklede meisjes aan de barre. Aan het schokken van hun schouders wist ze dat ze met moeite hun lach konden inhouden. Bijen, dat waren ze: zo op elkaar afgestemd dat ze wel door één collectief brein moesten worden aangevoerd. Hoe zou het voelen om je hand in een bijenkorf te steken? Hoe zouden hun vleugels zinderen en tintelen tegen je vingertoppen, langs je knokels? De oude balletlerares ging vlak voor haar staan, als een tussenschot tussen haar en de andere meisjes. Ze keek het meisje gebiedend in de ogen en gaf met duidelijke zweepslagen de maat aan. Eén, twee, drie, vier. Het meisje nam diep adem en probeerde met de grootste moeite van de wereld haar passen op de maat te zetten: tendu, à la seconde, drie, vier. Op geen enkel moment liet ze haar blik van die arm los. De strakke beat golfde van haar handen naar heel haar lichaam. Een hartmassage, dat was het gevoel dat zij zich bij een bas voorstelde, of het dreunen van seks tegen een badkamerdeur. Ze liet haar schouders en heupen kronkelen, streek haar armen over haar lenden, haar buik, haar hals – gegidst door louter de passen die zich in haar hoofd tekenden, de onzichtbare tellen die in elke cel van haar lichaam waren geëtst. Ze wond de kooi helemaal om haar vingers, versierde de tralies tot het publiek in lichterlaaie stond: duizenden lichamen, dampend van het zweet die hun vuisten naar de kooi wierpen en met hun lippen vormen in de lucht kneedden. Muziek kan je ook voelen, weet je. En je hoeft geen tutu aan te hebben om te dansen. De balletlerares keek haar met een plezierige spot aan: denk je echt dat ik je laat gaan, gewoon omdat je in je jeans en T-shirt naar hier bent gekomen? De grijze, statige dame gebaarde om te wachten. Ze nam de polsen van het meisje vast, opende haar palmen en legde er kleine speakers in. Het meisje voelde de muziek als mieren op haar vingertoppen tintelen. Ze kreeg er tranen in de ogen van – voor het eerst kon ze de muziek lezen, niet alsof ze de woorden van een gedicht las, maar de structuur, het metrum, het rijmpatroon. Ze vloog de oude lerares om de hals. “Ik zei het je toch,” gebaarde de oude dame. Daarna wees ze naar de barre en vormde met één vlakke hand en de ander in een omgekeerde V het gebaar voor dansen. Gonzende speakers, daar kon je applaus misschien wel mee vergelijken. Alsof je op het hoogtepunt van een nummer met heel je lichaam op een speaker gaat liggen tot je elke bas in je oren voelt beuken en door je maag voelt walsen. Onder haar zoemde de bijenkorf, zinderende lichamen die in een steeds broeierigere massa tegen elkaar schuurden, hun lippen aan elkaars oren brachten en met hun tongen de lucht kneedden. Ze voelde hun voeten in haar handpalmen prikken, voelde hun ritme op haar vingers rillen, naar een hoogtepunt toe. Net op het moment dat de break insloeg, doofden de spotlights en klikte zij lichtstrips in haar handschoenen aan. Al wat nog te zien viel, waren haar neonblauwe handen die zwevend boven het publiek hiërogliefen in de duisternis printten, poëzie in het ijle.              Kan je het horen?                                                                                                                   Hoe de stilte                                                                          Van hartslag naar hartslag hinkt                                  Tussen de passen van je voeten glipt                                                         De voor en de na           Van alles wat bestaat                                                                                                   De lijm die het leven                                                                                                            Tot maten bindt.   Een golf, dat dacht ze. De luchtdruk in haar oor zakte, witte schijnwerpers stortten over de zaal en de speakers in haar handen stopten met gonzen. Onder de soundtrack van haar dreunende hart zag ze duizenden handen in en uit elkaar gaan. Ze zag monden die open gingen en lippen die zich krulden tot O’s alsof ze kringen bliezen. Een golf, dat was hoe applaus voor haar voelde. Zo’n hoge golf die vanaf de horizon opbouwt en op haar hoogtepunt met één klap op het strand valt als een tevreden zucht. En dan die golf door je heen laten razen en je er volledig aan overgeven. Ja, zo voelde dit moment.

