Lezen

Bedevaart

Binnen twee weken vertrekken mijn broer en ik samen met de andere misdienaars van de kerk in ons dorp op reis naar Italië. De begeleiding noemt het een bedevaart maar wij willen ons gewoon amuseren. Samen met mijn vader zit ik te wachten in het bankkantoor van ons dorp. Er zijn nog twee nummertjes voor ons. Wanneer het onze beurt is, bestelt mijn vader Italiaanse lira voor mijn broer en mij. De bediende zucht wanneer hij hoort dat we over twee weken vertrekken. “Ja maar, meneer, dat moet besteld worden bij de bank in Brussel en dan moet er nog een transport naar hier zijn. U komt in het vervolg beter een beetje vroeger voor zo’n speciale kwestie. Ik ga moeten bellen om te kijken of dat nog lukt.” Hij verdwijnt naar een kamertje achterin en komt na een paar minuten terug. “Brussel zegt dat het niet kan. Twee weken is te kort dag.” Mijn vader krijgt het op zijn zenuwen. Nog voor hij iets kan zeggen stelt de bankbediende voor dat we het Italiaans geld zelf in Brussel gaan ophalen. Hij zal het morgen bestellen – vandaag lukt niet meer, het is al kwart voor vier – en dan kunnen we het volgende week hebben. Of mijn vader de Centrale Bank weet zijn. Nee, natuurlijk niet, wij komen nooit in Brussel. De bediende schrijft het adres op een briefje. Eens we thuis zijn vraagt mijn vader aan mijn moeder om de weg op te zoeken. Na vijftien minuten is de pc opgestart en na nog eens vijf minuten is de internetverbinding in orde. Mijn moeder wordt hier zenuwachtig van want nu is onze telefoon bezet en kan er niemand ons bereiken. Surfen kost naar het schijnt ook handenvol geld. Na lang zoeken kan ze eindelijk een routebeschrijving afdrukken. Mijn vader en ik hoeven volgende week enkel de vier bladzijden met instructies nauwgezet te volgen en hopen dat we geen omleiding tegenkomen. Zoals elke keer vergeten we de route om weer thuis te raken af te drukken.

Harlinde Bormans
51 0

De lezer van golven

De zee neemt   Zacht verbrokkelt de wereld Stuk voor stuk glijdt de stad weg Zandige korrels brokkelen in zee Spoelen bijna onmerkbaar   Elke groef, elk scheepsromp Krast zeewaarts Elke gevallen boom Verwondt het land   Kleiner, nietiger, slinkend Meeuwen schreeuwen honend Terwijl zee inneemt Wat nooit echt van mensen was   Dialoog setting vissers op het strand Warre “Mijn boot lag hier” (streept met stok in het natte zand) “Hier, gisteren nog. De zee komt dichterbij en kijk, die schuine golven… Hier gaat iets gebeuren.” Jozef  “Och man, nu eens tot hier. Morgen weer tot ginder. Je boot is weg maar die vinden we wel terug. Niets aan de hand. Hier zal niets gebeuren.”   Dialoog setting drukke markt Westende Troubadour “Gisteren nog was ik Oostende. Gisteren nog. Kom dat horen mijn verhaal…”     “Een storm, ’t was wreed. Boten losgeslagen. Huizen in puin. De oogst vernield. Warre, jullie weten wel, de oude visser: over boord geslagen. Niet teruggevonden. Ze spreken ervan om  Oostende te verplaatsen” Koopman “Weggespoeld… Over boord geslagen…vreselijk.” Huisvrouw “Het zal alleen mar erger worden! We worden nog allemaal haaienvoer.” Oude visser “De zee… de zee, altijd onbetrouwbaar. Ik kan het weten… jaren ervaring” Notabele “Een storm, ja. Dat is van alle tijden. Maar erger. Ach mensen, komt wel goed. Testerep is sterk. Oostende jong. Verplaatsen? Waar is dat goed voor?”       Vechten heeft geen zin   Aanrollende, schuimende, verzwelgende Donkere diepte Slokt alles op   Beschaving glijdt weg Dieper in ziltig zand Weg hier. Veiliger oorden   Stadsteen op zeebodem Omspoeld wachtend Eeuwenlang eenzaam donker   Toekomst loopt verder Namen zijn geheugen Tot verstilde wereld hervonden wordt     Dialoog. Setting oude boer en kleinzoon op vaste land (uitkijkend over zee) Boer “Daar, daar ploegde ik…”                                                                                                      “Ik herinner mij de troubadour op de markt. Hij bracht het verhaal van de eerste grote storm.” Kleinzoon “Vertel nog eens van de oude visser?” Boer “Warre. Hij wist het. Hij voelde het. Lang voor het gebeurde. Hij raakte zijn boot kwijt, zomaar op het strand. En hij kon de golven echt lezen. Niet vergeten. Nooit vergeten. Testerep was, maar Oostende blijft; groot.” Kleinzoon “Warre, lezer van golven! Ik zal het ook mijn kleinkinderen vertellen…”   Ainat – 01 augustus 2022 – in het kader van Vloedschrijvers voor de verzonken ballades van Testerep – Oostende.      

