Lezen

Zeven dagen - fragment

Dit is het begin van "Zeven dagen", een historische roman over de Amerikaanse burgeroorlog van Bert Dekimpe. Meer info en bestellingen: zie www.bertdekimpe.be. Die ochtend namen de drie leden van het gezin Palliser plaats voor het ontbijt aan een rijk versierde tafel in de elegant ingerichte woonkamer van één van de fraaiste huizen in Main Street. De familie behoorde dan ook tot de voornaamste van Richmond. James, het gezinshoofd, maakte als gerespecteerd jurist en vurig pleitbezorger van de onafhankelijkheid van Virginia deel uit van het Congres van de Geconfedereerde Staten. Zijn vader zaliger, de eerbiedwaardige rechter Harrison Palliser, zou trots geweest zijn op zijn zoon, en zijn grootvader Joseph, die nog aan de zijde van Washington had gevochten tijdens de revolutie, nog veel meer. Een nieuwe naam zou er aan deze lijn van succesvolle Amerikanen niet toegevoegd worden, want James’ vrouw Martha had hem enkel een dochter geschonken. Harriet was net eenentwintig geworden. Een knappere jonge vrouw met mooiere blonde krullen was er in de stad niet te vinden, maar ook geen enkele die haar vaders geduld zo koppig op de proef kon stellen.Of dat van haar moeder. Harriet keek haar met een diepe frons aan toen Dorothy het ontbijt opdiende. ‘Maïsbrood?’‘Ook voor ons soort mensen worden de gevolgen van de blokkade stilaan voelbaar, lieverd. Wees blij dat we tenminste nog van een uitgebreid ochtendmaal kunnen genieten. Er zijn mensen die het met veel minder moeten stellen.’Harriet verontschuldigde zich voor haar kieskeurigheid. Moeder had overschot van gelijk. En ze mocht dan wel niet dol zijn op maïsbrood, ze kon het nog altijd doorspoelen met koffie. Echte koffie, gemaakt van echte bonen, en niet van eikels. Ze schonk zichzelf en haar ouders een dampende kop in.‘Laat Dorothy dat toch doen,’ zei haar vader. ‘Straks verbrand je je nog.’‘Dus als Dorothy zich verbrandt, is het niet erg?’‘Wat ik bedoel is dat ik niet wil dat mijn dochter zich bezeert. Dorothy is dit soort dingen gewoon.’‘Wat moet er van mij worden als ik niet eens een kop koffie kan uitschenken? Wat moet er van ons land worden, als het bevrijd is van de Yankees maar voor de kleinste diensten afhankelijk blijft van de negerbevolking?’‘Sla niet zo’n toon aan, meid!’Hoe vaak had James zijn dochter al niet op die manier toegesnauwd? Altijd greep hij dan naar de leuningen van zijn stoel, alsof hij op het punt stond overeind te springen en zichzelf wilde tegenhouden. ‘Straks ga ik nog denken dat je een abolitioniste bent. Het is niet aan ons om de orde die de Heer heeft ingesteld te verstoren. Daar had de dominee het nog over in zijn preek vorige zondag. Maar dat heb je natuurlijk niet gehoord, omdat je weer naar die vlegel van een Goodman zat te lonken.’‘En wat is er mis met Matthew Goodman? Hij is een aardige jongeman. Knap bovendien, als ik zo vrij mag zijn. En hij heeft een goede baan bij de regering.’‘Als klerk, godbetert.’ Haar vader greep naar zijn servet. Hij leek niet alleen de kruimels, maar ook het misprijzen van zijn gezicht te willen vegen. ‘Op de koop toe is hij de zoon van een simpele winkelier. Haal je dus maar niets in het hoofd.’Het typeerde James Palliser dat hij de beste boekhandelaar van de stad een simpele winkelier noemde. Harriet bezocht de Goodman Book Store regelmatig. Haar ouders dachten dat ze er huishoudmagazines en onschuldige damesromannetjes kocht. Soms was dat ook zo. Maar af en toe schoof meneer Goodman haar één van die bijzondere boeken toe die je uit evenwicht brachten, boeken waar je haast fysiek ongemakkelijk