Lezen

Voor de kleine groten

In de twaalf jaar dat ik mijn ouders gehuwd heb gekend, heb ik ze nooit jaloers gezien. Ik weet niet of het een overvloed, dan wel een schaarste aan liefde was.Mijn ouders waren geen reizigers; ze leefden op een uitgesleten piste die ze rondgingen als afgeleefde lastdieren. De één torste ego mee, de andere angsten. Beiden noemden het rede. Toen wist ik nog niet dat rede altijd acheraf kwam. Volwassenen kunnen namelijk alles uitleggen, vooral aan zichzelf.Het huwelijk kende problemen, zeker. Maar geen problemen die achteraf pas helder werden. Er was geen geweld, geen alcohol of overspel. Er was wat er altijd was, onrust.Onrust is een evolutie. Onrust is honger in de nacht. Onrust is een kettingbotsing van wegkijken. Mijn ouders waren bang van vele dingen, zoals volwassenen wel vaker zijn. Je moet ze niet te veel toevertrouwen. Ik heb ze bijvoorbeeld nooit gezegd dat ik gepest werd , dat kunnen ze niet aan.Kinderen snappen dat veel beter. Volwassenen zijn als kinderen, ze kunnen het gewoon beter verstoppen.Achteraf, als de storm lijkt te liggen (als een rotweiler, sluimerend achter een hek) merken ze het; je kunt niet op vakantie gaan zonder jezelf mee te nemen.Ze pijnigen anderen om niet altijd het slachtoffer te spelen. Want ego en angsten brengen ego en angsten. De ziekte zit namelijk in de remedie.Ze willen dat wij, kinderen, opgroeien. Maar wat ze niet beseffen is dat we niet opgroeien, maar afgroeien, als het waar. We spreken onszelf toe zoals we aangesproken worden. En wij willen niets meer dan liefde in ons eeuwig huwelijk met de volwassenen. Tot ook wij de zekerheid van onze gebroken kindertijd missen als het mes waarmee we ons snijden. De wind blaast het zand over de ruïnes van onze herinneringen. Ons bewustzijn is een woestijn.Kinderen zijn als volwassenen, denk ik dan. Ze kunnen het gewoon beter verstopen.

Stelselmatig
8 1

Verlies van lading

Wij zijn het verlies van lading. Wij zijn meesters in het verrassingseffect. Het is een heerlijk gevoel om met het lot te kunnen spelen. Vaak zijn we goedgezind en zorgen we voor een vleugje humor doorheen de dag. Zo lieten we ons enkele jaren terug flink gaan in Rusland, waar we besloten om twee trucks tegen elkaar te laten botsen. De lading gele verf gutste over de achterliggers. Het was best een maf zicht, en de wereld zag er toch heel wat kleurrijker uit. Dit vinden wij een mooie verdienste. Soms hebben we ook eens een dag waarop we eerder kiezen voor het lugubere, om mensen een lesje te leren. In Taiwan hadden we ons plezier met een walvis van zo'n 45 ton. Het lijk lag rustig op een oplegger, dat kan je nu eenmaal van lijken verwachten. En toen de oplegger een drukke verkeersader doorkruiste, kozen we ervoor om het te laten exploderen. De hele omgeving zat onder walvisblubber en wij waren alvast verlekkerd op de uitkomst. Het zal ze leren om een dood dier door de stad rond te zeulen, laat dat dier toch gewoon rustig vergaan op het strand. Vandaag hebben we het op Marine gemunt. We weten dat op het moment dat de Pyrex-schaal zich door de voorruit zal boren, zij maar aan één ding zal denken. Het zal haar terugbrengen naar een donderdag zo’n dertig jaar geleden, toen ze met haar vader net een nieuw zwembad was gaan uitkiezen. Een dolle pret zou het worden in het grote zwembad dat haar ploeterbadje zou vervangen. Wij zagen al dat het zwembad nooit in het achtertuintje zou passen, en vonden het onze taak het zwembad daarom nooit op z’n bestemming te laten aankomen. Ook het kleine Renaultje R4 van haar vader was trouwens niet opgewassen tegen de grote verpakking en het kostte wel wat moeite om deze in het wagentje te proppen. Maar toch, na heel wat gesakker en gevloek kon haar vader vertrekken, weliswaar met de koffer open en slechts wat dichtgebonden met een touwtje dat hij nog ergens vond. Het zou maar een klein stukje A7 worden. Het liep allemaal goed tot wanneer haar vader het gaspedaal wat dieper indrukte. Marine zat op de achterbank en genoot van de wind die door haar haren speelde en deze tot een suikerspin lieten oprijzen. Ze kirde het uit. En toen gebeurde het, wij telden af tot op de seconde. Drie, twee, een. De kartonnen doos gleed uit de wagen en spatte open op het asfalt. De vrachtwagen die achter de auto hing kon niks meer ontwijken en de zware wielen vermorzelden het pakket. Marine’s vader werd lijkbleek en Marine schreeuwde als een klein varkentje dat naar de slachtbank werd geleid. Nooit zou ze het hem vergeven. Wisten wij dat er een woede zou ontsteken die enkel zou gestild worden door eten. Massa’s eten. Marine barstte uit haar voegen en pas toen haar vader stierf, verdween ook de woede en de zin naar eten. En net vandaag, nu ze op weg is naar de Weight Watchers-bijeenkomst en ze aan het dromen is van een overvloedige maaltijd om haar kleine triomf te vieren (die 10 kilogram is er eindelijk af!) sturen wij een schotel worsten door haar voorruit. Naast de meesters van het verrassingseffect zijn wij immers ook meesters van de ironie. (Geschreven na het lezen van volgende artikel 'Vliegende schotel met worsten knalt door voorruit van rijdende wagen' : https://www.hln.be/bizar/vliegende-schotel-met-worsten-knalt-door-voorruit-van-rijdende-wagen~ade227a6/)