Ainat
18 0

Verzonken (over Testerep)

Oostende lag vroeger ergens anders, dieper in zee. Ik leefde daar. Het was een eiland, geen echt eiland, maar een geul, begroeid met planten die zout verdragen. Planten met dikke, sappige bladeren en stengels, bedekt met kleine haartjes of schubjes. Ze hadden een waterreservoir. Ze konden zich zat drinken aan zeewater. Ik heb altijd veel van zout gehouden. Tijdens mijn wandelingen in de heel vroege ochtend, wanneer mijn man en kinderen nog lagen te slapen, likte ik aan de zilvergrijze schubjes. De haartjes op de blaadjes streelde ik voorzichtig met mijn vingertoppen. Wanneer ik terugdenk aan die tijd voel ik het eiland nog in mij, als een fantoompijn. Ik heb het voelen aankomen. Het verdwijnen. Toen ze de bomen begonnen kappen. Toen ze turf uitstaken, om te verbranden en om zout te winnen. Want iedereen houdt van zout. Toen het land steeds vaker begon te overstromen. Ik voelde het aankomen en ik heb niets gedaan. Niet dat ik mijn ogen ervoor heb gesloten. Ik zag het en dacht dat ik niets kon doen. Pas toen het te laat was ben ik gaan twijfelen. Ik was gewoon een moeder, een vrouw, een nettenbreister. Breien heb ik altijd gedaan. Net als mijn overgrootmoeder, mijn grootmoeder, mijn moeder en haar zussen. Zo ver als ik kan teruggaan in de tijd, werd er in mijn familie gebreid. Eenvoud, kuisheid en verstandSierden t’allen tijd de vrouwenDie ons eiland gaf te aanschouwen Dat werd bij ons gezongen. En ik leefde daarnaar. Misschien heb ik mezelf onderschat? Had ik meer op mijn gevoel moeten vertrouwen? Ik denk dat wij onszelf evenzeer over- als onderschatten. Alles verandert. Alles is kwetsbaar. We kunnen niet anders dan dat aanvaarden. Maar we hoeven geen schapen te zijn. We vermogen meer dan we denken. Als we maar goed luisteren, kijken, voelen.  Het breien van een visnet is niet zo moeilijk. Ik zou het je kunnen leren, als het je interesseert. Je hebt er een naald voor nodig, het liefst uit iepenhout. Een naald met een lipje of een tongetje, waarrond je het breigaren legt. De naald moet zowel buigzaam als taai zijn. Net als wij, om het te halen. Ook een maatstok heb je nodig om de grootte van de mazen te bepalen. De mazen zijn de gaten. Die zijn even belangrijk als de draden. Ik ben graag met mijn handen bezig. Het brengt mijn hoofd tot rust, sust mijn gedachten. Soms kan het hier vanbinnen blijven malen. Het breien deed ik steeds in groep, het was een sociaal gebeuren. We praatten en lachten, sommigen rookten, we verdeelden het werk. De netten verbonden ons. Mannen, vrouwen en kinderen. Bijna iedereen deed mee. We gebruikten natuurvezels en kookten ze in een mengeling van water en boomschors, om ze tegen schimmels te beschermen. Zo eenvoudig kan beschermen zijn. Je moet wel weten wat een driebeen en een kantschool is. Een driebeen is een knoopje waaruit drie touwtjes vertrekken. Een kantschool is een knoopje waaruit twee touwtjes vertrekken. Ik zal het je tonen. Soms boetten we ook de netten. Boeten is herstellen. Zoals in ‘boete doen’. We herstelden onze fouten, de schade die we veroorzaakt hadden. We vermaakten de mazen. Ook dat kan ik je leren, als het je interesseert. Op een dag verwoestte de zee ons met haar vloedgolf. We zagen het aankomen en toch was het onverwacht. Hadden we het kunnen voorkomen? Hadden we meer moeten doen, of juist minder? Op de zee kan ik in elk geval niet boos zijn. Want ze omringde ons, verbond ons. Net als de netten. Wij gaven ons eiland, onze geul begroeid met zoute planten terug af aan de zee. En verplaatsten onze stad Oostende naar een beetje verderop. Lang na de grote overspoeling bleef een topje van ons land in zicht. Als een herinnering, een waarschuwing.  Tot het helemaal verzonk. Wegebde uit de hoofden, uit de verhalen die in de nieuwe opgeschoven stad verteld werden. Wanneer de naam Testerep nog eens, heel zeldzaam, viel, dacht men dat het een sprookje was geweest. En dat was in zekere zin ook zo. Maar ik heb daar wel echt geleefd.

