Door een kraanvogel werd ik uit de goot getild. Zo gaat dat want Puk van de Petteflet, hij komt altijd veel te laat met zijn knalrode takeltuig.
Intussen blijft het ruige dagen regenen. Enkel die volwassen, grotendeels gestorven zielen kunnen dit nog aan.
Bim bam bom. Ballistische raketten en nog vele keren bom boem bam. De zwarte put is in de ban van stollend bloed.
Ik wil hier weg. Ik kan niet meer aan. Mijn keldertje aanvaardt alleen nog maar kadavers. Spinnen moeten op de zolder broeden.
Wrede plannen heersen. Webben voor vergeten vlinders zijn zeer vuil naar het verluidt. Er is geen teder noodlot meer.
Ik vertrouw nog op mijn linkerpink die al het grauwe snot verwijdert uit die walvisneus en pas toch op, geslagen kind.
Proef niet meer van bruine eieren. Mosterdgas is vluchtig en de lach van onze maan is zo oneerlijk als een koekoeksbrein.
Mauve folie zit nu rond de lijken in het verre oosten. Dichtbij rot het platteland. Mol en veldmuis, wees gewaarschuwd.
De lente met zijn zieke boeren, gif en scherpe ploegen zullen weer proberen overal hetzelfde groen te zaaien.
Onraad zal gaan kiemen en de zon zal onverschillig schijnen. Denk maar niet dat echte warmte komt, wanneer je straks die stranden zoekt.
Het blijft intussen maar gebeuren. Dood, vermieling en de waanzin heersen over alle grijze wolken.
Daaronder botert niets. Schimmel en bedorven geesten zullen zich verspreiden.
Intussen staart die kraanvogel me aan met lede ogen. Ik geef hem nog een stuk soldatenkoek en Puk rijdt een zoveelste toertje rond de kerk.
Herhaling is het handelsmerk geworden van de gruwel en ik voel het, ruwe tijden zwellen goed in zwarte klei.
uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'