Lezen

Reinhoudt

Ik ben hier al vaak geweest, en toch ziet de statige gevel er nog altijd donker en dreigend uit. De makelaar is al tien minuten te laat en mijn het zonlicht prikt fel in mijn ogen. Dat laatste wijntje gisteravond was duidelijk te veel. Hoe graag wil je het pand verkopen als je er zelfs niet in slaagt op tijd te komen? Ik laat mijn blik terug over de gevel gaan, het woord ‘monumentaal’ komt automatisch bij me op. De rozige glas-in-lood ruitjes zijn zo vuil dat je er bijna niet meer door kan kijken. Ik kan me nog levendig voorstellen hoe ik vroeger kerst vierde aan de andere kant van het raam. Grootmoeder toverde er elk jaar opnieuw in om een gigantische kerstkalkoen met truffelvulling op de tafel. Als kind keek ik met een mengeling van bewondering en afschuw toe terwijl ze tijdens het koken haar arm tot bijna aan de elleboog in het achterste van de vogel liet glijden om hem te vullen. Ik kreeg dat beeld maar niet uit mijn hoofd, ook niet wanneer ze het intussen krokant gebruinde gevogelte enkele uren later op de overdadig gevulde kerst tafel zette. Ik durf haar nog steeds niet te vertellen dat ik vegetariër ben geworden. ‘Excuseer voor de vertraging, ik vond nogal moeilijk parkeerplaats in deze buurt.’ Een man met warrig haar en een stoppelbaard steekt zijn hand naar me uit. ‘Ik ben Kevin, de makelaar. Heeft u het makkelijk gevonden?’  Terwijl ik zijn hand schud, valt mijn oog op de rouwranden aan zijn vingernagels. Er zit een vlek op de kraag van zijn iets te strakke hemd. Moest ik echt interesse hebben gehad in het huis, zou dit een afknapper van formaat geweest zijn. ‘Zullen we naar binnen gaan?’ vraagt hij vrolijk.  Ik knik zonder iets te zeggen en volg hem het portaal in. In de hal zie ik meteen de glooiende stenen trapleuning waarvan mijn broer en ik altijd naar beneden gleden. Een seconde lang denk ik aan het litteken op mijn knie dat ik overhield aan die ene keer dat mijn kousenbroek bleef haken.‘Zoals u kan zien mevrouw: een prachtige hal met alle authentieke elementen uit de jaren twintig. De trap is opgetrokken uit massieve kalksteen en de vloertegels zijn ook nog de oorspronkelijke. U voelt in de hal al meteen de klasse die het pand uitstraalt. Een zeer mooie burgerwoning.’ Ik kijk naar de charmante vloertegeltjes  die onder de bruine plekken zitten of gebarsten zijn. De stenen trap en de majestueuze luster aan het plafond vullen de ruimte. Maar de muren, ooit stijlvol wit, zijn in de loop der jaren lelijk vergeeld en staan vol zwarte strepen. De vergane glorie stemt me triest. Ik wil zo snel mogelijk naar de kamer zien waarvoor ik gekomen ben, zodat ik hier weg kan. De makelaar zwijgt even en lacht me hoopvol toe, maar ik weet niet wat te zeggen. Hij knikt en gebaart me hem te volgen naar de woonkamer. Die ziet er nog helemaal uit zoals ik me ze herinner. Ouderwets bloemetjesbehang, een fraaie visgraat parket en grootmoeders robuuste, lange buffetkast van kerselaar tegen de muur. Zou de afstandsbediening van de tv nog altijd in het bovenste schuifje liggen? De eiken planken kraken theatraal onder mijn voetstappen. Het ontroert me. In gedachten zie ik grootmoeder traag naar de eettafel lopen om de schaal violettes te nemen. Ze had er altijd wel eentje in haar mond, op eender welk moment van de dag. In het rusthuis krijgt ze er geen meer, de verpleging zegt dat ze aan haar suiker moet denken. Aan het raam staat nog steeds het ziekenhuisbed waarin ze de laatste jaren sliep. Het doet me denken aan een artikel dat ik onlangs las. Blijkbaar worden rolstoelen en ziekenhuisbedden vaak als verkooptruc gebruikt in de immosector. Maar ik heb dit huis nooit zonder het bed geweten. De ruimte is donker en muf, maar groter en plechtiger dan ik me herinner. Ik kijk naar de ornamenten aan de lambriseringen die het hoge plafond omranden. Het moet zeker twintig jaar geleden zijn dat ik hier nog ben geweest. ‘Dit is de ideale ruimte om mensen te ontvangen, vind u niet? Mooie houten vloeren, hoge plafonds, originele glas-in-lood ramen. U hoeft eigenlijk alleen te schilderen om de kamer een modernere toets te geven.’ Dan aarzelt hij even. ‘Zoals ik u aan de telefoon al zei is er ook nog een deel dat aan vernieuwing toe is. Dat laat ik u nu zien. Hier moeten nog wat kleine renovatiewerken uitgevoerd worden, maar dat heeft dan wel weer als voordeel dat u dat volledig naar uw eigen wensen kan doen.’  