Lezen

Weesgezeten - krachtig en direct. Absoluut luisterenswaardig! (relaas over een podcastaflevering)

In de eerste aflevering van rubriek Weesgezeten, een concept van podcast Opmoederswijze, gaat de host in gesprek met Nele. Nele's antwoord op de Weesgezetenvraag "Wat bezigt u?" raakt aan een, volgens mij, even diepgeworteld als universeel ongenoegen. Het verpletterende effect van een doorgeslagen slinger. De in de podcast terecht verguisde wildgroei aan operationele mogelijkheden in publieke toiletten is, alvast ook mij, een doorn in het oog. Het begint al met de eerste te nemen horde: überhaupt binnen geraken. Allerlei poortjes, slagbomen, in- en uitstromen en een fijne selectie, al dan niet defecte, betaalmogelijkheden maken in geen tijd van de hoge nood een hoogste nood.Vervolgens duikt de ene beproeving na de andere op. De toiletten, uitgerust met twee knoppen om te spoelen, grote boodschap/kleine boodschap weet je wel, maar vaak werkt één ervan gewoon niet. Paniek dus, want zal de knop voor de kleine boodschap wel volstaan voor diens meer uit de kluiten gewassen broertje of zusje? De eerste okselvijvers vormen zich. Soms jaagt het toilet je, steels achter je rug, plots de stuipen op het lijf met een geautomatiseerde spoelen-wrijven-drogen cyclus waar menige wasmachine slechts van kan dromen. Vaker echter is het spoelsysteem nog aan het werk op zijn 67ste en slaagt het ding er alleen nog in je drol vermoeid rond te draaien. Daar rest je dan niks anders dan muisstil met het schaamrood op je wangen te wachten, tot je vermoedt dat je ongezien de aftocht kunt blazen.Toiletpapier vinden is er ook immer een queeste. Meestal betrap ik me erop dat ik in dat vervelende bakje zit te grabbelen naar een, altijd onwillig en te snel afscheurend velletje papier, zoals vroeger naar een verloren gegane tampon zonder draadje. Voor de niet-menstruerenden onder ons, geloof me, the struggle is real. Verondersteld dat dit allemaal is gelukt, gaan we over naar de rubriek handen wassen. Is er (nog) zeep, en hoe krijg je ze uit de dispenser? Is de dispenser leeg of defect als er niets uit komt, of ben je zelf gewoon gatachterlijk omdat het niet lukt? Moet je zwaaien, tikken, ergens op duwen of je iris laten scannen voor het water uit de kraan komt? Het vraagt een volleerd mimespeler of contortionist om de code te kraken. In zeldzame gevallen word je zelfs teruggecatapulteerd in de tijd en pomp je het water zelf op met een - dit is geen grap - voetpedaal. Is er papier om je handen af te drogen en hoe komt het in godsnaam uit die dispenser?! Als er handblazers zijn, komt nog maar eens een dodelijk vermoeiend scala aan mogelijkheden aangerold: handen onder of voor het toestel, is er een knop of moet je eerst even zwaaien? Of .. is het gewoon geen handblazer, maar een lege papierdispenser waar je al tig minuten voor staat? En het houdt maar niet op want... waar is op het einde van deze helletocht dat klote betaalbewijsje ook al weer gebleven, zonder hetwelk je nimmer nooit meer naar buiten raakt? Vermakelijk om over te schrijven, maar het wijst volgens de podcastmakers op een veel dieper maatschappelijk onbehagen. De insteek van het leed in publieke toiletten wordt in de podcast vervolgens geëxtrapoleerd naar het leven in het algemeen, waarbij het maken van levenskeuzes en zelfs reizen een immense uitputtingsslag wordt. Leven in een ongelooflijk verlammende keuzestress die van de banaalste zaken zoals mayonaise aankopen, topsport voor je brein maakt en van weekboodschappen een jungletocht waarna je bijna aan een chakra healing of EMDR-sessie toe bent.Verder gaat het dan naar het dilemma van de kinderwens en hormonale anti-conceptie tot post-parfum depressie en maatschappelijke dilemma's in het leven van nu.Een absolute aanrader!