van werd en die je achteraf niet meer loslieten. Dat ene boek over het leven van de slaven op de plantages bijvoorbeeld, dat ze vol spanning en in het grootste geheim had verslonden. En in de boekhandel had ze niet alleen geweldige schrijvers leren kennen, maar ook Matthew. Een Hercules was de jongen niet. Hij moest het meer van zijn charme en intelligentie hebben. Een paar jaar lang had ze hem amper gezien, omdat hij studeerde in Washington, waar zijn moeder vandaan kwam. Van zodra de secessie dreigde kwam hij terug naar Richmond en tot Harriets grote vreugde was hij haar niet vergeten. De genegenheid die ze voor elkaar voelden groeide met de dag. Zonder die vervloekte oorlog had hij haar misschien al veel uitgebreider het hof gemaakt, wie weet zelfs ten huwelijk gevraagd. Misschien was het beter zo. Haar vader zou het nooit goedkeuren. Hij droomde ervan om haar te koppelen aan John Cooper, de zoon van een bevriende planter. Geen kwaaie jongen, aantrekkelijk zelfs, maar hopeloos ouderwets. Ze kon zichzelf ook niet aan het hoofd van een grote plantage voorstellen. In de stad hoorde ze thuis, niet op het platteland tussen de tabaksplanten en de insecten. John moest nu ergens aan de Chickahominy gelegerd zijn, niet ver van Richmond. Op onbewaakte momenten hoopte ze bijna dat hem iets zou overkomen. Maar dan schaamde ze zich verschrikkelijk, en bad ze in stilte en vol schuldgevoel voor Johns behouden thuiskomst.‘Waarom zit die kerel trouwens niet in het leger, zoals alle gezonde jonge mannen?’Wat gemeen om daar weer over te beginnen, dacht ze. Hij wist heel goed dat Matthew als overheidsambtenaar vrijgesteld was van militaire dienst. Hij had de conscriptiewet nota bene zelf goedgekeurd. Ze wilde hem net van repliek dienen toen hun andere slaaf binnenkwam. Moses was een opgeruimde knaap van een jaar of vijftien. Harriet mocht hem graag. In de nabijheid van haar vader echter maakte zijn opgewekte en fiere karakter steevast plaats voor onderdanigheid en schrik. Toen hij de krant overhandigde leek Moses wel een kop kleiner dan normaal.Harriets vader nam het dagblad zwijgend in ontvangst en gaf met een wuivend gebaar te kennen dat de jongen kon beschikken. Vervolgens zette hij zich aan het lezen. De bezorgdheid op zijn gezicht nam zienderogen toe.‘De Richmond Examiner lijkt elke week dunner te worden,’ merkte haar moeder op.£‘Er moet nochtans genoeg nieuws te rapen zijn. Ze zeggen dat de Yankees vlakbij zijn en Richmond willen innemen,’ zei Harriet.‘Maak je niet ongerust. Er staan duizenden goed verschanste troepen klaar om de stad te verdedigen. Generaal Lee heeft alles onder controle.’‘Onder controle? Ik kwam gisteren mijn vriendin Louisa tegen. Je weet toch dat ze vlakbij het kerkhof woont? Ze vertelde dat de doodgravers handen te kort komen om de doden op tijd te begraven. Vorige zondag nog lagen tientallen lichamen in de volle zon te rotten. De geur…’‘Harriet, alsjeblieft,’ zei haar moeder.‘Genoeg, Harriet! Die mannen hebben hun leven gegeven voor een nobele zaak. Ze verdienen ieders respect en bewondering.’‘Dat bedoel ik net, vader. Het is een schande voor onze stad dat haar gevallen zonen op die manier behandeld worden.’£‘Het probleem is ons bekend. Ik zal de zaak nog eens bij de stadsraad aankaarten. En laat het ons nu over iets aangenamers hebben. Of beter nog: zwijg gewoon, zodat ik mijn krant kan lezen.’Heel even leek hij zijn zin te krijgen, tot een dreigend gerommel in de verte de stilte aan tafel verstoorde. Gedonder zonder onweer kon maar één ding betekenen.‘Dorothy!’ riep moeder. ‘Doe dat raam eens dicht, wil je?’

