Lezen

De stoeipoes en de oude aap

Hij zette zijn tanden in haar lichaam van magma alsof het mousse was. Alsof lust mousse was. Ze begeert hem met een vlinderachtige frivoliteit.   Een échte STOEIPOES is zij!    Ze neemt hem even mee naar andere dimensies met sobere kleurengamma's.   En hij vraagt zich af: hoe kan ze blijven dansen in die soberheid als een vlam? HOE blijft ze dansen met de elegantie van een herfststorm, een kleurrijke lawine en een ballerina van wie haar ene muiltje ontbreekt? Is ze een vermiste dochter van god misschien?!   Haar ogen... ze konden een geschenk zijn van de schaduwkant van Mars.  Net twee opaalstenen die juist in haar amandelvormige oogkassen pasten. Ze hypnotiseren de nacht. Aziatische meisjes...  ze lachen kattachtig in de schaduwen van ondeugendheid.   Tijdens de jachtseizoenen van het uitgaan geeft ze wat ze geven kan en neemt ze wat ze kan krijgen.   Hooggehakt op meisjesschoenen met kanten bloemen staat ze aan de straat.   Hij volgt haar gracieuze houding met de veilige afstand omdat ze weinig naar eenmalige liefdes omkijkt.   Tjah,... wat moet ze met een oude aap die achter het stuur van zijn bakfiets achter elke hoek van iedere bruine kroeg op haar staat te wachten.   Er zijn zeemannen genoeg die met hun brommers staan te wachten op de glimmende straatstenen onder het blauwe maanlicht in de nacht.   En zo eindigt zijn sprookje. Af en toe werd het wel herboren in één of andere oude viezerik fantasie. Maar ze blijft naar hem zwaaien in zijn sobere dromen, met de frivoliteit van een jonge vlinder.   Die fladdert in een vulkaan, ergens in zijn buik.

