Lezen

Het verscholen dorp

Met een schrapend geluid schiet de door de kou verharde voorband in het bevroren karrenspoor. Met moeite blijf ik overeind. In een poging om fiets en lichaam weer in evenwicht te brengen, geef ik een ruk aan het stuur. De wielen van mijn fiets knisperen door de bevroren modder. Heel kort stokt mijn adem. Meteen daarna vindt ze een weg naar buiten, vanuit mijn warme longen de ijzige kou in. Voorzichtig over het glibberige en bevroren pad rijdend, tuur ik tussen de kale bomen en besneeuwde struiken door het winterse landschap in. Koning Winter heeft bijna alles wat normaal groen is van bladeren ontdaan. Kale takken zijn achtergebleven. Door hun enorme aantal en dichtheid is mijn zicht evengoed beperkt. 'Aan het einde van het pad is aan de rechterkant een smalle doorgang. Loop daar enige meters het bos in, en je ziet het snel genoeg,' had de oudere heer in het dorp met krakende stem gezegd. Hij moet het punt waar ik nu ben bedoeld hebben.  Licht opgewonden stap ik af. De sneeuw onder m’n schoenen kraakt na de aanraking door mijn schoenzool. Verder hoor ik niets dan stilte. De stilte van de bevroren bossen om me heen. Ik kijk naar links en naar rechts. Niets te zien. Plots hoor ik een knakkend geluid achter me. Ik draai me snel om. Mijn hart bonkt in mijn keel, ondanks het feit dat ik opnieuw enkel bomen zie. Ik besluit het er op te wagen, en loop behoedzaam door de dikke sneeuw. Het is pas half drie, maar ik heb het idee dat het al begint te schemeren. Hoe kort moeten de dagen hier toen in de winter niet zijn geweest? Een laaghangende tak ontwijkend loop ik in de richting waar ik denk dat het moet zijn. Intuïtief draai ik mijn gezicht opzij. Het laatste wat ik wil, is een tak tegen m’n koude wangen en neus krijgen. Als ik de tak rustig over m’n schouder weg laat schieten, zie ik plots het smalle paadje dat tussen de bomen door bij me vandaan loopt. Mijn adem stokt, terwijl mijn hart een sprongetje maakt. De kou lijkt plots verdwenen. De combinatie van spanning en opgewondenheid doet al het andere vergeten. Voorzichtig loop ik vooruit. Ik wring me tussen takken door. Ook de boomstronken op dit paadje zijn bedekt met een laagje sneeuw. Dit maakt hen moeilijk zichtbaar. Mijn schoen schiet tot twee keer toe weg. Ik bemerk het nauwelijks.  Het paadje voor me kronkelt een stukje omhoog. Een meter, hooguit. Op dit verhoginkje staat een boom. Ik vervolg mijn weg hier naar toe. Een paar tellen later grijp ik me vast aan de stam. Vanaf de verhoging kijk ik een kuil in. Aan de rand van de kuil ligt er één. Het is geen originele meer. Deze zijn immers vernietigd. Maar toch. Ik loop er naartoe, de omvang en bouw in me opnemend. Als ik er voor sta, zie ik op het laagste punt een donkere ingang. Ik kruip er in. Dan ben ik binnen. De inzettende schemer van buiten is hier maar een heel klein beetje zichtbaar. Verder is het donker. Ook is het hier minder koud. Ik adem in en ruik hoe een muffe lucht van bladeren en grond mijn neus vult. Het geeft me, vreemd genoeg, een vertrouwd gevoel. Hier hebben ze dus gezeten. In deze en acht andere hutten. Hier, in de bossen, hebben bijna honderd onderduikers zich ruim anderhalf jaar verscholen gehouden. Hoofdzakelijk Joden, maar ook Britse en Amerikaanse piloten. Een Rus ook, zo gaat het verhaal. De oude heer had het me die middag allemaal verteld. Hij had me gevraagd of ik het Verscholen Dorp al had bezocht. Toen ik ontkennend had geantwoord, was hij zijn verhaal begonnen. Over de bezetter die steeds nadrukkelijker aanwezig was geweest. Over hen die hierdoor niet meer vrijelijk konden leven. Over hen die geholpen hadden met het bouwen van hutten,  en over hen die de bewoners hiervan hadden voorzien in de eerste levensbehoeften. Ik had aan zijn lippen gehangen. Een zenuwachtige nieuwsgierigheid had zich van mij meester gemaakt. Snel daarna was ik op de fiets gesprongen, op zoek naar de restanten van het verscholen dorp.  Hoe moet het leven hier zijn geweest? Totale afzondering. IJzige koude. Doodse stilte. Continu angst. Was men blij geweest? Blij dat men hier, weg van de bezetter, had kunnen wonen? Of had angst geregeerd? Hoe waren de verhoudingen tussen de bewoners? Was het gezellig? Werd er gelachen? Was er ruimte voor romantiek en liefde? Of werd er vooral gewacht op het onherroepelijke betrapt worden? De heer had me verteld dat dit na 18 maanden was gebeurd. Twee soldaten waren op een jongen gestuit die hout aan het hakken was. Hij had hen verteld over het verscholen dorp. De soldaten waren versterking gaan halen, waardoor de bewoners tijd hadden gehad de bossen in te vluchten. Een aantal werd alsnog gepakt om op de meest definitieve manier gestraft te worden. De rest was ontkomen, in ieder geval op dat moment.  Hoe moet het leven hier zijn geweest, midden in de soms ijskoude en soms snikhete bossen? Wie hadden hier gewoond, en hoe gingen ze met elkaar om? Wie waren er gevlucht, en welke kant op? Hadden zij die bij elkaar hoorden, elkaar weer gevonden?  Wie werden er voor eeuwig van elkaar gescheiden? De vragen blijven door m’n hoofd spoken. Ik hoor buiten de stilte, en laat me achterover op de grond zakken. Deze plek met haar geschiedenis overweldigt me. Ik blijf lange tijd zitten, me afvragend wat zich hier allemaal heeft voltrokken. Pas als het al lange tijd donker is, verlaat ik het verscholen dorp en zet ik koers naar m’n hotel. Deze tekst is gebruikt als inzending voor een verhalenwedstrijd van het voormalige Monuments of Life. Op basis van een publieksbeoordeling is deze tekst als winnende beoordeeld, waarna pubicatie in de verhalenbundel ' Monuments of Life vol. 2' heeft plaatsgevonden.

