Lezen

Zonderling

Hij keek naar me vanuit de klokkentoren. Nu zag ik hem. De contouren van zijn gezicht lijnden zijn neusbrug af tegen de westenzon en de slagschaduw verlengde zijn wimpers. De hoeken van zijn kaken spleten de kille wind. Hij leek nog zwaarder in de toren verankerd dan de klok die achter hem hing. En hij keek naar mij. Was het aan mij om de verrekijker neer te leggen? Was het aan mij om actie te ondernemen? Of zouden we naar elkaar blijven staren door deze vettige glazen die het licht zo buigen, op een manier dat je vlakbij bent? Zou jij nog iets ondernemen? Ik dacht van niet. Je stond doodstil, net een standbeeld, bevroren in de klokkentoren. Maar jij voelde dat niet. Jij leek al dood. Wanneer je zo één bent met de kilheid, voel je die op den duur niet meer. Ik daarentegen, lag hier doorweekt in het natte gras, mijn armen zwaar van de verrekijker te tillen. Ik wist niet eens of ik mocht bewegen. Of je blik dat wel toeliet. Gisterenavond telde ik precies twaalf bosjes sneeuwklokjes in de voortuin. Vanmorgen maar negen. Dat was iets waarvan je dacht dat ik het nooit zou opmerken. Ik weet niet waarom net die sneeuwklokjes de doorslag gaven om je te volgen. Zo bijzonder ben ik niet aan ze gehecht. Misschien was het omdat ik een vrije dag had, zonder plannen. Ik bleef zitten met een benauwdheid die gedurende de dag aanzwelde. Een tinnitus die de ochtend verstoorde, een ambetantigheid tijdens het middageten, een verstorend gebrom in de namiddag. En ’S avonds? Tja, ’s avonds een luide slag toen ik je zag staan.

Tiktaalik
7 0

Hoe gaat het met Lucy

Hoe gaat het met Lucy?  Twee vrienden zitten samen voor een picknick.   Gert. Lang geleden dat we dit nog gedaan hebben, hé! Karl. Ja, maanden.  Gert. Kijk, ik zet de zelfgemaakte tonijnsla, boerenworst, rauwkost en stokbrood hier tussen                  ons.   Karl. Ziet er lekker uit. Een glaasje bubbels?  Gert. Hmmm, dat smaakt, zelfs in een plastiek bekertje. Bij je favoriete wijnhandel gaan halen? Karl. Ja ja, je kent me hé, kwaliteit voor kwantiteit. Gert en Karl. Hhahhaahahha (met een dubbelzinnige ondertoon, denk aan ‘hoe vettiger hoe prettiger.) Gert. Mag ik de fles even terug? Dan draai ik er wat aluminiumfolie rond, zo blijft die fris. Karl. Heerlijke tonijnsla. Hmmmm en dat stokbrood, kraakvers. Je hebt je uitgesloofd, hé! Gert. Hmmja. Karl. Dank je. (Korte stilte) Karl. Hmm, smak, hmmm (Korte stilte) Gert. Mogen we hier wel alcohol drinken? Karl. Pffff, tja. Gert. Laat ons drinken op kwaliteit en kwantiteit! Karl en Gert. Cheers!  Gert. Zeg eens Karl, heb jij nog wat gehoord van Lucy?  Karl. Lucy? Ik heb haar al een tijd niet meer gehoord. Jij? Gert. Dat is maanden geleden! Karl. Ik heb ook geen bericht meer zien passeren van haar op sociale media. Gert. Vreemd, normaal gezien post zij wel zeker elke dag iets. Karl. Ook in de WhatsApp groep is het even geleden. Niet? Gert. Karl! Kom met je hoofd iets dichter dan maak ik een selfie van ons en gooi ik die in de groep. Karl. Strak plan. Ligt mijn haar goed? Gert. Ik doe er een filtertje over, en nee Karl, je gaat ze nu niet eindeloos bestuderen.  Karl. Alsof ik zo ijdel ben. Gert. Ach, zolang je bij mij maar niet te veel met jezelf te koop loopt. Karl. Toch blijft het vreemd dat we haar niet meer gehoord hebben. Gert. Voor zo een babbelkous is dat inderdaad niet normaal! (Korte stilte) Gert. Gaan we wandelen? Karl. Goed. Zet je mondmasker op! Gert. Ja ja (beteuterd). Zag je die jogger?  Karl. Ja hoor, zag jouw kijken! Echt niet mijn type! Karl. Laat ons onze beentjes strekken.  

