Lezen

Gatlelijk

Liefste lezer, ik beloof plechtig dat de column van deze week geen gebakken uitwerpselen, door mijzelf bedreven tantrische seks of beschrijvingen van mijn sixpack met astronomisch hoog aflikgehalte bevat. Al beginnen we wel met een vrouwenkont. Sta me toe om het even uit te leggen. Ik weet dat ik, door wat ik nu ga zeggen, binnen vijf minuten geboeid uit m’n huis word gesleurd om onverdoofd met een vismes gecastreerd te worden op ons dorpsplein, maar ik moet het kwijt: ik durf al eens een milliseconde naar een welgevormd damesachterwerk kijken als het me voorbijloopt. Walgelijk, I know. Toen ik een tijd geleden weer zo’n geweldig staaltje natuursculptuur zag passeren, merkte ik echter iets raars op. Het achterste van de vrouw had geen ronding zoals bij de meeste mensen uitgezonderd mezelf. Nee, het ding was hoekig, alsof ze net uit een schilderij van Picasso was gestapt. En zoals je vaak plots overal dat woord tegenkomt dat je een dag ervoor voor het eerst gehoord hebt, zag ik er nog één. En nog één. Wekenlang heeft het mysterie van het geometrische gat, het mysterie van de hoekpoep, me beziggehouden. Tot ik toch eens een milliseconde langer durfde kijken, met het risico dat de vrouw zich zou omdraaien en uit mijn blik zou afleiden dat ik haar in mijn hoofd al aan het penetreren was, terwijl ze met handen en voeten vastgebonden op de pooltafel op het dek van mijn ingebeelde luxejacht lag. Grapje, lieve lezer. Als ik beloof om het proper te houden, doe ik dat ook. Maar terwijl ik dus naar haar zitvlak keek, kreeg ik m’n eureka-moment: da’s potverdikke een smartphone in haar achterzak! Meteen wierpen een hele hoop nieuwe vragen zich op: is dit iets uitsluitend vrouwelijk? Of loop ik als smartphone-in-zijzak-drager achter? Gaan ze verkeerdelijk denken dat ik iets verberg en níét de duurste iPhone heb die je kan kopen? En ook, wordt die gsm niet supermakkelijk gestolen uit die achterzak? Maar vooral, waarom steek je hem weg en gebruik je de extra tijd niet die je al wandelend op je smartphone kan besteden? Onze planeet is zo mooi niet. De Brusselse Ring, het perron van Kustmijnklotegem, de tuintjes vol onkruid en misvormde tuinkabouters op weg naar de crèche … Na een tijdje heb je het allemaal wel gezien. En voor autorijden, fietsen of een baby dragen heb je aan één hand genoeg. Maar de pa van Jezus heeft ons er twee gegeven met een reden. En daarvoor is er dat heerlijk lichtende schermpje om in te kruipen, met zo veel leuke dingen om te doen: ontdekken hoe je achterwerk het doet op Tinder (waar het nog charmant is dat mensen je kont checken), vrolijke dingetjes lezen op Facebook, door Instagram scrollen en kijken hoe de ex-collega die je volgt uit medelijden weer z’n tekstjes in je strot probeert te rammen. Ik zeg maar iets. Wanneer ik rondkijk in de trein, zie ik dat de meeste mensen het gelukkig doorhebben. Met elegante zwanenhals en laserfocus zitten ze te kijken, tikken, tokkelen, liken en swipen dat het een lieve lust is. En geen eentje verveelt zich of moet voor de zesduizendste keer de afschuwelijke achtergevels tegen het spoor zien voorbijflitsen. Ze merken het zelfs niet meer op wanneer ik in een volle wagon aan m’n snikkel begin te sjouwen en mijn hele lading over m’n sixpack met astronomisch hoog aflikgehalte spuit. Wederom een grapje, lieve lezer, we hadden een afspraak. Gisteren stapte ik al facetimend door Anderlecht, want alleen introverte mietjes bellen nog met de telefoon aan hun oor, toen ik ineens, knots, BOEM, #PAUKESLAG op de grond smakte. Een jongeman die met smartphone voor z’n gezicht metersdiep in z’n TikTok-feed zat, was recht op mij gelopen – enfin, of ik op hem, het maakt al niet uit – waardoor onze telefoons tegen mekaar en vervolgens tegen onze nietsvermoedende koppen kletsten. ‘Lelijk hier, hè?’ zei ik toen ik was rechtgekrabbeld. ‘Gatlelijk!’ antwoordde hij, voor we allebei in lachen uitbarstten. Na een ongemakkelijk dansje van onduidelijkheid wie wie nu links en wie wie rechts ging kruisen, zetten we onze weg al scrollend verder. Onderweg ben ik zeker nog enkele prachtachterwerken met en zonder hoeken tegengekomen, maar ik heb er geen milliseconde naar gekeken, omdat ik gezellig en veilig in m’n scherm zat, zoals het elk normaal, niet pervers mens betaamt.