Andrea Derese
18 0

De slag

Verslagen staart ze voor zich uit. Daar zit ze dan, te midden van het slagveld, omringd door niets dan verwoesting. “Survival of the fittest,” denkt ze bij haarzelf. Ze probeert zich te focussen en de chaos die haar omringt te negeren. Ze probeert orde te krijgen daar waar het overzicht volledig verloren is. Het lukt niet. Ze is het noorden kwijt. Volledig gedesoriënteerd. Om haarzelf in gang te trekken, stelt ze zichzelf een vraag waarvan ze het antwoord al kent: “Hoe begin ik hier aan?” De bedoeling was om als antwoord over te gaan tot actie, maar in plaats daarvan eist een ander deel van haar hersenen haar aandacht op. Het kleine kamertje dat ze liever gesloten houdt, ergens achteraan in haar hoofd, opent weer ongevraagd haar deur. En opnieuw is er die stem die roept dat ze niet op haar plaats zit. Dat ze moet vluchten, en liefst zo snel als mogelijk. Weg van deze plaats des onheils. Weg van dit helse oord. Dit brengt zoals steeds een nieuwe vraag teweeg: “Waarom doe ik dit?” Het antwoord is er ooit wel geweest, maar is ze kwijt geraakt. Het was zoek en dat was al enige tijd zo. Het leek er ook op dat hoe meer ze het haar afvroeg, hoe minder ze het wist. Het grote waarom van wat ze deed ontging haar volledig. Het enige dat ze nog kon verzinnen was even eenvoudig als ontoereikend: het was haar roeping. En een roeping, die stel je niet in vraag, want daar is geen rationeel antwoord voor. Dat doe je, tegen wil en dank. Dus voerde ze maar uit wat ze moest doen, ook al was ze er van overtuigd dat ze het niet meer goed deed. Daar had ze dan weer geen twijfels over. Alles wat ze had geprobeerd te realiseren, was geëindigd in falen. Ze wou gewoon gelukkig zijn, maar wat voor reden had haar bestaan als ze geen voldoening meer haalde uit wat ze altijd dacht dat haar roeping was? Wat als je doel bereikt is, en het blijkt niet je passie te zijn? Niet alleen voelde ze zich inadequaat, ze verlangde ook naar meer. Naar anders. Dit kon het niet zijn. Ze had de finish zeker en vast nog niet bereikt. Maar ze kon niet meer. Ze was op. Alles rondom haar vrat alleen maar energie, zonder ooit iets terug te geven. Zij was van geen belang en niemand luisterde naar haar. Haar woorden werden steeds overstemd door het vreselijke gekrijs dat haar omsingelde elke dag opnieuw. Haar leven was niet meer dan een herhaling geworden. Een eindeloze lus bestaande uit negatieve emoties: pijn, ongenoegen en frustratie. Ze wouden allemaal haar aandacht, en nooit kreeg ze ook maar iets terug. Ze moest alsmaar geven, en niet één keer kreeg ze een “dank u” in de plaats. Alsof haar liefde gratuit is. Alsof het haar niets kost om dag in dag uit klaar te staan voor iedereen. Abrupt wordt ze uit haar gedachtestroom getrokken door een stekende pijn in haar borst. Ze kan ineens moeilijk ademen. Dat wat vanzelfsprekend was, wordt plots heel moeilijk. Gelukkig heeft ze hier ervaring mee en kan ze zichzelf kalmeren alvorens nog engere gedachten de overhand nemen. Ze sluit haar ogen en beheerst haar ademhaling. De pijn in haar borstkas ebt langzaam weg. Daar zit ze dan. Te midden van het slagveld, terwijl de vijand slaapt. Althans, dat denkt ze. Plots hoort ze iets achter haar. Schichtig draait ze 180 graden rond haar as, maar haar angstgevoel wordt al gauw getemperd. Het was Emiel maar. Ze kruipt moeizaam recht en plaatst haar twee handen in haar zij. “Wel, wat doe jij hier?,” vraagt ze autoritair. Zonder te antwoorden waggelt hij schoorvoetend naar haar, maar op nog geen halve meter verliest hij zijn fragiele evenwicht. Net op tijd kan ze hem opvangen. Ze vraagt zich af wat hij nodig heeft - ze hebben altijd iets nodig van haar. Terwijl ze hem ondersteunt vraagt ze opnieuw, nu enigszins geërgerd: “Wel, wat doe je hier?” Maar opnieuw antwoordt Emiel niet. Dit maakt haar vreselijk kwaad, woedend zelfs. Ze haat het om genegeerd te worden, maar ze weet dat ze kalm moet blijven. Ze moet altijd kalm blijven - dat is wat van haar wordt verwacht. Net voor ze haar vraag een derde maal kan stellen, reikt Emiel haar als bij wijze van antwoord een papiertje aan. Het papier is opgevouwen tot een soort enveloppe en ziet er uit alsof het een oorlog heeft mee gemaakt. Ze weet niet wat ze er van moet denken, en opent voorzichtig de enveloppe. Het is amper leesbaar, en vreselijk slecht geschreven, maar op dat bewuste blad staan de woorden die haar herinneren waarom ze dagdagelijks doet wat ze doet. Waarom ze elke dag de hel doorstaat, en waarom dit leven haar roeping is. Ze weet het weer, en ze kan er weer een dag tegen aan. En dat allemaal met 5 eenvoudige woorden: “Juf, ik hou van jou.”    