filip sebreghts
47 0

Vaslav Nijinsky

  Een leven, een verhaalvol van onbedachtzame keuzesop een podium waar de hoofdrolspeler weinig inspraak heeft gehad. Een poging tot het verwerven vanroem,diepgang,vernieuwing,grip op het onbegrijpbare.De wijsheid van het leven begrijpen, grijpen en delenmet een publiek. Een publiek dat een god adoreertdie herkenning brengt,het vertrouwde oude,dat diezelfde god verafschuwt wanneer hij een voorspelling brengtvan een vernieuwing die hen voorbijstreeft. Een god menselijk door afhankelijkheiden schijnheilige onschuld,als speelt hij vandaag de rol vanhet verwende jongetje dat woont in het kasteel op de berg. Een leven, een zoektochtnaar uiting van gemis,van noden. Een uitingdie zijn oorsprong vindt in de kunst.De kunst met zijn duizenden gezichten.Hij zoekt er éénEn vindt ze allen, één per één,als het speelgoed in een kinderkamer,net opgeruimd door de plichtsbewuste knecht.Hij wacht…op het kinddat gaat spelen en alle orde wegveegtin een spel van zijn fantasie. Het kinddat hij nodig heeftom de gelijkenis in de spiegel te zienen zelf een kamer te ontwerpen,zo radicaal dat het elke verwachting overstijgt.Elke verwachting die is gebouwd op slechte fundamenten. Een kamer in zijn hoofd,in zijn ziel,in zijn gevoel.Wat wordt eerst aangetast door een maatschappij?Een maatschappij van gekkendie enkel projecteert, projectie op waarheid;die manipuleerten binnensluipt in een kamerwaarvan de muren nog nat zijn van de verf,niet beschermd tegen besmeuring. Te laat! Te laat! Te laat? Een leven, een toewijdingaan een goddelijke opdrachtdie nooit dezelfde helderheid zal tonenals het licht aan het einde van de tunnelveroorzaaktdoor witte jassen en murenin een hypnosevan testen en consultaties,van waarheid en leugen, van God en duivelmaar waarin geloof blijft rechtstaan,enkel om de ontroostbare verlating nooit te ontmoeten. Een hypnose waarvoor men de remedie te laat bedachtomdat de genezer de moed had achtergelatenergens in de down van zijn leven,terwijl de up achter de hoek te wachten stondmet een nieuwe tijdsgeest en het woord dansstevig vast in beide handen. Ella Meeusen