Maarten Luyten
109 1

Kunst in de bib

Maandagvoormiddag, officieel is de bibliotheek gesloten. Toch staan de twee ebbenhouten toegangsdeuren van de ingang wagenwijd open. Er is duidelijk begankenis, ondanks er geen ontleners zijn. Het licht brandt in de hoge inkomhal. Door de kleurrijke glasramen aan de voorzijde van het gebouw vallen zonnestralen rijkelijk binnen. Precies een Egyptisch tafereel. Op de beige marmeren vloertegels schitteren oranje, gele en blauwe schakeringen. De klusjesman rijdt met een kleine heftruck voorzichtig rond in de inkomhal met een zware lading vooraan op de vork. Hij rijdt achteruit met zijn machine. Een piepend alarm verstoort het geroezemoes en de instructies die worden gegeven door de medewerker van de dienst Cultuur, eenmalig afgezakt naar de gemeentelijke bibliotheek. ‘Meer naar achter, Andree!’, brult ze met haar armen zwaaiend, gericht naar de klusjesman. ‘Piep piep piep piep’ , de achteruitrijlichten springen op wit licht. De gebrilde bibliothecaresse roept: ‘Pas op Andree! Dat is hier allemaal art-deco. Da’s nog van vroeger. Als ge hier botst en iets kapot rijdt of een kras maakt, kan het niet gemaakt worden. En de vloertegels kunnen we niet vervangen. In de kelder liggen er geen meer, sinds de wateroverlast van 1995.’ De klusjesman draait naarstig aan zijn stuur en bolt met de vorkheftruck meer naar links, terug naar rechts en terug in achteruit: ‘Piep piep piep.’ De bibliotheek-assistent, gekleed in keurig hemd en zwarte broek met een semi lederen boekentas in de hand, snelt opgejaagd de inkomhal binnen. Net ingeprikt, stipt om 9u00, de start van de werkdag en klaar voor een rustige gemoedelijke maandagvoormiddag. Behalve vandaag, ‘Wat gebeurt er hier allemaal? Het is maandag negen uur. We zijn toch gesloten’ , zegt de bibliotheek-assistent overrompeld. Alvorens de bibliothecaresse kan antwoorden op deze vraag, stapt de medewerker van de dienst Cultuur dichter tot bij de twee heren en antwoordt in zijn plaats: ‘Dit mijn heren is een unicum voor onze gemeente. Ik presenteer u dit hedendaags modern kunstwerk. Vorige week nog te bewonderen in het Centraal Station van Brussel. Dankzij enig telefoonverkeer van mijnentwege tussen de gouverneur en het diensthoofd Algemeeniteiten is het mij gelukt, om van deze creatie de komende weken te mogen genieten. Hier, in onze gemeentebibliotheek! Dit gaat bezoekers aantrekken. Ik voel het!’ Ze spreekt laaiend enthousiast, duidelijk trots op haar lobbywerk en het feit dat dit houten misbaksel  nu in de hal van de bibliotheek staat. ‘Ik ben trouwens Pretoria, aangename kennismaking.’ De bibliotheek-assistent richt zich tot de bibliothecaresse: ‘Ingrid, waarom weet ik hier niks van? En hoe lang blijft dat hier staan?’ De bibliothecaresse antwoordt apathisch. Dit is niet haar beslissing: ‘De mail is niet tot bij ons geraakt. Ik wist hier ook niks van. Blijkbaar, een volledige maand hier in de hal, en elke burger van onze gemeente krijgt een foldertje in de bus. Het zal hier druk worden, Philip.’ De assistent zucht en denkt: Niks heb ik hier te zeggen, niks. Folders over heel de gemeente… Hoe is het mogelijk?! Hij stapt bokkend weg. Het verhuisspektakel gaat ondertussen voort. De cultuurmedewerker en de klusjesman werken samen verder: ‘Ja Andree, nog een beetje draaien en laat maar zakken.’ Een zachte bonk maakt een einde aan de plaatsing.  Ze inspecteert met volle bewondering de nieuwe aanwinst: dit gaat allure geven aan onze streek. Yes. Een pluim voor mezelf. De klusjesman stapt uit het truckje en voegt zich bij anderen, veegt met zijn zakdoek het werkzweet van zijn voorhoofd en zegt: ‘En wat is dit nu precies?’ Hij ziet enkel aan elkaar geplakte panelen en geverfde paletten, bijna tot aan de nok van de inkomhal. ‘De kunstenaar had een moeilijke jeugd en zijn worsteling met zijn identiteit, toont hij via deze kunstinstallatie. Hij had het vooral moeilijk met zijn moeder’ , legt de cultuurmedewerker uit. ‘Ah, vandaar die losgeslagen oranje planken’ , antwoordt de bibliothecaresse. Het kunstwerk lokt al de eerste nieuwsgierigen. Buiten kijken twee gemeentearbeiders met een verbaasde blik op van hun veegwerken.    