Tanja Wentzel
99 0

De meeste mensen aan de tramhalte deugen (over een wildvreemde die me spontaan hielp mijn nek in te smeren)

De meeste mensen deugen is een populair boek van Rutger Bregman dat ik als enige Vlaming niet heb gelezen. Niet alleen omdat ik weinig non-fictie lees, maar vooral omdat de stelling in de titel weinig overtuigt, misantroop die ik ben. Al wil ik dat toch even kaderen: ik geloof wel dat mensen deugen, maar volgens mij vergt het een hyperactieve enthousiaste dorser om die deugdelijkheden daadwerkelijk uit de krochten van het hoofd van zijn medemens te trekken, waar ze bedolven liggen onder bergen wereldpijn en dagelijkse miserie. Dit terzijde. Vandaag wil ik hier een bedenking aan toevoegen: wellicht helpt miserie sommige mensen net om hun houding tegenover het leven in positieve zin te veranderen. Terwijl ik gans alleen op tram 10 sta te wachten, bedek ik mezelf met een laag zonnecrème, afkomstig van een door mijn vrouw gekochte en plechtig aan mij overhandigde minifles in meeneemformaat, opdat ik niet door huidkanker zou geveld worden. Na mijn ledematen en gezicht dien ik mijn nek in te smeren, de plekken die de zon steeds te slim af is. In de reflectie van het glas van de abri te zien doe ik dat niet eens op een klungelige wijze. Dan komt er een dame aan die qua leeftijd mijn moeder zou kunnen zijn. Ze zit in een fris groen kleedje met de zomer in haar gezicht. Zij is echter van mening dat ik toch wat hulp kan gebruiken. Ik doe mijn oortjes uit om me te vergewissen van haar niets aan het toeval overlatende mimiek: ze stuurde erop aan om mijn nek in te smeren. In een splitseconde moet je je beslissing dan maken. Je weet dat er een conventie bestaat, zij het met vage contouren, over de tijd die je neemt om op een voorstel van een vreemde bevestigend dan wel ontkennend te reageren. In die seconde treedt mijn innerlijke weegschaal in werking, die overigens bijna volledig in zijn sas is (op 28 september om precies te zijn). Ik overweeg een aantal zaken: is deze persoon te vertrouwen? En zo niet: wat kan zij dan doen? Needle spiking? Koestert deze vrouw een bepaalde fetisj? Heeft zij apenpokken? In hoeverre is het normaal dat een wildvreemde vraagt om me te helpen bij deze toch wel redelijk intieme handeling? En in hoeverre is het normaal dat ik ja zou zeggen? Ik bedank haar uitbundig en kan die hartelijkheid nog steeds niet volledig grijpen. Ze zegt dat insmeren belangrijk is, met al die kankers de dag van vandaag. Ik bevestig deze voor de hand liggende observatie, nog steeds in de waan dat dit de alledaagsheid der dingen niet overstijgt. Ik bied haar een zitplaats aan door mijn rugzak van de bank te halen. Dan laat ze iets vallen over de borstkanker waarmee ze te maken kreeg. Even weet ik niet goed wat zeggen en dat even duurt langer dan ik wens. ‘Hoe gaat het nu met u?’ vraag ik dan maar. Ze blijkt al genezen te zijn. Ze heeft twee jaar een verbeten strijd uitgevochten en gewonnen. ‘Hopelijk komt het niet terug, maar ik ben er nog hé!’ Ik hoop met haar mee. De gedachte dat ze me wilde behoeden voor huidkanker door me in te smeren vertedert me nu. ‘Je moet van elke dag genieten, dat zeg ik ook altijd tegen mijn dochter.’ Een zachtheid omklemt me. Terwijl ze opstapt roept ze me toe dat ik nog van mijn dag moet genieten. Ik geniet al, dankzij de deugdelijkheid van deze vrouw.