Ella Meeusen
21 0

lente

In de te kleine straat dweilt een man zijn gang. Het is zaterdag dus kuisdag. Zelfs nu de zon het weekend in lichterlaaie zet. Er zijn rokjes met meisjes op fietsen. Ballonnen en buggy’s.Jonge ouders die voor het eerstsamen het platgetrapte pad vanhoekje om betreden. Ze weten nu wat, naast geluk, ookeenzaamheid is. De man, met de dweil stevig in beide handen,knijpt hem droog in een emmer, zwart en gedeukt.Het vieze water met de geur van bruine zeepdoet hem denken aan de binnenkant van een bakkerij. Altijd.Dus krijgt hij zin in zoet. Éclairs bijvoorbeeld of carré confiture. Starend naar de bakkerij waar nu Turken de boel bestieren, vraagt hij zich af of ze dat daar hebben. Ik ken ze niet, denkt de man die nu, de dweil slap om zijn arm, zijn buurt inkijkt. Ik ken niets meer. Moedeloos, bijna droef, zet hij zijn vogelkooitje buiten. De kanariepiet zingt vastberaden liederen waar menig kind voor smelt. Hij slaat de dweil om de trekker en met lange halen geeft hij de gangeen laatste beurt. Er stopt een kind, zo te zien zonder ouders in de buurt, dat met halfdicht geknepen ogen naar het kooitje staart en met zijn kleine vinger wijst naar de vogel die, halfstok nu, blijft proberen de zon te vangen in zijn lied.  De man ziet zichzelf en krijgt nu naast zin in zoet ook zin in kervelsoepzijn mond die wordt schoongeveegd aan de schort van zijn grootmoeder, die hinkend op spataderenbenen het tuinpad op en neer wandelt. Één traan die zwaarder weegt dan zijn sowieso al niet lichtzinnig gemoed valt op de net geboende gang. Toch voelt de man weinig nood om zich te herpakken. De moeder van het kind grijpt het bij de hand, mompelt dat hij bij haar moet blijven, knikt beleefd de man gedag, ze ziet zijn betraande ogen, zijn ingevallen kaken geven verdriet een quasi tijdloze glans. Die vrouw kon zijn dochter zijn maar ze is het niet. Zijn dochter is niet meer, gestorven in een auto waarvan de bestuurder dacht onsterfelijk te zijn. Waarna een vangrail zijn these vakkundig de nek omwrong. Na haar dood werd de te kleine straat plots erg groot. Onmetelijk was de afstand tussen straat en trottoir. De greppel een slotgracht die herinneringen zwelgt als tol zodat na ieder ommetje het beeld van zijn meisje vager werd. Hij voelt weer hoe zijn bloed toen kookte, hoe het zich samenbalde in zijn aderen tot buskruit. Nog steeds weet hij de deuk in de deur van zijn moedeloze vuist zitten. Bovenop alle misérie ook nog een kapotte deur. Het waait wat, blaadjes manoeuvreren zich licht, dansend bijna, van kant naar kant. Hij schraapt zijn schor geworden keel. Ook lente beukt genadeloos pril geluk stuk.     