Jolien Van de Velde
9 0

De definitie van God

In navolging van mijn vorige blogpost wil ik even inzoomen op mijn definitie van het woord God. De weerstand die er bestaat ten opzichte van dit woord is rechtstreeks te linken aan de christelijke mythologie. God wordt er omschreven als een alwetend en -ziend opperwezen, waartegenover wij nietig zijn. Hij zou ons dan wel onvoorwaardelijk liefhebben, als zijn eigen kinderen, toch werd ons diep ingeprent dat we zondaars zijn en schulden hebben die door Hem dienen vergeven te worden. Het Christendom heeft er altijd een erezaak van gemaakt om een gevoel van minderwaardigheid levend te houden onder haar aanhangers. Geen wonder dat we ons doorheen de tijd steeds meer collectief zijn gaan afwenden en wetenschap de plaats van God lieten innemen. Zoals zoveel mensen, groeide ik op met het christelijke beeld van God. Maar mijn immer vragende en zoekende geest heeft ertoe geleid dat ik gestaag een persoonlijke definitie van het woord heb gevormd. Als ik mezelf in een hokje met het label ‘geloof’ moet wringen, dan zou ik zeggen dat ik een pantheist ben. Dit houdt in dat ik ervan overtuigd ben dat alles, ondanks de versplinterde aanblik, één geheel is. Dat werkelijk alles met elkaar verbonden is. Of zoals Jeroen Brouwers het zo mooi verwoordde: niets bestaat dat niet iets anders aanraakt. Ik zou het woord God willen losmaken van de christelijke connotaties waaronder het gebukt gaat. Dat vraagt om ruimdenkendheid en de wil om eigen, al dan niet aangeleerde, overtuigingen los te laten. God staat voor mij synoniem voor het grote geheel, voor de eenheid die alles omvat. Deze eenheid bestaat uit bewustzijn en ervaart spelenderwijs alles dat er maar kan ervaren worden. Bewustzijn heeft geen vorm, maar is wel in staat om eender welke vorm te scheppen. Ik denk dat de meeste mensen mij zullen volgen in de stelling dat ieder levend  wezen over een zeker bewustzijn beschikt, maar ik ga nog een stap verder door te zeggen dat alles een bewustzijn heeft. Zo ervaren de kussens waar ik nu tegenaan leun hoe het is om een kussen te zijn, met het bewustzijn van een kussen uiteraard. Je zou al dat bewustzijn kunnen onderverdelen in hoog en laag bewustzijn of op z’n minst een onderscheid maken tussen levende en dode materie. Maar dat doe ik bewust niet, want God heeft geen oordeel over de aard van een bepaald bewustzijn. Alles dat bestaat, heeft als enige doel om te bestaan. Omdat het kan, omdat God het kan bedenken/maken. Omdat Hij* het wil ervaren. De wetenschap heeft bewustzijn onlosmakelijk gelinkt aan het hebben van een brein, maar stel dat we de definitie van bewustzijn open trekken. Stel dat bewustzijn gelijk staat aan de trillingsfrequentie van iets of iemand. Als een geniale kunstenaar schept God, bestaande uit niets dan bewustzijn, een oneindige diversiteit aan bewustzijnsvormen. In die zin klopt het inderdaad dat we  kinderen van God zijn, aangezien we uit hetzelfde ‘materiaal’ verwekt zijn. Je zou je kunnen afvragen waarom God zoveel leed het leven heeft ingeroepen en het antwoord is omdat Hij staat voor absolute liefde. Absolute liefde is onvoorwaardelijk en oordeelt niet. God is zo liefdevol dat Hij niets het bestaan ontzegt, dus ook niet de dingen die wij mensen als ‘slecht’ bestempelen. Het uitsluiten van bepaalde ervaringen beknot de totaalervaring die het leven is. Absolute liefde laat toe dat alles er mag zijn. En dat wij een vrije wil en keuzevrijheid hebben. Zo kunnen we ervoor kiezen om onszelf en anderen te vernietigen en toch integraal deel blijven uitmaken van de grote eenheid. Dat is goddelijke liefde. Elk deeltje, mens, dier of object, is een perspectief van God. Het goddelijke creërende bewustzijn staat niet los van Zijn creaties, maar maakt er deel van uit. Op dit moment is God alles aan het ervaren wat er ook maar ervaren kan worden. Alles tegelijk, zonder tijd of ruimte in te nemen. De ervaring van tijd en ruimte is een mogelijkheid die werd gecreëerd, een wet die het menselijk bewustzijn afbakent, maar is daarom niet op het grote geheel van toepassing. Ons menselijke individuele perspectief is slechts een minuscuul deeltje, een klein kijkgaatje, van waaruit wij het bestaan waarnemen. Om onze menselijkheid voluit te kunnen ervaren, is het noodzakelijk dat we beperkt zijn. Want elk bewustzijn heeft grenzen nodig om te bestaan. Om voluit mens te kunnen zijn, moeten we ook leven binnen de grenzen van een mens. Om de ervaring compleet en immersief te maken. Op dit moment ben jij God die een tekst leest over zichzelf vanuit het perspectief van een mens. Simpelweg omdat dat een mogelijkheid is die God wil ervaren. Er is nog zoveel dat ik zou kunnen zeggen over God, maar ik geloof dat ik hiermee de essentie van mijn definitie heb neergezet. *gemakkelijkheid halve schrijf ik ‘Hij’, maar onthoud dat God geen gender noch vorm heeft.