Lennart Vanstaen
19 2

Vergeet-me-nietje uit Testerep

Ik ben hier ooit geweest maar ik weet niet of ik er nog écht ben. Soms kan je me zien. 's Avonds, in de schemering. Of 's ochtends, bij het ochtendgloren wanneer je, bijvoorbeeld, occasioneel, vanop de dijk van Oostende naar het westen kijkt - noordwesten eigenlijk - En je tussen de glinsteringen op het water, reflecties van de paarsroze zon, en harmonieus begeleid door een koor van wulpen, woudapen en zilvermeeuwen, de contouren van mijn verzonken aanwezigheid ziet verschijnen. Ik ben er nog, ook al ben ik er niet meer. Ik trok een streep door het landschap en onder het geheugen van de Oostendenaar. Ze zullen me niet vergeten. Toch?   Ooit was ik een oase Een baken van schorren en duinen  in een woestijn van water. Een buffer tussen jou op het land en de Grote Noordzee met tussen jou en mij niet meer dan een ondiepe, natte snee Ik torste de branding. Ik slikte het zout. Ik huisde leven, heel veel leven. Herders lieten hun schapen me begrazen maar de mensen zelf kwamen niet mee. Mijn land was te woest, de zee te wild om ook voor hen een veilige haven te zijn.   Tot de graven ons graf kwamen graven.   Margareta had beschikt. Ik zou kapituleren, zij kapitaliseren. Mijn duinen werden afgevlakt. De geul drooggelegd, De polders ingemetst. Ik had geen weerwoord. Niet tegen de mens, niet tegen de mijn, niet tegen de stad. Niet tegen het water. En het water sprak, woest. Een paar natte kletsen en toen een orkaan. Zo ben ik komen te gaan. Het is te zeggen, ik ben gebleven. Ik ben er nog.   Geen mens die me nog wil. Geen slikken of schorren meer. Geen rots in de branding. Mijn fiere zang, mijn pracht en praal verwerden tot een ijl stemmetje en een ordinaire zandbak.   Maar ik ben er dus nog, ergens ten noordwesten van de dijk van Oostende. Ik voel nog elke dag het water klotsen Proef het zilte van de zee. Eb en vloed blijven me bespelen. Schepen varen om me heen.  Ik heb nog een verhaal te vertellen.   Mijn ijle stemmetje luidt de echo's van een ver verleden. Een jaar of zestienhonderd geleden toen alles nog beter was. Of toch voor mij. Toen ik nog mijn waarden kon leven. Het land beschermde met de macht van een stoere zeebonk en de gratie van een vorstin. Want het is waar: In mijn schoot ontstond de koningin der badsteden. Mijn mijnen voedden het volk. Ik wist waarvoor ik bestond. Wie ben ik nog, nu jij me hebt verlaten? Mens Je hebt me bezocht, beroofd, bebouwd. Verbouwd en ontkracht. Ontmanteld teruggegeven aan de zee. En alle mooie gebouwen van het eerste Oostende nam ik met me mee. Maar ik ben er nog. Begraven onder het water. Bepist door de hond. 's Avonds, wanneer het donker wordt kan je mijn stem nog horen. Zodra de stilte is neergedaald over de appartementen op de dijk. Dan fluister ik je toe: Mens, ik heb je altijd liefgehad. En nu nog steeds. Maar luister en herinner mijn verhaal. Voor je het weet wordt het pas écht herrie in de keet.  