Thomas De Mulder
31 2

Kat in het bakkie

Toen Romina op de overloop de stofzuiger tot stilte dwong, werd ze opgeschrikt door niet-aflatend gebons op de voordeur. Verschrikt stormde ze naar de keuken, de living, de bureau, maar trof niemand aan. ‘Mienier, miefrouw?’ Het enige antwoord kwam van haar eigen echo die als een pingpongbal tegen de muren botste. Het gebons bleef aanhouden, dus ze besloot toch voorzichtig de deur op een kier te openen. ‘Ja?’ vroeg ze achterdochtig. ‘Goeiedag mevrouw, ik kom voor de wasmachine?’ Zijn zakelijke toon en vastberaden blik maakten duidelijk dat hij verwacht werd. Omdat Romina wist dat mevrouw eergisteren haar rug had bezeerd toen ze twee emmers water van onder de machine had moeten opdweilen, vermoedde ze dat ze wellicht een hersteller hadden gebeld, maar vergeten waren haar in te lichten. ‘Okie, voolgt oe maar.’ En dat deed de man. Alleen niet tot aan de wasmachine. Nog voor ze aan het keukeneiland kwamen, had de man haar omgedraaid, tegen de muur gedrukt en haar zwaar hijgend aangekeken. ‘Hebben ze je al es verteld hoe verrukkelijk je bent?’ Hij likte aan zijn lippen en ze werd vastgepind door de begeerte in zijn broek. Vreemd genoeg voelde ze zich niet bang. Integendeel, de man had op één of andere manier een ongelooflijk betoverende uitwerking op haar. Ze besloot zich roekeloos over te geven aan de wellust waarmee hij haar had aangestoken en gooide haar hoofd in haar nek, terwijl hij haar schortje losknoopte en met een ruk de knoopjes van haar bloesje als confetti in het rond liet spuiten. Hij dook op zijn knieën, trok haar slipje over haar enkels, en terwijl ze met haar handen door zijn verrukkelijk ruikende haardos woelde, merkte ze dat hij haar rok omhoog stroopte en haar op het keukeneiland tilde. De daad was kort maar krachtig. Zoals wel vaker als mannen op springen staan. Ze had niet verwacht dat hij zou blijven tot ook haar vuur geblust was, maar ja, hij was loodgieter, geen brandweerman. ‘Waar staat ie?’ Met zijn handen de laatste hemdsplooien terug goed strijkend, was hij in één tel terug naar de hem toegewezen taak. ‘Hierachter.’ Ze volgde hem tot aan de oorzaak van zijn aanwezigheid en polste of hij hem kon repareren. ‘O tuurlijk!’ antwoordde hij vrolijk. ‘Kat in het bakkie!’ Verschrikt keek ze hem aan. ‘Maar… maar… mievrouw doet eir altaid Dreft ien. Zij ebben ier gien kat…’ Een paar tellen was het stil en keek de man haar met verstomming aan. Toen gierde hij het uit. ‘Niet letterlijk natuurlijk! Ik ga heus geen kat in het bakje voor het wasmiddel duwen. Daar is ie toch veel te klein voor?’ Amper bijkomend van het lachen vervolgde hij. ‘En dan zou ik ook de dierenbescherming op mijn dak krijgen!’ ‘Maar… maar… waat moet er dan kebeuren?’ Romina begreep er niks van. ‘Ik bedoelde dat ik al zie wat het probleem is, en dat ik het eenvoudig en snel kan oplossen.’ ‘Oh…’ Romina voelde het bloed naar haar wangen stijgen. Hoe lang ze ook al Nederlandse les volgde, die rare spreekwoorden deden haar altijd de das om. Maar ze gaf niet op. ‘Jij... jij ook kat in het bakkie zijn!’ Haar brede grijns werd nog groter toen hij haar poging met een heftige salsa van zijn heupen beantwoordde.

Vlechtenmeisje
17 1

Covid (hoofdstuk 19)

Gisterenavond moest ik van mijn vriendin inkopen doen dus heb ik met ingang van de nieuwe lockdown mijn fiets genomen op weg naar de winkel leken de zebrapaden de Processie van Echternach om de drie strepen stonden er twee aan te schuiven met mondkapje dampten de glazen van mijn bril onherroepelijk  aan het einde van de straat begon het niezen    Later in de badkamer kriebelde het een eerste keer zonder noemenswaardig keelgeluid en speekseloverschotten  verloor ik alle geur- en smaakzin na het injecteren van wat chloorwater  in een droom waarin iedereen onaangekondigd knuffelde voelde het alsof een hardleerse horecahoer mij zonder QR-code vol op de mond kuste het zweet in mijn bilnaad verdoofde het enige witte laken dat niet uit het raam hing   Rond middernacht hamsterde een mug het behangpapier de luchtverplaatsing van een droge scheet bracht de bubbels in het voor de helft met zuurstof gevulde toilet tot leven de resonantie in opwellende hoestbuien wiste het spic en span van vluchtig gewassen vingernagels met stijgende curves in gedachten verscheen het noodlot voor de ogen van de middenstand kleurde het scherm overlijdens van menig rusthuisbewoner rood   Het was na het ochtendgloren dat de nood aan informatie opkwam van 07u32 tot 09u54 heb ik gegoogeld om te achterhalen waarom ik ondersteboven in een veel te klein geworden leven ontwaakte                G5-netwerken van het plafond streamde neerslachtigheid en depressie zijn het resultaat én niet het gevolg              van het streven naar synchroniciteit tussen lichaamstemperatuur              en avondklok met de buurvrouw van nummer 36 en een half   Een verloren gewaande schilfer afkomstig van Pipi Langkous'      ongewassen schaamhaar behoort tot de mogelijkheden of de vleermuis uit China die iemand in een opwelling van dierenliefde opat Corona is een Mexicaans biermerk zegt Wikipedia veel liever zie ik Ebola, SARS en Hendra nog een keer op blote voeten door de lagere school rennen of Nipah de astmatische lerares met haar honderdtwintig kilo in mijn ogen staren tijdens de les seksuele opvoeding  niemand die het aandurft te vragen of bloedgroep O positief is voor de menstruele cyclus van een wereldleider genaamd Trump   Tot voor kort was ik bang voor de komst van de buikgriep nu vrees ik  een overaanbod van broodbakmachines en het gebrek aan kleurshampoos op anderhalve meter van bijna 50 miljoen broeihaarden blijft er nog altijd het equivalent van 16 miljard te ontsmetten handen huidhonger is het aangeboren verlangen om aangeraakt te worden  enkel wie de kracht van het nietsdoen ambieert weet dat luchtverplaatsingen in de kamer een mug niet onoverkomelijk maakt