Iljavdb
8 1

Personage

Ik heb mijn personage naar de trein richting dood laten vertrekken. Ruim vijftien maanden droeg ik het verhaal met me mee. Omdat ik weet wat haar te wachten staat, bleef ik het vertrek uitstellen. Ik zocht uitwegen, deed vluchtpogingen of probeerde haar te laten onderduiken. Maar de waarheid is meedogenloos, bovendien is ze te belangrijk om niet verteld te worden. Hier ligt het dagboek van Sura Pessa Lipszyc. Centraal bovenaan op de beige kaft van het schrift, een wit etiket met dubbele blauwe rand, de hoekjes afgekant. Binnen het kader staan drie lijnen voorgedrukt, maar het schrift kreeg geen titel of naam. Het lijkt ongebruikt, maar als je beter kijkt, zie je dat de hoeken licht gekruld zijn, een plooi loopt van boven links tot rechts onderaan over het soepele karton. ‘Lief dagboek’ opent het op 1 juli 1942. Binnenin is het tot halverwege gevuld, geschreven in een keurig meisjeshandschrift. Sura Pessa beschrijft haar leven als vijftienjarige in het bezette Antwerpen. Op 3 augustus van datzelfde jaar schrijft ze haar laatste woord: ‘Adieu’. Het dagboek is in Borgerhout gebleven. De schrijfster koopt een kaartje voor de trein naar Mechelen. Op 5 augustus meldt ze zich met haar oproepbrief in Kazerne Dossin en vertrekt met het tweede transport op 11 augustus naar Oost-Polen. De transportlijst meldt het volgende: 802.  Lypszcik Sura Pessa, –         25.10.25 – Zdunska Wola, – Staatenl. – Nähschule. Handmatig is een rode letter F toegevoegd voor Frau, zoals 9 van de 10 namen op de lijst. En twee blauwe V’s, twee vinkjes die getuigen dat Sura Pessa wel zeker daar aanwezig was. De trein houdt halt aan de zogenaamde Judenrampe, een perron in het rangeerstation, vanwaar ze na lang wachten nog een 800 meter te voet richting Auschwitz II-Birkenau moest gaan. Sindsdien ontbreekt elk spoor van Sura Pessa. Ze kreeg geen kampnummer getatoeëerd, werd dus niet voor arbeid geselecteerd maar rechtstreeks de dood ingestuurd. Net zoals haar twee zussen en ouders ruim een week later op dezelfde plek. Sura Pessa heeft dit laatste nooit geweten, tegen die tijd was ze al niet meer bij de levenden. Het tweede transport waar zij mee vertrok, vervoerde 999 mensen, slechts drie van hen overleefden de oorlog. Sura Pessa’s laatste woorden blijven als een brok in mijn keel steken. De tranen zoeken al geruime tijd hun weg naar boven. Bij het woord ‘Adieu’, dat zowel Frans als ook Jiddisch kan zijn, slik ik. Dan knalt de krop uit mijn keel en loop ik over. Het is een afscheid van een personage maar evengoed van iemand die echt, het grootste deel van haar korte leven, in mijn huis heeft gewoond. Toen de namen een gezicht kregen, was ik diep geraakt door haar indringende blik. Ik wist meteen dat zij mijn personage zou zijn, zocht en vond een reeks sporen van haar bestaan, bewaard in ambtelijke systemen. Eén foto van haar als baby, op de arm van haar moeder met haar broertje erbij. De andere als bozige veertienjarige vrouw, diezelfde foto die op de muur in Dossin samen met al die andere portretten, een gezicht aan de gruwel geeft. Ik leefde met haar mee als tweejarige peuter, net uit Polen gemigreerd en hier wonend in grote armoede. Ik zag haar opgroeien en spelen, als tienjarig meisje haar kleine geheimpjes tussen de spleten van de plankenvloer verbergen. Ik leefde mee in haar dagboek als zestienjarige puber: kwaad op de wereld die haar verbiedt zichzelf te zijn. Een puber die niet beseft dat ze weer richting Polen wordt gestuurd om te sterven in haar geboorteland dat ze als baby ontvlucht was. Ik rouw om iemand die ik nooit gekend heb, maar die me dierbaar is. Ik rouw om alle twaalf bewoners van mijn huis die naar Auschwitz zijn gestuurd. En om iedereen die hetzelfde lot onderging.