KarolienDeman
226 1

Risicovolle busritten

De lijnbus remt zo abrupt dat sommige staande reizigers zich stevig moeten vastgrijpen. Gelukkig zit ik al. Enkele jonge meisjes gillen en het is niet duidelijk of ze er nu plezier in hebben of echt geschrokken zijn. Wel duidelijk is de woede van de buschauffeur en het geroep van jongeren die hun energie blijkbaar niet meer de baas zijn. De bus staat stil! Ik voel een koele bries in mijn nek. Een welkom contrast met de sfeer die nu in de bus hangt. Het is me niet helemaal duidelijk waar de onenigheid om gaat. Dit is niet mijn eerste risicovolle busrit. Zelfs niet mijn tweede…   In tijden waarin volgepropte bussen en spettertjes spreekspeeksel nog geen gevaar waren, rolde ik eens bijna van mijn klapstoeltje van plaatsvervangende schaamte. De ruzie toen was vreselijk. Vreselijk gênant vooral. Een oudere man, pas opgestapt vroeg vriendelijk aan een jongedame of ze haar plaats wilde afstaan. Het was al een wonder dat hij met zijn rollator op de bus geraakt was én blijven rechtstaan. De dame in kwestie keek de man aan met een blik waarvan ík blij was dat ik al zat. Ineens schoot ze recht, ze schold de man uit met argumenten die volgens de verbaasde uitdrukkingen van alle andere reizigers, geen steek hielden. ‘Mijnheer, ziet u niet dat ik een kind bij me heb! Ziet u niet dat ik hier ook nauwelijks kan bewegen tussen het raam, de buggy en deze veel te smalle stoeltjes! Ziet u niet dat… ‘ Ze was blijkbaar zo overstuur dat ze niet eens zag dat de bus leegliep bij een volgende halte, dat de man plaats had genomen twee stoeltjes verder en dat haar peuter aan het krijsen was. Gelukkig was er wel iemand die haar – voorzichtig – vriendelijk vroeg of zij hier ook af moest stappen. Daarna werd het stiller. Veel stiller, zoals ik het nu mezelf en de andere volwassen reizigers ook wens.   Ik zie beweging in de spiegel. Er wordt iemand met een volgeschreven en kletsnat mondmasker – God en zijn discipelen mogen weten hoe dat gebeurd is – verzocht af te stappen ‘desnoods met fysieke begeleiding’, hoor ik de chauffeur nog zeggen. De hele bende scholieren stapt af, roepend en gebaren makend, er is zelfs één die spuwt, maar het wordt nu wel rustig. De bus nemen in deze tijden zonder uitlaatklep voor deze of andere jongere, is altijd een beetje een risico.

Anemos
73 1