Lezen

Hotel Metropole

Ooit was dit gedeelte van de stad een sjieke buurt geweest, net zoals dit gebouw ook grandeur en smaakvolle luxe uitstraalde. Als je iets wilde betekenen, moest je gezien worden in Hotel Metropole. Captains of industry, mediafiguren, politici, bankiers. Iedereen passeerde vroeg of laat langs de bar of door het sterrenrestaurant van deze tempel van overvloed, al dan niet gevolgd door wat gerollebol in één van de opulente kamers. Hier was hij dertig jaar geleden zelf op zo’n uit de hand gelopen vrijdagnamiddag met Naomi voor het eerst naar bed geweest, drie verdieping boven waar ze nu zaten. De receptie, het huwelijksfeest, alles speelde zich hier af. Maar wat blijft er nu nog over van het wonderkind van dertig jaar geleden, het nieuwe financiële wonder? Waar is het toch allemaal misgegaan, wat was het begin van het einde? Voor de zoveelste maal speelt de film van zijn leven zich voor zijn ogen af, terwijl de ijsregen zijn gezicht geselt. Hij trekt Naomi wat dichter tegen zich aan, waardoor hij haar intens rillen alleen maar harder voelt. Samen met de kou trekt de schuld door zijn lijf. Had hij net als Icarus te dicht bij de zon willen komen? Hij draait de dop van fles en neemt nog een geut van die gore whisky, die qua smaak haast ondrinkbaar is, maar gelukkig voldoende alcohol bevat. Neen, het is wellicht loutere machtswellust en grootheidswaanzin geweest. Hij is kapot, ziek en uitgeput. Hij voelt Naomi snikken. Met het belletjesgerinkel op de achtergrond zakt hij weg, ver weg. Op kerstochtend opent het nieuws dat de plotselinge vrieskou van gisterenavond en de afgelopen nacht tot een behoorlijke aantal ongevallen heeft geleid, en dat in het portiek van het verpauperde Hotel Metropole twee zwervers zijn doodgevroren, verstrengeld in een innige omhelzing.

SvenR
18 3

Blanke Westerling, waar ben je bang voor?

“Kom, we gaan stenen naar de Italianen gooien!” Italianen waren een van de eerste migranten in het dorp waar ik toen woonde, op vraag van… de Belgen. Die opmerking is mijn eerste bewuste herinnering aan racisme, al had ik er toen geen woord voor. Spelend bij buurkinderen, die zich ook al eens vervelen, zagen we kinderen aan de overkant van de straat zich amuseren. Toen kwam dat keiharde voorstel van het kind waarbij mijn broertje en ik welkom waren.  Ik deed niet mee maar durfde ook niets zeggen.   Wie is die Westerling die niet genegeerd wil worden? Die continenten veroverde. Die hele volken onderwierp, zo niet nog erger,  in reservaten zette of uitmoordde. Die zelfs vanuit het zuiden van dat westen zijn voetvolk binnenhaalde om hen dan, na hun kapot gewerkte jaren vervolgens te ‘klasseren’? De Afrikaan die verkocht werd, de Indiaan die er oorspronkelijk geen was, de Aboriginal die in eigen land gevangen werd. Elke kolonisatie die de ‘wilden’ van de ‘beschaafden’ onderscheidde, waarbij die laatsten zich uitleefden alsof ze in een horrorfilm de hoofdrol speelden. Weg natuur, weg cultuur en daarmee weg authentieke rijkdom. Tal van voorbeelden doorheen mijn eigen moderne Westerse bestaan waarbij ik me stomverbaasd afvroeg wat een bruine huid, een hoofddoek of ietwat scheefstaande ogen nu te maken hadden met gevaar, met minderwaardigheid, met voorzichtigheid. Lees wat ik aanhoorde doorheen de jaren. Het was bijna altijd naar aanleiding van iets dat ik vroeg, las of hoorde : Niet bevriend willen blijven met iemand omdat die met een zwarte getrouwd is en er zelfs kinderen mee heeft.  Stel je voor! Zich niet aanpassen, geen Nederlands kennen terwijl er aanbod genoeg is. Kunnen ze zelf  dan niet eens informeren? De vluchtelingen voor natuurrampen uit gebieden waar onze rijke westerse manier van leven vaak verantwoordelijk voor is. Ja, en dan? Als ze hier willen wonen moeten ze zich aanpassen. De Syriër die wel kan zeggen dat hij moest vluchten voor zijn leven, maar is dat wel waar? Profiteur! De baby met de vreemde familienaam die ineens afgewezen wordt in de crèche! Geen plaats meer, sorry! Het ‘wij – zij’ verhaal al dan niet met voorbedachte rade. Denk maar niet dat een ‘zwarte’ de blanke niet zal mishandelen als hij de kans krijgt, zo naïef kan je niet zijn. En toch, toch zijn er Europeanen die nog luisteren. Toch zijn er blanken die zich nog oprecht inzetten ook al weten ze dat het niet goed te praten valt wat er kapot gemaakt is. Als ik mijn broers mag geloven was Old Shatterhand zo iemand. Als ik rondkijk in deze of andere organisatie voor vluchtelingen zie ik mensen met goede bedoelingen die een mens als mens behandelen, in welke taal mogelijk voor een goede communicatie. De tweede, derde en volgende generaties, die al echte landgenoten zijn, bewijzen zich dubbel zo hard om dan nog vaak buiten de boot te vallen. Ziet de nog nooit genegeerde blanke mens dan niet dat de mentaliteitsverandering best bij zichzelf begint? Dat één crimineel niet een heel volk vertegenwoordigt?   Die steen had die Italiaanse kinderen niet geraakt, maar mij wel, als een resterende blauwe plek waar soms op geduwd wordt en me dan doet afvragen: “Blijft die Westerling, die niet genegeerd wil worden, de bange blanke man die zijn eigen deur gesloten houdt?”