Bert
100 1

Datsunboy

  Het is een schoon huis met smerige hoeken. Er woont een advocaat en in datzelfde jaar ben ik drie keer tegen zijn façade gereden. De woonst staat vlak na een nare bocht. Eén keer kwam het door ijzel, de tweede maal lag er een oliespoor en de derde keer was na een happy hour. De cocktail was een mengsel van bruidstranen, sap van appeldoorn en wat bloed van Maria, een kwak cognac er nog bij en de bocht had mij weer uitgelachen. Ik was tegen die gevel beland, opnieuw tegen diezelfde hoek en weer was het met de Datsun van mijn grootvader. In mijn kelder liggen er al twee bumpers, één gekneuzde radiator en drie koplampen met een gebroken bril. Het zou allemaal minder erg geweest zijn mocht daar een windmolen staan, zo eentje als in Damme of te Pittem, een cilindrische of een conische. De Datsun zou afgeketst zijn op de ronding, ik had hoogstens de bumper wat moeten uitbuilen, maar nu had het me telkens aardig wat duiten en veel moeite gekost om de automobiel van bompa Edmong te repareren. Bovendien woont er een advocaat. Die gevelhoek is van hem en ik zag al een proces aan mijn broek hangen. Van een gemoedelijke molenaar kom ik er van af met een vloek, een oorvijg, een muilpeer en de eis om 's anderendaags, samen met Kortjakje, dat bumperspoor te komen wegschilderen, zo dacht ik. Het is de advocaat van de Duvel die daar woont. Nog een geluk. De eerste keer was hij nog naar buiten gekomen, had me aangekeken, diep in de ogen en hij had drie woorden gesproken. Een Datsun begot. Hij was weer naar binnengegaan zonder verder iets te zeggen. Ik zag een licht aangaan in een ruimte met een wc-venstertje. Samengevat, het was een bijna bijbels tafereel. Het leek al vergeven voor het gebeurd was, of lag het aan mijn pupillen? Had hij het gezien? Dat kan. Het was, mijn vriend, minder erg dan een platte kat, minder driest dan een gemolesteerde mol en het is jaren geleden. Achttien moet ik geweest zijn. Ik sta aan het venster van mijn slaapvertrek, zowaar tegen een spin te praten. Ze woont in de rechter bovenhoek van het raam. Aan de buitenkant en het is enkel de kreupele die weer alles weet. Hij heeft een tekening meegebracht van een ezel. Het hoofd lijkt op dat van een zeepaardje.  Mooie pony, zeg ik en hij zal weer met zijn commentaar afkomen. Dat ik in datzelfde jaar vast en zeker ook drie keer mijn beste oog ben kwijtgeraakt tijdens het boogschieten. Dat de kans daarop even groot is. Dat het allemaal verzinsels zijn en bompa Edmong niet eens een Datsun had, maar een Alfa Sud. Nooit zou Edmong een japanner gekocht hebben. Dan nog liever een Italiaanse roestbak. De Japanse vestiging van Lattoflex is intussen al lang failliet. Ik slaap nog slechter dan in die tijd en ik heb er gisteren eentje gekocht. Het autootje zit in een doosje. Het is een Datsun Cherry in een kleine garage van karton en hij is voor Dorian. Morgen wordt hij acht en ik vind het een geschikt cadeau. Hij hoeft de ganse story niet te weten, ook niet dat het een aardig vrijkarretje zou kunnen zijn voor zijn moeder en mijzelf. Het is in ieder geval beter dan een donut in een zakje, een te klein zwembandje, want Dorian oogt ietwat gezwollen en het is ook geen ticket voor een pretpark met 99 luchtballonnen plus 1 grote desillusie. We kunnen toch niet met een Datsun naar Dadizele. Edmong had, en het is waar, een Alfa Sud. Het ding ging twee jaar geleden naar een roesthandelaar in Meulebeke, Edmong in datzelfde jaar naar zijn hemel en morgen zal ik mijn geschenk aan Dorian geven, tijdens de wandeling in het Warandepark. Katja zal mij eerst vragen waarom dat leplampje in haar berghokje nog urenlang blijft nagloeien. Lekstroom van een hart dat altijd bij je is, zou ik willen antwoorden. Er mag ginds in dat park een briesje staan, licht en haast onvoelbaar. Zonnetjes mogen schijnen, desnoods zo flauw en luw als leugentjes van psychologen die het hebben over beterschap. Geef knuffels of gewoon, samen knus bij de haard, vreugde bij een open vuur, vergeef en vergeet, zet een pot vreedzame soep, misschien op een stoof uit Leuven en roer zacht.  