Lezen

schuldbemiddeling (letterzetter)

 de buurvrouw spuit hartjes op de sparren die ze moet opruimen. de letterzetter. niets aan te doen, die kevertjes zijn zo klein, te veel te droge, te warme zomers.   ze vroeg me of ík de bomen wilde afdoen.                                 vorig jaar kreeg ik van mijn vrouw een kettingzaag voor mijn verjaardag,                                 vandaar.                                  zij wist dat.                                 het waren er een stuk of twintig, maar niets voor niets                                                                     - haar helft mag opgestapeld blijven liggen,                                                                        (houdt CO2 nog langer vast.)                                                                     - de andere helft voor mij en mijn houtkachel.   ik voel me schuldig, zelfs ... (de nieuwste generatie stoot veel minder roet uit, doet aan naverbranding, is gelabeld en goedgekeurd door de europese unie.)                                             vergeef het me,                                                                          de hoge energieprijzen.                                             (in dit hout zit ook de energie van mijn lichaam,                                             niet die van een factuur.) mijn god, misschien verwarm ik niet alleen de woonkamer, maar de hele wereld.   alle kleine beetjes, zeggen sommigen en,  een deel van de oplossing; maar wij zijn zo klein,  zo klein. wij kruipen als kevertjes over de aarde.   en de buurvrouw, zij zit toch ook niet in de kou, zij verwarmt op stookolie. in de zomer organiseert zij feestjes rond haar vuurschaal.   op één avond met de auto naar moskou en terug,  naar het schijnt.

Hans Van Ham
15 0

De clown die geen clown wilde zijn

De clown die geen clown wilde zijn   Anna: ‘Goedemiddag, vind u het goed als ik even naast u kom zitten?’ Clown: ‘Doe wat u niet laten kunt.’ Anna: ‘Wat een heerlijke dag vandaag, vind u ook niet?’ Clown: ‘Ach, het is net zo’n dag als gister en waarschijnlijk ook als morgen.’ Anna: ‘Op zulke dagen krijg ik altijd zin om mensen te bekijken, met een heerlijk glaasje wijn erbij. En laat ik dat nu nét toevallig bij me hebben. Drinkt u een glaasje met mij mee?’ Clown: ‘Nee dank u. Drank neemt even je zorgen weg, maar die zorgen komen dubbel zo hard terug.’ Anna: ‘Zorgen? Ik heb geen zorgen hoor, ik vind het gewoon lekker, zo in het zonnetje.’ Clown: ‘Doe vooral wat u niet laten kunt.’ Anna: ‘Ja, dat zei u net ook al. En wat brengt u hier? Pauze?’ Clown: ‘Nee hoor, hoezo dat?’ Anna: ‘Nou, ik liep net langs die grote tent verderop in het park. Ik neem aan dat u daar werkt?’ Clown: ‘Omdat ik er zo uitzie bedoelt u? Rode neus, rode haren, schmink op. Die zal dan wel in het circus werken, dat is wat u bedoelt? Anna: ‘Is het dan zo gek dat ik u dat vraag?’ Clown: ‘Dat vind ik gek ja. Kan ik niet gewoon op een kantoor werken? Of voor de klas staan? Is het enige wat ik kan, gek doen?’ Anna: ‘Sorry, ik wilde u niet beledigen.’ Clown: ‘Dat doet u ook niet.’ Anna: ‘Zo klinkt het anders wel.’ Clown: ‘Maar u heeft gelijk hoor. Een gek…zo zien de mensen mij.’ Anna: ‘Gek? Welnee, ik word juist altijd vrolijk van jullie.’ Clown: ‘Vrolijk ja, dat is nu juist het probleem. Iedereen denkt dat wij altijd maar vrolijk zijn en nooit verdrietig.’ Anna: ‘Bent u dat dan weleens?’ Clown: ‘Verdrietig? Natuurlijk! Clowns hebben ook gevoel hoor!’ Anna: ‘Waarom dan? Het is toch juist leuk om mensen aan het lachen te maken?’ Clown: ‘Ik wil ook weleens huilen, of boos zijn. Maar dat kan nooit. En dat maakt me juist zo verdrietig.’ Anna: ‘U mag best eens verdrietig zijn, of boos. U mag zelfs huilen als u dat wilt.’ Clown: ‘Nee dat mag ik niet. Mensen verwachten dat je ze aan het lachen maakt. Neem nou bijvoorbeeld mijn best vriend Alex.’ Anna: ‘Wat is er met Alex?’ Clown: ‘Hij was net als ik een clown. Elke avond stond hij met een grote glimlach in de piste. Tot aan die ene avond, een maand geleden. Voor de show sprak ik hem nog. Hij vertelde me dat zijn hond ziek was en niet meer lang te leven had. Eigenlijk wilde hij niet optreden, maar hij moest wel.’ Anna: ‘Niemand moet iets. Hij had dat toch tegen jullie baas kunnen zeggen?’ Clown: ‘Tegen Marcello? Niemand gaat tegen Marcello in. Geen zin of niet, de show moet altijd doorgaan.’ Anna: ‘Er zijn toch genoeg andere acts?’ Clown: ‘Ha, bent u weleens in een circus geweest? Een circus zonder clown kan gewoon niet!’ Anna: ‘U bent toch ook clown? Waarom viel u niet voor Alex in?’ Clown: ‘Nee dat kon niet. Alex en ik waren een duo. We stonden ook aangekondigd op de affiches in de stad. Mensen verwachtten twee clowns, niet een.’ Anna: ‘En wat gebeurde er toen met Alex? Heeft hij toch opgetreden?’ Clown: ‘Dat probeerde hij wel ja. Maar al snel merkte ik dat het mis ging. Hij kon zijn tranen niet meer bedwingen. Ik deed nog een poging om de show te redden, door hem belachelijk te maken. Ik dacht dan de mensen dan wel hard zouden moeten lachen. Aan Alex’ gevoelens dacht ik niet.' Anna: ‘Wat deed u dan?’ Clown: ‘Ik trok zijn broek naar beneden. Stond hij daar, in zijn bloemetjesonderbroek. Het publiek begon steeds harder te lachen, maar Alex begon steeds harder te huilen. Iedereen dacht dat het bij de show hoorde. Na afloop kwam Marcello naar ons toe. Hij vond het geweldig!' Anna: ‘En Alex?’ Clown: ‘Hij niet. Hij voelde zich door mij in de steek gelaten. Nog diezelfde avond is hij weggegaan. Hij zei dat hij dit leven niet langer wilde. Een leven waarin je nooit verdrietig mag zijn. Anna: ‘Heeft u hem daarna nog gesproken of gezien?’ Clown: ‘Nee. Ik heb ook geen idee waar hij nu is. Het heeft me wel aan het denken gezet. Ik wil dit ook niet meer, altijd maar vrolijk zijn.’ Anna: ‘Dat kan toch ook niet? Niemand is toch altijd vrolijk?’ Clown: ‘Vertel dat maar eens aan Marcello. Hij zegt altijd: ‘een echte clown huilt niet.’ Misschien ben ik dan wel geen echte clown…’ Anna: ‘Oh dat is zeker niet waar! Als ik naar u kijk, word ik vrolijk. Zelfs zonder die glimlach.’ Clown: ‘Ik wil niet meer terug naar het circus. Niet als dat betekent dat ik nooit verdriet mag hebben.’ Anna: ‘Er zijn ook andere manieren om mensen aan het lachen te krijgen.’ Clown: ‘Wie zegt dat ik mensen aan het lachen wil hebben? Ik zou graag mensen willen helpen, soms met een lach, maar soms ook met een traan.’ Anna: ‘Dat kan, er zijn genoeg mogelijkheden. Maar ik vind wel dat u een clown moet blijven. Het staat u goed, weet u dat?’ Clown: ‘Hoe bedoelt u dat?’ Anna: ‘De rode neus, het oranje piekende haar. En het zonnetje op de wangen. U heeft er een goede kop voor.’ Clown: Nou zeg, bedankt!’ Anna: Nee, ik meen het, het is een compliment. Mijn dochtertje zou u fantastisch hebben gevonden. Ze was altijd gek op clowns.' Clown: ‘Was? Bedoelt u dat ze…’ Anna: ‘Ja, ze leeft helaas niet meer. Slechts zes jaar mocht ze worden.’ Clown: ‘Dat spijt me om te horen. Waaraan is ze overleden?’ Anna: ‘Ze was ernstig ziek. In haar jeugd heeft ze heel wat ziekenhuizen van binnen gezien. De laatste maanden was ze thuis. We probeerden nog een paar mooie herinneringen te maken. Tot op het laatste moment was ze vrolijk. Ons lieve meisje…Weet u wat ze later wilde worden? Geen prinses of ballerina, zoals de meeste meisjes. Nee, zij wilde een clown worden.’ Clown: ‘Echt waar? Of zegt u dit er nu om?’ Anna: ‘Over mijn dochter maak ik geen grappen. En weet u waarom ze clown wilde worden? Om verdrietige mensen weer vrolijk te maken. Op het laatst zei ze tegen me: ‘Mama, ik hoop dat er een clown komt die jou en papa weer vrolijk laat zijn.’ Clown: ‘Een wijs meisje, die dochter van u. Jammer dat ik haar nooit heb ontmoet. Hoe heet ze?’ Anna: ‘Vlinder.’ Clown: ‘Dat is een mooie naam. Ook voor een clown trouwens. Ik zie haar al voor me: Een clowntje met rode vlechtjes en vlinders op haar wangen getekend. En iedereen zou om haar lachen.’ Anna: ‘Dat zouden ze zeker ja. Daarom ben ik ook altijd graag hier, in het park. Vooral in de zomer, met alle vlinders die hier rond fladderen. Dan beeld ik me in dat Vlinder bij me is. Ze zou elke vlinder kunnen zijn. Het geeft me een fijn gevoel.’ Clown: ‘Dat is een mooie gedachte.’ Anna: ‘Laatst zat ik op een bankje iets verderop. Ik zat te lezen en opeens zat er een vlinder op de rand van het boek. Muisstil om haar niet weg te jagen, heb ik minutenlang naar haar zitten kijken. Of misschien waren het wel secondes…Toen vloog ze weer weg. Die hele dag heb ik lopen glimlachen.’ Clown: ‘Niet alleen clowns kunnen dus mensen blij maken.’ Anna: ‘Weet u wat nou het bijzonderste was? De vlinder had de mooiste en felste kleuren die ik ooit had gezien. De kleuren van een clown.’ Clown: ‘Dat is zeker bijzonder.’ Anna: ‘Ik heb opeens een idee! Dan hoeft u niet meer in het circus te werken, maar kunt u toch mensen, en dan vooral kinderen, blij maken.’ Clown: ‘En dat is?’ Anna: ‘U zou thuis moeten komen bij kinderen die ziek zijn, als clown. Zieke kinderen hebben nog weinig om te lachen. Een clown aan hun bed zou ze weer even kind laten zijn. En ook voor de ouders zal het fijn zijn om een glimlach op het gezicht van hun kind te zien. Dat is het mooiste wat er is. Ze even hun ziekte te laten vergeten. Ja, dat moet u echt gaan doen!' Clown: ‘Daar heb ik nooit over nagedacht. Maar het klinkt als een goed idee…een fantastisch idee zelfs!' Anna: ‘Kijk, daar! Ziet u dat, die vlinder? Het is dezelfde als die op mijn boek ging zitten! Als dat geen teken is! Zij vind het ook een goed idee!’ Clown: ‘Weet u wat? Doe mij toch maar een wijntje.’