Evelien Meulders
77 1

Liefde is overal

Liefde is overal Elke maand kruipt ZIZO-redacteur Erwin Abbeloos voor ons in zijn pen. Hij schrijft over het leven, de LGBTI+-strijd, de actualiteit, ouder worden en af en toe ook over ABBA. Voor de column van deze maand kijkt Erwin vooruit naar valentijn en blikt hij terug op de plek die liefde in zijn leven ingenomen heeft.           Schrijven over liefde terwijl alles over liefde al geschreven is. In proza, in poëzie, in scripts. Zingen over liefde terwijl alles al gezongen is. Van pop tot klassiek. Liefde bedrijven terwijl alle liefde al bedreven is. Ach, de liefde. Dé liefde. Ik heb ze bedreven, beschreven, beleefd, bezongen, bewierookt en betraand. Ik heb ze zien aankomen, ik heb ze zien weggaan. Ik heb ze gevoeld, ze heeft me weten te verpletteren. Nu eens was ze opgebrand, dan was ze nergens te zien. Ik heb ze van op afstand beleefd, ik heb ze met één te veel gepleegd en ik heb een keuze moeten maken. Ik ben niet gemaakt voor een driehoeksverhouding. Soms meende ik de liefde te herkennen, soms had ik me vergist en was ze totaal iets anders. Ze heeft me ook bedrogen, beschimpt, verraden en vernederd. Ze heeft me gelukkig ook gekalmeerd, geheeld, gezuiverd, gelouterd. Ik weet dat ze een gemis kan zijn, ze kan ook te opdringerig zijn. Bij de ene doet ze verdomd haar best, bij de andere komt ze niet. Of dat denk je want ze komt altijd en overal. Dat zingt Björk ook in ‘All is full of love’, een liedje uit 1997. Daar staat hoe tot liefde en berusting te komen. Soms zoek je haar, weet je niet waar ze te vinden is, andere keren komt ze onverwacht je leven overhoopgooien. Ze komt in alle vormen, in alle woorden, ze zit in alle settings – van een Grindrafspraakje tot een seksparty. In housewarming parties en beschonken avonden. Ze komt in roze, in wit, in rood en allemaal zachte kleuren. Ook in ruig leer en glimmend latex zit liefde. Ze zit in al wat leeft en beeft, in al wat ademt en beweegt, in al wat hijgt, schuurt en heest.  Dan wordt ze diepe vriendschap. Zomaar. Ineens. Met de jaren. Jij en alleen jij kent ons. Een vluchtige kus wordt intenser dan de vermoeide pornostandjes die met alles en iedereen uitgeprobeerd zijn. Een huis, een omheining, een kat. En jij. In het nu. Praten met je vingertoppen. Liefde spreekt een taal zonder woorden.  Liefde is ook uit elkaar gaan. In ‘Knowing me knowing you’ van ABBA zingt Frida dat uit elkaar gaan het beste is wat ze kan doen. Ze zingt niet dat dat het beste is wat kan gebeuren; ze zingt niet ‘Breaking up is the best thing to do’. Ze zingt ‘It’s the best I can do.’ Zij is het die weggaat. In de jaren ’70 van vorige eeuw dan nog wel, toen het feminisme in een tweede golf streefde naar een gelijkwaardige positie in de maatschappij en seksuele bevrijding. Het laat ook de perfectie van een ABBA-song horen. Alles moet matchen, tot in de details. Lezen, herlezen, schrijven en herschrijven. Weggooien, een stukje overhouden. Dat is schrijven en zo gaat het ook in de liefde. Je houdt er enkel het beste van over. Een breuk is altijd een beetje lijmen en met beetjes groeien.  Wat de liefde ook doet, ze overkomt iedereen. En iedereen verdient ze. Liefde komt wanneer je het leven al aangeraakt hebt, ertegen aan geschuurd hebt, wanneer het niet meer deert, wanneer de scherven nog op de grond liggen. Gebroken glas is ook mooi glas. Wat het met je lijf, je ziel en je huid doet, lees je in ‘Fragments d’un discours amoureux’, van Roland Barthes.  Liefde heeft me in berusting gebracht. Het is een in oneindigheid uitgestrekt landschap met heuvels, dalen en vlakten. Wat de liefde ook doet, ze overkomt iedereen. En iedereen verdient ze. Weet dat, terwijl in de liefde alles al geschreven staat, liefde altijd op een onbeschreven bevlekt blad staat. Il y a de quoi commencer un scénario! 