MarijkeD
26 2

De documentaire

Het is niets voor mij, maar toch, op zo’n momenten moet je er staan. Het beantwoorden van de vragen ging vlot. De aanzet was aangrijpend, bij het op het podium komen van haar werd het stil. Ze huilde. Ik nam haar vast bij de schouders en troostte haar. Jezelf terugzien in moeilijke situaties op groot scherm is erg confronterend, ook al deed ze er - voor het publiek - graag een schepje bovenop.  Mijn documentaire over asiel werd vertoond in het cultuurcentrum van mijn thuisstad. Een belangrijk moment omdat eindelijk familie en vrienden konden zien wat me die afgelopen jaren bezig had gehouden. Magda, hoofdpersonage van de film, was aanwezig. Na de film beantwoordden we samen de vragen van het publiek. Daarbij zaten mijn kinderen, Blauw mijn partner en haar ouders. Mijn moeder. Mijn vader niet. Leda, mijn jongste, maakte indruk. Vijf jaar en vragen stellen en plein public waar iedereen aan dacht maar niet durfde: “Waarom sloeg de mama haar kindje?” Een moment waarna je de muizen kon horen lopen. Magda legde uit hoe de omstandigheden en haar opvoeding in Albanië zulke dingen nu eenmaal met zich meebrachten. Dat ze het zo niet meer zou doen, maar ze wuifde het ook niet weg. Zij had zulk een opvoeding meegemaakt en het ging toch goed met haar: ‘je ne fume pas, je ne prends pas d'alcool ou de drogues, je respect les gens...’ Midden in het gewoel van een uitvoerig met hapjes en drank gevulde receptie, kreeg ik eindelijk het gevoel dat het verhaal geslaagd was: het had indruk gemaakt en was visueel stijlvol, zei men. Dat ik het kracht had kunnen bijzetten door het nawoord met Magda te verzorgen was een mooie bonus. En net als haar, kon ook ik me nu eindelijk tonen. Ik dronk nog eens goed door van de gratis aangeboden cava en voelde me heel even bijzonder sterk. Ja, zo mag het zijn. Op dat moment klampte mijn moeder me vast: ‘We moeten spreken, uw vader is erg ongelukkig, al een tijdje in depressie, dat weet ge, en dat heeft met u te maken, omdat gij uw naam hebt veranderd, dat is heel respectloos.’‘Maar ik heb mijn naam niet veranderd, ik heb gewoon de S toegevoegd tussen mijn voornaam en achternaam?!’‘Neen, ge zei dat ge uw naam ging veranderen tegen de psycholoog, weet ge nog, en in uw mails staan ook uw beide namen en het ergste van al, ge hebt uw kinderen daarbij betrokken.’ Ik viel, ik brak, ik kotste. ‘Euh… ik wilde er geen taboe van maken. De kinderen moeten ook het verleden kennen. En zij kiezen zelf. Zij gaan hun achternaam niet veranderen. Ze zijn zo geboren. En ik wilde het toelaten, dat stukje van mezelf.’ Maar dat drong niet door. Ze trok me weg uit de massa die passeerde en fluisterde. ‘We moeten afspreken, ik wil dat ge met hem praat. En dat is niet alles…’ ‘Neen mama, nu niet…waarom nu?!’ Ze zei vervolgens nog wat dingen die ik snel wilde vergeten. Waarna ik me losrukte en verder ging met een brede glimlach, wat met de mensen keuvelde over de film en de thematiek van de vluchteling in België. Binnenin schreeuwde ik, zoals alleen ik dat kan, met een strakke glimlach terwijl de wereld instort. Tegen dat de drukte geluwd was vroeg ik mijn moeder om dit verder uit te klaren. Ze vertelde hoe dat het hem gekwetst had en dat hij er nu nog mee zat. ‘Maar dat was drie jaar geleden, toen ik zelf in volle identiteitscrisis zat! Waarom kom je er nu pas mee af?’ Stilte. Ik voelde wel dat er een zekere afstand was gegroeid tussen ons, maar er werd nooit over gepraat.  Alles werd zoals steeds in een minzame wurggreep verzwegen, zo ging dat, totdat het zich keihard manifesteerde. ‘Waarom begin je er nu over? Nu op deze avond?!’‘Ik moest wel, 't is bijna kerstmis… en het duurt al zo lang.’‘Had me dan gewoon gebeld en ik was afgekomen en dan zou ik het wel uitleggen, waarom en hoe het toen in mijn hoofd zat, in zoverre ik het zelf al zou kunnen vatten.’ Ze kon nu eenmaal niet anders. Ik zei haar dat ik de volgende dag, als ik Magda aan het station had afgezet, wel langs zou komen. Rond middernacht was iedereen weg en ik thuis. Blauw omarmde me en troostte me zo goed als ze kon. Zoals gewoonlijk viel zij snel in slaap. Ik niet. Het zette me weer aan het twijfelen, over mezelf, over wie ik ben, over Bart V, de geadopteerde of Bart S de genegeerde of... In alle vertwijfeling stond ik op en haalde in mijn e-mailhandtekening, op de website en zo goed als kon online, overal, de S weg.  En toch, en toch. ‘Je oorsprong ligt in de S, je levensweg in je V.' Zei Blauw me nog.‘Mijn eigen weg ligt in Bart, in diegene die ik nu ben.’‘Ja, en als je voelt dat die S daarin thuishoort dan is dat oké.’  Ik glimlachte even. Ja, het kan ook de S zijn van Sexy en Superpappa en…  Later sprak ik met mijn moeder en mijn vader, waarvan ik de achternaam geadopteerd had gekregen. Ik probeerde alles te kaderen en de gemoedstoestand weer tot een normaal niveau te brengen. Een ander verhaal. En die S? De S verdween op zolder in een oud fotoalbum met hem, mijn natuurlijke vader er niet bij in. En een rapport van het eerste studiejaar met mijn echte achternaam. Weg, onder het stof in een plastic bak.  Sinds die avond heb ik niets meer gefilmd dat echt van mij was.     Bart (S.) Vermeer