mira1981
58 0

Ons Panini stickerboek

In het sigarettenwinkeltje op de hoek van het Simon Stevinplein koopt mijn vader onze eerste Panini stickers van het WWF thema “RED DE NATUUR”. Algauw volgen meer pakketjes met stickers en het bijhorende stickerboek. Dit is de start van een wekelijks terugkerende gewoonte. In mijn herinneringen komen mijn vader en mijn broer mij ophalen van de turnles, halen we pizza’s bij de italiaanse speciaalzaak en stappen we onderweg naar huis het winkeltje binnen om twee pakketjes stickers te kopen. Aanvankelijk kunnen we vlot de genummerde vrije plaatsen in het boek bekleven. Er zijn rechthoekige vakjes voor natuurtaferelen en ook uitsparingen met de contouren van dieren, planten en schelpen. Later leggen we een lijstje aan met de ontbrekende nummers. We trachten het lijstje in te korten met de inhoud uit meer nieuwe pakketjes of door te ruilen. Mijn broer neemt de stickers die we dubbel bezitten mee naar school en toont bij thuiskomst trots de zeldzame nummers die hij heeft weten te bekomen. Bijna dertig jaar later neem ik het boek opnieuw ter hand en sla het open. Op plaats één van het boek, in de rechterbovenhoek van de eerste bladzijde, prijkt de panda als vaandeldrager van alle bedreigde diersoorten. Binnenin staan bosbranden en oprukkende industrie afgebeeld als directe bedreigingen voor onze natuur. Ik zie beelden van milieuvervuiling door afval en in zee lekkende olietankers. Het cijfer driehonderdvijftig markeert een van de laatste lege plaatsen in het boek, linksboven in een vier-stickers-grote afbeelding van een energiecentrale die baadt in het avondrood. Ik tel de zegeltjes op de volle spaarkaart - vijftig stuks of één per pakketje stickers. Het retouradres op de spaarkaart is niet ingevuld. Ik stel vast dat we zo de mogelijkheid onbenut lieten om tot dertig ontbrekende stickers op nummer te bestellen aan een tarief van vier frank per sticker. Hiermee bleef ons stickerboek onvolledig, als een stil eerbetoon aan de spanningsboog die wij ruim een jaar lang aanhielden.