Erwin Abbeloos
22 1

Tot 'we' verdwijnen zal

  in het begin was er niets en toen kregen we alles en daar liep het mis en dat kwelde ons maar we deden gewoon verder         Bevreesd, over wat er ooit allemaal is geweest, voor wij er waren, en of dat belangrijk is om te weten. Dat vraag ik mij soms af. En wat er nog zal komen, als wij er niet meer zijn. Gaat de wereld dan nog vooruit? En is dat van belang? Maakt het iets uit? Voor u? Voor mij? Ik vraag het mij echt af. En u kan zich dan weer afvragen, wie ik eigenlijk ben. Een vraag die ik herken. En waar ik het lef vandaan haal om vragen te stellen over belangrijke zaken. Zodat u, daardoor, u zorgen begint te maken. En het is niet dat ik het mij gewoon afvraag. Ik loop ermee te koop. Ik begin erover in teksten en gesprekken. Ongefilterde gedachten, zomaar de vrije loop. Ik belast u, mijn beste vriend, met mijn vragen. En je hebt waarschijnlijk wel een punt. Maar ik heb het niet op u gemunt. Ik wil er u, in al uw gemak, niet mee storen. In al uw rust. In al uw veiligheid. Kan je het mij vergeven? Ik probeer er gewoon achter te komen wat mijn aandeel is in dit leven. En ik heb u nodig om het mij te vertellen, begrijp je? Ik moet het u vragen, omdat ik de last die ik nu draag, niet langer alleen kan dragen. Kan u er, eventueel, uw schouders mee onder zetten? Voor even. Zodat we er samen achter komen, wat er komen zal. Kom je even mee? Naar het moment dat er niets meer zal zijn. Als wij er niet meer zijn. Ik geloof dat dat het beste is. Dan kunnen we rustig samen terugblikken op wat is geweest. Als bij het toetje en de koffie op het einde van het feest. Dan ligt mijn bijdrage ook voor het rapen. Hoop ik. Zodat ik rustig kan slapen. Hoop ik. In ieder geval, in het begin was er niets.      Een absolute leegte. Geen materie te bespeuren. Geen oriëntatie denkbaar. Bodemloos. Eindeloos. Geurloze geuren. Denk ik. Niet dat ik erbij was. Vraag het aan de filosofen. Je hoeft me niet te geloven. Maar volgens mij, was er niets. Of laat ons zeggen, waarom ook niet, Hij. God. Hij was er. Ik heb Hem nooit ontmoet dus opnieuw, je hoeft me absoluut niet te geloven. Maar ik neem Hem toch als vertrekpunt. Het is hem gegund. En om de wetenschap te plezieren vertel ik erbij dat Hij werd geboren met een knal. Niet uit onze gedachten, niet bij toeval, maar zo een knal waarvan je denkt, dat is me nu écht eens een knal. Zo, bij deze houden we de kerk in het midden en kunnen we beginnen.      Ik weet niet hoe Hij eruit zag helemaal in het begin, bij die knal. Anders dan op het einde wellicht. Toen Hij nog was, wie Hij was en niet wie wij dachten dat Hij was. Door de eeuwen heen, veranderde Hij. Hij was plots niet meer die mensoverstijgende kosmos. Die gezichtsloze goddelijke kracht. Neen, we hebben hem vermenselijkt. Teruggebracht naar ons eigen niveau, al dan niet toch nog net iets grootschaliger, iets vorstelijker. Sommige gaven hem een kroon, een mantel, een baard, anderen een scepter of een zwaard. We gaven hem broers en zussen, goud en kruisen om te kussen. Dan nog te zwijgen over de namen die we hem gaven. We gaven Hem zelfs een huis. Ja, wij, de mensen, gaven Hém, God, een huis. We namen het heelal over, en staken Hem in onze zelfverklaarde hemel.           Maar dat, was allemaal later. Toen er al iets was. Zoals ik al zei, eerst was er niets. Hij genoot van de rust. De stilte. Of chaos. De donkerte. Of het licht. De sereniteit, de beheersing, de grip.  En toen, kregen we alles.       We kregen het. Zomaar. Zonder er iets voor te moeten doen. We waren als kinderen voor Hem. Die geef je toch ook alles, in ruil voor niets, bij lachen of tranen. Zo kregen wij onbegrensde oceanen. Buitengewoon blauw met al zijn variëteiten en tinten. Gratis. We kregen onnoemelijk veel hectare aan regenwouden, bossen, bergen, graslanden en rivieren. Allemaal zomaar. We kregen de dieren, de bloemen, ontelbaar kleurrijke geurende bloemen. En tussen dit alles, mochten wij rondlopen. We kregen ook de liefde, vriendschap, vertrouwen, hoop, dankbaarheid, gevoelens. We kregen verlangen. Naar elkaar, dat ging dan nog, maar ook naar meer. Dat steeds maar toenemende verlangen naar meer.       Onze voorheen lege bol werd gevuld met al het moois waar Hij van kon dromen. Allemaal gemaakt uit dezelfde minuscule atomen. En Hij gaf het ons. Hij moet van ons gehouden hebben, toen. Of hoorde dat alles gewoon bij Zijn rol? In ieder geval, Hij zette ons ertussen. Veilig op Zijn bol.       In deze positie zagen wij alle goddelijke geheimen, alle bezittingen, alle verrassingen want Hij beloonde ons met een knap paar blinkende ogen om te aanschouwen wat we kregen. Hij beloonde ons met een kloppend hart. Een hart dat net lang genoeg zou kloppen om een reden te verzinnen waarom hij het ons gaf, maar niet lang genoeg om te bezinnen of we het wel verdiend hadden. Hij gaf ons een hoofd gevuld met een duidelijk gescheiden netwerk van logica en gevoelens. Hij beloonde ons met al het moois dat er bestaat én niet bestaat, want Hij gaf ons een geest die in staat was te verbeelden. Verbeelden hoe het zou zijn, zonder al dat moois, gedachten open, ogen gesloten, waardoor we er nog meer van genoten. En dat ging dan nog. Maar we konden ook verbeelden dat er nog meer zou kunnen zijn. Dat steeds maar wederkerende verbeelden van meer.       Weet je dat nog meneer? Meneer? Doet het nog pijn? Dat niet veel later het verlangen, en het verbeelden, listige sluipmoordenaars bleken te zijn? Een of andere onbekende onrust die zich jarenlang onder het oppervlakte verscholen had en als onkruid, met talloze stokers tegelijk, ontkiemde. Met de worteltjes diep in onze botten en van daaruit vertakte over alle bloedvaten heen. Onvoorstelbaar ook, hoe sereen ze zorgden voor stroppen in het ooit zo efficiënte netwerk van ons pientere breintje. Maar listig dat ze waren, namen ze hun tijd. Het duurde jaren voor ze echt toesloegen. Voor wij het beseften. Voor de stoppen doorsloegen.       En in die jaren,vergaten we Hem. We vergaten alle versies van Hem. Alle synoniemen, alle evenbeelden, soorten, broeders en zusters. Allen werden verwaarloosd. Meer en meer lieten we hen allemaal vallen. Dieper en dieper en dieper, de duisternis in en daar, in die donkerte, ontdekten wij de verlichting. Weet je nog? Ons betere alternatief? We namen over, zonder dank, instinctief. Alle macht en alle rijkdom behoorde nu tot ons. We zagen ons ook als één van hen. Van de Goden. Voor deze aarde, veel te goed. We waren niet langer van vlees en bloed. Nu zaten wij aan de lange tafel. Er werd maximaal geïnd. Er werd verdeeld en er werd geheerst, onder een nieuw en frisser bewind. Maar, alles went. En in gewenning ontkiemt het verlangen. En in dat verlangen de verbeelding.  