We komen aan in wat ooit grootmoeders imposante keuken was. Tot mijn ontsteltenis staat er alleen nog een oud, gietijzeren fornuis. De blauw betegelde vloer plakt. Uit het plafond komt een oude, gesmolten elektriciteitskabel. De muur eronder is zwartgeblakerd. Ik begrijp niet dat dit pand zo te koop wordt gesteld, van deze keuken neemt elke potentiële koper meteen de benen. Het is niet te geloven dat het huis tot voor kort nog bewoond werd. ‘De elektriciteit werd volledig afgekeurd, deze kabels dateren nog uit de jaren zeventig. Zoals u ziet is er eens een kortsluiting geweest. Wat er juist allemaal moet gebeuren, weet ik niet vanbuiten. Dat staat op het keuringsverslag. Misschien is het wel opgelost met wat kleine ingreepjes.’ zegt hij op nonchalante toon.  Ik laat mijn wijsvinger kraken en klem mijn kaken op elkaar. Het is wel duidelijk dat hier meer nodig is dan enkele kleine ingreepjes.  ‘En u kan zelf een keuken naar keuze laten installeren. Tegenwoordig kost dat niet zoveel geld meer.’  Ik draai mijn rug naar hem toe en kijk naar het plafond.  ‘Persoonlijk,’ gaat hij in een adem verder, ‘zou ik de muur tussen de keuken en de woonkamer eruit halen en een grote, moderne leefkeuken laten plaatsen. Zoals u ziet zijn de mogelijkheden eindeloos.’ Hij krabt in zijn warrige haren en zorgt daarmee voor een spoor van witte huidschilfers die op zijn schouders neer dwarrelen.  Ik kan me niet voorstellen dat mijn kokette grootmoeder, die op regelmatige tijdstippen drukte op het feit dat ze uit een familie van aristocraten afkomstig was, in deze omstandigheden heeft geleefd. Ik moet hier zo snel mogelijk terug buiten. Zo gauw ik oom Reinhoudt’s kamer heb gezien, ben ik hier weg. De makelaar moet mijn ontsteltenis hebben gezien, hij lacht zenuwachtig.  ‘Zoals u ziet was hier al enige tijd niemand meer geweest. De eigenares van het pand was niet goed te been en verbleef uitsluitend in de voorkamer.’  Arme grootmoeder. Waarom heb ik nooit iets gedaan? Ik probeer mijn neus zo onopvallend mogelijk dicht te knijpen kijk even kort rond om interesse te veinzen. Naarmate het einde van de rondleiding nadert, voel ik zenuwen opkomen. Ik kan niet verklaren waarom ik zo graag de kamer van mijn dode oom wil zien. Ik weet niet wat ik juist verwacht of wat ik hoop te vinden, maar het is mijn enige kans om uit te zoeken wat er allemaal gaande is in mijn familie. Ik wil weten wat voor man oom Reinhoudt was en waarom mijn moeder rode vlekken in haar nek krijgt wanneer zijn naam wordt genoemd. Want hoewel ik hem al twintig jaar niet meer gezien heb, krijg ik zijn beeld maar niet uit mijn hoofd. Die glanzende donkere ogen en de wilde baard. De donkere pijp in zijn rechtermondhoek, de bril met de vettige glazen die altijd een beetje scheef op zijn neus stond. Zijn luide ademhalen, zijn trillende handen en zijn verlegen glimlach. Het dunne lijntje speeksel op zijn kin als hij ons moeizaam dag zei. Als kind begreep ik niet waarom hij zo stotterde, ik heb lang gedacht dat hij het voor de grap deed. Van de hele familie had ik hem het allerliefst. De laatste keer dat ik hem zag, was net na mijn zesde verjaardag. Ik mocht mee naar zijn collectie miniatuurtreintjes op zolder komen kijken. Het was indrukwekkend. Met de grootste precisie had hij een landschap met treinsporen, een station, een slagboom en stopborden na gemaakt. Net echt. Hij had er speciaal stukjes mos voor uit Noorwegen laten komen, vertelde hij. Ik weet nog steeds niet wat er juist gebeurd is, maar op een bepaald moment bleef hij op zijn kamer zitten wanneer we op bezoek kwamen bij grootmoeder. Een geschil met mijn moeder, blijkbaar. Grootmoeder zei dat het wel zou overwaaien. Dat deed het niet. Dat jaar met kerst bracht zij een bord met eten naar zijn kamer. Ik weet nog goed hoe boos mama werd toen ik vroeg waarom hij niet meevierde. Dat ik een lastig kind was, had ze gezegd, en dat ik niet altijd overal mijn neus in moest steken. Papa zei dat hij een vreemde man was en dat we niet op hem moesten letten. Dat hij liever aan zijn miniatuurtreintjes werkte dan ons te zien. Sindsdien heb ik nooit meer een vraag over oom Reinhoudt durven stellen. ‘Er is nog een laatste kamer, maar die kan ik u helaas niet laten zien, mevrouw.’ zegt de makelaar zacht zacht. Hij lijkt onzeker. ‘Zoals ik u vertelde aan de telefoon woonde de volwassen zoon van de eigenares in deze kamer. Toen hij onlangs kwam te overlijden is zijn moeder meteen in een home geplaatst, waardoor er een aantal praktische zaken nog niet in orde zijn gebracht. De kamer is verzegeld door de politie, het onderzoek is nog maar een paar dagen geleden afgerond.’ Ik knik langzaam. De kamer van oom Reinhoudt. De reden waarom ik hier ben. ‘Ik begrijp dat het moeilijk ligt meneer, maar ik zou de kamer toch graag zien. Ik moet een inschatting kunnen maken van welke werken er nodig zijn, en hoeveel dat zal kosten.’Kevin de makelaar glimlacht, hij had deze vraag duidelijk verwacht. ‘Ik begrijp dat kandidaat-kopers alle ruimtes in dit pand willen gezien hebben, maar dat is in dit geval helaas niet mogelijk. De kamer is qua grootte en indeling zeer vergelijkbaar met degene die op het eerste verdiep. En ik kan u verzekeren dat de nodige werkzaamheden ook in lijn liggen met de rest van de woning.’ ‘Kunt u echt geen uitzondering maken? Ik kan best tegen een stootje. Bovendien had u me gewaarschuwd aan de telefoon. Die ruimte bepaalt immers hoeveel mijn potentiële bod op deze woning bedraagt. Ik ben erg geïnteresseerd.’ Bingo. Als hij het pand ooit echt verkocht krijgt, hoop ik dat hij zijn commissie aan een manicure en een kappersbeurt uitgeeft. Hij haalt diep adem en recht zijn rug.  ‘Misschien kunnen we al een tweede bezoek vastleggen, wanneer de kamer is schoongemaakt. Dan heeft u de tijd gehad om even na te denken.’ ‘Dat ligt moeilijk, meneer. Mijn huidige huurwoning is verkocht, ik word er weldra uitgezet. Ik heb dus geen tijd te verliezen, ik moet zo snel mogelijk een nieuwe woning vinden.’ ‘Goed dan. Normaal gezien organiseren we enkel bezoeken wanneer het pand schoon is gemaakt, maar in dit geval moest het snel gaan omwille de kosten van de home.’ Hij aarzelt even. ‘Ik moet u wel waarschuwen, mevrouw. Wat zich achter deze deur bevindt, is gerust schokkend te noemen. Ik reken op uw discretie, ik doorbreek hiermee mijn belofte aan de eigenares van de woning.’ Mijn hart maakt een sprongetje. Hij duwt de deur open en neemt een stap opzij, zodat ik binnen kan gaan.  Aan weerszijden van de muur hangen politielinten. De makelaar heeft niet gelogen, de kamer is effectief verzegeld. Een warme walm van vocht en onhoudbare stank slaat me in het gezicht. Het lijkt alsof ik elk moment op zijn ongekoelde lichaam kan stuiten. De soep van deze middag baant  zich langs mijn slokdarm terug een weg naar boven. Ik kan maar net op tijd slikken. Op de muren staan in verschillende kleuren onverstaanbare boodschappen en formules gekrabbeld. Overal staan bruine handafdrukken, ik kan niet uitmaken of het in bloed of in kak is. Ik krijg het plots ijskoud. De vlekkerige parket is omgeven van de omver gevallen stapels kranten. In een hoek van de kamer ligt een berg kleren, tot ongeveer een meter hoog. De waanzinnige stank nestelt zich in mijn neusgaten. Ik heb altijd een hekel gehad aan horrorfilms over huizen. Die typische films waarin een gezin een oud huis koopt en af te rekenen krijgt met de boze geest van de vorige bewoner die er zelfmoord pleegde en daarom niet naar het hiernamaals kan. Ik het gevoel dat ik middenin zo’n film zit. Ik hoopte op een aanwijzing, maar de aanblik van deze kamer schept alleen verwarring.  ‘U ziet het: ook hier is een grondige make-over nodig. Al ziet het er erger uit dan het is. Structureel gezien is deze kamer helemaal in orde, hoor. Alleen de muren en de vloer moeten stevig aangepakt worden.’ Ik knik en richt mijn blik naar het plafond, hopend op een rustpunt in deze allesovertreffende chaos. Maar ook dat staat vol bruine handafdrukken, geen idee hoe hij daar is geraakt.  ‘Oké.’ zeg ik aarzelend. ‘U had me gewaarschuwd.’ ‘Laat u niet ontmoedigen door deze kamer, mevrouw. Na wat klus- en schilderwerk zal het er hier weer prachtig uitzien. U moet eens kijken naar de lambrisering en naar die prachtige rozetten op het plafond. Die zijn allemaal perfect te redden.’ Ik probeer enkele boodschappen op de muur te lezen, maar het kronkelige handschrift is op enkele a’s na onleesbaar. Daarom wilde moeder dus niet dat ik naar het huis zou komen kijken. Die ‘slepende ziekte’ waaraan oom Reinhoudt zogezegd is gestorven, staat letterlijk over de muren uitgesmeerd. Daarom die  vreselijke en onpersoonlijke begrafenis.  ‘Wat is hier eigenlijk gebeurd?’ Ik werp een blik in de stoffige spiegel die op de grond staat. Knokig en bleek, kleine, afhangende borsten, grote oren. En een kille, eenzame blik. ‘De man die hier woonde leed aan een bijzondere vorm van schizofrenie. Daarom woonde hij bij zijn moeder, hij kon niet zelfstandig functioneren. Toen ze te oud werd om voor hem te blijven zorgen, is het fout gegaan.’  ‘Wat vreselijk.’ Ik mompel het eerder tegen mezelf dan tegen de makelaar. Een lullige opmerking, maar ik weet niet wat ik anders zou moeten zeggen. De makelaar vervolgt op vrolijke toon dat dit renovatieproject erg interessant is. Hij vertelt iets over zes procent BTW en over renovatiepremies, maar ik hoor amper wat hij zegt. Ik moet naar buiten.