Anemos
41 1

Duikboot

Sindsdien mochten we niet meer in de buurt van het meer komen. Mama belde de moeders van mijn klasgenoten op met de vraag of hun kinderen in de tuin kwamen spelen en tikte luid op het raampje van de keuken als ze vermoedde dat we iets verdachts aan het uitspoken waren.  Op school ruimden de lessen plaats voor urenlange praatsessies om het verlies te verwerken. Na twee weken waren we de kringgesprekken in de stille ruimte en de knutselsessies om creatief met de nagedachtenis om te gaan spuugzat. De juf begon weer over gewone onderwerpen te praten, zodat we volgend jaar zouden meekunnen in de grote school. Alles wat met water, duikboten of zelfs maar experimenteerdrang te maken had, verdween onverbiddelijk uit het programma.  De laatste dag van het schooljaar had ik er genoeg van. ’s Middags hadden we elkaar uitgewuifd, wetende dat we de helft in september zouden weerzien en de andere helft waarschijnlijk nooit meer. Toen de bel ging, stroomde de school leeg. De banken bleven achter vol chipskruimels en gemorste limonade. De naam van Benno was nergens gevallen.  In plaats van rechtstreeks naar huis te gaan, maakte ik een kleine omweg. Niet langer dan tien minuten, prentte ik me in, anders zou mama ongerust worden. Ik fietste naar het bos, zette mijn fiets vast tegen het bord waarop de wandelroutes uitgestippeld waren en verdween in de richting waarin er volgens de kaart niets lag. Het modderige pad hadden we vorige zomer zo vaak gevolgd, met Benno, op weg naar ons strandje waar we in het water doken en onze zwembroek als een vlag boven ons hoofd uitzwaaiden. Ik ging op de oever zitten, trok mijn schoenen en sokken uit en waadde door het doorzichtige water.  Ik beeldde me in hoe Benno hier had gewandeld, in het donker, met het gevaarte achter zich aan. Ik zag weer voor me hoe hij onder mijn raam had gestaan nadat hij me met kiezels had gewekt, wijzend naar de duikboot gemaakt van een houten vat, een autoruit en een tuinslang, hoe hij hijgend fluisterde dat ik moest meekomen, hoe ik uit angst mijn raam weer dichtschoof en me tussen de lakens wentelde.