Hans Verhaegen
25 1

Hokjesdenken (op stap in Brussel)

Alles wat 'goed' is, moet kapot. Niet bij de ander, maar wel bij mij. Het kan niet blijven bestaan. Ik verdien niet beter. Ik was er immers beter nooit geweest. Ik ben niet goed voor de mensen die ik echt graag zie. Alleen daarom al wil ik een glas. Maar dat is niet alles. Ik ben woedend om wat mij aangedaan is, en machteloos. Machteloos, omdat ik die afhankelijkheid haat. Het afhankelijk zijn van een ander die het niet verdient. Ik veracht mezelf dat ik niet beter ben dan dat. Ook daarom wil ik een glas. Bovendien is het niet waar, dat ik er beter niet was geweest. Dat kan niet, zo werkt het niet. Maar goed, waar of niet waar. Mij zal het worst wezen. Want wat maakt er nu eigenlijk echt uit in deze wereld? We slaan mekaar het hoofd in, en iedereen heeft gelijk. Het leven is lukraak, het lot meedogenloos. Onze ondernemingen zijn triviaal en uiteindelijk gaat alles naar de klote. Niets maakt echt iets uit. Niets. Fuck it, gewoon. Ik drink, want dan voel ik mij tenminste goed. Ik loop door de straten van Brussel, straks dool ik hier. Ik zal mij dat niet herinneren morgen. Er zal ook niemand zijn die mij eraan probeert te doen herinneren. Ik mis haar niet. Ook die andere niet. Ik mis niemand. De buitenwipper van het eerste café vertelt me dat ik niet meer welkom ben. Ik hoef niet te weten wat ik gedaan heb. Over een maand kom ik nog wel eens terug. In het tweede café herken ik Sergej. Misschien kan ik wat coke bij hem fiksen, ook al wil ik daar het geld niet aan spenderen. 'Hey, Sergej!' Ik benader hem, vrolijk glimlachend. 'You got money?' vraagt Sergej. Fuck Sergej, denk ik, ik loop verder naar de kickertafel en klop af. Het uitgaansvolk kan niet meer kickeren. Toch niet in Brussel. Ik droog hen allemaal af. Puur talent, weet ik. Niet de twintig jaar ervaring. Ik slaag in mijn opzet en raak aan de praat met mijn ad hoc teamgenoot. 'Gij waart nogal zat verleden keer.' lacht hij. Ik schaam mij al lang niet meer. 'Dat kwam omdat ik zoveel gedronken had,' leg ik uit. Hij begrijpt mijn humor niet. Ik geef de knaap ongevraagd levensadvies. Volg jezelf, laat je niet kapotmaken door de vrouwen, probeer rijk te worden. Inmiddels heb ik zo'n vijftien pinten binnen en ben ik los aan het komen. Op de dansvloer dansen enkele jonge vrouwen. Ik weet dat ik een goed danser ben. Gewoon jammer van die kletskop en die bierbuik. Hopelijk kan ik ze entertainen met mijn moves. Ik ben fun. Eén brok vijfendertigjarige fún. De vrouwen verlaten de dansvloer. Channel One van Bonzai Records staat op. De DJ herinnert zich mij, blijkbaar. En retro blijft populair. Ik ga helemaal los. Het interesseert mij niet dat ik een spektakel ben. Ik hou van het spektakel in mezelf. Ik geef me over aan de muziek. Ik geef over in de wc. Een, ik vermoed, minderjarig meisje kijkt me met grote ogen aan wanneer ik uit het hokje kom. Ach, ze heeft me gehoord. 'Salmonella,' zeg ik. 'Rotte eieren gegeten vandaag.' Ze walgt zo mogelijk nog sterker van me nu en vertrekt terug naar de zaal. Op de dansvloer zie ik mijn teamgenoot staan met zijn groepje vrienden. Ze aanvaarden mij en we dansen en praten wat. Ik weet niet waar ik het met hen over heb, maar amuseer me goed. Waarschijnlijk geef ik ongevraagd levensadvies. Na wat toch al zeker mijn vijfentwintigste pint is, sta ik terug in één van de hokjes. Ik ben bijna  verzonken in de roes, maar kan nog - met enige moeite - lezen wat er boven de wc in de houten muur gegraveerd staat. 'Alles is mooi en niets doet pijn.' Ik grijns en wil op zoek gaan naar de persoon die dat gegraveerd heeft. Ik besef dat ik die persoon ben.

Jorre
18 0

dierbare vijand.