nikki_petit
0 0

Mijn superkracht

Laatst zag ik de film ‘The Invisible Man’ op Netflix; het idee van onzichtbare, doch wel voelbare, entiteiten intrigeert me al heel mijn leven. Vooral de scène waarin het hoofdpersonage een gevecht aangaat met de onzichtbare man wekte een vreemd gevoel van herkenning op. Hoe vaak had ik al te maken gehad met energieën die zich rond mij begeven, hun invloed voelbaar uitoefenen, maar die niet zichtbaar, tastbaar of bewijsbaar zijn? Als kind had ik het hier heel moeilijk mee. Hier in deze wereld is het alsof ik geblinddoekt ben en mij op de tast doorheen sferen en energieën begeef. Dat kan heel kwetsbaar en onzeker voelen. De perceptie die deze menselijke vorm mij biedt is uiterst beperkt, schijnt zelfs nog minder dan 0,001 procent te zijn van het totale elektromagnetisch veld. Dus ja, het gros van de bestaansmogelijkheden zien we niet. Toch dringt deze werkelijkheid, deze materiële illusie, zich op alsof er niets anders is. Het leidt ons uiterst efficiënt af van alles dat niet in de illusie past. Wie zich kan afwenden van de afleiding en doorheen de illusie kijkt, verruimt en bevrijdt zichzelf. Maar het is vaak een proces met vallen en opstaan. Het proces van ‘ontwaken’, waar zovelen tegenwoordig de mond vol van hebben. Mocht ik een superkracht kunnen kiezen in deze wereld, dan zou ik voor onzichtbaarheid gaan. Omdat ik mijn aanwezigheid te midden van anderen als ontzettend intens ervaar. En omdat afwezigheid, zonder daarbij op te houden te bestaan, me een rustige toestand lijkt. Geen ogen die op mij gericht zijn en toch erbij zijn. Vrijgesteld van de penetrante blik van een ander. Geen haken of tentakels die zich aan mijn wezen kunnen hechten. Ik stel me voor hoe het zou voelen mocht ik mij in een groep blinden bevinden. Het zou me geruststellen dat ze mij, mijn blik in het bijzonder, niet konden zien. Mijn blik die door zienden wél ‘gevangen’ wordt. De blik waarlangs er van alles uitgewisseld wordt. En dat uitwisselen, vooral de intensiteit ervan, overweldigt mij vaak. Het put mij uit, waardoor ik dan uit het zicht van anderen weer moet opladen. Om mij dan later, met frisse authentieke energie, weer in het gezichtsveld van anderen te ‘moeten’ begeven. Dit is voor mij een vermoeiend cyclisch menselijk gebeuren, een uitdagend proces waardoor ik mezelf beter leer kennen. Waarnaar de blik gaat, is waar de energie van de ziel naartoe gaat. Aandacht is energie van de ziel. Geen wonder dat er zoveel in het werk gesteld wordt om ons af te leiden. Elk scherm is een zwart gat waarin die energie opgezogen wordt. Onzichtbaarheid gaat over niet gezien worden, maar er wel zijn. Wat niet gezien wordt, krijgt geen aandacht. En misschien krijg ik te veel aandacht, wat me overprikkelt en ik niet goed kan verteren. Te veel om op in te gaan, te veel dat om een reactie vraagt. Daarom triggert de zin ‘ik wil je zien’ mij zo. Het is het uitgesproken verlangen van de ander om zijn blik aan mij te haken, bij mij energetisch binnen te dringen. Uiteraard is connectie mooi, is verbinding met anderen voedend en ontzettend waardevol. Verrijkend en verwarmend. Dat en nog veel meer. Maar mijn gevoel zegt dat het te veel is. Terwijl mijn angst nog steeds ‘verlies’ predikt. Onzichtbaar willen zijn, gaat ook over de perceptie van anderen willen controleren. Bepalen wat zij mogen zien en wat niet. Want wat zou er gebeuren mochten zij zien en ervaren wat ik niet wil dat zij zien en ervaren? Dat zou een messcherp oordeel kunnen opleveren. Dus mijn superkracht zou eigenlijk gebaseerd zijn op angst voor het oordeel van anderen. No surprise there. Dat oordeel van anderen schrijf ik blijkbaar veel macht toe. Het woord ‘messcherp’ doet me ook denken aan mijn operaties. Ik liet toe, omdat ik schijnbaar geen keuze had, dat