Felix Sandon
9 1

Opgesloten ter dood

Opgesloten ter dood “Pak je korset! De koets staat al klaar.” riep moeder door heel de villa. “Ja moeder!” Terwijl ze mijn korset zo hard mogelijk aanspande, vertelde moeder: “Prins Alexander gaat vanavond ook aanwezig zijn op het bal. Zorg dat je straalt!” Ik knikte en pakte mijn sieraden. Terwijl ik ze aan deed, spelde moeder mijn haar op. “Klaar om te gaan!” zei ze vrolijk. Ik stapte in de koets, helemaal klaar voor een koninklijke avond en een elegante dans. Vader kon er niet bij zijn want hij was weg... voor zaken denk ik. Ach ja, ik red het wel in men eentje. De portier opende het deurtje en liet me uitstappen. “Kin omhoog” fluisterde moeder. Ik lachte triomfantelijk en ging naar binnen. Wel moeilijk op zo’n hoge hakken en zo’n strak korset. We bevonden ons nu in een grote, versierde danszaal. Er klonk sierlijke muziek. Moeder had haar vriendinnen al meteen gevonden. Ik? Ik stond daar dan, alleen. Maar dat was rap over want lord Gabriel van Artelsburg kwam naar me toe en vroeg om te dansen. Ik glimlachte en stapte met hem naar de dansvloer. “Je ziet er prachtig uit.” fluisterde hij. Ik probeerde te lachen maar hield niet echt van die opmerking omdat alle jongemannen dat altijd zeggen. Je moet altijd maar alsof doen als jonkvrouw. Niet veel later zag ik mijn vriendin komen, Margot. Ze zwaaide zo beleefd als ze kon en ik lachte – niet fake -  terug. Ik ging even naar haar toe. “Jij hebt je zo te zien al goed beziggehouden?” giechelde Margot en keek naar lord Gabriel die op me stond te wachten. Ja, te wachten! Ik keek even naar hem en ging dan weer terug naar Margot. “Ik wou dat we samen weg konden. Op witte paarden ofzo. Weg van deze wereld…” zuchtte ik. Plots hoorde ik een luide bonk. Mensen gilden en gingen achteruit. Ik hoorde er zelfs ééntje zeggen: “Nee! Mijn jurk!” De knecht die in de buurt was ging met haar weg om haar te troosten maar had volgens mij zelf niet eens door wat er gebeurde. Ik ook niet. “Zullen we gaan kijken?” vroeg ik geschrokken maar ook nieuwsgierig aan Margot. “Ik weet het niet hoor…” Maar ik was al vertrokken, de massa in. Margot bleef alleen achter totdat ze me hoorde gillen boven iedereen. Ze zocht me meteen en vond me spierwit en in shock. Toen durfde Margot niet te kijken naar wat er was gebeurd maar ze zag bloed op de grond liggen en wou zich echt wel even omdraaien. “What the…” Voor ze haar woorden kon uitspreken, viel ze flauw. Jeetje, wat een gedoe. Ik pakte haar en ging weer naar achteren. Ik zag iemand wegrennen met een rode mantel. Raar, die mantel heb ik al eerder gezien. Waarschijnlijk was deze persoon geshockt en voelde hij zich niet goed. Maar wat was dit nu? Iemand die vermoord is op een bal? Vele gedachten dwarrelden door mijn hoofd. Moeder kwam aanlopen en zei dat ze naar de koets ging en Margot wel meenam. “Ik kom mee want ik wil hier geen minuut langer blijven” zei ik bibberend. De volgende dag zat er – zoals altijd -  een krant onder de bloempot die bij onze voordeur staat. ‘Man … vermoordt … bal van hertog Charles … totale chaos…’ Ik hoefde al niet verder te lezen want ik was erbij. Hé? Dit is raar… dacht ik. Bij het artikel stond een foto van die ene persoon – die op een man lijkt - wegloopt. Bizar… Of zou hij er iets mee te maken hebben? Ik weet het niet meer. Misschien moet ik me er niet mee bemoeien… Of toch wel? Ik heb gewoon die mantel al eens gezien. Die is best uniek omdat het van stof is die van de andere kant van de wereld komt. Speciale stof. Ik denk dat mijn vader die ook heeft omdat hij al eens naar Australië is gegaan. Maar die had hij mee op zakenreis. Ik liet het artikel aan moeder zien die haar ogen neer sloeg. “Het was een kennis van me” zuchtte ze. Ik keek haar aan met puppyoogjes omdat ik wel wat medelijden had met haar maar ook zeker met de familie van die lord. Ik hoopte echt dat ze de dader gingen vinden maar een paar dagen later was er nog steeds geen nieuws. Het was tijd om me te gaan bemoeien. “Ik ga naar de stad” loog ik tegen moeder. Ik kreeg een duimpje als antwoord. Natuurlijk ging ik niet naar de stad. Ik moest de waarheid achterhalen. Ik ging vervolgens naar hertog Charles en vroeg wie er op de avond van de moord allemaal aanwezig was op het bal. Hij keek op en ging dan weer terug naar een paar belangrijke formulieren. “Oké, dan haal ik zelf de lijst wel.” Geschrokken keek hij op en zei hij dat hij zo terug was. Duidelijk dat ik niet naar de bibliotheek mocht, dacht ik. Hij kwam terug met de lijsten. “Succes” Grijnsde hij. Ook duidelijk dat hij dacht dat ik dit niet serieus nam. Ik wou net naar buiten lopen totdat ik zag dat de deur van de bibliotheek nog open stond. Ja, waarom niet? Ik sloop er naar binnen en bewonderde de grote ruimte. Ik ging langs de eeuwenoude boeken en ging via een krakerige trap naar beneden. Blijkbaar had iemand dat gehoord want ik hoorde voetstappen in deze richting. Ik verstopte me rap ergens in de kamer. Deze was iets kleiner dan de eerste. De voetstappen verstomden. Opgelucht keek ik de kamer nog eens rond. Huh? Wat was dat? Ik wou net een boek pakken van een rek en plots gaan er precies een soort deur open? Maar net toen dat ik de donkere ruimte wou betreden, hoorde ik veel luidere voetstappen. Zo snel als ik kon klom ik door een raampje en liep ik weg. Maar de lijst had ik per ongeluk nog laten liggen op het bureautje van de grote bibliotheek.  