Annelies Leysen
30 0

Dagdagelijks

Mijn dagelijkse wandeling was blijkbaar toch niet zo dagelijks als ik gehoopt had. Het was een wandeling bedoeld om een gewoonte te zijn. Maar toch. Het was niet meer dan een grauwe dinsdag ergens in februari. Ik stond die dag vol goede moed op – niet anders dan de andere driehonderdvierenzestig dagen in het jaar. Snel een kop zwarte koffie en een boterham met nog net niet vervallen salami. Nadat ik mijn bruine lederen schoenen aangetrokken had, moest ik haastig op zoek naar mijn sjaal. Waar lag hij toch? Het was nu niet dat ik al overal gezocht had, maar veel verder dan de kapstok kon hij toch niet liggen? Ik bukte om onder mijn leeszetel te kijken, maar ook daar lag hij niet. Bij het rechtkomen stootte ik mijn hoofd aan de kapstok. Onbewust spuwde ik een te hoge kreet uit. Het zou toch niet waar zijn. Was ik mijn goede oude sjaal dan echt ergens kwijtgespeeld? Ik keek de kapstok aan en pas op dat moment viel me op met hoeveel trots hij daar eigenlijk stond. Het was een donkere, eikenhouten kapstok waaraan er plaats was voor wel vijf jassen. Hoewel de statige kapstok ernaar verlangde om vier andere jassen te dragen, gebruikte ik de meeste tijd slechts een van zijn armen. De sjaal was nog steeds nergens te bespeuren en een keuze drong zich plotseling bij me op. Ga ik naar buiten zonder sjaal voor mijn ochtendwandeling of neem ik nog een kop van de heerlijk sterke koffie? Snel schoten alle voor- en nadelen door mijn hoofd. Niet veel later sloeg ik de deur achter me dicht en draaide ik het slot om. Ik stond in het trappenhuis en vroeg me heel even, hoogstens een seconde of twee, af of ik niets vergeten was. Het zij zo, dacht ik terwijl ik mijn voet zachtjes op de eerste trede richting het gelijkvloers zette. Terwijl ik steeds verder naar beneden ging, merkte ik niet op dat ik ook steeds trager ging. Getallen schoten door mijn hoofd. Drie verdiepingen tot ik weer beneden was. Dat waren dan zes trappen met elk dertien treden. Dat kwam dan neer op een totaal van achtenzeventig treden. Ik deed er net minder dan een seconde per trede over, wat maakte dat ik – met de draai tussen de trappen – iets meer dan anderhalve minuut nodig had om van de deur van mijn appartement de voordeur van het gebouw te bereiken. Midden op de eerste trap bleef ik staan, want ik hoorde onder mij een geluid. Het was het typische gepiep dat de opengaande deuren van dit perfect onderhouden gebouw maakten. Ik boog me voorzichtig over de trapleuning, hopend om een glimp op te vangen van mijn medebewoner. Ik stond net op het punt een trede lager te gaan om beter zicht te krijgen op de deur, wanneer hij met een luide klap dicht vloog. Mijn hoofd schoot angstig weg van de trapleuning. Ik voelde mijn hartslag toenemen, mijn adem versnelde. Het geluid van hakken weergalmde door het trappenhuis. Opnieuw bracht ik voorzichtig mijn hoofd naar de rand van de trap. Het getik van de hakken kwam steeds dichterbij tot het opeens overging in zacht geschuifel. Pas dan zag ik goed wie het was: Marleen van de tweede verdieping. In plaats van naar beneden te gaan, kwam ze naar boven. Wat moest ze daar in hemelsnaam? Normale mensen gingen naar beneden en buiten een wandeling maken, Marleen duidelijk niet. Ging ze misschien Karel op het appartement recht tegenover het mijne vragen om een bus melk?  Of kwam ze weer bij mij aankloppen omdat ze geen suiker meer had voor op haar rijstpap? (Dat kon dan mooi tegenvallen, aangezien ik niet thuis was). Wacht, ze zou me tegenkomen in het trappenhuis en me aanspreken. Opnieuw versnelde mijn hartslag. Ze kwam dichter en dichter. Ik bleef roerloos staan op de trede waarop ik ondertussen al enkele minuten stond. Het zou nu echt niet lang meer duren voor Marleen me zou opmerken. Gelijk kreeg ik, want voor ik het wist stond ze op de onderste trede van de trap. Ik ademde diep in en uit – ik hoopte dat ze mijn zachte zucht niet gehoord had. Ze bleef de trap beklimmen en net voor ze oogcontact met me maakte, hoestte ze even. Niet veel later stond ze bijna op dezelfde trede als ik en zei ze kort: ‘Goeiemorgen’. Ik voelde hoe een plotse opluchting zich meester van me maakte. Ik gaf haar haastig een kort knikje terug. Zonder er verder op te reageren liep ze door.  Toen ze (eindelijk) uit het zicht was verdwenen, keerde de rust langzaam terug binnenin mijn lichaam. Marleen, de dame van middelbare leeftijd met altijd wel een verhaal te vertellen, had niets gezegd. Ik vond het maar vreemd, maar net daarom werd de situatie er enkel maar beter van. Toch bleef ik nog een tijdje staan. Ik sloot mijn ogen en probeerde op mijn ademhaling te letten. Diep inademen, even vasthouden en dan zachtjes uitademen. Dat patroon herhaalde ik enkele keren tot ik merkte dat ik terug normaal kon functioneren. Langzaam zette ik mijn tocht door het trappenhuis verder. Ik was net de eerste trap af toen ik in de draai – het platte stuk dat kwam voor de volgende trap – bleef stilstaan bij het brandblusapparaat. De rode blusser hing ter hoogte van