ze in mij sneden en stukken weghaalden. Net zoals ik geen keuze leek te hebben, althans geen gunstige, om mijn yurts weg te halen. Het gaat hier allemaal om de waarde en het gewicht dat ik toeschrijf aan het oordeel van anderen. Mocht dat niet zo doorwegen, dan zou ik waarschijnlijk voor een andere superkracht kiezen, kunnen vliegen bijvoorbeeld. Nu denk ik er meteen bij dat ik onzichtbaar zou vliegen, zodat ze mij niet uit de lucht kunnen knallen. En alweer is daar die angst voor wat anderen me zouden kunnen aandoen. Die is niet zomaar weg te rationaliseren. Onzichtbaarheid geeft je ook de gelegenheid om dingen te zien en te ervaren die anders verborgen zouden zijn gebleven, door af te luisteren of ergens stiekem mee te kijken. Het lijkt me iets dat ik vooral in het begin zou doen, uit nieuwsgierigheid. Maar ik heb het idee dat het in teleurstelling zou uitmonden, en uiteindelijk is mensen bespioneren ook niet mijn voornaamste beweegreden om onzichtbaar te zijn. Met mijn onzichtbaarheid wil ik me in de eerste plaats juist van menselijk contact afschermen. Ik vind het bij het kiezen van een superkracht belangrijk om goed na te denken, echt je tijd te nemen voor de details. Het gaat hier immers over een superkracht, dus waarom zou je binnen bepaalde grenzen blijven denken? Ik neem me daarom ook voor dat ik niet alleen mezelf onzichtbaar kan maken, maar ook objecten en andere mensen. Mijn superkracht bestaat dus uit het aan het oog onttrekken van massa. Wat bestaat, kan ik doen verdwijnen. Zo zou ik dan mijn yurts laten verdwijnen op het moment dat de handhaving komt controleren. Of er een koepel van onzichtbaarheid overheen gooien zodat ze ook vanuit de lucht niet gespot kunnen worden. Ik zou alles dat niet getolereerd wordt onzichtbaar maken, zodat er ook geen oordeel of verdict over gevormd kan worden. Zodat het in alle rust en vrede kan blijven bestaan, zonder iemand te storen. Met het onzichtbaar maken van andere mensen, doel ik niet op het laten verdwijnen van ongewenste contacten. Want ik kan met mijn superkracht niets echt definitief laten verdwijnen, ik kan alleen iets aan het zicht onttrekken. En bovendien kan ik daarbij ook bepalen wie nog steeds kan zien wat ik onzichtbaar heb gemaakt. De mensen die ik vertrouw kunnen nog steeds zien wat anderen niet meer zien. Ik zou geliefden in bepaalde situaties kunnen beschermen door hen onzichtbaar te maken. Het hele idee om objecten, personen en mezelf onzichtbaar te maken gaat fundamenteel over bescherming. Wat niet gezien wordt, blijft gevrijwaard.  De macht die anderen uitoefenen en hoe dat nadelig kan zijn voor mij: daar draait het vaak om in dit leven. Het is iets waar ik een kluif aan heb op het vlak van mijn persoonlijke ontwikkeling. Sommige mensen lijken daar helemaal geen last van te hebben, maar de meeste mensen wel. Massaal worden er de hele dag door tal van activiteiten uitgevoerd en keuzes gemaakt die niet authentiek zijn en bijdragen aan een beroerde toestand, maar die toch systematisch worden doorgezet omdat er anders gevolgen zijn. Gedreven door de angst voor boetes, sancties, straffen, ongemak, armoede, pijn, trauma en ander leed. In het algemeen gaat het over een dreiging die van autoritaire bronnen uitgaat. Hoe meer zeggenschap iemand (of iets) heeft, hoe gevaarlijker. Een pure bron zal nooit iets opdringen, noch ergens mee dreigen. De waarheid eist geen zeggenschap, schreeuwt of dwingt niet. Wat echt is, heeft geen reden om iets te manipuleren of voor te liegen. In een wereld die we thuis kunnen noemen, is er niets verplicht. Het is niet abnormaal dat het hier zo wringt voor mij in deze wereld. Wat niet waarachtig is, krijgt hier zeggenschap. Het krijgt die zeggenschap, vanwege de angst, en dwingt het onrechtmatig af. Het is iets dat ons constant boven het hoofd hangt.  