Shit! Ik moest terug om het te gaan halen en ik wou natuurlijk de verborgen ruimte betreden. Stiekem ging ik terug en klom ik door het raampje. Ik ging rap naar boven, pakte de lijst en ging weer terug naar de kleine ruimte. Eenmaal daar ging ik – met de lijst in men hand – de trapjes af. Wat is dat hier allemaal? Een oude, muffe en vochtige geur kwam ik onderweg tegen. Eindelijk, ik was beneden. Ik keek naar boven en zag hoe diep ik nu onder de grond zat. Er was ook nergens een raam te bespeuren. Raar. Ik snuffelde wat rond omdat het toch wel raar is dat je zo’n koude, suffe en donkere kamer in je huis hebt. Ik vond een paar aantekeningen en andere dingen. Tot mijn verbazing zag ik niets geheims totdat mijn oog viel op een doek. Er zat sowieso iets onder. Ik trok het doek eraf en vond een kluis. Een heel ouderwetse dus kon ik gewoon met een speld – die nog in mijn haren zaten om zogezegd naar de stad te gaan – de kluis openen. “Wat …” De rode mantel met bloedspetters lagen erin met nog wat testamenten. Meteen greep ik ze en las ik de testamenten één voor één. Daar zag ik wat handtekeningen van … mijn vader? Onbegrijpend las ik verder. Geschokt bleef ik kijken naar één zin: Deze opdracht wordt opgedragen aan John McKenzie. Ik keek nog verder. ‘Handtekening hier… absoluut niemand vertellen… geheim…’ Ik was in shock. Dus míjn vader heeft iemand vermoordt?? Ik kon het haast niet geloven! Plotseling hoorde ik een klap die van boven kwam. Rap ging ik kijken. Shit! De deur is dichtgevallen. Ik hoorde voetstappen die weggingen… Of… dichtgedaan! Ik wou naar de deur gaan om te proberen dat die nog open ging maar bedacht me dan dat het tientallen trappen zijn en ik toch best zeker weet dat ik ben opgesloten. Wie ging mij hier ooit vinden? Niemand, precies. Ik ben gedoemd… Ik moest hier weg en deze papieren moesten naar de sheriff en wel nu. Maar wat kon ik doen?   Net toen ik wou gaan roepen kreeg de deur weer beweging. Charles kwam binnen en al lachend zei hij: “zozo, jij hebt ons geheimpje dus gevonden…” Ik keek hem vies aan. “Je kunt me niets doen want ik ben de dochter van John McKenzie!” probeerde ik. “Oooh, dus jij bent Penelope.” Zei hertog Charles grijnzend. Ik keek hem nog viezer aan. “Rustig prinsesje, ik kan je inderdaad niets aandoen maar ik kan je natuurlijk ook niet zomaar laten gaan…” “Wat wil je dan hé?” “Jij… gaat niets maar dan ook niets zeggen tegen niemand. Anders is je moeder de volgende. Oh ja, die testamenten en de mantel die je had gevonden, die blijven natuurlijk ook hier.” Mompelde Charles. “Hoe weet jij dan wanneer ik iets heb gezegd?” protesteerde ik. “Ik heb hier en daar wel wat kennissen… de sheriff bijvoorbeeld” Ik huiverde. Ik kon echt nergens naartoe. Naar niemand. Maar ik liet me niet op mijn tenen trappen en antwoordde: “We zullen wel zien!” De hertog lachte wreed en pakte me bij de arm en zei: “Pas maar op, Penelope. Of je zult hier gauw terug zitten, voor altijd.” Ik verloste me uit zijn greep en deed een spurtje naar boven. Ik liep en liep zo hard ik kon het bos in, op weg naar huis. Eenmaal daar vroeg moeder: “Je bleef zolang weg? Veel gedaan in de stad?” “Jaja, veel gedaan.” Ik ging naar de woonkamer om alles even op een rijtje te zetten en vervolgens een plan te verzinnen. Want hierbij kon ik het echt niet laten. Ik kon er misschien niet mee naar de sheriff gaan maar… wel mee naar de pers! Maar ik moest wel een anonieme naam hebben en een soort van code taal. Ik had meteen al een idee. Blijkbaar is er ergens in de stad een geheim detective bureau waar ze in geval van nood, nu dus, communiceren met cijfers. Margot had dat ooit eens verteld dat de vader van de neef van haar broer daar werkt. Ze zei dat ik het tegen niemand mocht doorvertellen. Zelfs moeder weet het niet. Ik pakte een blad en een vulpen en begon sierlijke getallen te schrijven. “Ziezo, dit moet naar de drukker!” zei ik tegen mezelf. “Ben zo terug!” riep ik tegen moeder. “Naar waar ga je?” vroeg ze snel. “Gewoon naar Margot.” En weg was ik. Ik had natuurlijk ook al een anonieme ‘naam’ bedacht: 483928. Dat betekent in letters gewoon Penelope. Met een lang gewaad en een grote hoed op zei ik met mijn vrouwelijkste stem: “Zou u dit kunnen publiceren?” “Euhm… Er staan alleen maar cijfers op?” begon de redacteur. “Doe het nou gewoon.” zeurde