Ge spreekt af. Na jaren. In hetzelfde café, steeds hetzelfde café. Niemand die weet hoe de avond zal verlopen. Ik niet en jij niet mijn vriend. Mijn maatje, mijn partner in crime in gedachten. Ik drink wat, want drinken verzacht de pijn van het zijn. Door beslagen ramen tuur ik over de rivier die vlak voor het café gesmeten ligt. Nergens ben je te zien. Je had niet hoeven afspreken. Ik snap het wel: tien jaar laat ik niets van mij horen en plots wil ik persé die zaterdagavond afspreken. Dan, vanuit de mist verrijs je. Nog steeds dezelfde kleren lijkt het wel. Nog steeds dezelfde snit. We veranderen continu en eigenlijk blijven we gelijk. Dat is onze bottomline. Hulde! Je schrijdt het café binnen, zelfzeker kijk je me aan. We zijn evenwaardig, ooit waren we beste vrienden. Het kan niet anders, fuck, dan dat we evenwaardig zijn. Je bestelt bier. Ik ook. Veel bier. We gaan buiten roken. Ik doe dat eigenlijk al twee jaar niet meer. Maar ik ga ervoor. Ik inhaleer zachte trekjes van een te zware sigaret. We praten maar komen amper uit onze woorden. De jaren bier worden ons daar en dan bijna fataal. Dat ik op je trouw was wist je niet meer. Maar ik wel. Jouw scheiding heb ik niet meegemaakt. Dat je op de dag dat mijn eerste kind geboren werd er was wist je niet meer, ik wel. Uw fucking oor hing er bijna af en je moest dringend naar de spoed. Dat trof, mijn vriendin moest kopen. Dat ik nog alles weet is jouw conclusie. Ik vergeet niets. We zijn eilanden, drijvend op zoek naar herinneringen en geschiedenis. Dat vind ik. Ik weet nu al dat ik nooit meer zal drinken. Niets meer, maar vandaag is de avond nog jong. Of ik nog drugs doe? Gelegenheid maakt de dief. Niet? Dus blowen we. Ik neurie iets dat lijkt op grunge. Je lacht. We drinken. Dus snuiven we. Vanavond gaan we kapot. Onze knieën zwengelen mee met god weet welke kutband. Het is een plaat dus het maakt niet uit. Het is verdomme koud en het waait. Dat we na vandaag toch nog moeten afspreken. Zouden we niet toch nog afspreken? Morgen als het kan. Maar het kan niet. Ik kan niet en jij ook niet. We struikelen waggelend naar de bar en smiespelen de barvrouw toe dat we drank willen: shotjes. Het is altijd maar kapotgaan. Ik vraag of je die nog kent? Wie? Die zelfmoord pleegde in ons klas door van een hotel te springen, vlak voor de examens. Daarom was ik er niet door, maakte ik mijn ouders wijs. Maar je weet het niet meer, ik wel, want ik weet nog alles, weet je dat nog? Eerder op de avond al gezegd. Het gaat van kwaad naar afgezaagd. Naar spaghetti aan het veer. Puisten op de kermis. Tegenwind naar Terneuzen. Boeken die er toe toe toe doen. Jij en ik. Ooit, altijd samen. Lachen gieren en brullen. Ik probeer, jij probeert. Maar er is iets fundamenteels veranderd. Het leven heeft ons ingehaald. Het leven heeft ons pootje lap gedaan, jou iets meer, toegegeven. Ik draai en hang wat rond een barkruk die zo nu en dan net goed lijkt te staan om op te gaan zitten. Om dan toch finaal op de grond te eindigen. We moesten maar eens gaan of niet, nog eentje. Fuck, alle vrouwen zijn zot. Dat ze het niet zien. Ja, ze zien het niet. Hier niet, nergens niet, nooit niet. Er zijn nooit maskers geweest beseffen we nu. We zijn wie we zijn. De maskers zijn voor de anderen, de goegemeente met hun goede bedoelingen en hun verwachtingspatroon. We passen er niet in, weten we nu. Nooit niet, nooit gedaan. Pootje lap verdomme. Maar we rechten vanavond onze rug. We zijn een soort eeneiige tweeling. Dat gedoe, dat brother from another mother, wij hadden dat al eeuwen geleden. Eeuwen zeg ik u. Maar dan nog, wat maakt het uit. Barbecue en daarna boterhammen met salamie. Pukkelpop en uw tent kwijt zijn. Ik kan wel janken. Ik jank! Jij niet, je weet niet wat te doen. Je probeert een schouderklopje. Dan ga je pissen. Ik niet. Ik kijk je na. Drink onze twee shotjes en pinten in een ijltempo op, zoek mijn jas, geef de barvrouw vijftig euro en zeg haar dat de man met wie ik vanavond was de rest van de nacht mag drinken op mijn kosten. Ik sukkel op mijn fiets, kijk om in de bedampte ramen. Je komt uit het toilet en zoekt me. Ik geef plankgas, niet moeilijk. Rechtdoor altijd rechtdoor. Ik val en breek mijn beide knieën, het wordt wachten op een ambulance. Net voor ik het niet meer houd van de pijn en in zwijm val glimlach ik en denk: ik wist alles nog.