Zolang er maar geen kopje van een troeteldier in die pot zit en ik wil nog veel meer aan Katja vertellen, warme woorden fluisteren, avonturen schilderen in haar rode oren, want het zijn niet enkel ledlampjes die nagloeien. Onderzeevulkanen kunnen zo lang en zo hevig nasmeulen dat een opblaasbootje drie mijnenvelden verder vlotjes smelt, danig vervormt dat de hoop om ooit nog wal te vinden weldra naar de haaien is. Ik weet dat van een oud-strijder. Hij is de vader van die advocaat en woont op de eerste verdieping, in datzelfde huis met die smerige hoek. Hij moet er fregatten maken in zijn kamer, modelbouw en de derde keer dat ik er de voorkant van de Datsun geplooid had, is die kwartiermeerster naast me komen zitten op de passagierszetel. Ik was teut, de radiateur liep leeg en de motor begon warm te blazen. Hij draaide aan de contactsleutel en de Datsun zweeg. Mijn hoofd steunde op de wreven van mijn handen die het stuur niet wilden loslaten. De ouwe krijger legde zijn voorhoofdsharen goed en sprak: Big boys don't cry. Hij zong bijna en pas na drie oudstrijdersverhalen was mijn vader daar, met een sleepkabel en een handjevol kaakslagen. Achter zijn Volvo heeft hij de Datsun naar huis gesleurd. Ik zag de molen van Damme passeren, moest af en toe remmen om hem niet de achterlichten in te rijden, om zijn kofferdeksel niet te rammen en thuis zei moeder dat ik in het vervolg niet zomaar alles naar binnen mocht kappen. Geen meisjesdrab noch bruidstranen, nooit méér dan twee duvels, zeker geen VSOP uit de USSR, en de koude oorlog was weer herbegonnen. Moeder sneed met het patattenmes een vingertopje af, een wortel viel en de kat kroop door een dakraampje. Ze sprong, niets brak en vader zei dat Loulou kreupel werd, dat die honden toch gelijk wat freten. Zelfs een pony met een hoofd dat lijkt op dat van een zeepaardje, moet ik gedacht hebben.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
8 1

Moederliefde

Er is geen liefde puurder, altruïstischer en warmer dan echte moederliefde. Helaas heeft niet iedereen het geluk dit te mogen ervaren. De relatie met je moeder laat een afdruk na op het verloop van je leven. Ik ben ontzettend dankbaar voor de warme relatie met mijn moeder en dat ze mij al 35 jaar laat voelen wat onvoorwaardelijke moederliefde is. Ik kies er bewust voor om zelf geen moeder te zijn in dit leven. Dit wil echter niet zeggen dat ik geen moederliefde kan geven. Ik kan moeiteloos het kind zien in iemand. In ieder van ons huist een kind dat niets liever wil dan geliefd worden. Ongeacht iemands leeftijd, zie ik een kleine jongen of meisje door alle lagen heen schemeren. Ik ben in staat om naar iemand te kijken met de ogen van een moeder. Dat zijn ogen die liefdevol kijken met mededogen, geduld en begrip. En vanuit dat standpunt is het maar een kleine stap om ook moederlijk te handelen, door bijvoorbeeld zorgzaam of troostend te zijn. De bron van waaruit mijn liefde ontspruit is oneindig. Het werd mij onlangs heel scherp duidelijk dat de moederliefde die ik naar anderen overhevel, naar het prachtige voorbeeld van mijn eigen moeder, eveneens aan mezelf geschonken kan worden. Daarmee wil ik zeggen dat ik mezelf als een moeder kan liefhebben. Ik kan mezelf vanuit datzelfde moederperspectief bekijken, verzorgen, troosten, aanmoedigen of geruststellen. Eveneens kan ik mezelf aanraken als een moeder door mezelf te