mijn middel en pas die dag viel het me echt op dat zo’n apparaat wel echt knap in elkaar zat. Ik kon zoveel vragen bedenken om aan de persoon die dit apparaat net op deze plaats had gehangen, te stellen. En dat allemaal terwijl ik niet eens wist wie dat gedaan had. Wie weet hoeveel van die brandblussers had die man – het kon evengoed een vrouw geweest zijn – al opgehangen. Ik kon er helemaal geen antwoord op geven. De kans was ook tamelijk groot dat die persoon het zelf niet eens wist; misschien hield hij het aantal blussers niet bij. Ik vroeg me plotseling af hoe ik zoiets zou aanpakken. Als ik zou weten dat ik de hele dag brandblussers zou moeten ophangen, zou ik dan een lijstje aanleggen om te tel bij te houden? Persoonlijk zou ik het leuker maken. Na elke tien opgehangen brandblusapparaten zou ik gewoonweg een pauze nemen. Dat was nog leuker, en bovendien nuttiger, dan eindeloze lijstjes aanleggen. Ik vond het fascinerend hoeveel vragen en ideeën er in me opkwamen bij het zien van zo’n simpel dagdagelijks voorwerp.  Ik was net de tweede verdieping voorbij toen ik besloot op mijn stappen terug te keren. Ik merkte voor de eerste keer sinds ik in het gebouw woonde op dat er vier deuren waren. Op de derde verdieping waar ik verbleef waren dat er maar drie. Ik realiseerde me dat ik niet eens wist hoeveel appartementen er in totaal in het gebouw waren. Ik zou zo dadelijk nog langs de eerste verdieping lopen, dus dat was snel te achterhalen. Maar over de vierde verdieping kon ik niets zinnigs zeggen. Daar was ik nog nooit geweest. Misschien was er maar één appartement, maar het konden er evengoed vijf zijn. Het was niet dat ik het per se wilde weten. Ik was gewoon nieuwsgierig en het was een leuk weetje geweest mocht ik het weten. Maar er actief naar op zoek gaan, neen, dat was ik niet van plan. Ach, ik maakte me waarschijnlijk zorgen om niets. Of er nu één, twee of zes deuren waren op welke verdieping dan ook, ik trok me er niets van aan. Terwijl ik aan de afdaling van de volgende trap begon, had ik niet door dat ik nog maar net over de helft was. Hoewel je af en toe een flits kon waarnemen, was het licht in die trappenhal zo goed als kapot. Het was zoals een hartspier. Het trok samen en liet weer los; het doofde uit en sprong weer aan.  Ik hoorde een deur dichtslaan. Opnieuw, dacht ik. Dit keer leek het geluid van verder onder me te komen. Het kon niet anders dan de voordeur van het gebouw zijn. Ik hoorde het geluid van voetstappen dichterbij komen, dit keer op een sneller tempo dan ik gewoon was. Het leek wel of iemand de trap aan het op lopen was. Het geluid kwam steeds dichterbij. Ik stak – zo nieuwsgierig als ik was – mijn hoofd over de trapleuning. Een verhelderende schok ging door mijn lichaam heen. Het was Peter, ik had het wel gedacht. Peter was veruit de sportiefste van het gebouw. Iedereen noemde hem de marathonman, want hij deed niets liever dan elke dag in het park zijn vaste traject lopen. Wat ik dan weer niet begreep, was het feit dat hij na zijn loopsessie nog eens doodleuk de trap op liep. Man, waar ben je toch mee bezig, dacht ik vaak. Na een traject van vijftien, misschien twintig kilometer nog eens lopen tot op de vierde verdieping. Hij moest wel gek zijn. Ik wist exact wat er stond te gebeuren. Zo dadelijk bij het kruisen zou hij geen woord tegen me zeggen. In plaats daarvan brabbelde hij onverstaanbare, onvolledige zinnen. Dat allemaal deed hij terwijl hij aan het hijgen was en op de koop toe zou zijn tong bijna op zijn tenen hangen. Ik was blij dat ik geen sportief type was. Op de eerste verdieping was het dan zover. Peter kruiste me al hijgend en liep steeds trager verder naar boven. Toen hij uit het zicht was, versnelde ik mijn pas. Er was niemand meer in het trappenhuis.  Iedereen die ik niet wilde tegenkomen, was ik tegengekomen. Wat een goed begin van de dag. Ik opende de voordeur en liep langs de brievenbussen het gebouw uit. Ik bleef even staan voor de gevel. Het was best al een oud gebouw. Dat zag je duidelijk aan de witte stenen die helemaal niet meer zo wit waren. Toch vond ik dat ik best mooi woonde. Ik verbleef op een mooie verdieping in een knus maar gezellig appartement. Er was niemand die zei wat ik moest doen, niemand waar ik ook maar een moment last van had. Aan de overkant van de straat was park. Ik zag de groene bomen en grasperkjes vanuit het raam van mijn appartement. Het regende niet, maar de grijze lucht vertelde me dat er tegen de avond wel wat druppels konden vallen. De baan die ik over moest was een best gevaarlijke weg. Gelukkig lag er een zebrapad vlakbij het gebouw. Ik wilde net mijn voet van de stoep op de baan zetten, toen ik op mijn horloge keek. Ik schrok. Er waren al ruim veertig minuten voorbij sinds ik ontbeten had. Dat was dan ook meteen het einde van de wandeling. Ik kon toch moeilijk elke dag in het park gaan wandelen. Het verplichte halfuur was verstreken en ik keerde terug naar de deur van het verouderde appartementsgebouw. Ach, morgen was er weer een nieuwe dag.

