Lezen

Tip

Beloftevol blauw

Jullie uniformen hingen te drogen op de draad rondom het schoolterrein. Ze waren van de mooiste tinten beloftevol blauw, alsof de school jullie zo een toekomst wilde garanderen als die van een koning, of van Yves Klein. De school leek verlaten, hoewel de vakantie pas over twee weken zou beginnen. De ventilatoren draaiden niet. Het alfabet werd niet in meerstemmigheid opgedreund. Achter de ramen verschenen geen olijke gezichtjes. Jullie meterslang uitgestalde uniformen konden ons enkel jullie stemmetjes en spel doen vermoeden. We slenterden wat langs de draad. De leraressen in mijn groep waren teleurgesteld en keerden al snel terug. Ze hadden graag een les mee gevolgd, of een leerkracht geïnterviewd. De aanblik van de verlaten school met slechts twee lokalen, één schoolbord en beduidend meer stoelen dan lessenaars had hun nieuwsgierigheid geprikkeld. Toen zag ik jou. Je stond in de deuropening, onbeweeglijk. Argwaan had je doen bevriezen op je weg naar buiten. Je blik liet me niet los, met je ene hand klemde je je vast aan de deurstijl. Je reageerde niet op mijn groet, noch op mijn vraag of ik je mocht fotograferen. Daar, in die deuropening, tussen al dat blauw en met wantrouwen in je ogen, was je prachtig mooi.   Je bleef maar kijken, ik werd er ongemakkelijk van. Ik wilde zachtjesaan voor je ogen vervagen, ik wilde verdwijnen zonder te bewegen. Toen ik uiteindelijk langzaam achteruit week, lieten je ogen me niet los. Ik draaide me om en keerde terug naar mijn groep. Ik vertelde niet dat ik jou gezien had, maar stelde voor om te vertrekken. Enkele tientallen meters verder keek ik nog één keer over mijn schouder. Je stond er nog, onbewogen, en een ogenblik lang verbeeldde ik me dat je me recht in m'n ziel keek.   Ik diende de foto in voor een wedstrijd en viel ermee in de prijzen. Nu hang je uitvergroot boven mijn bureau, je ogen volgen me doorheen het huis. Verder blijf je voor eeuwig onbeweeglijk, immer onbewogen. 