strelen of knuffelen. Ik vermoed dat veel mensen hier weerstand tegen zullen voelen. Jezelf liefdevol aanraken is iets dat niet echt cultureel ingeburgerd is en eerder als raar wordt beschouwd. Toch is het ontzettend heilzaam en een uiting van eigenliefde. Ik zou mensen willen aanraden om dit ondanks de ingeprente tegenzin toch te proberen. Vooral in tijden als deze, waarbij het afstand houden zo fervent gepredikt wordt, kan dit een gezond tegenwicht bieden. Als ik bijvoorbeeld iets moeilijk moet doen, dan knijp ik zacht in mijn bovenarm en bevestig ik wat een flinke meid ik wel niet ben en dat ik best trots mag zijn op mezelf. Of als ik verdriet heb, dan streel ik over mijn wang terwijl ik zeg dat het oké is om te huilen. Niemand kan zo goed zorgen voor mij als ikzelf. Niemand weet en voelt beter dan ikzelf wat ik nodig heb. Wat mij betreft is dat eigenliefde van de bovenste plank. Er is niets zo helend als eigenliefde. Het is het ultieme medicijn. Als je als kind een schrijnend gebrek aan moederliefde gekend hebt, hoeft dit niet meteen te betekenen dat er geen voeling kan zijn met de energie van moederliefde. Intens ervaren wat iets niet is, kan helpen om klaar te zien in wat het dan eigenlijk wel is. Iemand die bijvoorbeeld als kind mishandeld is geweest, kan vanuit die ervaring bewust beslissen om het bij zijn of haar eigen kinderen geheel anders aan te pakken. Sommige mensen zijn in ons leven om ons te laten zien wat we niet willen. Ook dat is erg waardevol. Want zo wordt de focus op wat we wel willen alleen maar scherper. En hoe scherper we voor ogen houden waar we naar verlangen, des te meer kans dat het dan ook op ons pad zal terecht komen. Dat heet visualisatie, iets waarover ik reeds vol passie en overtuiging heb gesproken en geschreven. Tot slot maak ik nog even de bedenking dat moederliefde niet uitsluitend iets vrouwelijk is. Het is een term die gelinkt wordt aan vrouwelijkheid, maar een man kan uiteraard eveneens deze liefdevolle energie gewaarworden en uiten. Moederliefde is slechts een woord om een specifiek gevoel te omschrijven, maar de onderliggende betekenis is veel ruimer.

KarolienDeman
26 0

Zomer 2020

Restanten van een zomerse regenbui die tekeer ging als een wild beest. Het enige dat nog rest nu zijn zilveren regendruppels bengelend aan mijn huiskamervenster. Ik staar ernaar en vraag mij af of water ook muizenissen wegwassen kan.  Er gebeurt niets.  Maar het schouwspel aan mijn raam is wel mooi, net een Swarowski dekentje.  Ik heb iets met Swarowski de laatste weken, vraag me niet waarom.  De blingbling waar ik vroeger met een boog omheenwandelde trekt mij nu aan als een magneet. Krijg je met ouder worden zin in meer bling bling ?  Doet de menopauze aan bling  bling ?Het oog mag ook wel wat in deze warme zomertijden dus ik vraag mij niet verder af…  We zijn sinds gisteren terug uit Spa, misschien ben ik wel lichtjes in de ban van water sinds ons bezoek.  Nog nooit heeft een slok water mij zo gesmaakt als die eerste slok Spa blauw eerder deze week in een klein hotelletje iets  buiten deze ooit stijlvolle locatie. Vergane glorie, dat domineert mijn gedachten wanneer ik aan Spa, de stad dan, denk.  Er is iets met die stad maar ik kan niet, nog niet, duiden wat.Spa is tegelijk mooi en lelijk, klein maar ook groots.. Ik vraag mij af hoe het er in de winter uitziet.  Triest ?  Verlangend naar de zomer en naar toeristen ? Of blij met de jaarlijkse rustmaanden ? Spa, je water smaakt vanaf nu anders voor mij.  Het smaakt naar jou, naar alles wat jij als stad te bieden hebt: blij, droef, gezellig, vergane glorie, hippe vogels, Bobeline, zware motoren en lederen motorpakken, hitte, nostalgie, het liedje ‘je ’t aime’….   Het was zomer in  2020.      