Thomas De Mulder
71 1

is euthanasie een wijze keuze.

Voorwoord Wat mij opviel in het debat over euthanasie is de polarisatie. Enerzijds zijn er die zeggen neen en anderzijds zijn er die zeggen ja. Met aan de ene kant de katholieke kerk en aan de andere kant het vrijzinnige kamp met als boegbeeld Etienne Vermeersch. De bedoeling van dit schrijven is het stellen van kritische vragen. Het is aan de lezer om zijn of haar keuze te maken. Deze vragen zijn : 1. is de dood het einde.? 2. maakt de dood een einde aan ondraaglijk lijden? 3. hoe zich voorbereiden op jouw reis na de dood? 4. Je wilt euthanasie? Kunnen we God, het LIcht, ons geweten, onze gids, ons hogere zelf, of wie dan ook advies vragen?   de dood is het einde, punt. ( Etienne Vermeersch : ter zake :4 januari 2012) Is deze stellingname bewezen? Ons lichaam gaat dood maar misschien blijft onze geest, ons bewustzijn bestaan? Is het verband tussen lichaam en geest dan zo duidelijk? Als neuro-wetenschapper kunnen we beter toegeven dat we helemaal niet begrijpen hoe we van iets materieels ( brein )tot immateriële gevoelens, emoties en percepties ( kortom bewustzijn ) komen- dat is en blijft één van de grootste mysteries waar we best met alle hypotheses rekening houden. Steven Laureys in het no-nonsense meditatie boek de bijna -doodervaring van Machteld Blikman  Machteld Blikman, u heeft dat meegemaakt een bijna-doodervaring. Wat gebeurde er eigenlijk met U M : Ik was ziek en 33 jaar oud. Ik was niet zo ziek dat ik dood kon gaan. Althans die gedachte is nooit in mij opgekomen. Op het moment dat ik dood ging, besefte ik dat ik dood ging. Het is heel anders dan flauw vallen of me heel beroerd voelen. Ik wist meteen nu ga ik dood en dat gaf een gevoel van een enorme angst. Panische angst. Ik vergelijk het wel eens dat ik als kind op de springplank stond in het zwembad en moest springen en nu was het gevoel dat ik niet wist of er wel water was . Dat was de angst voor de leegte het totale niets. En van het moment dat er iets van mij uit mijn lichaam ging, dat lichaam bleef achter, was ik bewuster dan dat ik hier ooit geweest was, levendiger, en ik bewoog met grote snelheid in een ruimte, zonder tijd, het was tijdloos af op een prachtig licht in de verte .Men zegt wel eens een tunnel maar het was voor mij meer een spiraalvormige beweging. En dat licht was warm, het gaf een gevoel van acceptatie . Terwijl ik daar naar toe bewoog voelde ik mij vredig, harmonieus, het voelde als Liefde, Liefde met een hoofdletter. Een staat van zijn zoals we hier niet kennen. En op dat moment zag ik mijn hele leven terug. Die 33 jaar die ik tot dan toe geleefd had, als in een multidimensionale film, waarbij ikzelf alle rollen vervulden. IK was u , ik was de andere mensen, die in mijn leven belangrijk zijn geweest en die ik iets had aangedaan of die mij iets hadden aangedaan in zowel positieve als in negatieve zin. En op dat moment dat ik dat overzag en dat licht mij in warme acceptatie omhulde, wist ik , hier zijn alle godsdiensten van afgeleid. Dat werd ik mij opeens bewust. Dit is niet te benoemen, dit is absoluut wat ons allemaal verenigd in die liefde, daarin zijn allemaal verbonden. En het gaf een gevoel van thuiskomen, alsof ik er eerder was geweest. J : Maar ja, goed, U zit hier en niet daar. Er is toch ergens een teleurstellend moment aangebroken ? M : absoluut. J: U bleef niet dood ? M : Het was een grote schok om terug in dat lichaam te komen. Dat lichaam was net zo ziek als daarvoor. Maar omdat ik eruit geweest was, dat bewustzijn zeg ik nu, om daar terug in te komen voelde als een gevangenis, absoluut als een gevangenis. J: U ziet er wel vrij vrolijk uit overigens ? M : Ik ben daarna heel vrolijk geworden J: U voelt zich nu niet meer alsof in een gevangenis.? M : ik heb hard aan mijzelf gewerkt om de ervaring een plaats te geven. Ik noem het zelf graag : bewustwording door ervaring, BDE en niet bijna-doodervaring, want ik denk het hele leven is ervaren. Alleen was het heel intense levenservaring. Waar gaat het eigenlijk om in het leven? Wat gebeurt er eigenlijk als je sterft. Wat doet dat met je ? J : Als