Hilde Christens
246 2

Zijn donkerroze onderlip

Beginnend aan zijn linkermondhoek duwde ze met zachte druk haar duim over zijn onderlip. Haar handpalm rustte lichtjes op zijn onderkaak. Hiermee werd een woordelijk bezwaar op haar vrijpostig gedrag min of meer in de kiem gesmoord, maar zeker niet onmogelijk. Hij had trouwens ook nog fysiek bezwaar kunnen maken, vond ze, door zijn gezicht een kwartslag te draaien bijvoorbeeld. Een abrupt einde zou hij daarmee maken aan haar lijfelijk contact. Dat deed hij niet.  Haar duim gleed verder en dwong de gezonde donkerroze huid lichtjes naar rechtsonder in een hoekje. Daar mocht ze even in al haar glorie blijven staan en genoot ze van de volheid van zijn onderlip. Haar blik en aandacht gingen ten volle naar zijn mond. Zijn ogen mochten op dat ogenblik misschien boekdelen spreken, in de afkeer of de sensualiteit ervan was ze niet geïnteresseerd. Ze wreef de broodkruimel van zijn gezicht.   Ze had dat stukje broodkorst op zijn wang ook in een vluchtige handeling kunnen verwijderen, zoals je dat bij een kind doet dat net iets te slordig aan het eten is. Ze had het hem zelfs informatief kunnen zeggen. ‘Je hebt daar nog een broodkruimel’, waarbij ze vervolgens neutraal naar zijn mondhoek wees. Het etensrestant had hij dan zelf kunnen doen verdwijnen. ‘Sorry dat ik zo knoei. Ik lijk wel een klein kind.’, had hij dan kunnen zeggen. Maar hij was een viriele jonge man en dus had ze die broodkruimel bij hem ook kunnen aflikken met een halve French kiss en afsluiten met een licht agressieve beet in dat gevoelig stukje aangezicht van hem, maar dat vond ze gezien de lokatie net iets te verregaand en eigenlijk klopte dat misschien ook niet met het personage dat ze hem in haar boek wilde toebedelen.   Hij had haar natuurlijk ook kunnen schrijven dat hij zich liever enkel wilde toeleggen op het assistentschap en afzag van zijn taak als muse. Gewoon een “reply” op haar mail, waarin ze hem die functie had toebedeeld, maar dat had hij nagelaten te doen. ‘Dat zie ik niet zitten’ had ze in de veelheid aan mails niet ontvangen. Misschien was haar mail in de immense hoeveelheid van mails, sms’en, Facebook-posts, Messenger-berichten en een enkele keer een telefoontje van haar verloren gegaan en was hij zich niet bewust van die belangrijke, zo niet de belangrijkste taak in zijn leven? ‘Neen, zijn belangrijkste taak is zijn dochtertje en dan kom ik’, herpakte ze zich.   Hij vond haar personages intrigerend en met ogenblikken stukken tekst ‘Mooi’. Dat ze aangenaam kon schrijven had ze de afgelopen jaren al meermaals te lezen en te horen gekregen. Daar had ze niets mee, met die info; en de personen die het zeiden, werden met enige dedain afgedaan als bevooroordeelde subjecten; hun observatiewaarden werden tenietgedaan in haar gedachten en afhankelijk van wie de info het universum had ingestuurd werd die ook woordelijk tenietgedaan, in de kiem gesmoord, in een soort macabere wonderlamp gestopt, met een dermate heftigheid dat het subject er soms wel jaren over deed om het nog eens te wagen zich een uitspraak te doen over haar schrijven. De wonderlamp, die inmiddels was vervangen door een zelfgemaakt houten doosje met geheim slot, was geleidelijk aan onder hoge druk komen te staan, doordat elke positieve commentaar als nefast voor haar leven erin gepropt bij de al op elkaar gepropte rest.   Hulp had ze nodig, liefst van hem, voorlopig toch en misschien nog wat langer ook, als hij haar aankon, tenminste. Dat kon niemand inschatten. Ze had hem tot haar muse gebombardeerd. Zomaar, omdat zij dat had beslist. Hij had daar niets over te zeggen gehad. Nog niet. Nu zou dat komen, tenminste als die broodkruimel niet tussen hen beiden bleef.   Hij had haar niet lang daarvoor gemaild dat ze niet zo passief-agressief moest zijn. Helemaal blij was ze daarmee natuurlijk niet. Veel liever had ze dat woord passief weggehad. Kon ze niet gewoon agressief zijn? Mocht dat niet van hem? Hoezo passief? Ze was niet van plan een hulpeloze deerne te spelen. Een van die deernes waarvan hij gezien zijn status als assistent aan de universiteit nietszeggende teksten moest lezen. Misschien waren ze subliem geweest, maar dan nog, natuurlijk maar half zo goed als die van haar. En dan nog maar te zwijgen over de deernes die hem belaagden met nog meer prut om hem toch maar tussen de lakens van hun kot te krijgen.   Ze wilde stoppen met die cursus, vond het veel te bevreemdend om te schrijven, wetende dat hij haar schrijven zou analyseren, terugbrengen tot een gedachte of een gevoel dat helemaal niet zo was bedoeld. Had hij maar niet moeten zeggen: ‘Haal er alles uit wat er voor je in zit.’, dacht ze. ‘Hij heeft aangegeven mijn teksten te willen lezen. Awel, hij zal ze lezen ook. Gefrustreerd over het eenrichtingsverkeer kon ze het niet laten hem via haar teksten een sneer uit de pan te geven. Hoe ver kan ik hem het beklemmende gevoel geven, zoals ik ze ervaar?’, dacht ze.   Hij had er geen rekening mee gehouden dat ze veel zou beginnen schrijven.   ‘Iemand die een heel leven lang niet of nauwelijks leest, dat kan niet veel voorstellen.’, dacht hij. ‘Hij zal me voorzien van commentaar. Bitsig, geen honingzoet gedoe. Daar heb ik niks aan. Die teksten kunnen alleen maar scherper geschreven worden als er scherpzinnig naar wordt gekeken. Daarover communiceren moet hij ook kunnen. Streng en liefdevol. Schrijven en lezen liefdevol delen, een stukje van het leven delen. Dat moet hij kunnen. Als ik me bloot geef, zal ik hem alvast ook een stuk uit zijn comfortzone trekken, duwen of sleuren. Desnoods allemaal tegelijk.’ Het risico dat ze daarmee in haar eigen vingers zou gaan snijden, nam ze erbij.   ‘Ik zie wel wat het wordt. Hij zal aan mij alvast geen engel hebben.’, dacht ze.