ik. “Naam?” Ik keek naar het blad en zei: ”483928” De meneer keek op en deed zijn brilletje af. “Mevrouw… Voor wie houdt u mij?” Ik begon onrustig te worden want niemand had natuurlijk door dat dit over een moord ging. Plots kwam hertog Charles binnen. Shit! Wat doet die hier nu weer? Ik zei bedankt tegen de oude meneer en vertrok zo snel ik kon. Maar hij hield me tegen. “Wie we hier hebben… Wat is dat? Cijfers? Je denkt toch niet dat iemand dit gaat begrijpen?” zei hij spottend en hij lachte luid terwijl hij me streng aankeek. Ik had echt zin om in zijn gezicht te spuwen maar ik draaide me om en ging rap weg. Hij keek me achterna, bang dat ik het toch op de één of andere manier zou vertellen tegen iemand. Dat was ook het geval. Maar hij dacht sowieso dat hij me nog steeds in zijn macht had. Dat was niet het geval. De waarheid moest aan het licht komen. “Hoe was het bij Margot?” vroeg moeder. Ik mompelde wat met het verslag in men handen. “Wat is dat?” Ik keek naar moeder en dan weer terug naar het blad. “Niets hoor.” Dit moest echt gepubliceerd worden want het detective bureau heeft geen specifiek adres naar waar ik het kon sturen. Ik ga morgen terug, dacht ik luidop.  Zo gezegd, zo gedaan. Deze keer had de redacteur gewoon gedaan wat ik vroeg omdat ik zo serieus leek. Hij keek me raar aan en zei: “Voilà, het zal morgen in de krant verschijnen. Ik knikte vriendelijk en ging weer rap weg. Oké, dat was dat.  De volgende dag stond het inderdaad in de krant. Tevreden was ik. Hopen dat ze het zouden lezen. Van moeder moest ik boodschappen gaan halen, dus deed ik dat. Net toen dat ik de winkel wou uitgaan, verscheen Charles weer. Ik vloekte in mezelf. “Ik heb gehoord van een zeer betrouwbaar iemand dat jij een bericht voor dat ene detective bureau hebt gepubliceerd?” Ik bleef stokstijf staan want hoe kon hij dat nu weer weten?? “Je wilt vast weten van wie ik het heb? Dat krijg je nog te horen, maar nu moet je eerst mee met mij.” Ik slikte. “En wat als ik niet wil?” zei ik met een bibberende stem. “Je hebt geen keuze.” Vlak na die woorden pakte hij me stevig bij de arm en trok hij me subtiel in een kleine koets. Mijn mond was droog, ik kon niet schreeuwen. Er zat gewoon een verrader bij het detective bureau! Ik keek angstig door het raam van de koets. “Je vader.” zei hij droog “Wat?” zei ik onbegrijpelijk. Onverstoord ging hij verder: “Je vader zit bij het geheime detective bureau.” Ik sloeg een hand voor mijn mond. “Dus was dat mijn vader die in de krant stond met die rode mantel?” riep ik uit. Charles keek weg. “Geloof me of niet, je zult het toch niet meer tegen iemand kunnen zeggen. Nooit meer.” De hele rit bleven die woorden in mijn gedachten. Wat bedoelde hij daarmee? Eenmaal aan zijn grote huis zei hij: “Trouwens, met nooit meer bedoeld ik dat ik toestemming had gekregen van je vader om je op te sluiten. Voor altijd.” Ik keek hem met grote ogen aan en schreeuwde: “Dat kan niet! Zoiets zou hij nooit doen!” Ik was woedend, maar ook bang. Ik begon te lopen, dwars door het bos. Takken zwierden om me heen. Netels brandden in mijn handen en benen. Ik keek achter me. Hij was op zijn paard geklommen om me achterna te gaan. Zijn zwaard hing langs zijn lederen uniform. Ik struikelde over een dikke tak. Mijn jurk was vies en gescheurd. Mijn hakken deden het niet meer. Blootvoets ging ik op weg naar Margot. Ze moest dit weten. Maar dat was nog een eindje lopen… Niet veel later kwam ik uit op een weg waar er paarden rondliepen die een koets meesleurden. Daarin zat waarschijnlijk de hertogin met haar dochter op weg naar een evenement. Mijn ogen gingen alle kanten uit. Ik hoorde Charles achter me en begon terug te lopen. Op dat moment pakte hij me vast en zette hij me ruw op zijn paard. Ik stribbelde tegen maar tevergeefs. Ik was verloren. Mensen keken ons raar aan maar deden niets. In volle vaart zette hij koers naar zijn huis waar hij me vervolgens afzette. Voor ik weer kon gaan lopen pakte hij me vast en trok hij me naar binnen. Ik keek onrustig om me heen en begon te gillen. “Kop dicht!” snauwde Charles. “De waarheid moet aan het licht komen!” protesteerde ik. “Denk je nu echt dat iemand jou gaat geloven?” Ik keek hem vies aan. “Je kunt niet zomaar iemand vermoorden op je eigen bal!” Hij lachte gemeen en sleurde me mee de duistere kamer in. “Denk je nu echt dat ik iemand heb vermoord?” Ik deed een klein knikje naar links, dat betekent ja. “Ik zou mijn handen toch nooit vuil maken aan zoiets.” lachte hij wreed. Ik spuwde naar hem. Ik wou hier gewoon weg. Daar werd hij niet blij van. Hij gooide me op de grond en liet me achter. “Groetjes!” riep hij vals. Hij trok de deur dicht met een harde klap. Ik bonkte op de deur en riep het uit. Ik zakte naar beneden en begon te huilen. Hier kon ik nooit meer weg. Niemand ging me ooit hier vinden. Ik was opgesloten. Opgesloten ter dood.    