En daar liep het mis.  Het enige wat wij moesten doen, was alles respecteren. Soms moet je de dingen gewoon laten zoals ze zijn. Maar dat deden we niet. Doet het nog pijn? Mevrouw?       Weet je nog, toen we begonnen te graven? En in dat graven vonden we de goddelijke geheimen. We vonden ze en eisten ze op. Eerlijk gekregen, toch? Ze waren zo mooi. Het speeksel liep uit onze mond. En die schatten, diep verstopt onder de grond, zouden ons eeuwig jong houden. Maar we moeten er nu niet over liegen. Ze deden ons zweven.We begonnen te vliegen. We gingen op zoek naar nog meer en vlogen langs Zijn hemel, het oneindige tegemoet. Onze verbeelding nam enkel toe. Ook ons verlangen om nog verder te gaan en als het even kon, als eerste die oneindigheid af te ronden. Op onderzoek gaan heette dat in die tijd. Met toeristen die in de rij stonden om ons uitje te bekostigen. Avonturiers of gekken? In ieder geval, in ruil mochten ze een baantje trekken, op een zeshonderd kilometer boven de aarde. Dat we hier nog eens meer dan driehonderdduizend kilogram aan CO² extra achterlieten was in de prijs inbegrepen. Betalen zouden we toch.      Ook hier beneden, op deze bovenmenselijke bol, graaiden we maar in het rond en doorzochten we Gods giften als doordeweekse post. Op plaatsen ooit zo vol bebost, plukten we bijvoorbeeld cacaobonen. We voegden er wat menselijkheid aan toe en dat verkochten en kochten we dan met onze zelf uitgevonden muntjes, waarvoor we dan eerst wat nikkel en andere rijkdommen moesten voor ontginnen. Ik wil er niet over beginnen, maar, lekker was het wel. Toch?       Hij wist waarschijnlijk al lang wat er komen zou, maar Hij genoot van de kleine dingen. De positieve dingen. In al zijn fatsoen, liet Hij ons doen. Hij moet nog iets van hoop gehad hebben, en, het is die hoop die ons in stand hield. Zelfs toen we allemaal samen aan die lange tafel zaten. Een tafel die niet voor ons bestemd was. En we ons overaten. Maar het voelde zo goed. We zaten er nog niet lang en toch al te lang. We waren nooit goed geweest in wachten. We waren ons eigen, enige thuis aan het slachten. Dat is wel iets wat we collectief konden. Ja, de maat van onze wandaden was snel vol. Voor we het wisten waren we het kwijt, de pedalen. En we zouden de prijs hoe dan ook nog moeten betalen.   En dat kwelde ons.      Hij had ons alles gegeven en tussen dit alles moesten wij blijven. Naar ons gevoel veilig, met het water aan onze lippen. En toch wankelend. Instabiel. Terwijl alles rondom ons, als een kaartenhuis op één van onze gelakte cafétafels, in elkaar viel. Daar zaten we, met ons kloppend hart dat net lang genoeg bleef kloppen om ons af te vragen waaraan we dit hadden verdiend. Maar, mijn beste vriend, niet lang genoeg om helemaal te beseffen dat wij de schuldigen waren. Daar zaten we, met ons hoofd gevuld met een duidelijk gescheiden netwerk van logica en gevoelens. We konden wel oplossingsgericht te werk gaan in deze aartsmoeilijke omstandigheden maar jammer dat we te angstig of onkundig waren om knopen door te hakken. Zo liet Hij ons nog wat rondlopen. Sommige kropen. Angstig levend op deze aarde met continu dat besef dat er iets moest veranderen.      Eerst werden we wat prikkelbaar, wantrouwig. Maar toen werden we boos. Boos op de realiteit. We werden boos op elkaar. Heel de tijd. Boos. We gingen het oplossen, dat werd er helemaal op het einde nog gebruld. Maar we waren kansloos. Wist jij het toen al? Want ik had een vermoeden.       Ik weet nog toen we bijvoorbeeld minder vlees gingen eten. Het vlees dat we bedrukten met ‘twee voor de prijs van één’. We waren naïef. Het vlees was nog steeds goedkoper dan ons alternatief. We gingen minder kinderen maken. Maar vonden iets uit waardoor we onze beste vrienden jaloers konden maken, met oneindige foto’s van onze nieuwgeborenen. We gingen minder kleren kopen, want we hadden berekend hoeveel liters aan water er in het maakproces van onze jeansbroeken kropen. Maar minder kleren kopen was niet wat de winkel ons zei, wanneer we zelfs van hen een verjaardagskaartje in de bus kregen, ondertekend, ‘10 % korting’. Weet je het nog? Toen we onszelf begonnen te bedriegen? We gingen ook minder vliegen, dus sloten we onze ogen tijdens die vlucht over die buitengewoon blauwe oceaan voor amper honderdnegenennegentig euro. Inderdaad, we lieten ons verleiden. We gingen nadien minder met de auto rijden en als het niet anders kon, elektrisch, terwijl we kinderen in de kobaltmijnen staken. We bleven maar nieuwe schatten krijgen. Of vinden. Maar we konden het niet waarmaken. We gingen zoveel. We moesten zoveel. Zoveel dat het ons angstig begon te maken..  Maar we deden gewoon verder.      Nog even. De wereld was als een orkest, met iedereen als solist. Sommigen flitsten verder op deze bol als een automobilist die door polderblindheid aan honderdzestig per uur zijn afslag had gemist. Anderen delfden hun eigen graf, klommen naar beneden, gingen zitten en wachtten rustig af. Maar velen deden niets. Ze dobberden roerloos verder. Kop in het water. We waren triest. Zelfs wanneer we blij waren. We dachten dat we nog steeds het recht hadden gelukkig te zijn. Maar dat recht waren we al lang kwijt gespeeld. Ons ego werd niet langer gestreeld.       Bij een grote minderheid begon in alle stilstand, het verlangen om te veranderen, toch te groeien. Maar het probleem bevond zich niet in het verlangen. Het was de verbeelding die ons deze keer in de steek liet. En daar ging ons krediet. Over de eeuwen heen hadden we geleerd om te verbeelden hoe het zou zijn moesten we meer hebben. Maar opeens moesten we minder. Minder, maar dieper. Intenser. Maar we konden het ons niet voorstellen hoe dat zou zijn. Dus we legden er ons bij neer toen we het inzagen. We waren verslagen. En dat voelde bij de meesten niet eens verkeerd. Want alles rondom ons, in ons zacht bedje, alles wat we konden zien, en voelen, was nog goed. Voelde aangenaam. Gemakkelijk. Knus. We hadden nog iets van moed. Tot we alleen in dat bedje lagen. Niet in staat de slaap te vatten. Niet in staat te dromen. Dat het ooit zou goedkomen.      Ja, Betalen moesten we. Alvorens te gaan. Nu nog steeds trouwens. Ik herinner het me nog goed. Het begin. Ik had nog niets en toen kreeg ik alles. En als ik er nu over nadenk, moet het daar misgelopen zijn. Het kwelde me. En toch, ik deed gewoon verder. Is het dan ook mijn fout? En zo ja, kan u het mij vergeven? En nadien, helpen de last te dragen? Eventueel uw schouders mee onder zetten? Want alleen zal het mij niet meer lukken.  Mevrouw? Meneer?        