Ik wil dus onzichtbaar zijn voor dat wat niet echt is. Ik wil uit het vaarwater van een opgedrongen oordeel blijven en tegelijk toch authentiek kunnen leven. Omdat ik geen onechtheid wil dienen of voeden, wil ik er ook geen aandacht aan geven of van krijgen. Zo zit dat met die superkracht. En het lijkt me logisch, ik begrijp mijn keuze. Maar daar strand ik dan. Op een strand van frustratie, onrecht en machteloosheid. Deze tekst had hier kunnen stoppen, ware het niet dat ik me weer een belangrijk inzicht herinner. Het inzicht der inzichten wat mij betreft, althans in deze materiële illusie. Het luidt: om het recht te zetten, moet je het op zijn kop zetten. Draai het om! Draai alles om wat in deze illusie als normaal gezien wordt, vooral dat wat men verplicht noemt. Doe het omgekeerde en je komt er beter uit. Echter. Puurder. Dat concludeerde ik voor mezelf. Het is een richtlijn die me veel houvast geeft in deze matrix. Het omkeren van gewoontes, ideologieën en overtuigingen is een geestverruimende oefening die in veel situaties toepasbaar is. Toen ik vroeger tijdens mijn kunstprojecten even vastliep, dan kon ik de inspiratie ook weer laten stromen door simpelweg te brainstormen over het tegengestelde van wat ik wilde bekomen. Dus daar, op het strand van frustratie, onrecht en machteloosheid, bouw ik een boot. Ik laat uit het niets een boot ontstaan. Ik doe het omgekeerde: in plaats van iets te laten verdwijnen, laat ik iets ontstaan. Het wordt geen reddingssloep, maar een heus comfortabel schip. Met dit schip vaar ik moeiteloos tegen elke stroom in. En kan ik veilig ankeren in woelige wateren. Mijn superkracht, eentje die ik reeds bezit en dagelijks toepas, bestaat uit het zichtbaar maken van het immateriële. Met mijn creatief voorstellingsvermogen schep ik energetische velden die een invloed uitoefenen op mijn realiteit. Een kracht die ik, afgeleid door de toeters en bellen van de matrix, schromelijk heb onderschat. Vanuit frustratie en angst fantaseer ik erover om dingen, inclusief mezelf, onzichtbaar te maken. Terwijl ik vanuit lichtrijke kracht en vertrouwen dingen juist zichtbaar maak en toevoeg. Dingen, of energieën, waarvan ik vind dat ze ontbreken en kunnen bijdragen aan, om het even met een cliché uit te drukken, meer licht en liefde. Als ik alles rechtmatig op zijn kop zet, dan zie ik helder hoe illusies in deze wereld voor echt aangezien worden en hoe wat echt is als een illusie wordt afgedaan. Als ik alles omdraai, dan houdt het steek. Voor mij is de materiële wereld een waanvoorstelling die een bron van waarachtigheid bedekt. Wat ik met mijn gevoelswereld waarneem, een wereld die zich laat vertalen naar vorm, textuur en kleur, is voor mij echter dan de plek waar ik me lijk te bevinden. Met mijn derde oog zie ik de dingen accurater dan met mijn fysieke ogen. De lichtkoepels die ik met mijn adem blaas, de kleuren en bewegingen van aura’s, de draaiende vortexen die we tijdens drumcirkels creëren, de wemelende energie in een ruimte, de magie die ontstaat tijdens rituelen, een heldere ingeving die als een boodschap binnenkomt, de intuïtie die waarschuwt zonder rationele verklaring, ... het zijn allemaal ervaringen die de materiële wereld overstijgen. Ze zijn te vinden in het vruchtbare veld van subtiliteit. In tegenstelling tot de om aandacht schreeuwende materiële wereld, fluistert de waarheid. Welke superkracht zou jij willen bezitten? En hoe zou je deze symbolisch kunnen omkeren tot iets waarmee je vandaag het collectieve veld verblijd?  De 3 runen die ik trok voor deze tekst waren: -            Perthro: wat (nog) niet zichtbaar is, het onvoorspelbare-            Ingwaz: vruchtbaarheid, innerlijke groei-            Wunjo: vreugde, harmonieFoto door Lieven Herreman