Loewieze
0 0

Over bouwwerven en vaders

De lente is mijn favoriete seizoen. Voor veel mensen heeft dat te maken met ontluikende bloesems, lammetjes in de wei en meisjes die hun kuiten ontbloten. Voor mij is de lente de tijd dat de bouwwerven terug in gang schieten. Ik vertraag wanneer ik er voorbij wandel, geniet discreet door het raam van de verbouwingen van onze buren. Het zijn niet de ontblote en gespierde mannenlijven die mijn hart sneller doen slaan. Mijn interesse is van een ander, hoger niveau. Hoe groot mijn bewondering voor metershoge kranen die met de precisie van een chef kok betonblokken op mekaar stapelen alsof het witloofblaadjes en een peterselietakje op een bordje nouvelle cuisine zijn. Hoe groot mijn nieuwsgierigheid naar de aanpak, de vordering of vertraging en het getoonde vakmanschap. Hoe prikkelt het mijn fantasie terwijl ik bedenk wat er achter die gevel later allemaal zal gebeuren. Overspel, wereldvernieuwende uitvindingen, onvoorwaardelijke of passionele liefde, grappige situaties met honden en katten. Maar vooral, hoe brengt het me terug naar mijn kindertijd. Als dochter van een schrijnwerker kon ik heel mijn jeugd genieten van permanente vorming over hoe dingen gemaakt worden, gemaakt moeten worden. Een wiebelende tafel, een scheef scharnier, een dak dat vraagt om problemen… het dagelijks leven zat vol met leerkansen. Een diploma heeft het me niet opgeleverd, maar wel een zeer grote, technische maturiteit. In minder dan geen tijd werd het klassieke rollenpatroon in ons huwelijk omgegooid en mijn echtgenoot heeft mij als zijn meerdere erkend op gebied van klussen in  huis. En mijn vader is fier op me, hij zegt dat ik het goed doe. Voorlopig ben ik te jong om me volledig te wijden aan mijn liefde voor bouwwerven. Later, als ik net als mijn vader nu, met een rollator door het dorp schuifel, als ik geen last meer heb van de drang om sociaal aanvaard gedrag te vertonen en me niet meer afvraag wat andere mensen van me denken (omdat ze per definitie jonger zijn dan mij en dus maar moeten leren zwijgen), dan zal ik mijn hoogdagen beleven. Dan zal ik stilstaan bij een werf en kijken. Kijken met bewondering, met nieuwsgierigheid en met veel fantasie. Ik zal in gedachten knipogen naar mijn vader en zeggen of ze het goed doen.

Hadewijch
1 0

Lijm... Het been.

Aan de horizon dook de zon rusteloos onder en trok ei zo na een paartje kirrende duiven met zich mee. In de verte luidden de klokken het begin van de nacht in. Elisa volgde het silhouet dat zich van haar verwijderde zo lang als mogelijk, en deed de deur dicht. Iets wat ze de laatste tijd al vaak had moeten doen. Veel te vaak. Ettelijke keren waren er mannen gekomen, nadat ze het goed met elkaar hadden kunnen vinden op Tinder. Ze was niet te vangen voor een losse flodder, dus de mannen die ze er uitpikte waren gedetailleerd uitgelicht. Beschouw het als haar verkozenen. En zij wilden haar ook. Tot ze dus bij haar aanbelden, en zij open deed en ze haar houten been niet meer kon verbergen. De ene was weggelopen zonder een woord te zeggen, een ander was roder dan een tomaat geworden en had met wat gestamel uiteindelijk ook het hazenpad gekozen. Een uitzondering had zich toch tot haar slaapkamer gewaagd, maar verder dan dat en een simpele ‘Sorry, dit was een vergissing’, was het nooit gekomen. Ze veegde een verdwaalde traan weg en dacht terug aan Dries. De enige man die het aandurfde door haar voile van mismaaktheid heen te kijken. Met weemoed in haar hart herinnerde ze zich hoe hij haar altijd op haar gemak probeerde te stellen, terwijl ze verwachtte dat het andersom had moeten zijn. Hoe hij haar nieuwsgierig maakte door een tipje van zijn eigen sluier te lichten, maar voldoende ruimte liet om meer te ontdekken. Ze proefde weer het zout op zijn lippen toen hij haar na vier glazen wijn en een hele kom chips naar zich toetrok en lang en passioneel kuste. O ja, ze wist ook nog heel goed dat ze zich afvroeg hoe het zou zijn om zijn lichaam op het hare te voelen. Ze had nooit kunnen bedenken wat hij allemaal voor haar in petto zou hebben. De zon was nu helemaal onder en de tuin was in een donkere deken gewikkeld. Eliza zette het onaangeroerde wijnglas terug in de kast en ontkurkte de fles dan maar voor zich alleen. Ze zou zich niet laten kelderen door alweer een kleine tegenslag. Vastberaden nam ze haar mobieltje, zocht de juiste app en begon aan een nieuwe swipe-marathon. Hello World, meet Eliza!