Marieke Genard
38 2

De bakbutton

Jonah en Eli klauteren enthousiast op de keukenstoelen. Ik heb ze reeds tegen het keukenaanrecht geschoven en het hele oppervlak bedekt met bloem. Onze twee jongens nemen hun kleine deegrollen stevig vast. Jonah draait zich naar me om en knuffelt me. Hij zegt me hoe leuk het is dat we eindelijk nog eens samen koekjes kunnen bakken. En dat hij hoopt dat ik vanaf nu terug heel veel goede dagen heb om samen dingen te doen. Ik glimlach, knuffel hem met mijn rechterarm en moffel mijn opgezwollen linkerhand weg.   Het deeg voorbereiden ging niet echt vlot met een linkerhand dat maar half werkt. Eigenlijk deed het pijn maar ik wou het zo graag. Een leuk moment creëren nadat ik terug enkele dagen met koorts door een keelontsteking in bed had gelegen. Onze jongens zien vaak heel wat gebeuren, vangen flarden op uit gesprekken en maken zich zorgen. Iets wat we goed proberen opvangen, kaderen,... maar toch. Verdriet kan je niet goed wegstoppen en dat doen we dan ook niet meer. Soms mag dat verdriet er zijn. Een van mijn grootste zorgen is om hen een zo normaal mogelijk gezinsleven te geven. Wat dat dan ook mag zijn.   Die maandagnamiddag heb ik dus met behulp van een keukenrobot geprobeerd om een koekjesdeeg in elkaar te flansen. Ik kon amper de kom tegenhouden maar het is me gelukt. Mijn linkerhand is twee keer zo dik, rood en de pijn klopt fel in mijn vingers. Toch voelt het als een vreemd soort overwinning.  Alsof ik mezelf net een button met 'Goed bezig moeder' heb opgespeld. Ondertussen zijn Eli en Jonah al druk in de weer met de zandkoekjes. Ze duwen rondjes, bloemetjes en hartjes uit de lap deeg en proppen af en toe een brok in hun mond. Jonah draait zich, bedekt met patisseriebloem,  naar me om en zegt: "Later als ik groter ben dan wil ik een bakker worden die goed kan bakken. En een goede mama en papa net zoals jullie." Daar was ze, mijn button. Ik draag ze al de hele dag met me mee.  

Alice Bremt
1 1

Ademloos

Een maand of twee geleden kocht ik een nieuwe agenda, of nee, twee agenda´s om precies te zijn, een persoonlijke en, hoewel ons huishouden nog maar uit twee personen bestaat, een gezinskalender, iets waar lange tijd geen behoefte aan bestond omdat ik alle afspraken van ieder lid van ons gezin kon onthouden, daar zelfs prat op ging, maar spijtig genoeg vanaf het ogenblik dat ik begon te studeren en te schrijven niet meer zo goed functioneerde, immers, studeren en schrijven zijn twee activiteiten die veel concentratie vragen, en geloof het of niet, maar zelfs om je verbeelding te laten spreken moet je je kunnen concentreren en daar hoort afspraken in je hoofd prenten absoluut niet bij, met als gevolg dat ik nu ieder jaar in november een agenda koop, een agenda die aan verschillende criteria moet voldoen: hij hoort in elke handtas te passen, een buigzame kaft te hebben en glad en wit papier, plus een indeling over twee bladzijden zodat je wanneer je hem openslaat meteen een overzicht hebt van de hele week, wat je hele gemoed in één klap kan doen opklaren, alleszins het mijne, zo keurig en net als mijn afspraken in mijn agenda staan, sommige in potlood en andere in de kleur van mijn lievelingspen, gewoon omdat ik maar niet kan besluiten waarmee ik liever schrijf (ofschoon ik me daarover ook wel weer kan ergeren), omdat, tja, potlood heeft iets provisorisch, nietwaar, alsof het nog niet zeker is wat er staat, wat me enerzijds bij het schrijven goed van pas komt, me anderzijds in mijn kalender zo kan spijten voor de afspraak die ik heb gemaakt, terwijl het koningsblauw van mijn pen iets verhevens heeft, edoch niet bij iedere afspraak past, maar goed, in november heb ik dus twee agenda´s gekocht, een gezinskalender waarin mijn man heel af en toe iets schrijft, en een persoonlijke, een duurzame, gemaakt van graspapier, recycleer- en composteerbaar lees ik op de achterkant, in het juiste formaat en met een buigzame kaft, alleen, het papier is niet wit maar beige gespikkeld en ook niet glad omdat het is gemaakt van snelgroeiend en -drogend gras, waarmee ik niet wil zeggen dat ik daarover struikel, duurzaam is duurzaam, nochtans weet ik vandaag niet goed of ik hem nog wel zo leuk vind, hij ziet er zo leeg uit, en hoewel die weinige afspraken die erin staan zorgen voor perspectief, me het gevoel geven dat ik toch nog íets van een sociaal leven leid, confronteert hij me er ook mee dat dat leven zich hoofdzakelijk afspeelt op het internet, op Zoom, FaceTime en Skype, beneemt hij me soms zelfs de adem, met als gevolg dat ik dan weer mijn heil zoek op Youtube, bij Yoga with Adrienne, om op mijn sportmat in de woonkamer samen met acht miljoen andere gebruikers ademhalingsoefeningen te doen.  

