Lezen

Vast

De ijzeren poort valt met een metalige klik achter me in het slot. Een paar seconden lang blijf ik staan en wrijf met mijn linkerhand over mijn geschoren kop. Buiten. Voor het eerst in jaren proef ik echte verse lucht in plaats van die mengeling van stinkende sokken, zweet en waterachtige tomatensoep. Dit voelt fucking great. Het is vreemd om terug mijn eigen kleren te dragen, ze herinneren me aan de jongen die ik was toen ik hier binnenkwam. Ik zet mijn oude Antwerp-pet op, krom met beide handen de klep. ‘Christos!’ Met uitgestoken hand komt Hugo naar me toegelopen. Zijn kaki parka is te groot en de pijpen van zijn geklede broek te lang. ‘Ben je er klaar voor?’ Ik vergeef hem zijn zenuwachtige lach, ik moet mijn focus zien te behouden. ‘I was born ready, Hugo. Ik ga het goed doen deze keer. Serieus.’ Ik schud zijn slappe hand en trek de kraag van mijn jeansjas recht. ‘Hebben we nog tijd voor een sigaretje?’ Zonder zijn antwoord af te wachten schud ik een Bastos uit het verkreukelde pakje en steek hem op. De eerste trek is altijd bitter, maar hier komt de smaak zoveel sterker binnen dan achter de muren. Ik heb zo lang uitgekeken naar het moment dat ik hier zou staan. Het is anders dan ik had gedacht dat het zou zijn. Ik neem een trek, gooi mijn hoofd in mijn nek en adem nog dieper in. Hugo glimlacht en neemt plaats achter het stuur terwijl ik de rook langs mijn neusgaten uitadem. Aan de autospiegel hangt een grote rode dobbelsteen van pluche. Normaal rook ik mijn sigaretten helemaal op tot aan de filter, binnen zijn ze schaars goed en vooral overprijsd. Nu neem ik haastig nog een lange trek, gooi de halve Bastos op de grond en trap hem uit met mijn voetzool. Gewoon omdat het kan. Binnenkort kan ik zoveel sigaretten kopen als ik wil. Ik open het portier van de wagen en probeer plaats te nemen op de passagiersstoel. Mijn benen zijn te lang, mijn knieën zitten pijnlijk tussen mijn eigen lijf en het handschoenkastje gekneld. Wanneer we een twintigtal minuten later een parking oprijden, krijg ik een opgewonden gevoel in mijn maag. Mijn darmen rommelen en mijn linkerbeen trilt onophoudelijk, ik krijg het maar niet onder controle. Ik hoop dat Hugo het niet opmerkt. Ik moet deze job gewoon binnenhalen. Mijn hele toekomst hangt van dit moment af. ‘Het is zover,’ zegt hij zacht terwijl hij de motor van de wagen stil legt. Het is aan mij. ‘Wat is het eerste dat je gaat doen wanneer je vrijkomt? Ik bedoel, als je deze job in de wacht sleept?’ Ik hoor een lichte aarzeling in zijn stem. Nu pas besef ik dat ik niet weet of hij op de hoogte is van mijn dossier, maar zijn blik verraadt niets. ‘Weet ik niet. Ik mag de rest van mijn straf in huisarrest met een enkelband uitzitten. Overdag werken, ’s avonds thuis.’ Zonder er erg in te hebben leg ik een rare klemtoon op het woord thuis. ‘Ik wil wel naar het frituur gaan. Een grote met satékruiden en een curryworst special bestellen. Met curryketchup.’ Hij lacht en legt zijn warme hand op mijn schouder. ‘Ik weet zeker dat je het goed gaat doen. Blijf gewoon rustig. Laat je niet uit je lood slaan, jongen. Je bent het waard.’ Ik kan me niet herinneren dat iemand ooit zoveel vertrouwen in me heeft gehad en ik vind het moeilijk om niet te laten zien hoe erg zijn woorden me raken. ‘Ok. Wish me luck!’ zeg ik terwijl ik mijn opgetrokken benen uit de auto wring. ‘Ik duim, man. Ik kom je binnen een uur hier weer ophalen.’ Ik sla het portier van de wagen dicht, te hard, en loop naar de deur waarop ik in witte letters ‘onthaal’ zie staan. Wanneer ik achterkom kijk, zie ik dat Hugo een duim naar me opsteekt.  Today is the first day of the rest of your life, denk ik terwijl ik even een vuist maak om mezelf op te peppen. Ik wil naar het onthaal lopen, maar mijn voeten willen niet mee. Achter me start Hugo de motor terug, voor ik het besef rijdt hij weg. Voor het eerst in bijna tien jaar ben ik helemaal alleen. Niemand heeft me in de gaten, ik zou perfect kunnen weglopen. Tegen dat Hugo door heeft wat er gebeurd is, zou ik allang verdwenen zijn. Het weer is omgeslagen, de wind striemt in mijn gezicht. Binnenkort is het zover, de speeltijd is voorbij. Verstandig zijn. Ik mag het deze keer niet verpesten. Mijn blik glijdt over het grote gebouw waar ik binnenkort zal komen werken. Het is zo indrukwekkend groot dat ik er ongemakkelijk van word. Hoe moet ik dit allemaal doen? Ik knijp mijn ogen dicht en probeer rustig adem te halen, zoals ik het in de agressiebegeleiding heb geleerd. Dit keer lukt het niet, ik krijg bijna geen lucht binnen. Ik heb een groot deel van mijn volwassen leven achter tralies doorgebracht, en nu moet ik het plots zelf gaan doen. Waar zal ik gaan wonen? Ik adem diep in en uit en begin doelloos te wandelen. Ik moet mezelf zien te kalmeren. Ik mag het niet verpesten. Niet nu. Wat als ik niet sterk genoeg ben? Wat als het weer fout loopt? Ik kan dit niet. Dit komt niet goed. Wat moet ik doen? Het lijkt wel of er een steen van honderd kilo in mijn hoofd zit. Ik kan niet helder meer nadenken, ik moet hier weg.