KarolienDeman
8 1

Vastgereden

We moeten hem een naam geven. Dat blijft helpen. Alsof ge iemand zachter kunt maken door hem te benoemen. Laat ons zeggen: Petar. Petar uit Bulgarije. Met een camion vol wortelen, ajuinen en waarschijnlijk ook een klein beetje haast. Dat zit tegenwoordig standaard mee in de cabine. Ge ziet dat niet op de vrachtbrief, maar het rijdt wel altijd mee. Hij is de derde al. De derde die zich vast rijdt in die ene venijnige bocht, hier een beetje verder. Een bocht die eigenlijk geen bocht is, maar een soort list. Aan beide kanten een beekje… de straat zegt: ge moogt hier zijn, maar ge moet wel weten hoe. Petar wist dat dus niet.Of hij wist het wel en dacht: ik doe het toch. Dat is vaak het verschil. Hij is er ingereden zoals ge soms in dingen rijdt die ge eigenlijk al voelt dat te smal zijn. Relaties. Gesprekken. Situaties waar ge uw eigen draaicirkel een beetje overschat. Nog een beetje vooruit. Nog een beetje draaien. Nog een beetje hopen dat het wel zal passen. Niet dus. Zijn camion stond daar. Scheef. Vast. Lichtjes vernederd. En Petar ook, maar dat zie je minder goed op foto’s. Want ja, hij geraakt ermee weg. Met een artikel op HLN. “Vrachtwagen rijdt zich klem in smalle straat.” Klik. Foto. Klaar. Ge ziet een camion. Ge ziet een beek. Ge ziet wat mensen die staan te kijken alsof het een zondagse attractie is. Wat ge niet ziet: de seconde waarop hij besefte dit komt niet goed. De stilte in de cabine. De vloek in een taal die wij niet begrijpen maar wel herkennen. Ik woon blijkbaar in de straat waar mannen zich vastrijden. Dat klinkt dramatischer dan ik het bedoel. Of misschien bedoel ik het wel een beetje zo. Want het gaat nooit alleen over die camion. Het gaat over denken dat ge ergens door kunt omdat een stem — een app, een baas, een idee — zegt dat het moet. Dat het sneller is. Efficiënter. Beter. Misschien is het Waze die zegt: hier langs. Misschien is het geld dat fluistert: doorrijden. Misschien is het gewoon koppigheid. Dat ook. Maar hier werkt dat niet. Hier zijn de wegen smal. Hier liggen beekjes langs beide kanten, alsof het leven zelf zegt: rustig. Hier moet ge kunnen draaien zonder te duwen. En als ge dat niet kunt, dan staat ge vast. Letterlijk. En wij staan dan te kijken. Met koffie. Met commentaar. Met een licht schuldgevoel dat verdacht veel lijkt op amusement. “Dat zou mij niet overkomen,” zeggen we. Maar we weten beter. Iedereen heeft wel ergens een bocht waar hij zich ooit heeft vastgereden. In iets dat te schoon leek om niet te proberen. Of te dringend om te laten liggen. Petar geraakt los. Uiteindelijk. Altijd. Met wat geschuif. Wat gezucht.  En een artikel dat hem herleidt tot “de Bulgaarse chauffeur”. Maar ik denk dat hij iets meeneemt. Dat gevoel van: het paste niet. En toch heb ik het geprobeerd. En ik? Ik blijf wonen in mijn straat met haar smalle wegen, beekjes, bochten die schoon zijn tot ge erin zit. Met mannen die denken dat het wel zal lukken, tot ze vastzitten. Maar ik weet soms is blijven het enige juiste manoeuvre.