Brecht Fevery
57 1

Kerkpraat

Kerkpraat (Twee mensen zitten op een bankje achteraan in de kerk. Verder is er niemand.)   P:    Uw hondje mag hier niet binnen, mevrouw Cleeren, dat weet u. C:    U was er gisteren niet, meneer pastoor. P:    Ik heb nog andere parochies onder mijn vleugels, het zijn drukke tijden. C:    Druk? Da’s wel straf, met al die lege kerken.   - Stilte -   C:    Het is vandaag acht jaar geleden, meneer pastoor. P:    We zullen hem nooit vergeten. Hij is bij God nu. C:    Daar ben ik vet mee.   - Stilte -   P:    U mag uw hondje echt niet mee binnen nemen in de kerk, mevrouw Cleeren. Als ik dat voor één iemand toesta, dan is hier binnenkort het hek van de dam. C:    Ah ja. Dan neemt ál dat volk zijn hond mee naar de kerk. Hier zit geen kat, begot. Ik kom met Franske, of ik kom niet. P:    Franske…? C:    Ja, ik weet het. Mijn kinderen vinden het ook stom. Maar ik dus niet. Het is mijn hond, het zijn mijn zaken hoe ik hem noem.   - Stilte -   C:    De kinderen zouden vandaag komen, maar dat is een week uitgesteld. Voorlopig toch. Onze Guido belde als eerste af, en tien minuten later ons Godelieve. Ze wil tegenwoordig dat we ‘Lief’ zeggen. Niks van. Ik heb haar Godelieve genoemd, en zal haar zo blijven noemen.Er komt een beetje ‘god’ in voor, he meneer pastoor? P:    ‘Lief’ is ook wel lief. C:    Onze Guido begint ook met die zever: “Zeg maar ‘Guy’, dat klinkt jonger”. Alleen onze Jan doet nog normaal met zijn naam, gelukkig maar. P:    Daar valt ook niet veel aan af te korten, eerlijk gezegd. C:    Hier zie? Humor in de kerk, hoor je het, Franske? P:    Franske hierboven, of Franske de hond?   - Stilte -   C:    Ze vinden dat ik moet verhuizen. P:    Zeggen ze dat? C:    Ze geven mij een kus, kijken rond en zeggen: “Maar moeder toch, helemaal alleen in zo’n groot appartement…”, en dan krijg ik een aai over mijn bolletje. P:    En Franske dan? C:    Die krijgt geen aai.   - Ze gniffelen allebei. -   C:    Ons Godelieve heeft een kamer vrijgemaakt waarin ik mag komen wonen. De andere twee waren wel heel enthousiast over dat voorstel. P:    En u, mevrouw Cleeren? C:    Opwijk, meneer pastoor, Opwijk… Ik ken daar niemand. De bakker niet, de slager. Zelfs de pastoor niet. Ze spreken daar half Brussels.En ons Godelieve is allergisch voor honden.   - Stilte -   P:    Het kerkkoor komt repeteren over tien minuten. C:    Ah. U zet me buiten. P:    Ik zet niemand buiten. Het koor is wel onderbemand. C:    Dat koor klinkt als kattengejank.Frans kon heel mooi zingen. Wij met twee eigenlijk. P:    Ik weet het nog, die middernachtmis. C:    Ik zing niet meer, meneer pastoor. P:    U zou kunnen luisteren, misschien wat aanwijzingen geven? Meezingen hoeft niet meteen.   - Stilte -   C:    En Franske dan? P:    Die moet wel buiten. Ik kan een uurtje met hem naar het park. Als hij dat goed vindt tenminste.

birgit mellebeek
116 1

Dagelijkse quarantaine kost (Inzending Virus 2020)