Annelies Leysen
0 0

Brief aan mijn psychiater

Ik at vandaag een overrijpe peer en vergat mijn medicatie te nemen. Dat waren allebei aangelegenheden met een bijzonder gevolg. Het vruchtvlees van een overrijpe peer is vaak korrelig en dat vind ik vreselijk. Om de smaak zo snel mogelijk weg te krijgen stak ik alles wat ik in mijn vrijwel lege ijskast kon vinden in sneltempo binnen. Een stuk gesmolten en terug uitgedroogde kaas, een potje mango-yoghurt waarvan het dekseltje al bol stond en een stuk rauwe paksoi. In mijn blinde paniek vergat ik dat ik nog een grotere hekel heb aan paksoi dan aan overrijpe peer, maar toen ik het me realiseerde was het te laat. Plots proefde ik alleen nog de tongkus van mijn vorige geliefde die wel graag paksoi at en er elke week een uit de winkel meebracht, ook al vroeg ik keer op keer om dat niet te doen. De smaak van die vorige geliefde deed me kokhalzen. Ik gaf drie keer over en ging toen op de koude badkamervloer liggen tot de stenen warm en ik koud waren geworden. Geen idee hoeveel tijd er voorbij was gegaan. Toen ik opstond, voelde ik die zware mist in mijn hoofd optrekken. Die mist die niet in woorden te vatten is maar die oorverdovend een chemisch onevenwicht in je hersenen aankondigt. Nu ik erover nadenk weet ik niet goed of het wel mist is, en geen vijf meter sneeuw. Het resultaat is namelijk hetzelfde: je zit vast, opgescheept met jezelf, en je kan niets doen. Probeer je dat toch, dan wordt je letterlijk en figuurlijk verpletterd. Als ik u dit zou vertellen zou u meteen mijn dosis verhogen, dokter. U zou zwijgen, knikken, schrijven. En ondertussen zou ik die nieuwe tennisbaan in uw tuin betalen, bij elke seconde die wegtikte. Tachtig euro per kwartier. Nog eens twintig voor de nieuwe pillen. En mijn koelkast is al zo leeg. Daarom ben ik gestopt met onze afspraken, dokter. Nog meer sneeuw kan ik niet aan. Geen zorgen dokter, ik zal u schrijven. Dan hoeft u me niet te missen en hoeft u zich geen zorgen te maken. Het gaat goed met me. Op goede dagen drink ik koffie en kijk uit het raam naar de naakte overbuurman. De straat is te breed dus zijn piemel kan ik niet echt goed zien, maar zijn donkere rugharen vormen een pijl, van aan zijn schouders tot aan zijn bilnaad. Hij verschijnt altijd maar enkele seconden voor het raam, dus ik moet de hele dag op de uitkijk staan om hem niet te missen. Dat is een fijne bezigheid. En op slechte dagen lig ik op mijn badkamervloer, samen met dat chemische onevenwicht en die sneeuw. We hebben er al zo vaak gelegen dat we aan elkaar gewend zijn geraakt. Ik hoop dat u mij niet te erg mist, dokter. Het zal vast moeilijk zijn om me los te laten, maar voor u het weet is er iemand anders die elke vrijdag om 11 uur in uw wachtkamer zit wanneer u de deur opent. En ooit, dat weet ik zeker, kom ik weer bij u terug.

Annelies Leysen
78 7