Bart Vermeer
73 1

Zitten en knikken

Je vindt ze in de stad, in het bos of op de begraafplaats. Daar zet ik me wel eens op een bankje, vlakbij mijn ouders. Er staan oudere banken met een leuning, waarbij het zitgedeelte ietwat naar beneden helt. De nieuwe hebben enkel een horizontaal zitgedeelte en geen rugleuning. Soms moet je in het leven zelf naar houvast zoeken. In musea zijn ze breder, zodat je rug aan rug met een andere bezoeker kan zitten. Misschien heeft iemand interesse voor het kunstwerk aan de andere muur. Het zitgedeelte is vaak van een zachte stof, zodat je lang kan blijven zitten. In het Museum Mayer van den Bergh in Antwerpen staat al een bankje bij het binnenkomen. Of bij het buitengaan, dat is hoe je het bekijkt. Het museum ligt vlakbij het standbeeld van Willem Elsschot. Hij zit met een boek op een stoel en kijkt over het Mechelseplein, in de richting van het café ‘In den boer van Tienen’. Na het museumbezoek zaten we op dat bankje. Onze vriendin was nog in het museum. Het was iets na de middag. Altijd een kwaad moment. Onze pa deed na het middageten ook altijd een dutje. “Efkes knikken”, zei hij dan. Twee minuten later sliep hij. Het is bij mij niet anders. “Jij kan overal slapen”, zegt mijn vrouw als ik het moeilijk krijg. Maar meestal hoor ik dat niet meer, omdat ik al slaap. “Ge hebt serieus gesnurkt”, zei mijn vrouw. Overdreven wellicht, maar het zal een zicht geweest zijn, met dat hoofd dat alsmaar naar beneden dreigt te vallen. Alsof het losstaat, zoals bij een pop aan een touwtje in een poppenkast. De man aan de balie werd net afgewisseld door een collega. Ik zag hem naar mij wijzen. Ik hoorde niet wat hij vertelde, maar ik heb vriendelijk geknikt.