Sascha Beernaert
36 0

Ongeduld

"We kunnen ons anders daar even tegen de kerk zetten" hoor ik een jongen zeggen tegen zijn vriend wanneer ik door de Belfortstraat fiets. Ze komen uit een nachtwinkel die blijkbaar ook bij valavond open is en dragen beide een krat wijn.Normaal zit het hier vol met duo's als die twee, en ik bedenk me dat het pleintje waar ik net overheen reed waarschijnlijk voor het eerst in decennia niet stinkt zo midden in de week eind juli. Dat vind ik triest, eigenlijk, maar ook wel mooi zo, gezien de omstandigheden.Die omstandigheden, daar ga ik niet over schrijven. Bleekwater biedt geen genezing, inkt - zo bleek de voorbije maanden - evenmin. Ongeduld dan.Ik ben een ongeduldig persoon. 'Alles komt goed' vind ik een vreselijke mededeling.Ofwel is het goed, ofwel moet er iets veranderen.'We zullen wel zien' antwoord ik dan. En ik denk: we zullen niks zien, we regelen dat hier gewoon even.Maar ik schreef een doctoraat de voorbije jaren, dus ik heb het eigenlijk wel wat getraind, dat geduld. Heel erg goed zelfs. Ik zei 'We zien wel' terwijl ik dacht 'Fuck dit, ik heb geen been om op te staan en geen enkel beetje fut meer om verder te zoeken'. Ik knikte begrijpend bij 'Alles komt goed' en hoorde in mijn achterhoofd niks dan een cynische 'HA.HA.HA'.Ik werd een heel erg geduldig persoon. En dat was goed blijkbaar, want ik kreeg het diploma, ik heb het papiertje in mijn bureaulade liggen. Ik ontving de instemmende knikjes en de speech.Dat ik onderweg niet enkel mijn ongeduld verloor, maar ook mijn nieuwsgierigheid, mijn interesse, mijn geloof in heel de academische wereld en mijn plezier in het sociale leven dat me ooit zo lief was, staat niet op mijn diploma, noch in het ellenlange supplement.Maar goed misschien, want ik zou het zo weer inruilen. En wat dan nu? We kunnen ons anders daar even tegen de kerk zetten.