je nou het gevoel hebt, dat het zo verschrikkelijk leuk is, als je aan de andere kant bent, om het voor het gemak maar zo even te zeggen, wat houdt je dan nog hier ? M: De bewustwording dat we hier allemaal met een bedoeling zijn. Dat we allemaal onderdeel zijn van een groter geheel en dat we allemaal ons eigen talent hebben, onze eigen bedoeling, of wat dan ook om hier iets neer te zetten met elkaar. Want het paradijs was niet daar, maar het werd mij erg duidelijk dat we het hier met elkaar kunnen maken en dat voelde ik als een persoonlijke opdracht, dat ik daarom teruggekomen ben. J: u zegt : ‘het paradijs was niet daar ?’ M : Het was absoluut dat gevoel, maar de universele kennis die ik meekreeg van dit kunnen we hier ook met elkaar neerzetten, zo zijn we verbonden met elkaar. Wij vormen samen het geheel.   Op 8 mei 2014 vond in Amerika een debat plaats met de titel: death is not final. ( you tube ) de dood is niet het einde punt. Als ons bewustzijn slechts de werking is van neuronen en synapsen, hoe verklaren we dan het fenomeen : bijna dood-ervaring? Een 3% van de Amerikaanse bevolking zou een uit-het-lichaam ervaring hebben die gekenmerkt wordt door opmerkelijke visies en gevoelens van vrede en vreugde, dit terwijl het lichaam stervend is. Voor de sceptici zijn er aanvaardbare, natuurlijke verklaringen zoals zuurstof deprivatie. Is het idee van een leven na de dood werkelijk en bewijsbaar door de wetenschap of is het enkel een illusie? Dit debat maakt duidelijk dat noch het ene noch het andere standpunt bewezen is. Het is een debat met voor- en tegenstanders. Het is geen bewezen wetenschappelijk feit!!! Het is aan jou de keuze. Laat ons zeggen : 50% : de dood is het einde. punt 50% : de dood is niet het einde. Punt   Een bijna-dood ervaring heeft alle kenmerken van een mystieke ervaring. De vraag of het wetenschappelijk kan bewezen worden is eigenlijk irrelevant. Stel je breekt je been en je hebt veel pijn, helpt jou de stellingname : och het is enkel een creatie van je brein.?! Het doet verdraaid pijn en de intellectuele spelletjes interesseren je niet, doe aub iets aan die pijn! Zo ook mensen met een bijna-doodervaring. Laat mij verwerken wat er gebeurde. de werkelijkheidservaring van een mystieke ervaring en of een bijna-dood-ervaring.   Stond je al eens voor je huis of je auto met de vraag : dit is een illusie? Waarom neem je aan dat het boek dat je leest, werkelijk is? Voor het grootste gedeelte vind jouw brein het niet belangrijk of iets werkelijk is al dan niet. Het vraagt zich eerder af : is het nuttig? De auteur droomde dat hij als kind achtervolgd werd door een dinosaurus. Hij liep hard in zijn droom en zijn hersenen of hij, vroegen zich niet af of het werkelijk was. Slechts toen hij wakker was kon hij zeggen het was slechts een droom. De mystieke ervaring of de bijna-dood-ervaring is anders. Niemand van de deelnemers verklaarden , och het was enkel fantasie. De dagelijkse realiteit voelt meer werkelijk dan een droom. de mystieke of bijna-doodervaring voelt meer werkelijk dan de dagelijkse realiteit. Een zestigjarige psychiater, die een mystieke ervaring had verwoordde het als volgt : Mijn ervaring voelde werkelijk aan, meer werkelijk dan het gewoonlijke. Het voelde of ik indook in iets zeer oud en machtig en werd verbonden met iets wat ik zeer zelden ervaar in het dagelijks leven.Het is slechts in de korte momenten van transcendentie dat ik mij levend voel. Deze ervaringen voelen werkelijker aan dan het leven zelf. uit ' how enlightenment changes your brain. Andrew Newberg, Mark Waldman   maakt de dood een einde aan ondraaglijk lijden ? ok, je gaat dood en laat ons zeggen 50% kans dat je in een situatie komt die veel werkelijker is dan de dagelijkse realiteit. Waarin kan je terecht komen ?. Hier volgen enkele feiten en getuigenissen. Onderzoek duidt aan dat de grote meerderheid van bijna-doodervaringen aangenaam zijn. 1op 5, echter, ondervinden intense angst, paniek, schuldgevoelens, eenzaamheid en wanhoop. (dancing past the dark : Nancy Evans )   ...verandert het Licht in het mooiste wat ik ooit heb gezien: een mandala van de menselijke zielen op deze planeet (...) ik ging erin en het was overweldigend.Het was alle liefde die je maar kunt wensen, het soort liefde dat geneest, heelt en regenereert. (Mellen Thomas)   Wanneer we beseffen dat het LIcht, de schitterende, universele energie in ons is en dat we dit zijn, verandert dit ons(...) Ik zou het God kunnen noemen, Bron, Brhaman, of AL Dat Is,maar(....) ik ervaar het goddelijke niet als een entiteit die is afgescheiden van mezelf of van wie of wat dan ook.