Katrien Daniels
59 3

(N)iemandsland

Het is vreselijk koud in dit niemandsland tussen mensen hier en mensen daar en ik hier waar geen mensen. Ooit waren ze er, hier, mij gezelschap houdend met hun schimmen, lieten mij geloven dat ze meer dan schimmen waren. We dronken en we praatten binnenin het dronken en alles leek zo levensecht, voelde werkelijk levensecht. Maar dat heb je dan met het toevoegen van stoffen; hun krachten doven de verdoving uit en nu staar ik hen recht in de ogen, al die niemand in al dat niets, in dit niets- en niemandland. Ik schreeuw in stilte: ‘Waar is iedereen gebleven’. ‘We staan recht voor je, pal voor je neus.’ Ik licht mijn hand op, betast mijn gezicht en voel dat mijn neus geen neus is, ik heb geen neus. Heb ik er een? had ik er ooit een? Ik probeer te ruiken, ruik lijkengeur zonder ooit te hebben geroken hoe lijken ruiken, maar ik ruik ze. Ik ruik lijken. Ben ik dat of zijn zij dat? Kunnen schimmen geuren? Kunnen herinneringen geuren en is dit de geur daarvan? Ik val dieper dan de grond ligt, zak het zand door, zweef door een eindig voelende oneindigheid, meer dan dit is er niet, dit is alles dat er is, zo lijkt het. Zie, zo lijkt het. Het zijn dan toch de lijken. Ik hoor het kraken onder mijn voeten, verbrijzelen beenderen zo gemakkelijk onder het stappen van een mens? Ik kijk naar beneden, probeer mijn voeten waar te nemen in het donker, maar zie ze niet. Ik zie mijn voeten niet stappen, toch voel ik mijn voeten stappen. Ik grijp naar mijn schenen, maar grijp er dwars door heen. In de verte klinkt muziek, ik herken de melodie, de stem, de woorden. Toen we dronken, lang geleden, klonk dit lied eindeloos door, doorheen de schemering, de avond, tot de morgen, heel de nacht. In gedachten zing ik mee, zingen al de schimmen mee alsof het mensen waren. Ik zeg: ‘sluit de gordijnen, doe de deur dicht, drink nog één’. En dat doen ze en dat doen we en het zingen kent geen eind. ‘Is het goed als ik hier blijf?’ zeg ik. ‘Dat is goed, blijf jij maar hier’. En ik kruip dieper de grond in, kruip een holte ondergronds in en daar blijf ik, in dat iemandsland, waar die iemand enkel ik. 

