Lezen

Allener

Sommige dagen zijn allener dan andere. Ik heb het opgezocht, het woord bestaat echt. Het geeft ook goed weer wat ik op zo’n dag voel. Dat heeft ook niks te maken met de afspraken die ik heb of met de dingen die ik moet doen. Het is een soort leegte die in mijn ziel kruipt en die maakt dat er een kilheid in mijn botten komt. Op die dagen begrijp ik dat mensen die alleen wonen de verwarming een graadje hoger zetten. Je krijgt de neiging je dikke sokken aan te doen en bovenop de kachel te gaan zitten. Maar het helpt niet, de kou komt van binnenuit. Op die dagen moet Stef een heel eind mee gaan wandelen. Hij wordt van zijn warme vacht afgehaald en hup, naar buiten. Mijn handen diep in mijn zakken, kraag omhoog en lopen. Stef vindt dat op zich niet erg. Zoals gebruikelijk loopt hij mijn route drie keer. Heerlijk om een hondje te zijn. Toch is Stef op zo’n dag veel meer troost dan die kleine man beseft. Onwillekeurig krijg ik toch meer energie van zijn enthousiasme. Ook de frisse lucht doet goed, het waait toch de mistflarden uit mijn hoofd. Weer thuis doe ik dan mijn best om de draad weer op te pakken en te proberen positief in het leven te staan. Meestal gaat dat dan ook wel een stuk beter, zo’n wandeling doet goed, hoe slecht het weer ook is. Natuurlijk moet ik wel zorgen dat ik eerder bij de deur ben dan Stef. Die viezerik banjert overal doorheen en loopt met een grote boog om de handdoek in de garage heen. “Pootjes schoonmaken Stef”, nee, dat is niet zijn favoriete bezigheid. Maar om te voorkomen dat het in huis gaat kraken als je door de kamer loopt, moet er toch flink gepoetst worden. Meestal ga ik dan even aan tafel zitten. Even helemaal niks. Straks ga ik weer aan de slag maar nu wil ik even voor me uit staren. En dan hoor ik de stem van mijn maatje stil in mijn hoofd. “Kom op Mach, jij kunt alles.” Nee hoor, lang niet alles, maar ik doe mijn best.

Machteld
3 1

La Chapelle

Mijn gulden regel bij het zakendoen is altijd geweest: eerst met een fris hoofd de contracten tekenen en daarna de ondertekening met klant of leverancier bekronen met een etentje.Zelf een mid-dertiger, schat ik dat de vertegenwoordiger van het IT-bedrijf een tiental jaren ouder is. Nadat ik de bestelbon heb getekend verrast hij mij door te vragen waar hij mij op een lunch kan trakteren. Gezien het gevorderde uur stel ik een restaurantje voor op ‘walking distance’ van mijn kantoor.Het is niet de eerste keer dat ik hier kom en weet dat de prijs-kwaliteitverhouding goed zit. De prijzen van de wijnen zijn wat overdreven, maar de samenstelling van de wijnkelder is dan ook uitgelezen.Wij gaan voor het dagmenu en mijn gastheer dringt erop aan dat wij de ‘signing of the contract’ vieren met een goede fles wijn.Om het ijs te breken vertel ik hem het verhaal van mijn Franse vriend Arnaud, die als kers op de taart voor zijn huwelijksreceptie een Château Arnaud  had uitgekozen. Dit leidde tot groot jolijt bij zijn schoonfamilie omdat zijn nieuwbakken vrouwtje Hélène Chateau heette.Mijn tafelgenoot kijkt eerst wat onwennig maar wanneer ik verduidelijk: ‘Hun beide namen op de fles’, kan hij er smakelijk om lachen, terwijl hij zelf de wijnkaart bestudeert.Hij lijkt wat paniekerig en loopt wat rood aan als hij de verwonderde blik van de ober ziet wanneer hij zijn keuze meedeelt.Het is ongebruikelijk, maar bij het tonen van de fles aanvaard ik zijn voorstel om de Chapelle Canterane – Saint-Émilion Grand Cru voor te proeven. ‘Exquise,’ zeg ik: ‘een voortreffelijke keuze.’Mijn zelfkennis over mijn soms onbegrepen humor in acht nemende, slik ik mijn woorden in en zeg niet dat wie de wijn proeft hem ook moet betalen.Tijdens de maaltijd merk ik dat de man aan mijn overzijde wat gespannen zijn best doet om zo gedisciplineerd mogelijk te eten. De wijn brengt gelukkig soelaas en wanneer wij aan het dessert toe zijn is de sfeer gemoedelijker geworden.Ik trek mijn stoute schoenen aan en opgetogen, maar verwonderd over zijn eerder dure wijnkeuze, vraag ik hem vriendelijk waar hij zijn wijnkennis heeft verworven.‘Ach, eigenlijk weet ik er weinig over’, bekent hij: ‘mijn vader leerde mij dat ik bij Franse wijnen telkens moet gaan voor een kasteel waarin de naam van een kerk of een kapel voorkomt.’  