Inge P.
8 1

Hoe was het vroeger?

Overmorgen  vertrekken mijn vriend Joris en ik op zomerkamp. Wat hebben we er naar uitgekeken. Tot voor kort was het door het coronavirus niet zeker of het kon doorgaan. Onze ouders waren vroeger ook bij een jeugdbeweging.  Bij het nakijken van mijn spullenlijstje ontbreekt nog een zaklamp.  Pa zegt dat er boven op zolder in een kistje nog spullen van hem liggen van vroeger. Daar is vast nog een zaklamp bij maar dan moet ik er wel batterijen in stoppen. Dit kistje heb ik nooit eerder opgemerkt en bij het openen val ik van de ene verbazing in de andere. Niet alleen zijn uniform ligt er in maar ook een echt Zwitsers zakmes en een aantal namaak gouden en zilveren medailles met een soort diploma van ‘Kerel die het hoogst in de boom klom’. Gek dat pa hierover nooit verteld heeft. Er liggen ook foto’s in van hem met zijn jeugdvrienden. God, wat raar. Het is net of ik naar mezelf kijk. Onder de zaklamp vind ik  een schriftje.  Nieuwsgierig open ik het en lees: ‘Logboek van het tiendaagse Zomerkamp in Limburg.’ Eerst staat er te lezen hoe  het kamp werd voorbereid en wat er zoal gepland werd. Zo staat er op woensdag: ‘Surprise’ vermeld en op donderdag: ‘Frietjes en appelmoes op het menu!’ Dat is blijkbaar in al die jaren hetzelfde gebleven want de liefde van pa voor frietjes is wereldwijd bekend en ook op ons kamp zal donderdag frietdag zijn. Dan volgt dag na dag een relaas van al wat er gebeurd is. Ik wil eerst weten wat die surprise wel kan zijn, blader snel naar de woensdag en lees:  ‘Nadat ik gisteren mijn verslag had geschreven hebben wij ’s avonds op de speelplaats van het nabijgelegen schooltje nog een spel gespeeld waarbij wij om beurten rond de koer moesten rennen. Het was al donker maar er waren enkele felle spots die alles verlichtten. Door de schaduw van een afdakje had ik een rand van de stoep niet gezien en verzwikte ik mijn linkervoet. De EHBO-man van dienst heeft naar mijn enkel gekeken en er wat zalf op gedaan. Dat moest volstaan, zei hij.’ Als we al eens samen gaan wandelen, weet ik dat papa soms na een tijdje klaagt over zijn enkel. Vragen wij dan wat er scheelt antwoordt hij steevast dat het iets van lang geleden is. Ik lees verder: ‘Vanmorgen zijn wij zeer vroeg opgestaan. Er wordt ons meegedeeld dat de verrassing,die wij ons heel anders hadden voorgesteld, een voettocht is van om en bij de 50 km. Er zullen vijf bemande controleposten zijn die wij moeten zoeken om er een attest te krijgen. Per persoon zijn er twee halve liter waterflesjes. Op de posten krijgen wij opnieuw water en een stuk fruit. Op de tweede post krijgen we iets om te eten.  Er zijn vijf teams van zes man.  Elke groep heeft een verschillende route en krijgt een stafkaart met de uitgestippelde weg. Uitzonderlijk kan het zijn dat teams elkaar ontmoeten bij een van de controlepunten. De eerste opdracht luidt dat de ganse tocht met het voltallige team moet worden beëindigd. De tweede opdracht is om het eindpunt zo snel mogelijk te bereiken. Voor de winnaars is er morgen na de frieten opnieuw een ‘verrassing’! Wij vertrekken om 8:00 uur stipt. Aan een tempo van gemiddeld 5 km per uur, korte pauzes aan de controleposten inbegrepen, moet het dus mogelijk zijn om tussen 18:00 en 19:00 uur aan te komen. Wij hebben een systeem gevonden om hetzelfde