Deze tekst datteert uit 2020 en schetst het beeld van de Coronapandemie toen deze nog maar net doorheen ons land woekerde. Het laat je met een raak, ietwat onbehagelijk gevoel terugdenken aan deze periode, maar tovert bovenal een glimlach op het gezicht! Inzending voor de schrijfwedstrijd "Virus" in 2020. Laat je meesleuren: ‘Elke dag is het nu al hetzelfde liedje: op elke zender, op elke post, op elk TV – scherm en op elke radio.’ zuchtte ze tegen me. ‘Wat als,’ ze draaide resoluut de radio zachter en zette met een rake klap de TV uit, ‘we het nu eens anders aanpakken, het totáál anders bekijken?!’ haar ogen fonkelden geestdriftig, geniepig en pittig tegelijkertijd, alsof ze zojuist Einsteins relativiteitstheorie overtroef en Darwins evolutietheorie met een gemak van de tafel veegde.  ‘Wat bedoel je, lief?’ zuchtte ik, vrezend dat ze net als één van eerder opgesomde namen balanceerde tussen de dunne lijn van gek of geniaal. Op één of andere manier wou en moest ik haar zien te beschermen. Want in mijn ogen dartelde ze – nee, zweefde ze – al enkele dagen rond die dunne lijn, die de uitersten verbond en verweefde tot één geheel.  Wie niet, eigenlijk? dacht ik. Waar zij energiek en creatief was, ontbrak ik ook maar aan enig gevoel van vrolijkheid of werklust. Alsof ik mijn batterijen al veel eerder had moeten herladen of vervangen. Nu was het te laat. We zaten middenin een gekte, een pandemie, een regelrechte crisis, of hoe anderen het ook maar wilden noemen.  De eerste week van sociaal isolement zat er bijna op, maar het leek pas het begin. Even beeldde ik me in dat viroloog Marc van Ranst plaatsgenomen had in de kleurrijke opgelapte fauteuil recht tegenover me. Nippend van zijn thee, me goedkeurend knikkend aankeek en me influisterde: ‘weet dat dit nog maar het begin is, zelfs jij weet net zoals iedereen wat er aankomt, bereid je voor op 10 lange, tergend traag voorbij kruipende weken’. ‘EN BLIJF IN UW KOT.’ en ook minister van Volksgezondheid Maggie De Block was toegetreden tot de conversatie! Ik zuchtte nogmaals, dieper dan de vorige keer. Misschien werd ik wel gek, de TV en radio stonden uit, maar toch beeldde ik me in dat er twee boegbeelden van deze crisis gewoon luchtig in mijn woonkamer zaten?! Waarom niet gans de pas gevormde Belgische regering Wilmès II en de veiligheidsraad erbij betrekken? Of ze gezellig uitnodigen voor het avondmaal? Weliswaar met twee meter voorbeeldige afstand tussen! Marc Van Ranst en Maggie De Block knipoogden me nu tegelijkertijd toe. Ik gromde en maande mezelf terug tot mijn normale zelfcontrole: genoeg fantasie gehad voor rampjaar 2020. Mijn lief was als een opwindbare springveertje recht gesprongen uit de zetel, had de radio uitgezet en de TV dicht geknald en staarde nu met een tegelijkertijd dromerige en enorm gefixeerde uitdrukking door het grootste en tevens vuilste raam van ons appartement.  Ineens draaide ze haar om en herhaalde dat ene kleine stukje: ‘Wat als,’ ze keek me vrolijk aan en vervolgde enthousiast haar zin, ‘ we een stap buiten wagen?!’ ‘WAT?!’ mijn ogen rolden haast uit hun kassen. Zo hard schrok ik. ‘M…m…maar buiten bestaat d…d…de kans dat je …besmet wordt,’ bracht ik voorzichtig en vallend over mijn woorden uit. Toen gebeurden er twee wonderlijk zaken op hetzelfde moment. Even kwam de zon vanachter de wolken piepen en scheen gretig in onze woonkamer. Tegelijkertijd barste mijn lief uit in een schaterlach, waar je haar alleen maar kon in vergezellen. Deze combinatie was te mooi om waar te zijn en kon ik niet aan me laten voorbijgaan! Dus lachte ik mee, eerst voorzichtig en dan haast nog luider dan zij. Spontaan en gezellig was het daar voor even in onze woonkamer en de zon, die scheen vrolijk en enthousiast met ons mee. ‘Wel, we doen het’, zei ik nog niet volledig bekomen van het schaterlachen,’ we gaan naar buiten!’ ‘Op één voorwaarde,’ ik keek haar gespeeld serieus aan. Haar donkerblauwe ogen staarden me serieus aan, de onbezonnenheid van daarjuist als sneeuw voor de zon verdwenen. Ze bleef mijn blik vastgrijpen, zonder een keer te knipperen. Ik slikte, me er volledig van bewust dat haar ogen me meesleurden naar de donkerblauwe diepte van haar energieke ziel. Even zag ik woeste stormen die zich vormen in haar prachtige ogen, maar ook ik gaf geen kik en de storm in haar ogen ging gaan liggen. In de plaats daarvan maakte het plaats voor een rustig gekalmeerd zeetje. ‘We houden afstand van anderen en als we het overleven maken we vanavond, samen, zelfgemaakte pizza!’ voegde ik er slinks en knipogend aan toe. Mijn gemoedstoestand was helemaal omgeslagen. De lachbui van zonet had me goed gedaan. Ze trok even een pruillipje – duidelijk gespeeld -, maar beantwoorde mijn knipoog met haar typische scheve grijns. ‘Oké.’ bracht ze alleen maar uit, maar haar lach was voldoende om mijn dag nu al goed te maken. We trokken onze wandelschoenen aan, voorzagen ons van een warme trui en trokken erop uit, de natuur in. De buitenstad was verlaten. Precies een verlaten, maar dan naar mensen snakkende, woestijn, waar het afval over de straat rolde als pluizen in de woestijn. Op straat passeerden we eenvoudigweg vijf eenzame zielen. Een oudere man, die krom liep, liet zijn hond uit. Hem ontweken we zichtbaar. Wie wou het nu eenmaal op zijn geweten hebben, om een oude man te besmetten?! Ook al zijn eventuele symptomen afwezig, je weet maar nooit! Een denkbeeldige Marc Van Ranst sloeg me gemoedelijk op de schouder. ‘Hela,’ mompelde ik in mezelf, ‘afstand!’ en sloeg zijn denkbeeldige hand weg. Van de andere vier eenzame zielen hielden we een meer dan acceptabele afstand. Wel knikten we iedereen een vriendelijke dag toe en zij beantwoorden minstens even vriendelijk met een knik, een glimlach of een goeiedag. De samenhorigheid en verbondenheid waren terug, dat was duidelijk! We zaten immers allemaal in hetzelfde schuitje, dacht ik optimistisch.  Stadsmussen floten ons een gezellige middag toe. Eenmaal in het natuurgebied aangekomen, geloofden we haast onze ogen niet. ‘HOE in GODSNAAM, overleven we dit, én dat op een zaterdag?’ bracht ik gechoqueerd uit.  Waar de stad volledig verlaten en uitgestorven leek, was het natuurgebied gevuld met mensen! Mijn lief lachte me toe, alreeds bekomen van het besef dat haar idee niet bijster origineel was geweest.  ‘Kom,’ haar ogen lachten me geruststellend toe, ‘zie het als een uitdaging om ze allemaal te ontwijken.’ en ze nam me bij de arm.  Het bleek ook écht een uitdaging te zijn. In plaats van de stilte en de rust te genieten, vogels te spotten en gewoonweg in de natuur te zijn, ontweken we nu een zee aan mensen. Weg was mijn lief haar schitterend plan! Na een grijze ochtend was de zon tevoorschijn gekomen en ieder levend stadsmens was uit zijn kot gekropen. Zo een drietal uur later, zo rond 18u00 kwamen we helemaal bezweet en uitgeput toe op ons appartement. ‘Wat was me dat?’ bracht ik lachend uit. Inmiddels kon ik er al om lachen. ‘Wél, het was een uitdaging.’ zei mijn lief, de pretlichtjes in haar ogen leefden opnieuw op. Streng voor onszelf wasten we eerste onze handen. Marc Van Ranst knikte me goedkeurend toe vanuit de spiegel. Ik gaf hem haast een high five en knipoogde hem toe. ‘Hahaha, wat doe jij nu?!’ mijn lief lachte me guitig toe. ‘Uh, niets! Gewoon gelukkig én moe.’ Na nog een douche, ploften we beiden vermoeid in de zetel, de klok tikte half acht. ‘Wel, als dit dagelijkse kost was voor de komende tien weken, lust ik wel wat quarantaine voedsel.’ Ik keek mijn lief ondeugend aan. Mijn lief keek me inschattend aan. ‘PIZZA, we BESTELLEN pizza.’ bedoel ik. Zo gezegd, zo gedaan. Ze belde de plaatselijke pizzeria op die sedert een week en half thuisleveringen deed. Ik hoorde vanuit haar telefoon het gebruikelijke doorverbind muziekje, en kort daarna had ze de vrouw van de Italiaan beet. ‘Het gebruikelijke…’ zei mijn lief, maar maakte haar zin niet af. Mijn lief haar blik ging van helderblauwe hemels over naar een donkerblauwe kolkende storm. Ik keek haar ongerust aan. ‘Oké, toch bedankt,’ zei ze, maar haar blik sprak boekdelen. ‘Ze doen geen leveringen meer vanaf zeven uur ’s avonds, blijkbaar had iedereen vandaag hetzelfde idee.’ ze zuchtte. ‘Wél, als dit de dagelijkse gebruikelijke quarantaine kost wordt.’ vergezelde ik haar in haar zucht. Ik haalde mijn schouders op. Samen haalden we uiteindelijk een diepvriesmaaltijd uit en warmden het op. ‘Op deze dagelijkse quarantaine kost,’ zei ze vrolijk. ‘Op sociaal isolement, braaf afstand houden op straat, een zee van mensen vermijden in het natuurgebied en diepvriesmaaltijden verorberen.’ voegde ik er aan toe. We klonken er op. Zo was het goed, toch? Zo overleefden we deze weken quarantaine. We maakten er, gewoon zoals iedereen, het beste van. Vanaf op een afstand keek de regering Wilmès II ons aan en schalde de stem van Marc Van Ranst door de woonkamer. Deze keer bleven de radio en televisie gewoon aan.