ingridvdk
20 1

Grootse uitspraken van een achtjarige

 ‘Papa, heb je nou geluisterd naar wat je zelf net zei? Zou jíj het fijn vinden als iemand dat tegen jou zei? Zou jij daar een fijn gevoel bij hebben? Ik dacht het niet!’ Aan het woord was onze achtjarige dochter, als alleenstaand kind soms ietwat beperkt in speelopportuniteiten, maar absoluut niet in taal en grootse uitspraken. Dat heb je dan, als je alleen maar volwassenen om je heen hebt en je door je jeugdige leeftijd nog alles als een spons opzuigt en feilloos kan opslaan. En al wil je haar ook soms tegen het behang plakken, onze dochter is het meest prachtige geschenk dat dit leven ons geven kon. Ze is uitmuntend knap, heerlijk briljant, geweldig getalenteerd, onweerstaanbaar grappig,… Enfin, een beetje zoals elke ouder over zijn kind denkt. Maar net als elke ouder voelen we soms de behoefte wat bij te sturen. Omdat ze bijvoorbeeld al eens met zichzelf in de knoop ligt, maar toch een torenhoog verlangen heeft erbij te horen, gedraagt ze zich bij momenten als een stoerdere kopie waarbij ze – lachend en met goede bedoelingen – toch kwetsend of denigrerend kan overkomen.  Het was op één van die momenten dat we haar diets hadden proberen maken dat ze best kon proberen om zich naar anderen te gedragen zoals ze zelf behandeld wilde worden. Ondanks onze zoveelste poging om haar respect voor anderen bij te brengen, zagen we haar nadien toch af en toe hervallen in oude gewoonten, alsof onze inspanningen ijle woorden in de lucht waren geweest… Tot dus op het moment dat mijn echtgenoot – momenteel in een spannende fase op zijn werk – mogelijk een ietsiepietsie cru klonk bij het invraagstellen van mijn kookkunsten. Met haar gevatte opmerking bracht ze ons niet alleen in de onmogelijkheid ons gezicht in de plooi te houden, ze bracht ons onze eigen wijsheid bij die we zelf even vergeten waren. Bedankt wereld, dat er kinderen zijn!