Jeroen Vanmulder
28 1

Nieuwe gewoontes

Mijn maatje en ik hadden bepaalde gewoontes en rituelen. Dat kan ook niet anders, als je al zo lang bij elkaar bent. ’s Ochtends bij het opstaan begon dat al. Wie doet wat? Wie doet de gordijnen open? Wie schenkt de koffie in? En, heel belangrijk, wie geeft Stef zijn eten? Dat was trouwens altijd degene die het eerste beneden was. Stef liet daar geen twijfel over bestaan. Ik merk nu dat ik een soort eigen gewoontes begin te ontwikkelen. Een soort van, mezelf opnieuw uitvinden. Ik doe het niet bewust, het gebeurt vanzelf. Beneden komen, koffieapparaat aanklikken, Stef eten, televisie aan. Dat laatste verdrijft voor mij de stilte in huis, daar ben ik nog niet aan gewend. Niet dat mijn maatje zo’n lawaaimaker was maar ik mis zijn aanwezigheid. Natuurlijk zeg ik ook goedemorgen tegen mijn maatje. Eigenlijk hoeft dat niet, hij zit de hele dag in mijn hoofd, maar het is een ritueel. Ergens geeft het ook troost, alsof hij de hele dag met mij meekijkt. Als ik thuis werk, gaat Stef mee naar mijn werkplekje. Hij ligt naast mijn bureau op zijn vachtje. Te snurken. Af en toe komt hij eens kijken wat ik aan het doen ben, hij kijkt soms ook mee tijdens een online meeting, vaak tot hilariteit van de anderen. Het geeft afleiding. Want het gevaar is nu wel dat ik geen pauze neem. Lunch lijkt af en toe overbodig, snel een broodje is ook goed. Gelukkig wil Stef dan wel graag naar buiten dus dan doen we ons rondje. Behalve als het regent natuurlijk, Stef houdt niet van nattigheid. Toch raar hoe snel je je aanpast aan een nieuwe situatie. Het verdriet wordt er niet minder door maar het geeft wel een gevoel van rust. Zelfs het alleen eten wordt gewoon. Nog steeds niet gezellig maar niet meer zo confronterend als in het begin. Het huis begint weer te voelen als mijn eigen plekje. Het huis wordt weer een thuis.      

Machteld
10 1

schuldbemiddeling (letterzetter)

 de buurvrouw spuit hartjes op de sparren die ze moet opruimen. de letterzetter. niets aan te doen, die kevertjes zijn zo klein, te veel te droge, te warme zomers.   ze vroeg me of ík de bomen wilde afdoen.                                 vorig jaar kreeg ik van mijn vrouw een kettingzaag voor mijn verjaardag,                                 vandaar.                                  zij wist dat.                                 het waren er een stuk of twintig, maar niets voor niets                                                                     - haar helft mag opgestapeld blijven liggen,                                                                        (houdt CO2 nog langer vast.)                                                                     - de andere helft voor mij en mijn houtkachel.   ik voel me schuldig, zelfs ... (de nieuwste generatie stoot veel minder roet uit, doet aan naverbranding, is gelabeld en goedgekeurd door de europese unie.)                                             vergeef het me,                                                                          de hoge energieprijzen.                                             (in dit hout zit ook de energie van mijn lichaam,                                             niet die van een factuur.) mijn god, misschien verwarm ik niet alleen de woonkamer, maar de hele wereld.   alle kleine beetjes, zeggen sommigen en,  een deel van de oplossing; maar wij zijn zo klein,  zo klein. wij kruipen als kevertjes over de aarde.   en de buurvrouw, zij zit toch ook niet in de kou, zij verwarmt op stookolie. in de zomer organiseert zij feestjes rond haar vuurschaal.   op één avond met de auto naar moskou en terug,  naar het schijnt.

