Lezen

Augurken met een grauw gemoed

  Wat als ik schraap. Mijn vel bevrijd van donderslagen. Wat als ik schreeuw. Mijn keel mij stikken laat. Hoop en kwaad. Ze dansen in mijn hoofd. Ze zullen enkel vallen wanneer moed vergaat. Beste Dimitri, ongeknoopte koorden zijn er voor de schepen, vaartuigen die wind vertrouwen. Noorderwind, wees kil en koud, durf wil en zout te proeven. Augurken liggen altijd dood in een bokaal.  De wereldbeker wreedheid is gewonnen door een Rus, terwijl Amerikanen zich verzuchten. Waar zijn die brave zielen, burgerdoelen, hebben wij nog bommen om hun onschuld te verdrijven? Leugens kleven op mijn netvlies, uit mijn lies stroomt zuiver bloed. Ik kan niet meer bewegen, gaan naar beterschap. In Dudzele is er een zot die deuken in uw ziel wil repareren voor een schele duit. Voorruit. Achterwaarts. Kelderraam. Ik zie niets meer, dit spookkot is ontvoerd door magere piraten. Zelfs Kaap de Goede Hoop gelooft de oceaan niet meer en in de Varkensbaai rilt er een zeekoe, aangespoeld en uitgeput. Kalfjes willen zalf op tere plekken leggen. Nodeloos want zeer hardnekkig zijn de moordenaars die volkeren bedriegen. Wat als ik schreeuw. Het einde stil aanbid. Wat als ik schraap. Mijn vel op die kadavers leg. Warmte is een teder goed. Ik moet echter gelatenheid aanvaarden. Anders pleegt de nacht een laffe daad en blaat het lam nooit meer. Moeder ooi maakt zich intussen mooi voor nog een slachting. Speld uitgedroogde vlinders op uw vest, meneer de generaal met vaal gemoed. Morgen komt die beul met blinde hoed en vindt weer alles wat nog lief zou willen zijn.     uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
7 0

Bim bam boterkoek

  Door een kraanvogel werd ik uit de goot getild. Zo gaat dat want Puk van de Petteflet, hij komt altijd veel te laat met zijn knalrode takeltuig. Intussen blijft het ruige dagen regenen. Enkel die volwassen, grotendeels gestorven zielen kunnen dit nog aan. Bim bam bom. Ballistische raketten en nog vele keren bom boem bam. De zwarte put is in de ban van stollend bloed. Ik wil hier weg. Ik kan dit niet meer aan. Mijn keldertje aanvaardt alleen nog maar kadavers. Spinnen moeten op de zolder broeden. Wrede plannen heersen. Webben vol vergeten vlinders worden vuil naar het verluidt. Er is geen teder noodlot meer. Ik vertrouw nog op mijn linkerpink die al het grauwe snot verwijdert uit die walvisneus en pas toch op, geslagen kind. Proef niet meer van bruine eieren. Mosterdgas is vluchtig en de lach van onze maan is zo oneerlijk als een koekoeksbrein. Mauve folie zit nu rond de lijken in het verre oosten. Dichtbij rot het platteland. Mol en veldmuis, wees gewaarschuwd. De lente met zijn zieke boeren, gif en scherpe ploegen zullen weer proberen overal hetzelfde groen te zaaien. Onraad zal gaan kiemen en de zon zal onverschillig schijnen. Denk maar niet dat echte warmte komt, wanneer je straks die stranden zoekt. Het blijft intussen maar gebeuren. Dood, vernieling en de waanzin heersen over alle grijze wolken. Daaronder botert niets. Schimmel en bedorven geesten zullen zich verspreiden. Intussen staart die kraanvogel me aan met lede ogen. Ik geef hem nog een stuk soldatenkoek en Puk rijdt een zoveelste toertje rond de kerk. Herhaling is het handelsmerk geworden van de gruwel en ik voel het, ruwe tijden willen zwellen in de zwarte klei.       uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
2 0