ritme te houden door achter elkaar te stappen. Om de twee kilometer loopt iemand anders op kop. Het is fris in de morgen en af en toe zet iemand een marsliedje in. Dat helpt om het tempo aan te houden. Rond kwart voor tien zijn we bij de eerste controlepost, waar iemand van de leiding ons een kaart geeft met vijf vakken. Hij noteert de aankomsttijd in het eerste vak en zet er een stempel op. Dan stappen wij verder. Waar wij eerst vooral op veldwegen liepen gaat het nu over bospaden. Heerlijk, de geur van een dennenwoud in de morgen. De koploper stopt bruusk en wij knallen tegen elkaar aan. Hij heeft verderop een hert zien lopen. Tof man, maar daar hebben wij nu geen tijd voor. Wij willen er alles aan doen om de tweede post voor twaalf uur te bereiken. Het bospad gaat op en neer en vooral op enkele steile hellingen komen wij traag vooruit. Bij het afdalen hebben wij de neiging om te gaan rennen maar we beseffen al snel dat het niet zo een goed idee is. De man die het plan in handen heeft zegt dat wij bij het buitenkomen van het bos de tweede controle moeten zien.  Het is al zeven over twaalf als wij het bos uitkomen en gelukkig, daar bevindt zich de volgende halte.  Wij krijgen er proviand en drinken en besluiten niet te dralen om tijd te winnen.  Vanaf nu zal het er niet makkelijker op worden. Een uur later zucht iemand: ‘Oef, wij zijn halfweg’. Dat betekent dat wij al vijfentwintig kilometer achter ons hebben zonder een levende ziel tegen te komen, behalve die ree natuurlijk. Hebben dieren een ziel? Aan dierenleven ontbreekt het anders niet onderweg. Waterplassen met libellen, geluiden van tokkende spechten in het bos, koeien met kalfjes in de weiden. Op vele plaatsen worden wij verleid om halt te houden maar we mogen ons niet laten afleiden. Aan een vijver staat een bank. Daar verorberen wij onze boterhammen. Een moeder eend doet alle moeite om haar vijf kuikens bij elkaar te houden. Iemand lacht: ‘Die sloebers lijken wat op ons.’ Een blauwe reiger scheert over onze hoofden het water in en wij vervolgen onze tocht. Met lood in de schoenen halen we zwaar hijgend de derde controlepost.  Het is net twee uur voorbij wanneer wij weer vertrekken. Dat betekent dat wij weer helemaal op schema zitten. Het geeft iedereen nieuwe moed. Maar dan voel ik plots de pijn in mijn enkel. Tot nu toe was ik een beetje vergeten dat ik die gisteravond bezeerd had. Ik verbijt de pijn en laat vooral niets merken aan de anderen. Gelukkig heb ik net voorop gelopen en kan ik nu achteraan stappen, waar het niet zo opvalt dat ik af en toe begin te hinken. Wanneer de volgende koploper achter mij aansluit vraagt hij wat er is.  Ik zeg dat ik wat moe wordt maar dat het wel voor iedereen zal gelden. Ondertussen is het heet geworden en op veldwegen schijnt het zonnetje op onze krullenbolletjes. Haha, grapje! Het is kwart over vier wanneer wij eindelijk bij de vierde controlepost toekomen. Wij zien hoe een andere ploeg net verder trekt in de richting waar wij vandaan kwamen. Ze zien er nog fris uit en begroeten ons hartelijk. Er staat een auto bij de controlepost en gelukkig heeft men een wasteil en waterbidons meegenomen waardoor ook wij ons kunnen opfrissen. Een van de kameraden zegt tegen een leider dat hij naar mijn voet moet kijken. De man staat versteld als hij mijn blauw uitgeslagen