(....) Het overstijgt de dualiteit, waardoor ik er voortdurend van binnenuit mee verenigd ben en er niet van te scheiden ben. ( Anita Moorjani) ik had een hartstilstand en was klinisch dood( ....) Ik steeg op en bevond me ongeveer een meter boven mijn lichaam. Daar lag ik terwijl er mensen met me bezig waren. Ik was niet bang en had geen pijn. Alleen vrede (....) Er was een gevoel van volmaakte vrede en tevredenheid , van liefde. In 1985 heeft Howard Storm een bijna-dood-ervaring. Hij was professor kunst aan de universiteit van Northern Kentucky. De ervaring heeft hem diep aangegrepen en hij wordt priester. Hij schreef een boek : My descent into death. In 2001 ben ik Engeland bij de voorstelling van zijn boek. Wat mij raakt is dat de man 15 jaar na zijn ervaring , bij de herinnering nog begint te wenen. Voelt de bijna-dood-ervaring meer werkelijk dan de dagelijkse realiteit?   Hij heeft in 1985 , op bezoek in Parijs, een darmperforatie. De pijn is onbeschrijfelijk. Het is zondag en in het hospitaal is geen chirurg aanwezig. Howard Storm gaat in coma. Hij was niet voorbereid op wat hem overkwam. Hij staat naast zijn lichaam. Zijn vrouw kan hem niet zien of horen. Hij volgt een groep wezens die hem zogezegd naar de operatie zullen leiden. Deze wezens worden meer en meer vijandig en agressief. Wanneer hij weigert ze nog te volgen vallen ze hem aan. Hij gaat dan door een transformatie proces, heeft een terugblik op zijn leven en een ontmoeting met wezens van Liefde. Ik kon niet communiceren met mijn vrouw, wat moest ik doen? Deze wezens zeiden dat als ik hen volgde, alles in orde zou komen. De hal was duister. zij waren gekleed in het grijs. Vervuld van angst en wanhoop ging ik op weg. Zij jaagden mij voort. De mist verdikte en geleidelijk aan werd het donker. Er was het gevoel van tijdloosheid. Hoe meer ik achterdochtig werd hoe meer zij sarcastisch en autoritair werden. Een eeuwigheid daarvoor, in de meest ondraaglijke pijn had ik gehoopt, dat de dood een einde zou maken aan mijn bestaan. Nu werd ik voortgedreven door een bende, wreedaardige mensachtige wezens in volledige duisternis. Zij begonnen mij te beledigen en hoe slechter ik mij begon te voelen, hoe meer zij daar voldoening uit haalden. Ik was totaal wanhopig. Deze ervaring was zo werkelijk!! Het was geen droom of een hallucinatie. Ik wou dat het zo was. Ik weigerde hen nog verder te volgen. Dan begonnen ze mij te duwen. ik begon terug te vechten. Ik sloeg en stampte. Zij beten en trokken en hadden veel plezier aan mijn wanhoop en angst. Dan begonnen ze stukken vlees uit mij te rukken. Ze spoeden zich niet om mij totaal te vernietigen. Zij folterden mij langzaam zodat hun pret bleef duren .Het was een bende wezens gedreven door wreedheid. In die totale duisternis registreerde ik elk geluid en fysische sensatie met een onbeperkte intensiteit .Mijn kwelling was hun opwinding. Ik was zo uitgeput en gebroken, dat ik het opgaf mij te verdedigen. Zij stopten dan hun folteren want ik was niet langer amusant. Ik heb niet alles beschreven wat er gebeurde. Er zijn dingen gebeurd die ik zelf niet wil herinneren. Ze zijn gewoon te wreed en te verontrustend om te herinneren. Ik heb er jaren over gedaan te trachten die herinneringen te onderdrukken. Wanneer ik de details herinnerde was ik getraumatiseerd. Dan maant een innerlijke stem hem aan te bidden tot God. Als atheïst kent hij geen enkel gebed. Uit zijn kindertijd komt een fragment van psalm 23 naar boven. God is mijn herder, mij zal niets ontbreken .Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar. Het woord God, drijft de bende wrede wezens van hem weg.      