Rudi Lavreysen
15 1

Milieustraat

Sommige klussen waren gewoon niet mijn ding. Mijn maatje en ik hadden het daar niet eens over. Andersom was dat ook zo. Er waren klussen die ik deed, waar mijn maatje dan weer niks mee had. Een van de dingen die ik dus nog nooit gedaan had, was een bezoek brengen aan de milieustraat. Met een aanhangwagentje naar de stort, nee, dat stond nooit op mijn actielijstje. Opruimen, dat wel, dat kan ik als de beste. Soms zelfs tot ergernis van mijn maatje, die meer van het slag “wie wat bewaart, die heeft wat” was. Terwijl ik alles wat een jaar niet was gebruikt zonder gewetensbezwaren weg kon gooien. Opruimen, heerlijk, het geeft ruimte en rust in je hoofd. Inmiddels heb ik die rust heel hard nodig en ben ik dus begonnen met het opruimen van spullen die al jaren op zolder liggen en nooit meer worden gebruikt. Wat past, gooi ik in de grijze container. Ik huldig het standpunt dat als ik hem kan verplaatsen, de mannen van de gemeentereiniging dit ook kunnen en de container dus niet te zwaar is. En inderdaad, hij is iedere keer nog keurig geleegd. Wat niet past, tja, dat is natuurlijk een ander verhaal. Het moest er toch een keer van gaan komen. Dus, in mijn vakantieweek, besloot ik de stoute schoenen aan te trekken. Ik propte mijn auto vol, fijn dat hij nog behoorlijk groot is, en zette koers richting milieustraat. Ik was al van alle kanten gewaarschuwd. Ook mijn maatje vond het destijds geen feest, van nature eigenwijs als hij was, vond hij het niet prettig ‘rondgedirigeerd te worden’. Dus ik nam me voor mijn ‘ik ben blond-act’ uit de kast te halen. En braaf te doen wat me gezegd werd. En zo reed ik dus drie keer het terrein rond. Want wat ik dacht dat bij het grofvuil mocht, moest toch echt gesorteerd in andere bakken. De oude jassen die ik had meegenomen moesten in een afgesloten zak worden aangeleverd. Die ik dan ook weer bij het betaalpunt moest gaan halen want die had ik natuurlijk ook niet bij me. Maar uiteindelijk viel het eigenlijk best mee. Ik volgde de aanwijzingen en had nergens last van. Anders dan de mensen die vol haast het terrein op rijden met hun aanhangertje. Niet gewend met zo’n karretje te rijden en daarom veel ruimte nodig hebben. Want anders gaat het scharen en dan sta je nog meer voor schut. Ze kunnen de aanwijzingen niet opvolgen. Dan moeten ze immers achteruitrijden als ze weggaan. En dat, tja, dat is lastig. Je ziet het in hun ogen, ze willen zo snel mogelijk weg. Ik heb er met plezier naar gekeken. Arme mensen, meestal mannen, je ziet ze ongelukkig zijn. Nee, dan heb ik het er toch beter afgebracht, ik moet misschien wel meerdere keren rijden maar dat vind ik niet erg. Ik heb de horror van De Stort overwonnen.    

Machteld
0 0