Tinkelbel
18 1

Sneeuwwitje en de zeven vrijgezellen

Op een dag, een jaar of achttien geleden Stond Georges in de keuken met een mes Hij sneed groentjes voor het avondeten Want het liefst verloor hij een kilo of zes Buiten begon de eerste sneeuw te vallen Zag hij door het aluminium raamkozijn Terwijl zijn gedachten afdwaalden Voelde hij plots een stekende pijn Het bloed drupte van zijn vinger Langs zijn mes, op het kookeiland Snel nam hij een keukenhanddoek Daarmee droogde hij zijn bloedende hand En plots voelde hij een intens verlangen Naar een dochter, klein maar fijn Met rode lippen, een witte huid En haar zo zwart als het raamkozijn   De buik van zijn vrouw begon te groeien Ze werd naar het ziekenhuis gereden Daar kreeg hij zijn gewenste dochter Maar zijn vrouw was overleden Georges wachtte niet af, maar sprong in zijn wagen En racete als de bliksem naar huis Hij nam het mes, sneed in zijn vinger En wenste een nieuwe vrouw in huis Zijn gsm begon meteen te trillen En meldde een nieuwe match op Tinder Een tovenares had hem gevonden Dus stuurde hij een Uber naar ginder Wat later kwam ze toe met haar koffers En duizenden volgers op Instagram Ze maakte foto’s van iedereen Die naar Sneeuwwitje kijken kwam Elke dag nam ze honderden selfies En vroeg aan de gsm in haar hand Twitter, Facebook en Instagram Ben ik niet de mooiste van het land?   Zo kabbelde het leven verder Sneeuwwitje werd langzaamaan groot Tot op een dag een onbekend virus Iedereen bij zich thuis opsloot. Sneeuwwitje moest thuis les volgen En maakte een account op TikTok aan Ze had meteen tienduizend volgers Dat kon haar stiefmoeder moeilijk aan Zo pijnlijk van de troon gestoten Bedacht ze een naargeestig plan Toen Sneeuwwitje buiten joggen ging Belde ze een klusjesman Die installeerde nieuwe sloten Op alle deuren van het huis Sneeuwwitje kon nu niet meer binnen En haar mobieltje lag nog thuis   Met haar vader in het buitenland Was ze helemaal alleen Ze beet op haar lip en dacht diep na Waar ging ze nu het beste heen? Het virus waarde in de stad Daar bleven alle deuren dicht Dus wandelde ze naar het bos En veegde de tranen van haar gezicht Ze wandelde tot ze durfde Bij een huisje aan te bellen Toen de voordeur open ging Stonden daar zeven vrijgezellen Met vier mochten ze in één huis En hier woonden ze al met zeven Maar omdat ze zo betoverend was Vergaten ze de regels even   ‘Wat ben je mooi,’ zeiden de mannen ‘Lust je soms een kopje thee? Het is warm in de woonkamer En de koers is op tv’ Sneeuwwitje zuchtte opgelucht En ging met hen mee naar binnen Maar toen de politie kijken kwam Konden ze niets beginnen Een lockdownfeest, oordeelden zij Iedereen kreeg een zware boete En Sneeuwwitje, het arme kind, Zou naar het politiekantoor mee moeten Gelukkig reed de prins voorbij Hij liet haar meerijden in zijn Lexus En na tien dagen quarantaine Kreeg ze van hem haar eerste kus  

Caroline Van Steenbergen
0 0

Die ene

Hoi! ik ben… Ach, ik ga je niet eens vertellen hoe ik heet. Want we weten allemaal wat er gaat gebeuren zodra ik dat heb gedaan. Jullie glimlachen vriendelijk en knikken een keer jullie hoofd. Vervolgens doe ik mijn zegje, jullie geven mij een applaus. Daarna glimlach ik, op mijn beurt, vriendelijk en knik een keer mijn hoofd. Tot slot loop ik hier weg en zijn jullie allemaal vergeten wie ik ben. Dan praten jullie straks na en hebben jullie het over die ene vrouw. Hoe heette ze nou toch, het ligt op het puntje van mijn tong. Maar dat ligt het niet, Truus, en je weet het. Je probeert gewoon net te doen alsof je kortetermijngeheugen nog net zo goed is als 10 jaar geleden, ondanks wat de dokters zeggen. Dus ik ga het jullie makkelijk maken. Ik ben die vrouw met dat korte haar. Ik ben die vrouw met de rode lippen, omdat haar lippen anders blauw zijn van de kou. Ik ben die vrouw die dikke klodders mascara op haar wimpers heeft gesodemieterd, omdat ze de mascara van haar moeder moest lenen. Omdat haar eigen make-up al 3 jaar op is en ze al 3 jaar lang te lui is om naar de winkel te gaan. Ik ben die vrouw, die vanmorgen dacht; wat zou ik eens gaan aantrekken? En het enige wat er in haar briljantje, modebewuste hoofd opkwam was een witte blouse met bretels. Want blijkbaar heeft die vrouw niet de innerlijke prinses in haarzelf gevonden maar de werkende man uit 1950. Ik ben… Ik ben… Ik ben…. Niemand... En iemand. Een van de miljarden. Dus ik ga jullie de moeite besparen. Klap in je handen, glimlach vriendelijk en knik een keer met je hoofd. Dan doe ik dat ook.    

Anne Bouma
24 0