Zonsondergangdromen
10 0

Naadloos

Ik hoorde het kraken. Of eerder knisperen. Zoals het bevroren gras dat deze ochtend onder mijn voeten werd vertrappeld. Ook zo voelden mijn hersenen toen ik mijn hoofd brak over de vraag wat me vandaag blij maakte. Op deze enige eigenste dag. Ik zocht heel lang tussen de bevroren verbindingen onder mijn hersenpan. Te lang om het een spontaan antwoord te noemen. Waardoor de echtheid van mijn blijheid te betwijfelen viel. Door wie ernaar vroeg. En in de eerste plaats door mezelf. Ik had nochtans kunnen antwoorden dat ik van de dag zelf blij werd. Van woensdag 12/01/2022. Geen palindroomdag. Die was me de komende negenennegentig jaar niet meer gegund. Maar wel een dag waarvan de datum uit slechts drie cijfers bestond. Nul, een en twee. Cijfers die ik al langer meedroeg als mijn favorieten. Aan elke combinatie die ik ermee kon maken hing een herinnering die me gelukkig maakte. En waarover ik uitgebreid kon vertellen. Maar vandaag dus niet. Ik had ook kunnen zeggen dat ik blij werd van de zon die door het dakvenster mijn rug verwarmde. Toen ik op mijn knieën op de koude zolderkamer de plint tegen de muur kleefde. De plint die ik in de verstekbak had gezaagd. Tot op de millimeter afgemeten. En waarbij mijn hart een vreugdespong maakte toen ik tot de vaststelling kwam dat de naad van de ene plint perfect aansloot op de andere. En dan waren er nog de zwaluwen. Die hun vlucht naar het zuiden maakten. Hun zwarte choreografie op de achtergrond van het mistig onder een ijslaagje bedekt landschap geplakt. Ze vlogen synchroon met mijn autorit. Ik beeldde me in in welke landschappen ik met mijn ijzeren ros zou rijden mocht ik mijn weg samen met die van hen verder zetten. Op dat kleine stukje gladde weg maakte ik een wereldreis. Tot waar de zwaluwen mijn weg kruisten voelde ik me vogelvrij. Maar op de vraag waardoor ik vandaag blij werd kon ik dus nog steeds niet antwoorden. Het duurde zo lang dat ik mezelf ondertussen de vraag kon stellen waarom het zo lang duurde voor ik op die eerste vraag kon antwoorden. Doorgaans gaf ik binnen de seconde respons wanneer iemand me vroeg hoe het met me ging. ‘Goed en met jou?’. Met die zin klonk mijn antwoord altijd waarheidsgetrouw. En werd dan ook steeds voor waar aangenomen door wie ernaar vroeg. Waardoor er op het onderwerp niet langer werd ingegaan. Het gesprek schakelde in de kortste tijd over op het weer van die dag. ‘Ja, koud hé’. Ondertussen was mijn grijze massa ontdooid. En sijpelde het antwoord tot in mijn mond. Ik werd die enige eigenste dag blij van de naadloos aan elkaar passende plinten. Maar net op tijd slikte ik die gedachte door. In de milliseconde ervoor besefte ik dat met zo’n antwoord het gesprek zou bevriezen. Waardoor het niet naadloos zou overgaan in een beleefdheidspraatje. Diegene die het me vroeg zou zich een beeld vormen van mijn geestelijke gezondheid. Waar trouwens niets aan scheelde. En zich met een grijnzende lach in zijn mondhoek en een voor zichzelf bevestigend knikje omdraaien. Schuifelend wegschaatsen op de gladde weg om me nooit meer iets te vragen. Dus zei ik maar dat het weer me blij maakte. Ook al vroor het dat het kraakte. Van onder mijn schoenzolen tot onder mijn hersenpan.

ZINinZICHT.
0 0

Het eeuwige wachten

De voorjaarszon scheen fel die namiddag waarop ik haar voor het eerst ontmoette. Zij zat op een bankje in de schaduw van een boom met gekruiste benen en rechte rug.De stad was net bevrijd van de Duitse bezetting. Het was 1945 en Mechelen was in volle wederopbouw. Ze heette Rifka vertelde ze me later. Zoals de Bijbelse echtgenote van Izaäk, moeder van Jakob en bekend om haar grote vriendelijkheid. Ook deze Rifka zag er erg vriendelijk uit. Haar donker opgestoken haar zat perfect in model. Ze droeg een deftige jurk en een donkere lange jas die ze bij dit warme weer nonchalant open liet hangen. Op haar rechterborstzak waren de restanten van garen te zien, van waar ooit een Jodenster had gezeten.De manier waarop ze daar zat straalde vastberadenheid uit. Ze leek een doel te hebben. Geen verdwaalde ziel aan wie ik het verhaal van de Heer zou moeten verkondigen. Ik heb altijd al een fascinatie voor duiven gehad. Als kind beeldde ik me in dat ik samen met hen over de stad kon vliegen, op zoek naar achtergebleven resten brood. Het leek me heerlijk om van op de daken van gebouwen naar de mensen in de straten te kijken. Toen ik een aantal eeuwen geleden stierf, besloot ik dus, om net als de duiven, zo veel mogelijk tijd op de rand van het dak van mijn thuis, mijn geliefde Predikherenklooster in Mechelen, door te brengen. Ik was dan wel geen echte duif, maar als God vond dat ik eeuwig als engel op aarde moest blijven om zijn woord te verspreiden, dan kon ik er maar beter het beste van maken. Zo zat ik dus dagelijks op het dak van mijn klooster, dat ondertussen dienst deed als militaire kazerne. Nadat ik Rifka een tijdje had geobserveerd, besloot ik om naast haar op het houten bankje neer te strijken om haar van dichtbij te kunnen bekijken. Meteen draaide ze haar hoofd in mijn richting.Ik schrok, want voor gewone stervelingen ben ik normaal niet zichtbaar. Meestal fluister ik het heilige woord gewoon in hun oor. Bij haar was het anders. Ze keek me aan en glimlachte bedeesd.‘Goedemiddag, ik ben broeder Domenicus,’ stelde ik me voor, mezelf nog steeds afvragend of ze mij nu werkelijk kon zien. ‘Wie ben jij?’‘Rifka,’ zei ze zacht en wendde haar ogen snel weer van me af. ‘Rifka Wolff.’Haar stem klonk schor, alsof ze die al een tijd niet meer had gebruikt. ‘Aangenaam Rifka Wolff. Wat brengt jou hier?’‘Ik wacht,’ zei ze. Ze keek strak voor zich uit. Haar handen zaten om haar handtas geklemd.‘Mag ik zo vrij zijn om te vragen op wie?’‘Op Gideon, Gideon Presser, mijn verloofde.’Ze opende zenuwachtig haar handtas en haalde er een foto uit die ze me gaf. ‘U hebt hem hier toevallig niet gezien?’Ik bekeek de foto waarop een donkerharige jongeman stond. Hij droeg een net pak en leren schoenen. Ook op zijn borst prijkte een Jodenster. Langzaam schudde ik mijn hoofd: ‘Neen, niet dat ik me herinner. Er zijn hier natuurlijk veel jonge mannen gepasseerd de laatste jaren.’‘We hadden hier afgesproken na de oorlog,’ zei ze terwijl ze de foto behoedzaam uit mijn handen nam en weer in haar handtas stopte. ‘Hij zou terug naar Mechelen keren en dan zouden we samen weer naar Brussel reizen.’‘Ik vrees dat ik je niet kan helpen,’ zei ik. ‘Het spijt me.’Ze glimlachte en wreef met haar handpalm een lok haar, die was losgekomen uit haar perfecte kapsel, naar achter.‘Jammer,’ zei ze. ‘Hij zal wel snel hier zijn. Hij heeft het beloofd op de dag dat hij hier vertrok. In al zijn brieven nadien heeft hij het herhaald. In zijn laatste brief stond zelfs de exacte datum van ontmoeting: vandaag, 15 mei in de namiddag, zou hij hier aankomen. Ik heb speciaal mijn beste jurk aangetrokken. Als we terug in Brussel zijn, gaan we trouwen en een huis zoeken aan de rand van de stad. Daar zullen we dan een gezin stichten. We willen zo graag een jongen een een meisje, het liefste in die volgorde. We zullen ze Adam en Mira dopen.’ Rifka begon er van te blozen. Ik voelde haar oprechte hoop en de grote liefde die ze ongetwijfeld voor haar Gideon koesterde.‘Vreemd dat hij er nog niet is. Gideon is anders altijd erg stipt.’ Ze schuifelde heen en weer op het bankje. ‘Misschien heeft zijn vervoer vertraging…’ ‘Misschien,’ zei ik. ‘Misschien komt hij pas morgen, misschien is door de oorlog zijn gevoel voor tijd wat minder scherp.’‘Denkt u?’ Ze draaide haar hoofd schuin, zodat de losgekomen lok haar weer naar voor viel. ‘Dan moet ik morgen terugkomen, helemaal uit Brussel.’Ze zuchtte en leunde naar achter tegen de leuning van het bankje.‘Hoe laat is het nu?’ vroeg ze na een korte stilte. ‘Aan de stand van de zon te zien moet het rond zes uur zijn,’ antwoordde ik.‘Dan moet ik terug naar huis, mijn moeder wacht met het eten.’ Ze stond op en maakte aanstalten om te vertrekken. ‘Dag Rifka,’ zei ik snel. ‘Hopelijk heb je meer succes morgen.’‘Dank u,’ zei ze en verdween. Zo zat ze daar vanaf toen, dag na dag, te wachten op haar Gideon. Altijd met haar kapsel perfect in model en in haar deftige jurk. Nooit kwam hij opdagen. Ze zwaaide altijd even naar me als ze aankwam. Soms maakten we kort een praatje over het weer, soms mijmerde ze urenlang over haar toekomstige leven met Gideon.Op een dag was ze verdwenen. Ik dacht dat ze uiteindelijk toch haar geliefde had gevonden en dat ze, zoals ze had voorspeld, samen naar Brussel waren vertrokken. Ik zou onze praatjes missen, maar was oprecht blij dat haar wachten was beloond. Een week later zag ik een jongeman op de plek waar Rifka de laatste weken had gezeten. Het was Gideon. Ik herkende hem meteen van op Rifka’s foto. Hij droeg hetzelfde pak, enkel de Jodenster ontbrak. Hij kuste een papiertje dat hij daarna in zijn broekzak stopte en ging dan zitten waar Rifka altijd had gezeten. Hij huilde. Ik streek naast hem neer om te vragen wat er was, maar hij keek niet op. Ook toen ik zijn naam uitsprak, kwam er geen reactie. Wat ik ook deed, hij zag me niet. Hij keek enkel naar de hemel en prevelde intens gebeden. Gideon heeft er, denk ik, een uur gezeten. Hij nam zijn zakdoek om zijn gezicht te fatsoeneren en zijn neus te snuiten. Daarbij viel het papiertje dat hij bij zijn aankomst kuste ongemerkt op de grond. Daarna vertrok hij. Pas toen hij verdwenen was, durfde ik het papiertje op te rapen om te lezen wat er op stond. ‘Bid voor de ziel van Rifka Wolff, omgekomen bij de bombardementen te Brussel, 7 september 1943.’