Fien
31 0
Tip

"Ne kus van de facteur en een bank vooruit"

Het was in de herfst van vorig kalenderjaar dat An Apers, de postbode van het Oost-Vlaamse Donkmeer, werd ingewisseld voor een jongere en mannelijke collega. Zij kreeg een autoronde in Melse, hij mocht haar fietstocht door het dorp op zich nemen. Het ging om een routinewissel die amper ophef kon uitlokken, dacht men op het hoofdkantoor in Meergem-Waas. Maar dat was buiten de Donkermerenaren gerekend, die al voor minder politieke brandjes hadden gesticht. Reden voor het ophef deze keer was niet zozeer de nieuwe brievenbezorger – Patrick V. was een goedlachse dertiger met een sterk fysiek gestel en goede bedoelingen - maar wel het feit dat de man hen door het kantoor in Meergem was toegewezen. “Die hoge pieten daar in Meergem peizen weer da ze ‘t hier allemaal voor ‘t zeggen hebben” klonk het in de deelgemeente die zich in de volksmond van de bijstelling ‘Op zijn eigen’ bediende. Een petitie werd opgesteld en uitgehangen bij ‘Den Biechtstoel’, het café dat zijn naam deelde met het daartegenover liggende kerkelijke instituut. Het was daar, tussen pot en pint en in licht beschonken toestand dat Koen B. voor het eerst op het idee kwam om een spreekwoordelijke stok in de wielen van die nieuwe facteur te steken, want ze hadden hem zijn Anneke afgepakt.   “Ik miste ons Anneke.” Zou hij vijf maand later in de politierechtbank jammeren. “Zij was altijd al onze facteur geweest, en dan van vandaag op morgen moest ze weg. Ik stak dat in mijn kop. En zij ook, madam de rechter. Ze was er kapot van. In Hoogmeerbeek moest ze gaan werken, kan u dat geloven? Da is verdomme aan de andere kant van de expresweg. Als u bij ons in Donkermeer had gewoond dan zoudt u begrijpen dat dat een brug te ver is.”   Koen B. had altijd al een kort lontje gehad, en nu hij daar niet meer bij ons Anneke mee terecht kon zat er behoorlijk wat vuur aan de pit. Zo gebeurde het dat Jeanine De Wit plots de post van Miel Weyenberg kreeg en bakker Vermeylen met een bestelling boterkoeken aan de deur stond bij uitgerekend de enige suikerpatiënt van het dorp. Het kwam zelfs zo ver dat  tandarts Daneels bij het vullen van een gat in het gebit van de genoemde bakker zonder licht kwam te zitten omdat de elektriciteit werd afgesloten na een maandenlange wantbetaling waar hij zelf niks van afwist. De rekeningen bleken in de bus van een leegstaande woning in de nieuwe wijk te zitten.   “Ik begon die nieuwe wat te koeioneren, madam de rechter. Wat brieven verwisselen, wat adressen veranderen. Ik wil dat niet goed spreken. Ik had die onnozelheden niet moeten uitsteken, maar eigenlijk was dat uiteindelijk ook maar om te lachen. ‘t Was er wat over, oké. Maar langs de andere kant, ‘t waren ook weer die hoge pieten van Meergem die peisden dat ze het in Donkermeer allemaal voor ’t zeggen hadden. Geen vinger hebben wij daar eigenlijk in de pap te brokken. Daar zouden ze hier eigenlijk eens een zaak voor moeten starten, maar allez kom...”     Toen hij na zijn vierde alternatieve brievenronde nog steeds de nieuwe facteur zag fietsen, besliste Koen B. dat het tijd was voor zwaardere maatregelen. Hij vatte de  koe bij de horens met een telefoontje naar het postkantoor vanuit de laatste nog werkende telefooncel in het dorp– en bij uitbreiding het noordelijke halfrond.  Dat hij klacht wou indienen tegen de nieuwe facteur, zei hij, want het liep de spuigaten uit.   “Maar allez, om een lang verhaal kort te maken, dan heb ik dat telefoontje naar de post gedaan. Ja, ik had nu eerlijk gezegd niet kunnen peizen dat dat die andere daar zo over zijn toeren ging doen gaan. Dat was eigenlijk gewoon bedoeld als een goeie mop. Gelijk dat ze dat op den tv zeggen: a practical joke.”   Maar lachen deed de nieuwe facteur allerminst wanneer hij in Meergem-Waas op het matje werd geroepen en twee dagen lang door een controleur werd vergezeld. Op het einde van de rit werd hij echter niet vervangen, en dus ging Koen B. gewoon door. Van pure frustratie zette hij zich dit keer aan het schrijven. Vier vellen van zijn schoonste hanenpoten belandden in de rode brievenbus, zonder postzegel of geadresseerde, maar de boodschap kwam aan.    “Ik weet het, die brief, zwart op wit op papier, dat had ik met mijn stomme kop niet moeten doen. Maar effenaf, madam, dat hebben ze mij ondertussen ook wel al goed ingepeperd, die twee flikken van u die daar ineens aan mijn deur stonden.”   Het was zijn Anneke geweest die de deur had opengedaan voor die flikken. Verrast door de uniformen had de voormalige dorpsfacteur gestameld dat ze een oude, verloren geraakte rekening kwam bezorgen. Aan haar nog openstaande blouse te zien had ze er samen met Koen B. danig achter moeten zoeken.    “Ik moet grif toegeven, ik had een boon voor ons Anneke, madam de rechter.” luidde de minimalistische verklaring voor het voorval.   Over die boon van Koen B. werd uitgebreid gespeculeerd in de plaatselijke pers. Zonder opzet en op zijn eentje redde hij het weekblad van buurtdorp Koutergem van een gewis faillissement. Het blad zette die week zijn eerste stappen buiten het Waasland en wist zo zelfs als inspiratie te dienen voor de betere kwaliteitskrant.    “Maar dat Donkermeer daardoor nu zo slecht in de gazet komt, da is voor mij de ergste straf.”   Toch kreeg de man daarbovenop nog een werkstraf van 60 uur bij de post en een geldboete van 200 euro. Die laatste had hij te danken aan zijn eenmansachterban, die luidkeels en ditmaal met toegeknoopte blouse zijn verdediging besloot met de slagzin:   “Ne kus van de facteur en een bank vooruit!”