Vlechtenmeisje
25 2

Doorheen de verschillende lagen van het voelen

Ik ben een (over)denker. Van denken heb ik mijn specialiteit gemaakt. Ik hou ervan om dingen te analyseren, te wentelen in mijn hoofd en eventueel logica of verbanden te vinden. Het heeft me al best wat inzichten opgeleverd. Anderzijds ben ik ook een ‘gevoelsmens’. Wel ondervind ik enige weerstand tegenover dat woord. Misschien omdat ik het al vaak heb horen gebruiken zonder de ware betekenis ervan te kennen. De connotaties die ik eraan toeschrijf zijn ongetwijfeld het product van een rationele wereld die gevoel als ondergeschikt afdoet. Op school leert men kinderen hoe belangrijk het is om het denkvermogen te ontwikkelen. Maar het exploreren en hanteren van de uitgebreide gevoelswereld valt buiten het lessenpakket, ervan uitgaande dat dit wel in de privésfeer zal plaatsvinden. En dat is een gemiste kans. Het verloochenen van mijn gevoelswereld is mij duur komen te staan. Het negeren of verwaarlozen van een deel van jezelf kan nooit tot iets goed leiden. De heftige fysieke kwalen waaronder ik jarenlang gebukt ging, waren ongetwijfeld hiervan een gevolg. Als kind ging dat voelen allemaal zeer spontaan. Ik ging erin mee, speelde en creëerde in de rijke grond van mijn gevoel. Maar ergens in mijn pubertijd ging er iets verloren. Ik kroop steeds meer in mijn hoofd. Het ziektebeeld dat daardoor ontstond, heeft me gemotiveerd om het voelende kind in mezelf te herinneren en te eren. Zoals ik al vaker geconcludeerd heb, schieten woorden tekort. Wat wij collectief verstaan onder gevoel stelt niets voor in vergelijking met de weidsheid van de werkelijkheid. Een sluitende definitie die heel de lading dekt bestaat niet. Het is paradoxaal, maar de analist in mij heeft geprobeerd om de gevoelswereld onder te verdelen in categorieën of verschillende lagen. (Zie het schema in bijlage)Naar mijn mening/gevoel verwijzen we bij het algemeen gebruik van het woord gevoel vooral naar de eerste twee lagen, namelijk fysiek of emotioneel gevoel. Maar er is meer. Ik vond het niet evident om de laatste laag een naam te geven, wetende dat elk woord geoxideerd is door aangeleerde connotaties. Ik koos uiteindelijk voor het woord spiritueel, erop vertrouwend dat de lezer bereid is zich los te koppelen van eventuele vooringenomenheid tegenover dit woord. De verschillende gevoelslagen hebben invloed op elkaar, vullen elkaar aan. Zo kan een fysiek gevoel een emotie losmaken, wat vervolgens een spiritueel gevoel triggert. En ook omgekeerd. Elke laag is als het ware een perspectief van waaruit we de wereld kunnen ervaren. Tezamen vormen ze een multifunctionele toolbox waarmee we het leven en onszelf kunnen interpreteren. Gevoelens zijn het kompas dat ons steeds naar authenticiteit begeleidt, in het bijzonder de laatste laag. De eerste twee lagen kunnen gestoeld zijn op overtuigingen die, al dan niet uit zelfbescherming, beperkend werken. Zo weten we bijvoorbeeld dat het niet altijd aangeraden is om beslissingen te maken vanuit een prangende emotie. Maar het spirituele voelen daarentegen liegt nooit. De kunst is echter, zeker levend te midden van een wetenschappelijke rationele maatschappij, om je het voelen van die laatste laag meester te maken. Het is een mooie (dagelijkse) oefening om even een moment te nemen om bewust doorheen alle lagen te voelen. Beginnende met: wat voelt mijn lichaam? Welke emotie(s) herken ik? En ten slotte: welk spiritueel gevoel word ik gewaar? Heeft het een vorm of kleur? Voelt het puntig of eerder rond? Zacht of hard? Uitgestrekt of gecentreerd? De moeilijkheid ligt vooral in het feit dat het spirituele gevoel begint te vervagen wanneer je het probeert te vatten in woorden, gedachten of concrete vormen. Het vraagt om een interpretatie die geheel los staat van het denken en analyseren. Het brein zal elke ervaring altijd proberen te linken aan iets dat het reeds kent. De functie van het brein is dan ook om het leven te begrijpen. Het brein wil alles onderverdelen en klasseren. Het heeft een versnipperende werking, de neiging om alles in hokjes onder te verdelen. Op zich geen verkeerde of slechte eigenschap, anders zou ik ook niet in staat zijn om deze boodschap te communiceren. Maar het spiritueel voelen is gericht op eenheid. Het maakt geen onderscheid tussen binnen en buiten, ik en de ander, goed of slecht. Het spiritueel voelen proberen te herleiden naar een vorm of kleur is een hulpmiddel dat op een gegeven moment dient losgelaten te worden. Zoals bij zoveel dingen heb je niet meer nodig dan focus, intentie, oefening en vertrouwen om je het spiritueel voelen vloeiend eigen te maken. Om spiritueel te voelen heb je in essentie geen brein nodig. Daarom koos ik voor het woord ‘spiritueel’, omdat het geestelijkheid zonder materie impliceert. Ik weet dat het ontzettend moeilijk kan zijn om het brein even aan kant te zetten en zonder oordeel mee te gaan in de onafgebakende spirituele gevoelswereld. Zoals ik al zei, was ik er als kind erg goed in, maar heb ik het later opnieuw moeten integreren. Het enthousiasme tijdens dit leerproces heeft me ertoe aangezet om deze tekst te schrijven. De taal van het spirituele voelen is de collectieve moedertaal, de taal die elk wezen spreekt. Het gebeurt wel eens dat ik diep aan het opgaan ben in een spiritueel gevoel en dat mijn brein dan plots opdaagt met een oordeel of analyse. Wat er natuurlijk voor zorgt dat het gevoel oplost. Het is ook niet abnormaal dat spirituele gevoelens als vaag overkomen en om die reden dan ook niet serieus worden genomen. Omdat het brein geen concrete handvaten heeft, klasseert het daarom de gewaarwording als vaag en onbelangrijk. Maar wie bekend is met spiritueel voelen en het integreert in het dagelijkse leven zal beamen dat dit een prachtige eigenschap is die helaas schromelijk wordt onderschat.  Met deze tekst wil ik de schoonheid en rijkheid van het spiritueel voelen in de verf zetten. Onder de dikke laag van al het tastbare ligt de krachtige energetische motor van een spirituele gevoelswereld. Als creator, iets dat wij allemaal zijn, is het toch cruciaal om bewust te zijn van alle componenten waarmee we onze werkelijkheid kunnen scheppen.