Ans DB
0 0

Carrièreswitch

1983.  Verleden week werd ik negen jaar. Ik kreeg een nieuwe T-shirt en een modelvliegtuigje. Later wil ik stuntpiloot worden of gezagvoerder van een passagiersvliegtuig.Gisteren kwam de kapelaan mij samen met mijn schoolvriend uit de klas halen. Hij had extra misdienaars nodig bij een belangrijke begrafenisplechtigheid. Wij schrokken ons een hoedje. Er stond een tank voor de poort van de kerk  en wel honderd soldaten in verschillende uniformen. Een militaire muziekkapel speelde een treurige mars. De kapelaan legde uit dat er een voorname begrafenisdienst was en er extra misdienaars nodig waren. De mis zou met wel drie geestelijken worden opgevoerd. Dat gebeurt normaal enkel op kerkelijke hoogdagen. Drie oudere misdienaars waren al op post. Vanuit de deur van de sacristie legde ze uit wat er allemaal gaande was. Dit was een staatsbegrafenis voor een piloot die omgekomen was toen zijn vliegtuig was gecrasht bij een reddingsoperatie in een ver land.De kerk zat nokvol met gewone mensen uit het dorp, maar ook de burgemeester was er met enkele belangrijke politieke toplui. Eerst kwamen hoge officieren binnen in prachtige uniformen van zowel de landmacht, de zeemacht als de luchtmacht.  Zelfs een generaal was helemaal  uit de hoofdstad gekomen en vertegenwoordigde de koning. Dan begon de dienst. Wanneer de kist met de nationale driekleur werd binnengebracht speelde het orgel het volkslied. Achter de kist liep een dame die helemaal in het zwart was gehuld. Ze werd ondersteund door een man in een uniform van de luchtmacht. Later vernam ik dat ze amper dertig jaar oud was en dat haar dochtertje pas negen was geworden, net als ik.Alles was indrukwekkend. Er werden speeches gehouden en de vertegenwoordiger van de koning zei dat aan de omgekomen piloot postuum een belangrijk ereteken werd uitgereikt. Dat ereteken werd bovenop de kist gelegd. Bij het buiten dragen van de kist liepen de priesters en wij als misdienaars vooraan tot aan de kerkdeur. Daar gingen wij links en rechts van de wijde poort staan terwijl de kist op de schouders van zes militairen werd gehesen. De echtgenote van de overleden man had haar zwarte voile voor haar aangezicht omhoog gedaan. Ik kreeg de tranen in de ogen bij het zien van zoveel smart en leed. In het voorbijgaan kwam iemand van de aanwezigen naar mijn schoolkameraad en mij, bedankte ons en stopte ons een geldbriefje in de hand. Vandaag heb ik mijn besluit genomen. Ik heb het geld in mijn spaarpot gestopt. Het spaargeld ga ik later gebruiken om mijn studies te betalen. Piloot ga ik niet meer worden maar ik wil studeren voor dokter en ga dan bij het leger om gekwetste soldaten te genezen.  

Vic de Bourg
37 1

kaal

Een meisje met blond haar zette zich naast een vrouw met een glad hoofd. Ze zaten een moment als twee wasmachines in een wasserij. Gedachtes dat maalden, schuimden en zoemden. De sandalen van het meisje wiegden heen en weer.'Wat betekent terminaal?' vroeg ze. 'Dat betekent zoiets als definitief en voor altijd.' Ze trok grote ogen. 'Eng.' 'Ja.' Beaamde de vrouw. Ze maalden verder in stilte.'Wat is jouw naam?' vroeg de vrouw tenslotte. 'Mathilde,' zei het meisje. 'Wat een toeval, ik ook.' 'Echt?' Ze knikte. 'Ken je bugs bunny, Mathilde?' Het meisje schudde haar hoofd en kamde de wilde haren van haar gezicht. Haren waar de wind mee speelde. 'Bugs bunny is mijn grote held. Hij is nooit bang, altijd zelfzeker. En hij is iedereen altijd te slim af.' 'Die ken ik niet,' zegt antwoord ze. 'What's up, Doc?' Zegt de oudere Mathilde. Dat doet het meisje lachen. Ze probeert de zin zelf uit. Als voor het eerst iets nieuws proeven. 'What's up, Doc?' Beide Mathildes giechelden als meisjes tijdens een pyjamafeest. De oudere Mathilde deed alsof ze op een wortel knabbelde. 'Ehh.. What's up, Doc?' 'Waarom ben je kaal?' de vraag zat al even in de mond van het meisje. Al van toen ze de vrouw op het bankje zag. 'Valt het je ook op dat in films niemand ooit een kwaal heeft?' Zuchtte ze. 'In films is iedereen zo perfect.' 'Waarom?' vroeg de jonge Mathilde. 'Omdat het niet belangrijk is voor het verhaal.' zei de oudere. Ze zwegen voor een tijd. De voeten van het meisje wipten een tijd op en neer. Toen werden ze stil. 'Wat is jou verhaal?' vroeg het meisje toen. 'Waar is je haar?' 'What's up, Doc?' antwoordde Mathilde. Het meisje kruiste haar armen. 'Goed als je het niet wil zeggen.' 'Waarom ben jij hier?' vroeg de oudere Mathilde. 'Dit is geen plek voor kleine meisjes.' 'Als jij het niet wil zeggen, ik ook niet.'Het meisje stapte op. Haar haren golfden in de wind. Een kwartier later kwam ze terug langs de bank, ze hield de hand vast van een dame dat ongetwijfeld haar moeder was. Haar moeder had een bolle buik. Toen ze langs het bankje passeerden zeiden ze beide nog eens; 'What's up, Doc?'