Lorin Clercq
13 2

Moederzee

De zee omsluit mijn lichaam. Nergens om mij heen is land te bekennen. Ik ben van alle zwaarte ontdaan. Ik laat het water door mijn vingers glijden en lik ze daarna af. Ik proef. Het water is verrassend zoet. Ik laat me kopje onder gaan, laat me door haar naar beneden trekken. De bodem zal ik nooit bereiken, ze is eindeloos. Onder haar oppervlak, dichter bij haar onvindbare schoot, blijf ik ademen. Ze geeft me leven, ze brengt me in een beruste staat van een eindeloos zijn. Ik verschuil me in haar. Stilaan vergeet ik dat er ooit zoiets bestond als land. Ik wil in deze staat blijven leven, verborgen in het water dat me draagt en voedt.  Ik keer in de zee terug naar de toestand voordat mijn bestaan op land begon. Toen ik als een nieuwe drenkeling op de aarde geworpen werd. Dat kleine hoopje weerloosheid dat proestend en ontzet de kust bereikte, en op het droge onbuigbare land moest leren leven. We worden allen weggerukt uit de vloeibare toestand waarin we gewichtloos drijven in de warme nabijheid van moeder. Het is de moederzee die ons gemaakt heeft.  De reis van het lichaam trekt over het onherbergzame land, maar de reis van de ziel brengt ons naar het hart van de zee. Waarom worden wij aangetrokken door de zee? Omdat het ons terugbrengt naar het begin, naar de essentie, naar het vruchtwater waarin we groeiden, waarvan we dronken, waar we altijd troost vonden, waarin we ons in slaap woelden? Omdat onze oorsprong terug leidt naar zilt zaad en zoet vruchtwater? Nu ben ik zelf moeder, en mocht ik die oceaan in me meedragen. Tot driemaal toe. In mij zwol de zee. Ik werd water waarin ik drenkelingen droeg, ik puurde essentie uit mijn lichaam en daaruit vormde zich een leven. En dan nog één. En dan nog één. Ik klotste, ik barstte, en liep één keer een schipbreuk op. Ik moest een kind teruggeven aan de golven, aan de nietsontziende kracht van het zoete nat. Ik werd één met de baren. Ik werd een baarmoeder, een moeder van golven, van het leven dat heen en weer beweegt in en rondom mij.  Ik herinner me nog de weeën en het vruchtwater dat uit mij stroomde. Een rivierdelta werd ik waar de zee het land ontmoette. Bij elke beweging stroomde ik meer. De drenkeling zou zich weldra op het land werpen en een eerste kreet uitstoten. Hij of zij zou voor de eerste keer de longen moeten vullen met zuurstof. Leren dat de longen niet meer gevuld zijn met haar. Met moeder.  Moeder. Zee. Water. Vloeibaarheid. Eenheid.  Mijn moeder. Zij lag aan de horizon maar kwam nooit dichterbij. Ik stond aan haar branding, luisterde naar het eindeloze komen en gaan van haar golven, alsof ze me dichterbij wilde, maar telkens terugdeinsde op het laatste moment. Soms hoorde ik een fluistering in het schuim op haar woelige golven, soms bleef haar zee zo glad als een spiegel. In die kalmte schuilde geen rust maar afstand. Haar getijden vormden het ritme van mijn kinderlijk gemis. Een moeder hoort een haven te zijn, maar ik zie in haar enkel een horizon. Ik richt mijn blik op haar einder, maar vanbinnen weet ik dat ze ongrijpbaar zal blijven. Ik werd een haveloze vrouw.  Ik maak dus maar mijn eigen oerzee, en nu ik laat me gewillig onder het wateroppervlak glijden. Het water sust mijn gedachten. Ik ben weer gewichtloos, ik dein mee op de stroming met boven mij de golven die af en aan rollen. Ik baar mezelf opnieuw op deze wereld.     

Jolien Van de Velde
123 0