Attendant Moon
0 0

Cécile

Hoofdstuk 1   Ik hoor de voordeur opengaan. "Liefje, we zijn thuis!" Ik hoor de woorden van mijn moeder nog nagalmen als ik de trap naar beneden loop. "Hoe was jullie avond?" vraag ik terwijl ik voorbij de veel te felle kelderdeur loop. Als kind had ik mij altijd afgevraagd waarom mijn ouders de kelderdeur felgeel hadden geverfd. Alsof de kelder opeens veel minder eng wordt omdat de deur een leuk kleurtje heeft. "Geweldig, je had er bij moeten zijn! Ik voel me weer helemaal relaxt." Mijn moeder gaat elke vrijdagavond naar de yoga om te ontspannen en haar stress van een zeer vermoeiende week te vergeten. Heel saai als je het mij vraagt en dat vindt mijn vader ook. Hij moet elke keer, flink tegen zijn zin, mee. "Geweldig zou ik het nu niet echt noemen. Al die nonsens over je echte zelf tegenkomen op je reis naar eenheid tussen hart en ziel komt me de oren uit!" roept mijn vader terwijl hij zijn sleutels in het mandje naast de kapstok gooit. "Cécile, zou je even naar de zolder om mijn reistas willen gaan, alsjeblieft? We moeten binnen twee uur al vertrekken en ik heb nog niks ingepakt!" "Rustig mam, je bent net terug van de yoga en je bent nu al terug aan het stressen. Daarbij, je hebt al je kleren al uitgekozen en op je bed gelegd!" roep ik nog net voordat ik de trap naar de zolder oploop. Ik open de deur en doe het licht aan. Na een paar seconden springt de lamp aan en baadt de kamer in een aangenaam licht waardoor mijn favoriete plekje in huis zichtbaar wordt. Instinctief loop ik naar de linkerhoek achterin de kamer, even blijf ik staan in het schijnsel van het maanlicht dat door het enigste raam op de zolder net voor mijn berg van kussens en boeken valt. Nog ongeveer een uurtje en dan zal de maan de duizenden levens die ik leid in mijn boeken verlichten. "Cécile!" De schelle stem van mijn vader laat me opschrikken uit mijn gedachtes. Ik draai me om en neem de tas van mijn moeder op terwijl ik terug naar de realiteit wandel. Voetje voor voetje komt mijn lichaam terug naar het heden en woord voor woord komt mijn geest net een beetje later aan. In een vloeiende beweging glijdt mijn hand over de lichtschakelaar en sluit het vervolgens de deur achter mij, terwijl mijn voeten nog steeds hun dagelijkse pad terug naar de gang volgen.   Hoofdstuk 2   "En als er iets is, dan ga je..." "Ja mam, dan ga ik naar de buurvrouw." Onze buurvrouw was vroeger mijn oppas, maar nu ik volgens mijn ouders de geschikte leeftijd heb gekregen om alleen thuis te blijven, hangt haar nummer op een geel post-itje op de koelkast. Mijn ouders geven me een knuffel, stappen in de auto en starten de motor. Net voordat ze de hoek om rijden, roept mijn moeder nog: "Tot overmorgen, Cécile, wees voorzichtig!" Met gesloten ogen blijf ik nog even nagenieten van de koele avondbries en de stilte tussen de sterren. Langzaam wandelt mijn lichaam naar dat ene plekje op de zolder in tegenstelling tot mijn gedachten die al tussen de stapels boeken het perfecte verhaal voor een ongestoord moment zoeken. Ik voel mijn voeten niet meer bewegen, het waas trekt weg voor mijn ogen en stilletjes aan komt het besef dat ik voor de felgele kelderdeur sta. Een blauwe post-it springt me direct in het oog. Al snel herken ik het krullerige geschrift van mijn moeder. In een paar slagen van mijn wimpers, heb ik het bericht gelezen. Ik hoor mijn mama het bericht zo opzeggen: "Er staat een bord lasagne in de koelkast, gewoon even opwarmen in de microgolfoven! Kusjes, mama." Al zittend op het aanrecht, wachtend op het geluidje van de microgolfoven dat mij verteld wanneer de lasagne klaar is, kom ik tot de constatatie dat het karakter van mijn moeder zeer goed overeenkomt met haar geschrift. Ze is heel levendig en zit vol met enthousiasme en net als haar geschrift neemt ze alle mogelijke krullen en bochten in haar leven zoveel als ze maar kan. Mijn concentratie wordt bruusk naar het raam getrokken. Heel even dacht ik een man met een gele regenjas te zien. Mijn