Stelselmatig
0 0

scherven

7 januari,     Ze spaart scherven: stopt ze in potjes en geeft ze namen. Heel de vensterbank staat er vol mee – haar potjes geluk – en op zolder zijn er nog. Ze heeft scherven van porselein, van glas en aardewerk. Drie van haar scherven vormden ooit een dakpan, die zij als kind van het dak sloeg tijdens een spelletje handbal, en nu heten zij Billie, Mohammed en Daan. Eéntje, en die is uiterst zeldzaam, vertelt ze me trots, is van kristal. Roze en glinsterend.   -   Gevonden in Oostduinkerke, zegt ze, wijzend naar een gebroken mosselschelp waar nog een restje zeewier aan plakt.   Ik zeg: heel chique, en, deze vind ik echt de allermooiste, en vertel haar hoe ik ooit tijdens het afwassen mezelf sneed aan een gebroken glas, maar ik zeg zeker niet: als ik mocht stak ik jou ook in een potje, bewaarde ik je voor eeuwig op mijn vensterbank, dan noemde ik je ‘Liefste’ en zou ik je geluk slechts nuttigen op de zwaarste dagen, want jij zou mijn allerzeldzaamste scherf zijn, mijn lievelingskristal.   -   Ergens halverwege de avond, tussen aperitief en voorgerecht in, glijdt het glas wijn door mijn vingers heen en spat het uit elkaar op de vloer, in duizenden scherven. Zij lacht en zegt dat het niet geeft, veegt de glazen steentjes bijeen en giet ze in een bokaal. Scherven brengen toch geluk, zegt ze, het geeft niet. Het zijn mijn scherven, dus ik mag ze een naam geven, en ik noem ze allemaal Joris.   -   En wanneer de wijn naar mijn hoofd stijgt en de barsten door mijn glimlach heen breken vraag ik of ze mij ook wilt opvegen en in een potje gieten. Zij lacht en schudt haar hoofd, zegt: Meisjes brengen toch helemaal geen geluk wanneer ze breken, en we kijken allebei toe hoe ik op het parket uiteenspat in duizend kleine scherven en ik probeer de brokstukken nog samen te rapen, maar de stukjes zijn te scherp en ik snijd in mijn vingers en onderarmen en het bloed druppelt op het parket dat nu rood is van zowel mijn verbrijzeling als de wijn.             https://flodemeyer.wixsite.com/blub/januari

floo
11 1

alles wat ik nog weet over jou

(herinneringen)     Je slaat de deur achter je dicht en ik ben alleen met het donker en mijn tranen en ergens in het gebouw huilt een kind en ik denk: wij konden beter van elkaar houden toen we elkaar nog niet kenden. Met dichtgeknepen ogen en natte wangen sta ik daar in de keuken met de lasagne nog in de oven, en ik jaag door mijn herinneringen, draai de hele avond (en alle maanden daarvoor) terug op zoek naar waar het allemaal precies fout ging. Maar ik vind helemaal niets, behalve dan misschien die eerste avond toen je mijn wangen kuste en vroeg of we alsjeblieft samen konden sterven, die nacht. Misschien houd ik niet genoeg van mezelf om te kunnen houden van iets wat ik al heb aangeraakt, aangetast. Jij was een mooi berg-landschap en ik een kolkende waterval: erodeerde je tot er niets dan groeven overbleven in je wangen (ik was je tranen). Misschien heb ik zoveel over je geschreven dat de grens vervaagde, lieveling, ken ik niet meer het verschil tussen jou en het papier, vergeet ik af en toe dat jij meer bent dan mijn muze alleen.   Misschien kan ik beter van je houden van veraf, bemin ik liever enkel en alleen met mijn hoofd (ik ben nu eenmaal schrijver, ik kan je verhalen schrijven, maar over de echte wereld weet ik weinig – ik  wil je gedichten schrijven zoveel je wilt, lieveling, maar meer dan woorden heb ik niet, ben ik nooit geweest).   en je slaat de deur achter je dicht en als dit een film was zou ik nu achter je aan lopen en je hand vasthouden en je kussen onder een lantaarnpaal, terwijl de regen en de nacht ons proberen te verdrinken en het hen toch niet lukt want wij willen zo graag leven, vannacht,        te graag – maar dit is geen film en ik sta daar in de lege deuropening en proef het zout van mijn tranen terwijl ik verdwaal in herinneringen aan jou.     -     mijn allerliefste-     je hart slaat zo mooi tegen je ribben, vannacht, en ik wil graag je hand vasthouden zo graag, alsjeblieft, lieveling, toe, nog een laatste keer, lieveling, toe   en ik groeide uit je armen zoals je ook uit kleren groeit en soms uit namen, maar jij bent een hemd dat ik niet kan weggooien, nooit, de sok die ik verstop onder mijn kussen, hopend dat ik over je dromen mag, vannacht – jij bent een kinderschoentje dat ik verzilveren wil,lieveling   en als ik kon, als dat mocht, dan stierf ik graag in je armen, vannacht     -     het enige wat ik nog heb zijn de herinnering aan die eerste zomer, de souvenirs die ik bewaar onder mijn kussen (een hardgeworden kauwgom, een schaalhoorn-schelp en een tweedehands CD die we kochten maar nooit beluisterden). Weet je nog, lieveling, hoe we niet slapen konden en dan maar de nachten opdronken, gulzig, nooit genoeg hebbend, hoe we onszelf verdeden aan het laatste avondlicht en ik je wimpers telde en de groene vlekjes in je ogen, hoe we steeds moesten lachen wanneer ik je mijn gedichten voorlas, de woorden die ik had gehuild voor jou, en we lachten allebei, maar alles wat ik schreef was echt, lieveling, ik hoop dat je dat weet: ieder woord dat ik ooit heb gebloed, bloedde ik voor jou.   -   In mijn herinnering sta je daar leunend tegen de muur met het glas wijn tegen je lippen en die wijn zo donkerrood dat het evengoed bloed kan zijn, mijn bloed, want dan al was jij het gif op mijn lippen en de splinters in mijn vingers, lieveling, ook al wisten we het beiden zelf nog niet. Maar je staat daar zo mooi in mijn herinnering met je haren zo donker (toen waren ze nog donker: nachtzwart, en ik hield toch zo van de nacht) en je lippen zo rood en je glimlacht de lach van iemand die niet slapen kan en zegt: wil je met me sterven, vannacht, en ik ben nog nooit zo klaar geweest om te sterven als dan, lieveling, ik had het echt zomaar gedaan als je dat vroeg. Maar we stierven niet, die nacht, we dansten tot we niet meer dansen konden en zelfs de maan slapen ging, tot we de laatsten op de dansvloer waren en de barman ons gapend de deur uitjoeg, we gingen pas naar huis toen de trams weer reden en de vroegsten al weer naar hun werk vertrokken, en zelfs dan kon ik nog niet naar bed, te verliefd en te gelukzalig en misschien nog een beetje te dronken ook. Ik kon pas slapen nadat ik een heel epos voor je neergeschreven had.   (en waarschijnlijk is de grens tussen herinnering en droom al lang vervaagd, ken ik het verschil tussen wens en geschiedenis niet meer, maar dat is allemaal niet erg, lieveling, dit is hoe ik je herinneren wil.)         https://flodemeyer.wixsite.com/blub/januari