KarolienDeman
7 1

Bridezilla's not allowed

‘Mama, kijk!!!!’ Andrea trekt aan mijn mouw en wijst enthousiast naar een hele tros witte ballonnen aan de zijkant van de tent. Ze komen mooi uit tegen de donkere achtergrond van de ingevallen avond en worden opgelicht door een cluster bolvormige lichtjes die vanop het gras tegen de witte wanden van de silhouette tent schijnen. ‘Mag ik er één, oh mama, alsjeblief?’ ‘Ik weet het niet, lieverd. Ik geloof dat ze er zijn voor de versiering van het feest, niet om aan kleine deugnieten als jij uit te delen.’ Ik kus haar liefdevol op haar vers gewassen haren en ruik nog een zweempje amandelbloesem. ‘Laat ons eerst even kennismaken met het bruidspaar. Ik beloof dat ik straks eens pols voor die ballon.’ De maître vinkt onze namen af en loodst ons snel naar een tafeltje aan het andere eind, waar we plaatsnemen en prompt een roos in de handen gedrukt krijgen. Vragend kijken we hem aan, en krijgen te horen dat de speech van de vader van de bruid zo zal beginnen en hij het wel zal uitleggen. En dan valt het geroezemoes, dat tot dan de lucht vulde, helemaal stil. ‘Dames en heren, mag ik even uw aandacht?’ Ik recht mijn rug en zie een man met witte haren in een overjaars maatpak staan. Hij frunnikt zijn scheef hangende stropdas recht en kucht. Zijn trillende handen verraden zijn nervositeit, maar hij steekt van wal en zijn kalme basstem verraadt niks. Hij legt uit dat het bruidspaar even naar buiten is gelokt door de fotograaf, en dat hij zijn dochter wil verrassen met een reuzeboeket witte rozen. Geduldig demonstreert hij hoe het volgens hem moet verlopen om alle bloemen bij de bruid te krijgen. Onze tafel zal het voorlaatste aan de beurt zijn, dus we hebben nog wat tijd om af te kijken. Een paar minuten later is het al zover: het bruidspaar wordt met veel tromgeroffel aangekondigd en op het moment dat ze binnen zijn, en de bruid haar gehandschoende arm door die van haar vader steekt, staat de hele zaal als een peloton soldaten recht. Een voor een komen de gasten hun roos afgeven en de armen van de bruid komen boller en boller te staan. Naarmate ze naderen, zie ik enkele tranen glinsteren op haar gemaquilleerde wangen en ik raak ontroerd door de warme blik waarmee de dirigent van dit extraatje vanonder zijn witte haren naar haar loert. Nog twee mensen en het is aan ons. Andrea’s hand verstrakt in de mijne en ik voel ook mijn spanning stijgen. ‘Alsjeblieft!’ zegt ze trots wanneer ze haar bloem afgeeft. Maar wanneer ik ook de mijne wil schenken, struikelt Andrea met haar kleine hakjes en valt languit op de sleep van de bruid. Die springt van schrik achteruit en gooit de bloemen in de lucht. Terwijl het rozenblaadjes regent en iedereen zijn adem inhoudt, hoor ik een luide krak. En daar staat de bruid plots kortgerokt. Heel kortgerokt. Mijn hart staat stil en Andrea kruipt dicht tegen me aan. Maar dan begint de jonge vrouw hartelijk te lachen, neemt een ballon, en drukt ze in Andrea’s kleine handen. ‘Hier meid, trek het je niet aan. Dit is veel makkelijker om te dansen straks!’  

Vlechtenmeisje
35 1