Fien
137 1

Leren schake(le)n

Hier zijn je regels. Dit is je spel.     Je raakt alles aan. Loopt op de rand van het perron. Voelt even aan de vuilnisbak. Alle zwarte tegels zijn van jou, alle witte laat je los. Elke paal die langs de stoep staat, tik je. Iedere krul die je draait in je haar, leg je vast in een knoopje. Opnieuw. Herhaalt stap 2. Weer naar stap 1. Praat mooi, loopt recht, lacht, glimt. Je keert terug naar stap 2. Tikt opnieuw. Nog eens. Nee, doe toch nog maar eens. Steekt je been door de linkerpijp. Nee, de andere. Of nee   toch de andere.     En nu je toch bezig bent; maakt het knoopje los en dan weer vast. Zo zit het wel vast. Ben je zeker? Doet het toch nog maar eens. Vandaag lopen we aan de rechterkant. Rechterhand, rechtersteen, rechterbaanvak, rechte rug. Bijt op je nagel. Bijt terug. Millimeter voor millimeter. En opnieuw. Millimeter voor millimeter. Plaat tot riem. Wit tot roze. Of rood, voor de zekerheid. Knippert met je ogen. Wrijft in je ogen. Draait met je ogen.   Rolt met je ogen.   Wees voorzichtig. Elke regel telt. Geen herkansing. Verloren? Dan verlies je. Een zus misschien, of een moeder. Verloren? Dan veroorzaak je. Een verre ruzie, of een brand. Verloren? Dan verdwijn je. Voor even, of voor echt. Verloren? Dan verlies je.   Jouw hoofd is de handleiding. Verzet je op de tegels.   Herhaal stap 1. Ga terug naar stap 8. Mat in vier beurten.     Hier is je spel.                                                                                                                         Dit zijn je regels.  

Kaat
10 0