Vic de Bourg
8 1

Dubbelop

De kans is groot dat ik niet zou zijn gegaan mocht jij me hebben weerhouden van die oeverloos beroerde beslissing. Want dat was ze, ontegensprekelijk. Beroerd. Tot op het bot. Ik weet zeker dat je nu grijnst om mijn woordkeuze. Beroerde beslissing. Een alliteratie. God weet hoe erg je houdt van alliteraties. Ik weet nog dat je moeder vertelde hoe gek je als kind was op Suske en Wiske. Niet omdat het verhaal je zo fascineerde of omdat de personages je aan het lachen maakten, maar wel omdat je zo gelukkig werd van de titels: De dartele draak. De hippe heksen. De venijnige vanger. De pronte professor. Oh neen, je had destijds geen benul wat pronte betekende, maar er was geen enkel woord dat de professor beter kon beschrijven dan pront. Niet slim. Of grappig. Of stuntelig. Pront zou het zijn. P-p. Dubbelop. Toen je voor je 8e verjaardag van je oma een album kreeg met als titel ‘Op het eiland Amoras’, huilde je tranen met tuiten. Je oma deed er alles aan om je te troosten, maar haar bemoederende vleugels maakten je alleen nog maar triester. Ze snapte het niet. Jij had geen boodschap aan haar opbeurende woorden. Jij had nood aan ‘Suske en Wiske’ met een gekke titel van het type ‘dubbelop’. Dat je oma het hele land had afgezocht naar een album met een spook op de cover omdat je zo hield van griezelige verhalen en nog minutenlang twijfelde tussen dit album en ‘Het Spaanse Spook’, maakte je geen zier uit. Het werd een fout die ze nadien nooit meer zou maken. Je weerhield me niet van m’n beslissing. Je liet me vrijelijk begaan. Je liet me bevend van angst de auto aan de kant van de weg parkeren. Je liet me, net voor het uitstappen, nog even m’n telefoon checken om te kijken of er toch niet dat ene berichtje was binnengerold. Je liet mijn hart sputteren van blijdschap toen ik zag dat ik inderdaad een gemiste oproep had. Maar niet jouw nummer verlichtte m’n scherm. Je liet me vervolgens, met de moed der wanhoop, mezelf uit de auto zijgen. M’n jas liet ik liggen op de passagiersstoel, muts en sjaal deed ik om. M’n telefoon stopte ik in m’n broekzak. Hopend op die ene bevrijdende trilling. Ergens, heel diep verborgen, sprankelde dus nog iets in mij. Iets wat je bezwaarlijk hoop kan noemen. Maar als je dat dan toch zou doen, parkeer het dan onder ‘ijdel’. Want diep vanbinnen wist ik dat er niets zou volgen. Je zou niks inbrengen tegen deze beroerde beslissing. Ik zou over de tralies kruipen en elke draad met jou definitief doorknippen. D-d. Dubbelop.

Saar_b
11 1