WoordenWeb
0 0

GEEN NIEUWS: "Voltallige Belgische politiek ze stap opzij!"

Niet alleen de lamentabele aanpak van de Coronacrisis in het lopende jaar 2020 ligt aan de basis van het ontslag van de federale politiekers. Veeleer is het de opeenstapeling van burleske blunders die het vertrouwen van de politieke leiders volkomen verspeelde. Het meest merkwaardige nog bij dit ontslag is dat het niet door de oppositiepartijen geëist werd, noch door een volksopstand afgedwongen. Neen, het is de politieke klasse  zelf - zowel de regeringsleden als de verkozen oppositieleden - die beslisten om uit het politieke halfrond te stappen. Naar verluidt - zo beweerden althans de enkele moedigen die de pers nog wilden te woord staan - omdat ze teveel verdienden naargelang de verantwoordelijkheid die ze aankonden. Zeker als minister, gaf Maggie  De Block toe, moet je niet onderschatten wat de mensen allemaal van je verwachten. Wij zijn ook maar mensen, èh! Als ge 's avonds moegewerkt in uw kot komt, wilt ge ook wel eens aan iets anders denken dan aan alle wereldproblemen! Als dokter moet ge wel vierentwintig uur op vierentwintig beschikbaar zijn; maar toch niet als politieker...! Op de vraag waarom de voltallige federale regering dan plots tot ontslag overging, wilden noch premier Wilmès, noch Bart De Wever, noch Paul Magnette, Lachaert, Coene, Rousseau of Almaci dieper ingaan. Maar voor iedereen was het duidelijk: wat er ook in de plaats zou komen voor deze patsers, erger kon het alleszins niet!   Pieter Blyaert        

Pieter Blyaert
25 0

Treinperikelen

Het moet een fraai zicht geweest zijn. Een volwassen man die achterwaarts op een stijgende roltrap stapt. Alsof het de opnames voor een slapstickfilm waren. De reden van mijn halsbrekende toeren was dat ik me wilde vergewissen van het bericht op het elektronisch informatiebord van de benedenverdieping. "Deze trein rijdt niet." Ik had het goed gelezen. Een onfortuinlijk verkeersongeval op de sporen bleek later. Ook de volgende treinen werden geannuleerd. Een andere trein richting Lier en een bus tot Herentals was de oplossing om thuis te geraken. De vier talen machtige conducteur stelde ons gerust. "Alles wird gut", besloot hij in het Duits. Waarop de West-Vlaming naast mij, met wie ik ondertussen aan de klap was geraakt, plots over de Duitse Militaire Begraafplaats in ons stadje begon te praten. Dat hij er ooit geweest was begreep ik, maar omdat zijn West-Vlaams dialect door het mondkapje moeilijk verstaanbaar was, knikte ik telkens, op tijd en stond afgewisseld met een 'hm hm'. Na afscheid genomen te hebben van de West-Vlaming die samen met zijn vrouw in Leuven op de kleinkinderen ging passen (ik had 'hou u goed jongeman' verstaan, maar volgens mijn vrouw klopte dat niet, vanwege de jongeman), bleek er in Lier geen bus te bespeuren. 'Alles wird nicht gut', zei ik. Een doos met droge legerkoeken van de buurtspoorwegen en water om ze weg te spoelen was voorzien, maar daarmee geraak je niet thuis. Het was wachten op een tourbus, want met de lijnbussen bleek er geen samenwerking te zijn. Je moet het meemaken om het te geloven.Een plots arriverend taxibusje - hij moet het geroken hebben - bracht de verlossing. We zouden de kosten met een paar andere wachtende reizigers delen. Hierbij een jongeman met een luchtig onderhemd, gecombineerd met een afgesneden jeans, teenslippers en een zomerhoed. Alsof hij rechtstreeks van Spanje kwam. Met zijn twee peuterdochters nam hij tegenover ons in de taxi plaats. Door zijn zomerse kledij leek onze slecht eindigende dagtrip nog iets van een vakantiegevoel te krijgen. Het zou anders uitdraaien. Bij de taxichauffeur had ik als een volleerd toerist in een zuiderse badplaats 10 euro van de kostprijs afgepingeld. Al had hij daar even later spijt van, want de jongste dochter van de papa met de zomerhoed vond de taxirit geen goed idee. "Ik wil niet", schreeuwde ze bij het instappen. Een zin die ze minstens 300 keer herhaalde, waarbij haar beentjes als een kleine Eden Hazard alle richtingen op trapten. Onze jongste zoon die er met zijn vriendin recht tegenover zat, hield er een blauwe plek aan over. Ik zag ze vanuit mijn ooghoek fronsend naar elkaar kijken. Geen enkel troostend woordje van de papa hielp. "Ik wil niet. Ik wil niet." Het bleef ocharm maar komen. Zelfs de droge koeken die ik aanbood werkten niet. "Ik wil niet", huilde ze. Ik geraakte ze maar niet kwijt. Ik had er voor alle zekerheid een paar extra uit de doos gevist. "Zeg, het is geen oorlog", zei mijn vrouw toen ze me betrapte. "Nee, maar we beginnen plots wel allemaal Duits te spreken", zei ik. Op een zucht van Herentals viel de duts in slaap. Nog steeds stilletjes 'ik wil niet' zuchtend. Met haar hoofdje op de autozetel en haar achterste in de lucht, zoals alleen vermoeide peuters dat kunnen. In Herentals gearriveerd stond de trein ons op te wachten. Ik viste meteen mijn boek uit de rugzak. De leuze "met de trein is het altijd een beetje reizen" heb ik maar niet uitgesproken. Wel fluisterde ik iets in het oor van mijn vrouw. "Ik denk dat kleinkinderen nog niet voor morgen zijn", zei ik.

Rudi Lavreysen
19 0

GEEN NIEUWS: 'Schandaal voor uitvaartcentrum, tuin vol opgezette mensen.'

