Wat als ik schraap. Mijn vel bevrijd van donderslagen.
Wat als ik schreeuw. Mijn keel mij stikken laat.
Hoop en kwaad. Ze dansen in mijn hoofd. Ze zullen enkel vallen wanneer moed vergaat.
Beste Dimitri, ongeknoopte koorden zijn er voor de schepen, vaartuigen die wind vertrouwen.
Noorderwind, wees kil en koud, durf wil en zout te proeven.
Augurken liggen altijd dood in een bokaal.
De wereldbeker wreedheid is gewonnen door een Rus, terwijl Amerikanen zich verzuchten.
Waar zijn die brave zielen, burgerdoelen, hebben wij nog bommen om hun onschuld te verdrijven?
Leugens kleven op mijn netvlies, uit mijn lies stroomt zuiver bloed.
Ik kan niet meer bewegen, gaan naar beterschap.
In Dudzele is er een zot die deuken in uw ziel wil repareren voor een schele duit.
Voorruit. Achterwaarts. Kelderraam. Ik zie niets meer, dit spookkot is ontvoerd door magere piraten.
Zelfs Kaap de Goede Hoop gelooft de oceaan niet meer en in de Varkensbaai rilt er een zeekoe, aangespoeld en uitgeput.
Kalfjes willen zalf op tere plekken leggen. Nodeloos want zeer hardnekkig zijn de moordenaars die volkeren bedriegen.
Wat als ik schreeuw. Het einde stil aanbid.
Wat als ik schraap. Mijn vel op die kadavers leg.
Warmte is een teder goed. Ik moet echter gelatenheid aanvaarden.
Anders pleegt de nacht een laffe daad en blaat het lam nooit meer.
Moeder ooi maakt zich intussen mooi voor nog een slachting.
Speld uitgedroogde vlinders op uw vest, meneer de generaal met vaal gemoed.
Morgen komt die beul met blinde hoed en vindt weer alles wat nog lief zou willen zijn.
uit de reeks 'Duim voor Dimitri'