Hans Van Ham
15 0

De clown die geen clown wilde zijn

De clown die geen clown wilde zijn   Anna: ‘Goedemiddag, vind u het goed als ik even naast u kom zitten?’ Clown: ‘Doe wat u niet laten kunt.’ Anna: ‘Wat een heerlijke dag vandaag, vind u ook niet?’ Clown: ‘Ach, het is net zo’n dag als gister en waarschijnlijk ook als morgen.’ Anna: ‘Op zulke dagen krijg ik altijd zin om mensen te bekijken, met een heerlijk glaasje wijn erbij. En laat ik dat nu nét toevallig bij me hebben. Drinkt u een glaasje met mij mee?’ Clown: ‘Nee dank u. Drank neemt even je zorgen weg, maar die zorgen komen dubbel zo hard terug.’ Anna: ‘Zorgen? Ik heb geen zorgen hoor, ik vind het gewoon lekker, zo in het zonnetje.’ Clown: ‘Doe vooral wat u niet laten kunt.’ Anna: ‘Ja, dat zei u net ook al. En wat brengt u hier? Pauze?’ Clown: ‘Nee hoor, hoezo dat?’ Anna: ‘Nou, ik liep net langs die grote tent verderop in het park. Ik neem aan dat u daar werkt?’ Clown: ‘Omdat ik er zo uitzie bedoelt u? Rode neus, rode haren, schmink op. Die zal dan wel in het circus werken, dat is wat u bedoelt? Anna: ‘Is het dan zo gek dat ik u dat vraag?’ Clown: ‘Dat vind ik gek ja. Kan ik niet gewoon op een kantoor werken? Of voor de klas staan? Is het enige wat ik kan, gek doen?’ Anna: ‘Sorry, ik wilde u niet beledigen.’ Clown: ‘Dat doet u ook niet.’ Anna: ‘Zo klinkt het anders wel.’ Clown: ‘Maar u heeft gelijk hoor. Een gek…zo zien de mensen mij.’ Anna: ‘Gek? Welnee, ik word juist altijd vrolijk van jullie.’ Clown: ‘Vrolijk ja, dat is nu juist het probleem. Iedereen denkt dat wij altijd maar vrolijk zijn en nooit verdrietig.’ Anna: ‘Bent u dat dan weleens?’ Clown: ‘Verdrietig? Natuurlijk! Clowns hebben ook gevoel hoor!’ Anna: ‘Waarom dan? Het is toch juist leuk om mensen aan het lachen te maken?’ Clown: ‘Ik wil ook weleens huilen, of boos zijn. Maar dat kan nooit. En dat maakt me juist zo verdrietig.’ Anna: ‘U mag best eens verdrietig zijn, of boos. U mag zelfs huilen als u dat wilt.’ Clown: ‘Nee dat mag ik niet. Mensen verwachten dat je ze aan het lachen maakt. Neem nou bijvoorbeeld mijn best vriend Alex.’ Anna: ‘Wat is er met Alex?’ Clown: ‘Hij was net als ik een clown. Elke avond stond hij met een grote glimlach in de piste. Tot aan die ene avond, een maand geleden. Voor de show sprak ik hem nog. Hij vertelde me dat zijn hond ziek was en niet meer lang te leven had. Eigenlijk wilde hij niet optreden, maar hij moest wel.’ Anna: ‘Niemand moet iets. Hij had dat toch tegen jullie baas kunnen zeggen?’ Clown: ‘Tegen Marcello? Niemand gaat tegen Marcello in. Geen zin of niet, de show moet altijd doorgaan.’ Anna: ‘Er zijn toch genoeg andere acts?’ Clown: ‘Ha, bent u weleens in een circus geweest? Een circus zonder clown kan gewoon niet!’ Anna: ‘U bent toch ook clown? Waarom viel u niet voor Alex in?’ Clown: ‘Nee dat kon niet. Alex en ik waren een duo. We stonden ook aangekondigd op de affiches in de stad. Mensen verwachtten twee clowns, niet een.’ Anna: ‘En wat gebeurde er toen met Alex? Heeft hij toch opgetreden?’ Clown: ‘Dat probeerde hij wel ja. Maar al snel merkte ik dat het mis ging. Hij kon zijn tranen niet meer bedwingen. Ik deed nog een poging om de show te redden, door hem belachelijk te maken. Ik dacht dan de mensen dan wel hard zouden moeten lachen. Aan Alex’ gevoelens dacht ik niet.' Anna: ‘Wat deed u dan?’ Clown: ‘Ik trok zijn broek naar beneden. Stond hij daar, in zijn bloemetjesonderbroek. Het publiek begon steeds harder te lachen, maar Alex begon steeds harder te huilen. Iedereen dacht dat het bij de show hoorde. Na afloop kwam Marcello naar ons toe. Hij vond het geweldig!' Anna: ‘En Alex?’ Clown: ‘Hij niet. Hij voelde zich door mij in de steek gelaten. Nog diezelfde avond is hij weggegaan. Hij zei dat hij dit leven niet langer wilde. Een leven waarin je nooit verdrietig mag zijn. Anna: ‘Heeft u hem daarna nog gesproken of gezien?’ Clown: ‘Nee. Ik heb ook geen idee waar hij nu is. Het heeft me wel aan het denken gezet. Ik wil dit ook niet meer, altijd maar vrolijk zijn.’ Anna: ‘Dat kan toch ook niet? Niemand is toch altijd vrolijk?’ Clown: ‘Vertel dat maar eens aan Marcello. Hij zegt altijd: ‘een echte clown huilt niet.’ Misschien ben ik dan wel geen echte clown…’ Anna: ‘Oh dat is zeker niet waar! Als ik naar u kijk, word ik vrolijk. Zelfs zonder die glimlach.’ Clown: ‘Ik wil niet meer terug naar het circus. Niet als dat betekent dat ik nooit verdriet mag hebben.’ Anna: ‘Er zijn ook andere manieren om mensen aan het lachen te krijgen.’ Clown: ‘Wie zegt dat ik mensen aan het lachen wil hebben? Ik zou graag mensen willen helpen, soms met een lach, maar soms ook met een traan.’ Anna: ‘Dat kan, er zijn genoeg mogelijkheden. Maar ik vind wel dat u een clown moet blijven. Het staat u goed, weet u dat?’ Clown: ‘Hoe bedoelt u dat?’ Anna: ‘De rode neus, het oranje piekende haar. En het zonnetje op de wangen. U heeft er een goede kop voor.’ Clown: Nou zeg, bedankt!’ Anna: Nee, ik meen het, het is een compliment. Mijn dochtertje zou u fantastisch hebben gevonden. Ze was altijd gek op clowns.' Clown: ‘Was? Bedoelt u dat ze…’ Anna: ‘Ja, ze leeft helaas niet meer. Slechts zes jaar mocht ze worden.’ Clown: ‘Dat spijt me om te horen. Waaraan is ze overleden?’ Anna: ‘Ze was ernstig ziek. In haar jeugd heeft ze heel wat ziekenhuizen van binnen gezien. De laatste maanden was ze thuis. We probeerden nog een paar mooie herinneringen te maken. Tot op het laatste moment was ze vrolijk. Ons lieve meisje…Weet u wat ze later wilde worden? Geen prinses of ballerina, zoals de meeste meisjes. Nee, zij wilde een clown worden.’ Clown: ‘Echt waar? Of zegt u dit er nu om?’ Anna: ‘Over mijn dochter maak ik geen grappen. En weet u waarom ze clown wilde worden? Om verdrietige mensen weer vrolijk te maken. Op het laatst zei ze tegen me: ‘Mama, ik hoop dat er een clown komt die jou en papa weer vrolijk laat zijn.’ Clown: ‘Een wijs meisje, die dochter van u. Jammer dat ik haar nooit heb ontmoet. Hoe heet ze?’ Anna: ‘Vlinder.’ Clown: ‘Dat is een mooie naam. Ook voor een clown trouwens. Ik zie haar al voor me: Een clowntje met rode vlechtjes en vlinders op haar wangen getekend. En iedereen zou om haar lachen.’ Anna: ‘Dat zouden ze zeker ja. Daarom ben ik ook altijd graag hier, in het park. Vooral in de zomer, met alle vlinders die hier rond fladderen. Dan beeld ik me in dat Vlinder bij me is. Ze zou elke vlinder kunnen zijn. Het geeft me een fijn gevoel.’ Clown: ‘Dat is een mooie gedachte.’ Anna: ‘Laatst zat ik op een bankje iets verderop. Ik zat te lezen en opeens zat er een vlinder op de rand van het boek. Muisstil om haar niet weg te jagen, heb ik minutenlang naar haar zitten kijken. Of misschien waren het wel secondes…Toen vloog ze weer weg. Die hele dag heb ik lopen glimlachen.’ Clown: ‘Niet alleen clowns kunnen dus mensen blij maken.’ Anna: ‘Weet u wat nou het bijzonderste was? De vlinder had de mooiste en felste kleuren die ik ooit had gezien. De kleuren van een clown.’ Clown: ‘Dat is zeker bijzonder.’ Anna: ‘Ik heb opeens een idee! Dan hoeft u niet meer in het circus te werken, maar kunt u toch mensen, en dan vooral kinderen, blij maken.’ Clown: ‘En dat is?’ Anna: ‘U zou thuis moeten komen bij kinderen die ziek zijn, als clown. Zieke kinderen hebben nog weinig om te lachen. Een clown aan hun bed zou ze weer even kind laten zijn. En ook voor de ouders zal het fijn zijn om een glimlach op het gezicht van hun kind te zien. Dat is het mooiste wat er is. Ze even hun ziekte te laten vergeten. Ja, dat moet u echt gaan doen!' Clown: ‘Daar heb ik nooit over nagedacht. Maar het klinkt als een goed idee…een fantastisch idee zelfs!' Anna: ‘Kijk, daar! Ziet u dat, die vlinder? Het is dezelfde als die op mijn boek ging zitten! Als dat geen teken is! Zij vind het ook een goed idee!’ Clown: ‘Weet u wat? Doe mij toch maar een wijntje.’

mira1981
58 0