Quirijn Teunissen
5 1
Tip

Net geen 98

Jij bent 96, ik 9Jij ligt al meer dan een jaar in bedDe huid van jouw handen lijkt een doorzichtig vliesIk durf het amper aan te rakenBang dat het scheurt als vlindervleugelsJe vraagt hoe het was op schoolEn om koekjes uit de kast te halen als vieruurtjeIk weet dat er geen koekjes zijnZal ik eerst broeder jacob spelen vraag ik?Je zingt mee, je kaken roodWe stralen Jij bent 97, ik 10, mama 40Je ligt nog steeds in bedDe verpleegster houdt een telefoonscherm voor je gezichtJe ziet me niet goed zeg jeEn vraagt wanneer we komenHet mag niet marraine zeg ik nog eensWe zouden je kunnen besmetten met coronaEen beetje zoals tijdens de Spaanse griep Gelukkig kunnen we je wel bellenZal ik nog eens accordeon spelen?Frère Jacques zing je Maar we stralen niet Jij bent 97, ik nog steeds 10, mama intussen 41Ik mag niet naar jou komenMama na 3 maanden eindelijk welHet ging niet goed zei de verpleegsterJe at en dronk niet meerJe ogen gingen amper nog openBehalve voor mamaJij nam vroeger haar hand vastNu neemt zij die van jouZe voelen koel en zachtZe zegt dat het bijna je verjaardag isOf je dan een stuk taart wil?Ja en een glas wijn zeg jeMama lacht vanachter haar mondmasker Haar ogen worden vochtigGoed dat ze ons dat niet kunnen afnemen zegt ze Jij was 97, net geen 98De taart en de wijn kunnen we niet meer delenMama zit al dagen te lezen om te vergetenIk maak een eigen stukje muziekVoor marraine haar begrafenis zeg ikEn dan zijn ze daar haar tranenZe wil dat je haar hand vastneemtEn zegt dat alles goed komtZoals je altijd deedSpeel maar verder zegt zeVoor haar en voor mij  

Fien SB
174 1

Braakland

je naar iets anders doen kijken om de antenne ervan bij te sturen: wat 'ziet' wordt gestuurdin een haakse richting op het blikveldmarmeren mannetjes bewaken ondertussen de koperdraad die door de muren van de kamer loopt, maar gisteren gaf de stekker een vonk en nu werkt de elektriciteit nog slechts deels, op sommige plekken die je beter niet nog eens aanraakt, en wat dat wil zeggen als je het wél aanraakt je haar naar achteren, zo ben je nauwkeurig gezegd voorbereid op iets maar op wat moet je je nog voorbereiden als de lucht rot is binnen een straal van 10 meterde straal vindt zichzelf telkens heruit en geeft je niet meer of niet minder dan tekens die te kort zullen schieten naarmate je je ermee aankleedt wees eerlijk tegenover (niet 'tegen') een broos lichaam  het staat op spatten dus het breekt wel eens (toen zei ze me dat ze wilde vertrekken dus liet men haar de andere kant van zwaarder wordende omgevingen eens zien: kortom, ze blijft altijd plakken, aan dat wat daar niet om vraagt)niets wil insinueren, alleen nog maar liegen en provoceren,zo gaten creëeren en mengvormen vervalsen binnnen de codes van het mengenwant ohnee-ohjaook zij zijn er nog maar dat wat je ziet overstijgt je verwachtingen, blijkt een braak terreintje te zijn, en om het te liggen wachten in de avondzon uit te stellen kijk je hoe laat het isdit betekent niets goed nu dat de elektricteit bij ons stuk is, nu dat de muren niet meer hoeven te klemmen is er enkel nog maar de proletariër in mij die alles goedkandoen

Dries Verhaegen
9 0