Lier- De jarenlange illegale handelingen die het uitvaartcentrum JoLa uitvoert, zijn eindelijk naar boven gekomen. In samenwerking met een stille genootschap genaamd "het zuiver leven" kan je niet alleen kiezen voor het begraven of cremeren van een lijk maar ook voor het opzetten.  Na een jaar lang maandelijks telefoontjes te krijgen over verdachte activiteiten die zich afspeelden bij de verblijfplaats van "het zuiver leven", besloot de politie toch maar eens om een kijkje te gaan nemen. De genootschap was voorzien van een uitgebreide vergaderzaal, zonneruimte, private kamers en een grote tuin. Standbeelden stonden op een rijtje in het hart van de gaarde, perfect om er door te wandelen en ze te bewonderen. Het kwam allemaal wat eigenaardig over en toen ze er een expert bij haalden, bleken het dus opgezette mensen te zijn.  Uitvaartcentrum JoLa heeft zich nog niet uitgesproken over deze shockerende ontdekking. Verder onderzoek is voorlopig in werking. Wat ze al wel weten is dat ze er zeker hun geld aan hebben verdiend. Als je koos voor de optie 'opzetten' dan kostte je dat tussen de 10.000 en 15.000 euro. Factoren zoals: geslacht, leeftijd, lengte en andere fysieke kenmerken vormden de totaalsom.  Men schat dat deze praktijken al een vijf tot zes jaar bezig zijn. Het uitvaartcentrum zelf heeft het altijd geregistreerd als een crematie, met als gevolg dat er natuurlijk nooit een lijk zoek was. Officieel klopte alle documenten dus, zijn ze dan echt dit afgelopen jaar minder voorzichtig geworden met hun verplaatsingen naar de genootschap zelf? Er zijn nog zo veel vragen over dit ongewone schandaal. Hopelijk weten we snel meer. 

Kaat Janssen
107 0

over wandelen, creativiteit en Jean-Jacques Rousseau

Mijn dochters plaatsen allebei hun kampeerstoel op de oprit van ons huis en starten met straatvinken: een uur lang alle voetgangers, fietsers en voertuigen tellen die in onze straat passeren. Met die gegevens berekent de Ringland Academie, in samenwerking met de Universiteit Antwerpen, HIVA en KULeuven, elk jaar of je straat op de goede weg is naar duurzamer verkeer. Wat opvalt: een uur tellen leverde 11 voetgangers op. Ter vergelijking: ze telden 216 auto’s. Koning wie?   Die elf voetgangers intrigeren me: wat zijn hun beweegredenen? Is het wandelen voor die mensen een functionele bezigheid, verplaatsen ze zich van A naar B met een doel? Of is het wandelen an sich hun beweegreden en gaan ze dus wandelen van A naar A zonder meer?   Toen mijn dochters nog vrij jong waren, kregen ze stapschoenen cadeau. Die onthaalden ze vrij euforisch (joepie, nieuwe schoenen!), tot ze ontdekten dat er een activiteit gekoppeld was aan die nieuwe schoenen (maar ik heb geen zin om te gaan wandelen.). Tot hun ontsteltenis moesten ze vaststellen dat ik werkelijk elk nieuw oord wandelend wil verkennen.   Na meer dan tien jaar ervaring met wandelen met kinderen kwam ik tot volgende inzichten: er bestaan liedjes die ze na 100 keer zingen nog niet beu zijn (één champignonnetje, trala la la laaa), drie kilometer wandelen met een peuter in je nek kan ernstige gevolgen hebben voor je hoofd en haar (die hoofdmassage is leuk, maar mijn ogen hoef je niet te masseren), wegmarkeringen zoeken is voor een kleuter geen middel maar een doel op zich (we moeten hier naar links! nee, nee, andere links).   Tijdens het wandelen zijn er momenten waarop het volledige gezelschap in een gelijkmatig ritme zit. Op die momenten creëert de cadans van het stappen mentale ruimte. Ruimte om langverwachte of juist onverwachte gedachten te verwoorden. Zo vertelde mijn jongste dochter op één van onze wandelingen het verhaal achter haar gebroken been. Drie jaar – jawel, drie jaar – na de feiten kreeg ik te horen dat er een kindje vanop het klimrek per ongeluk op haar been was gesprongen. Ik keek naar haar terwijl ze dit vertelde en dacht bij mezelf: ‘waar komt dit ineens vandaan?’. Te weten dat ik drie jaar eerder talloze keren aan haar vierjarige zelf vroeg: ‘Maar weet je echt niet hoe het komt dat je been gebroken is?’. Ze haalde haar schouders op en zei iets over spelen en lopen en plots niet meer kunnen spelen en lopen. Ik hoorde nooit eerder over die jongen op het klimrek. Die nieuwe informatie was op dat moment onbruikbaar, maar ik vond het ronduit fascinerend dat ze net tijdens het wandelen die lang zoekgeraakte informatie uit haar brein terughaalde.   Wandelen heeft precies dat effect: het verheldert gedachten of ideeën. Marily Oppezzo en Daniel Schwartz van de Standford University onderzochten het effect van wandelen. Ze publiceerden in 2014 een artikel waarin ze concludeerden dat creativiteit met 60 procent toeneemt wanneer iemand wandelt. De studie bevestigt op een wetenschappelijke manier wat vooraanstaande denkers al langer wisten. Zo schreef Jean-Jacques Rousseau in Les Confessions: ‘Jamais je n’ai tant pensé, tant existé, tant vécu, tanté té moi-même, si j’ose ainsi dire, que dans les voyages que j’ai faits seul ou à pied’.   Redenen genoeg om niet af te stappen van het wandelen. Als u weinig creatieve ideeën hebt waar te starten: er is nog plaats in onze straat.     Moeder: Je bureau opruimen staat niet gelijk aan alles in één lade gooien. Je loopt er de kantjes vanaf, nietwaar?   Dochter: Hoe kan het ook anders met die stapschoenen?