dikke enkel ziet en begrijpt niet hoe ik het zo lang heb uitgehouden. Hij stelt voor om met  hem met de wagen terug te keren naar het kamp, maar nu wij zover geraakt zijn wil ik de tocht mee afmaken. Ik moet mijn voeten in koud water baden en dan doet mijn verzorger er een verkwikkende zalf op en verbindt mijn enkel. Mijn metgezellen profiteren van het moment en zitten naast elkaar met de blote voeten in een kabbelend beekje naast de weg. Een twintigtal minuten later zijn we terug op weg. Ik voel mij als herboren en stap nu resoluut op kop.  Ik zet er stevig de tred in want door mijn schuld hebben wij veel tijd verloren. Kop op, het zijn de laatste tien kilometers. Het is kwart na vijf wanneer wij in een bos een korte rustpauze nemen.  Iedereen is bekaf. Mijn voet begint mij terug parten te spelen. Wanneer ik opsta kan ik haast niet rechtop blijven.  Ik hink en zoek een stevige stok om mij te ondersteunen. Mijn kameraden zien dat ik bijna niet meer vooruit geraak. Ik stel voor dat ze mij achterlaten en mij later laten oppikken met de auto. Dat willen ze niet want als we niet in de tweede opdracht slagen om als eerste toe te komen willen wij absoluut de eerste opdracht halen en die is om met het ganse team de eindmeet te halen. Een vlucht vogels hoog in de lucht herinnert er ons aan hoe belangrijk het is om samen te blijven. Er wordt afgesproken dat telkens twee vrienden mij zullen ondersteunen en na elke kilometer zullen ze elkaar aflossen, ook al zijn ze allemaal zelf aan het eind van hun krachten. Gelukkig is het iets koeler geworden en kunnen we in de schaduw van de rij bomen lopen die nu langs onze route staan.  De steun van de armen van mijn vrienden helpt mij om de pijn te verbijten, maar wij vorderen veel te langzaam. Het afgelopen half uur zijn we maar één kilometer opgeschoten. Aan dit tempo moeten wij nog minstens twee uur lopen. Wanneer wij even later een barak zien waar houten planken en stokken liggen opgestapeld, heeft iemand het idee om een soort draagstoel te sjorren met touw dat hij toevallig in zijn rugzak meenam. Als meester sjorders lukt het hen snel om tot een resultaat te komen dat voor de dragers en voor het slachtoffer, ik dus, comfortabel lijkt.  De vrienden maken er een spelletje van en gaan met elkaar in de clinch om als eerste de stoel te mogen dragen. Ik hoef niet meer te stappen waardoor de pijn draaglijker is geworden. De vermoeidheid slaat hard toe maar door het enthousiasme van mijn kameraden gaat het nu heel wat vlotter. Toch hijgen mijn slaafjes alsmaar meer wanneer ze mij dapper voortdragen. Om zeven uur ’s avonds rest ons de laatste kilometer.  Iedereen sleept zich voort en om er de moed in te houden haal ik mijn beste grappen boven.  Ik schat dat wij nog een honderdvijftig meter van het eindpunt vandaan zijn wanneer ik de overige ploegen met de leiding naar ons zie uitkijken. Ze komen ons tegemoet en tillen mij met wel tien man uit mijn draagstoel. Mijn kameraden krijgen van iedereen schouderklopjes. Wij hebben het gehaald.’ Wanneer ik het boek sluit lopen twee dikke tranen over mijn wangen. Dus zo ging het er vroeger aan toe, denk ik.  Ik ben fier als een gieter op mijn papa  en vertrek twee dagen later met Joris op zomerkamp. Mijn kameraden zullen op mij kunnen rekenen. Dat staat vast.      

Vic de Bourg
71 3