handen begonnen te trillen en ik ga als in een automatisme naar de linkerhoek van de keuken, naast de koelkast. In mijn hoofd stellen zich de ergste scenario’s op, precies zoals ik er al dozijnen heb gelezen. Ik dwing mijn hoofd om op te kijken en met een bange blik kijk ik terug naar de realiteit. Alle slechte scenario’s stop ik onder mijn hart weg. Waarschijnlijk is het een spinsel van mijn fantasie, mijn onderbewustzijn die snakt dat naar een nieuw verhaal. Ik hoor een piepgeluid in mijn oren, het blijft nazinderen terwijl ik mijn lasagne uit de microgolfoven haal, mijn bestek neem en mijn tocht begin om mijn onderbewustzijn te sussen. Aan de achterdeur stop ik met lopen en kijk even na of de deur wel goed op slot zit. Ik durf niet naar buiten te kijken, draai me met een ruk om en zet mijn gedachten op het maanlicht dat straks de inkt op het vergeelde papier zal verlichten.   Hoofdstuk 3   Mijn ogen gaan als een sneltrein over de met inkt geschreven letters, maar ze worden moe en ik voel dat mijn lichaam meer en meer verlangt naar de middernachtsblauwe zone waar de slaap heerst. Mijn hoofd wordt zwaarder en valt naar rechts, al snel volgt de rest van mijn lichaam en lig ik op mijn rechter zijkant. Door het snelle verlies van het maanlicht moeten mijn ogen nog even aanpassen. Ik knipper een paar keer en voor een paar seconden dacht ik dat ik Peter Pan voor mijn raam zag zweven, maar al snel wordt duidelijk dat het iets anders is, iets met een lichtere, opvallerende kleur. Sloom hef ik mijn ledematen op en wandel naar het raam. Ik til mijn hoofd op. Mijn lichaam schokt wakker en loopt terug naar de hoek waar het met zijn rug naar het raam ga zitten. Een gele regenjas, dat kan toch niet. Hoe is het daar in hemelsnaam geraakt? Mijn ademhaling wordt sneller en mijn handen beven, er vormt zich een mist in mijn hoofd. Ik moet naar de buurvrouw gaan, maar wat als er echt iemand rond mijn huis dwaalt of wat als hij al binnen is? Verlamt door angst blijf ik zitten. Plots komt er een beeld in mij op. Het is een beeld van een paar uur geleden waarop te zien is hoe ik de deur van de zolder op slot draai en de oude sleutel in mijn broekzak stop. Bibberend vindt mijn hand de weg naar mijn zak waar zich inderdaad de sleutel bevindt. Mijn klamme hand houdt de sleutel vast alsof het mijn laatste connectie is met het leven. Nadat mijn ademhaling terug regelmatig is, merk ik pas het koude scherm van mijn gsm dat duwt tegen de achterkant van mijn hand op. Voorzichtig laten mijn vingers de sleutel los en halen de nieuwe levenskans uit mijn zak. Ik scrol door mijn contactenlijst en kom tot het besef dat het nummer van de buurvrouw er niet tussen staat, het hangt nog op de koelkast, zorgvuldig opgeschreven op een geel post-itje. Mijn blikt focust terug op het schermpje. Ik ben gestopt met scrollen precies op het nummer van mijn beste vriendin Zoë. Zonder nog verder na te denken druk ik op haar nummer, hou het toestel aan mijn oor en wacht tot ik haar stem zal horen. 'Hallo, met Zoë. Waarom bel je me nog zo laat op?' 'Zoë, een man met een gele regenjas, jas op mijn raam. De deur vast, bang dat hij binnen zal komen.' Het blijft een paar seconden stil aan de andere kant van de lijn. 'Ik heb niet echt verstaan wat je zei, maar ik ken je al lang genoeg om te weten dat je echt doodsbang bent. Ik kom er nu meteen aan! Waar ligt de huissleutel?' 'Nee, ik kan niet zeggen, hij horen en binnenkomen.' 'Cécile als je het mij niet vertelt dan zal je zelf de deur moeten komen opendoen.' Die zin wekt me op. 'Nee! Hij ligt onder de mat onder de bovenste linkerhoek. Haast je!' 'Ik ben daar binnen vijf minuten, blijf waar je bent!' Ik blijf in dezelfde positie zitten zelfs nog lang nadat de stem van Zoë al is weggestorven. Ik hoor iemand kloppen op de muur, het geluid komt dichter en dichter. Het zit vlak onder mij aan de voorkant van mijn huis. Ik maak mezelf zo klein mogelijk en wil mijn handen over mijn oren leggen als ik opeens de voordeur hoor opengaan...  