Lore Dewulf
31 0

Nooit meer winter

Nooit meer winter   Sommige verhalen gaan over families, tragedies, verloren huisdieren of zelfs verdwaalde weduwen die zichzelf prostitueren, meestal uit noodzaak, eerzucht of gewoon uit een vorm van rouwproces.  Andere verhalen gaan over vrouwen. Hoe ze met hun wijsvinger silhouetten tekenen op naakte, bronstige mannenruggen. Schilderend vissen naar complimenten. Want zo zijn vrouwen op hun best; zoekend naar bevestiging. Dit verhaal gaat over een speciale vorm van een vrouw, een moeder. Mijn moeder. Mijn kind.   Ik droeg mijn moeder vaak onder de arm. Beschermend, verwarmd. Alsof de wereld, onze wereld, omgekeerd was. Niet speciaal omgekeerd, maar gewoon omgekeerd. Sinds enkele maanden was zij meer een dochter dan een moeder voor mij. Een taak die ik trouwens beter deed dan het dochterzijn. Onze reis ging van start in een afgedankte auto die we onderweg hadden onderschept door onze retorische welsprekendheid. Moeder vertelde mij over de schoonheid en hoe deze zich manifesteert in het behang van ons dagelijks leven. ‘Er zijn slechts weinig dingen mooier dan een zachte nocturne van Chopin’, begon ze vroeger altijd haar pleidooi. ‘Misschien woorden of misschien een zucht gevuld met geluk. Misschien is het wel de maan. Hoe die de natuurlijke schoonheid weerspiegelt. Met haar onbewoonde kraters en haar ongenaakbaarheid’. ‘Is dat niet schoonheid?’ vroeg ze mij telkens serieus. ‘Onbewoond en ongenaakbaar?’ Ze meende elk woord. Alsof ze het citeerde uit een beschermd, fragiel papyrusrolletje dat in een gekoelde kelder bewaard wordt. Ik begreep haar niet. Maar haar stem deed mij rustig worden. En in alle rust zit waarheid. ‘Die schoonheid wil ik aaien, vangen en tegen mijn warme borst drukken, om het zo te laten inslapen op het ritme van mijn onbevangen hart. Schoonheid moet je al wiegend omarmen’, sloot ze met een klein knipoogje af. Wat was ze onbegrijpelijk mooi. Alle moeders zijn mooi. Maar de mijne was mooier. Eigen moeder, schone moeder. Het was ons eerste uitje en wellicht ook ons laatste. Hoewel we dat nooit zeker weten. Maar slechts één goede reis is genoeg, meer dan genoeg. Moeder liet mij een plaats in de auto kiezen. Ze sprak niet en bewoog enkel als mijn schaduw bewoog. Zo zijn moeders, ze gaan mee met je schaduw. Het weer in de ochtend was minder mooi dan verwacht. De voorspellingen waren incorrect. Ik stuurde hiervoor een mail, enkele dagen later, met als onderwerp ‘Fake news’, als klacht tegen de onjuistheid. Ik zou het in mijn slotrede ook hebben over ‘incompetent’, maar dat wist ik nu nog niet.   De hemel leek donker. Soms droeg het zware, bruine wenkbrauwen. Waarmee het dan fronsend naar beneden keek. Alsof het een eeuwige twijfelaar was. Net zoals mijn moeder ook was: een eeuwige twijfelaar. Behalve nu. Nu vluchtte ze weg van de twijfel. Wij samen. Zij op mijn schoot, als in een omgekeerd verhaal. We werden overvallen door een uitzonderlijk nu. Ik legde mijn hand op haar alsof ik haar zonovergoten, zwarte schouders aanraakte. Ze blonken. Baren onduidelijke schaduwen, silhouetten van onmetelijke symbolen. Schuins over de parking stond een huis waarnaast een gigantische boom rustte. De kruin kwam enkele meters boven het dak van het huis uit. Het creëerde een grote, zwarte ufo die zich langzaam verschoof van de voortuin naar de straat. Wanneer de zomer zorgde voor enkele extra uren zonlicht kon je een prachtig fenomeen zien. De horizonlijn die het dak van het huis met de lucht afscheidt, vormt een sluimerend daglicht. Alsof het met een droge kwast gemanipuleerd werd. Als een verwend kind dat niet naar bed wil. Worstelend naar uitstel vecht het tegen de donkere, kille zucht die reeds op het oppervlakte het leven domineert. De zucht van de duisternis was genadeloos. Moeder werd vager. Op de tast voelde ik of ze nog aanwezig was. Ze was voor mij perfect zwart. Net mooi zwart genoeg. Je kon ook overdreven zwart zijn. De naakte duisternis danste een charmante wals doorheen de verlaten straten. De dood beseffen start in de ogen. Een verdwaalde zekerheid die leunt op het besef van vergankelijkheid. Sterven kan je samen, doodgaan niet. Deze zekerheid was onvoorwaardelijk. Moeders ruiken naar onvoorwaardelijkheid. Ze dragen een onvermoeibare vorm van zorg en rust. Iedereen sterft. Behalve moeders misschien. Die blijven bestaan.

Niels Lievens
47 0