fili
115 0

De inhoud van de spîegel

De S.S. Orion zweefde geruisloos door de ijzige ruimte waar vurige sterren door de enorme afstanden, misleidend als vuurvliegjes, een koud licht verspreidden, tot ver voorbij ons melkwegstelsel. In het ruimteschip ligt eerste officier Dee Ray in een kunstmatige slaap veilig in haar overlevingscapsule waar al haar levensfuncties doorlopend worden gecontroleerd. Zelfs in haar dromen worden de hersenfuncties feilloos opgevolgd. Te angstaanjagende dromen worden door middel van craniaal magnetisme onder controle gehouden. Eeuwen gingen aan eerste officier Dee Ray voorbij zonder dat ze er hinder van ondervond. Op het moment dat het schip de Melkweg zou passeren zou haar overlevingscapsule haar wekken om haar menselijke waarnemingen op het onbekende vast te leggen voor volgende interstellaire reizen. Een schel geluid drong door tot in haar droom zodat ze zich dromerig afvroeg of haar tijd van ontwaken was aangebroken. Ze voelde een kortstondige hitte, een kakafonie aan hoge geluiden, waarna ze terug insluimerde op een roze wolk. Het volgende dat ze zich herinnerde was een zacht zoemende toon en het immer glimlachend gelaat van Eva, een vrouwelijke AI (artificiële intelligentie) robot. Niets aan Eva verraadde dat ze geen mens was. Van de soepele bewegingen, emotionele gelaatsuitdrukkingen tot in de stembuigingen en gepersonifieerde antwoorden gedroeg ze zich als een mens. Er waren vele AI’s op het schip voor onderhoud, besturing, bescherming, gezelschap, elk met hun eigen karaktertrekjes, allemaal geprogrammeerd om de mens bij te staan in zijn zucht naar kennis, zijn wil, maar van alle AI’s sprak Eva, officieer Dee Ray het meeste aan. Eva streelde vlinderlicht over Dees wang.  ‘Dee Ray, eerste officier Dee Ray? Tijd om wakker te worden.’ Zei Eva zachtjes. Dee glimlachte in het vooruitzicht van nieuwe ontdekkingen die geheel onder haar bevoegdheden viel. Geen protocollen, geen bemoeizuchtigen, geen afgunstige collega’s. Een totaal nieuwe wereld, een nieuw begin en geen organisaties die haar voor hun karretje spanden. Ze voelde zich als herboren.  ‘Welk jaar zij we Eva?  ‘Het jaar 5225, op 25 december. Dee zwaaide haar benen over de rand van de cocon.  ‘Vijfentwintig december, mijn lievelingsperiode!  ‘Ik weet het.’ Zei Eva. ‘Daarom hebben we uw ontwaken zo feestelijk mogelijk gemaakt.  ‘Je meent het!’ Antwoordde Dee verrast. Als een klein kind aanschouwde ze de talrijke versieringen die de AI’s voor haar hadden aangebracht.  ‘Het is prachtig.’ Fluisterde Dee ontroerd. Even vergat Dee dat ze zich in de ruimte bevond. Ze had als kind bij haar grootmoeder de feestdagen op aarde bijgewoond, de oude sages en mythes ontleend aan de sterren aanhoort. De sterren. Ze hadden haar altijd gefascineerd en liepen als een gouden draad door haar leven. Een beter ontwaken had ze niet kunnen bedenken. Ontroerd begroette ze de andere AI. ’s en spaarde haar lof tuigingen niet. Na een tijdje draaide ze zich om naar Eva.  ‘Zijn de andere panelleden al wakker gemaakt?’ Eva’s gezicht betrok en ze nam Dee bij de arm voor een gesprek onder vier ogen.  Dee wreef nerveus over haar voorhoofd die na de opwinding plots begon te jeuken. Ze voelde een kleine uitstulping, als van een muggenbeet die haar irriteerde. Ze was de leeftijd van jeugdpuistjes allang voorbij. Ze zette de uitstulping uit haar hoofd en concentreerde zich op Eva die duidelijk slecht nieuws had. Eva nam Dees hand in haar handen en dwong haar zachtjes om te gaan zitten. Eva sloeg haar ogen neer toen ze zei:  ‘We hebben problemen gehad met een van de proefdieren. Een muis heeft kans gezien te ontsnappen en ondanks onze grondige zoektocht konden we het knaagdier niet ontdekken. Toen we ze vonden was het onheil al aangericht. Bij gebrek aan voedsel heeft ze de elektriciteitskabels van de lifepods doorgebeten. Er ontstond een hevige brand die de andere leden tot as hebben herleid. Je bent de enige overlevende.’ Alle vreugde was verdwenen.  ‘Oh nee!’ Snikte Dee. Flarden van alle gezichten die haar hadden begeleid trokken een voor een aan haar ogen voorbij. Ze waren stoutmoedig vertrokken, gelokt door het avontuur, het onbekende. Nu was zij de enigste die de wonderen met mensen ogen kon aanschouwen. Zachtjes bleef Eva Dees lokken strelen tot ze van pure emotie als verdoofd bleef liggen. Alle andere AI’s hadden zich uit respect voor Dees verdriet teruggetrokken. Dee ontwaakte uit haar verdoving en slaagde erin al haar moed bijeen te rapen om Eva verder uit te vragen. Voor ze begon wreef ze terug over het irritant puistje, pulkte eraan tot Eva haar hand vastnam.  ‘Niet zo aan pulken eerste officier Dee Rae, U heeft zulk een mooie huid, het zou zonde zijn om er een litteken aan over te houden.’ Bestraft als een klein kind hield Dee ermee op.  ‘Ik droomde van allerlei alarmen, een vurige gloed… het was dus geen droom. Waarom ben ik dan niet verbrand Eva?’  ‘Je was de laatste in de brandhaard, we hebben je kunnen redden. We hebben alles eerst hersteld alvorens je wakker te maken. De schok zou te groot zijn geweest.’  ‘Goeie oude Eva, altijd zo voorkomend.’ Dacht Dee terwijl ze de AI haar bezorgde trekken in zich opnam.  ‘Weet je Eva, voor mij ben je net als een vriendin.’ Zoals steeds glimlachte Eva terug en klopte Dee even op knie.  ‘Kom.’ Zei Eva een nieuwe wereld wacht op jou. Samenliepen ze naar grote koepel die een prachtig uitzicht bood op een heelal vol kleuren, gaswolken, sterren die schitterden als diamanten en ragfijne nevels als in vele kleuren getinte doorzichtige sluiers. Het zicht was adembenemend! Plots zag Dee zich gereflecteerd in de grote koepel. Raar, de puist leek helemaal niet op een puist. Voorzichtig duwde ze erop om te zien of er pus inzat maar dat bleek niet het geval.  ‘Waarom jeukt dat verrekte ding zo hard.’ Zei ze hardop. Eva zweeg. Dee kreeg plots een heel benauwd gevoel, alsof ze een gevangene was van haar eigen lichaam.  ‘Eva breng me eens een spiegel.’  ‘De spiegels zijn gebroken tijdens de ontploffingen.’  ‘Toch niet over heel het schip? Ik wil een spiegel. Nu!’ Eva gehoorzaamde en bleef geruime tijd weg alvorens met een spiegel terug te keren.  ‘Doe het niet.’ Zei ze zachtjes terwijl ze de spiegel aanreikte. Dee rukte vol ongeduld de spiegel uit Eva’s handen. Toen ze het puistje openkrapte kwam er geen pus, geen bloed uit en hoe dieper ze krabde, de materie onder haar vingernagels was van dezelfde substantie als de AI’s. Verwoed trok ze repen uit haar gezicht tot ze onder de laag kunststof op de werkende hersenen verbonden met biljoenen electroden, transmitters en geleiders stootte.  ‘Nee!’ krijste Dee tot in haar ziel geschokt. Ze keek naar haar gezicht in de spiegel dat niets menselijks meer bevatte. Alsof de kat een voddenpop met haar nagels had bewerkt.  ‘Ik weende!’ Schreeuwde ze het uit. ‘AI’s kunnen niet huilen!’  ‘Bij de reconstructie hebben we je traanklieren geven om alles nog echter te maken. We hebben enkel je hersenen kunnen redden ingeplant bij een AI en haar jouw lichaam en gezicht gegeven. Al je herinneringen zijn bewaard gebleven maar je hebt een ander lichaam. Je blijft voor eeuwig leven Dee Rae. Deze nieuwe ruimte ligt aan je voeten. Dee Rae keek Eva hoofdschuddend aan.  ‘Waarom, waarom toch?’ Fluisterde Dee aangeslagen. Eva zette haar gezicht op neutraal en somde haar richtlijnen op:  ‘De nieuwe wereld moet door een mens worden aanschouwt.   Het is de taak van de AI. ’s om de mensen zoveel mogelijk bij te staan, te beschermen en overlevingskansen te bieden. De mens moet inzicht krijgen, leren, zijn wil is wet. Ze luiden onze bevelen.’ Eva liet haar serene glimlach terugzien. Al die jaren van werken met proefdieren hebben ons in staat gesteld om uiteindelijk een menselijk brein te transplanteren zodat de mens niet langer wordt gehinderd door zijn levensvatbaarheid. Het is ons gelukt, alleen de gevoelssencoren bevatte een schoonheidsfoutje. Vandaar de jeuk bij het dichtgroeien van de kunststof. Ik hoop dat ik nog steeds een vriendin voor je kan zijn?’ vroeg Eva oprecht terwijl ze de lappen kustmaterie die aan flarden lagen terug op hun juiste plaats trachtte te passen.

Fanny Vercammen
6 1