floo
21 1
Tip

ode aan alle supermarkten

5 januari IK KAN NOOIT MEER NAAR HUIS. (meer dagboekfragmenten)     Vandaag ben ik verdwaald in de Delhaize, vijf keer opnieuw. Misschien is verdwalen niet het juiste woord, want ik deed het met opzet en met opzet verdwalen kan niet, bestaat niet. Wat ik deed was eerder zwerven. Ronddolen tussen de ingeblikte groenten en pakjesrijst op zoek naar iets wat mooi genoeg is om een gedicht over te schrijven, naar een chiasme of twee. En ik vroeg het aan een voorbijganger of drie, maar niemand wist waar de woorden ergens lagen en of ze ook verhalen verkochten in de supermarkt. De laatste man bedacht dat ze misschien aan de kassa konden liggen, maar daar had ik natuurlijk al lang gekeken, want achter de kassa liggen ook altijd de sigaretten en die zijn al even gevaarlijk verslavend als woorden. Een kassierster vertelde mij dat ze alleen voedsel en huishoud- middelen hadden, dat ik beter naar een andere winkel kon gaan, een boekenwinkel misschien, of de bibliotheek om de hoek. Dan keek ze op haar horloge en zei: het is beter dat je gaat, we gaan zo sluiten.   -   (En graag had ik ook mezelf in een verpakking gerold, één van bubbeltjesplastiek als dat mocht, had ik mezelf ergens onderaan een rek verstopt, tussen de frisdranken en de wijn, in de hoop dat een oud vrouwtje haar bril vergeten was en zich vergiste, dacht dat ik een blik soep was en me meenam naar huis. Dat ze mij tussen haar kruiden-collectie plaatste en me daar vergat, pas op een zonnige ochtend in april terugvond en daar zo gelukkig om was, oprecht blij om mij te zien. En dan zou ze me liefdevol klaar maken, zachtjes roeren en mooie woordjes toefluisteren. Ze zou me zelfs kruiden, met tijm en kamille, en dat zijn dan nog mijn lievelingskruiden.)   -   ik verdwaal ergens tussen de soep en specerijen in, vind mezelf in een diepvrieszak erwtjes, bedenk tien woorden die rijmen op zuivelproducten en schrijf een gedichtje over hoe wit de vloer hier is en hoe ik zóóó houd van donuts en chocolademelk, van tijm en kamille en een beetje van de andere boodschapgangers ook <3   -   De kassierster draagt een donkere schort en er zitten vlechtjes in haar haar, twee. Ze staat  in het gangpad met een aubergine tegen haar borst geklemd en vraagt of ze mij kan helpen, of ik iets zoek. Ik zeg: verkoopt u soms ook wat woorden? Zij lacht, schud haar hoofd en zegt dat ze wel een paar kranten hebben, een scheurkalender en cursusblokken, als ik dat misschien bedoel. Ik knik en vraag of ze dan ook even mijn hand wil vasthouden, want het is al drie weken geleden sinds ik voor het laatst iemand aanraakte en mijn huid is hongerig, mijn vingertoppen gulzig. Of ze me misschien wat leugens kan vertellen zoals ik zal je nooit vergeten of: je bent niet alleen, ga maar slapen nu. Ze fronst en kijkt op haar horloge, zegt dat het beter is dat ik nu ga, ze gaan zo sluiten, en ik val op de knieën en sla mijn armen om haar benen, als een kleuter met verlatingsangst, smeek of ze mij wil meenemen naar huis, ik zal alles voor haar doen. Ik zal op de grond slapen, zal morgenochtend voor haar afwassen. Ik vertel haar dat ik nooit meer naar huis kan, dat mijn verdriet thuis op me wacht, verstopt onder mijn bed, en dat dat verdriet zo hongerig is, nooit voldaan, dat het aan mijn geluk zal vreten tot er niets meer van me overblijft behalve de tranen en misschien een paar woorden.   Het is al bijna ochtend wanneer ik thuis aankom. Mijn appartement is donker en leeg, en ik bid voor mooie dromen, ga liggen, sluit mijn ogen en laat mijn monster-onder-het-bed me dan maar verslinden.    

floo
200 1

het regende vandaag

3 januari 2022 Dagboekfragmenten.     Het regende vandaag. Ik nam een tram, vergat mijn bestemming ergens halverwege – was te druk bezig met buiten in het stormweer te verdrinken – en bleef dan maar zitten. Drukte mijn voorhoofd tegen het raam en keek toe hoe Brussel achter het glas helemaal onder water liep, hoe de mensen met dikke winterjassen en haastige passen het voetpad afsnelden, de haren nat, hun schoenen volgelopen. Hoe een meisje schuilend onder de gevel van een vijfsterrenhotel te druipen stond, de mascara al langs haar wangen naar beneden gelopen, haar ene schoentje kwijt.   Twee keer reisde ik van eindhalte naar eindhalte, mezelf afvragend hoe je toch in hemelsnaam een schoen ongemerkt kan verliezen, om vervolgens mezelf te verliezen bij halte zes: Hallepoort. (Ik heb nog gezocht op de mivb site voor verloren voorwerpen, maar daar stonden nergens meisjes tussen.)   -   Brussel is de verdrinking nabij. Het water komt al tot mijn enkels dus ik doe mijn schoenen uit, bind ze rond mijn nek en ga blootvoets verder. Een paar mensen staan op het perron te wachten op een tram die waarschijnlijk niet meer zal komen en doen alsof ze mij niet zien. Ik kies de diepste plas en ga rondjes drijven op mijn rug, kijk hoe druppels zwaar als kwik de lucht uit komen gevallen en proef er eentje met mijn tong. Het wil maar niet stoppen met regenen.   Op het Beursplein branden er nog steeds kerstlichtjes en ik vind er een vis. Een vis met gouden schubben en blauwe vinnen, eentje die bijna even groot is als mijn onderarm en rondzwemt in een plas.   Graag wil ik je vertellen over de vis, een gedichtje schrijven over hoe ik zwom van zuid naar noordstation, maar jij zal me nooit geloven. Daar waar jij bent regent het nooit zo, hier kent de hemel duidelijk meer verdriet.   -   Vanochtend wachtte ik op een tram en het regende en de regen tokkelde zo prachtig mooi tegen de kasseien en het asfalt en ik moest weer denken aan die laatste keer toen je met je haren tegen je voorhoofd geplakt stond te wachten op de zonsondergang zo helemaal natgeregend, en ik moest denken aan hoe mooi je was toen en hoe de regen je wangen kuste en van je wimpers drupte en ik dacht aan hoe je fluisterde dat de zonsondergang het altijd waard zou zijn en ik wilde huilen toen ik je daar zo zag staan in mijn herinneringen, met het laatste zonlicht nog net in je ogen, het liefst huilde ik alle vijf de oceanen terug bij elkaar, verdronk ik mezelf en de rest van de wereld in mijn tranen, ja, ik had zo graag al mijn verdriet voor jou verspild, lieveling, maar het regende en als het regent zijn tranen ook maar gewoon water.             https://flodemeyer.wixsite.com/blub/januari

floo
4 0