Mart Baert
0 0

Al die patatten

De weermannen en weervrouwen voorspellen tropische temperaturen. Er lijkt elke dag een graad bij te komen. "Het wordt bakken en braden", vertelt een collega. "Je kan een ei op de motorkap bakken. Wel oppassen met peper en zout, dat is niet goed voor de carrosserie", lacht hij. De mannen thuis heb zelfs in deze hitte graag gekookte aardappelen. Onze jongste ziet het zweet van mijn voorhoofd druppelen bij het afgieten van de patatten. Op elke schouder hangt een handdoek. Een voor het zweet en een voor de aardappelen. "Ik heb iets voor u", zegt hij. Even later komt hij naar beneden met een kleine ventilator. "Je kan deze wel niet in het stopcontact steken", lacht hij. Het hengeltje waar je aan moet draaien lijkt op dat van de grote potloodslijper die de meester vroeger aan de rand van zijn lessenaar had vastgemaakt. Je moest het vragen, als je wou slijpen. Maar ik ben alleszins blij met de ventilator. Misschien net zo blij als de meester met zijn potloodslijper.Na het opruimen maken we een wandeling. Bij het buitenkomen ligt de handdoek nog steeds op mijn schouder. Mijn voorstel om hem gewoon mee te nemen haalt het niet. "Weet je nog dat ik naar de bakker liep met het zakje vuilnis", vertel ik. We kunnen er mee lachen. Verstrooidheid is mijn tweede naam. “Ik kan geen patatten meer zien of horen”, zeg ik.   Als we even later aan een tafeltje zitten voor een koffie, heeft een jongeman naast ons het over zijn voetbalwedstrijd. “Het was een patattenveld”, zegt hij tegen zijn vriendin. “Hoezo een patattenveld”, vraagt ze. “Hebben ze daar dan…” “Nee”, onderbreekt haar vriend. “Een patattenveld zeggen ze tegen een slecht veld. Alsof ze de patatten net uitgedaan hebben.”    Onder de luifel komt gelukkig een andere tafel vrij. Met al die patatten.  

Rudi Lavreysen
0 0

Lost without you

Iemand zo graag zien dat je geen controle meer hebt over jezelf. Alles is hij, hij is alles. Hij heeft mijn hart. Hij bepaalt wanneer ik me blij voel, wanneer ik me verdrietig voel. Hij zal bepalen of ik ooit nog die verschrikkelijke pijn moet voelen waar ik nooit klaar voor zal zijn. Hij zal bepalen hoe lang ik leef. Want ik leef voor hem. Ik leef om niet verlaten te worden. Wat is er dan nog om voor te leven als hij er niet meer is?    Ik ben mezelf kwijt. Ik heb geen controle meer over hoe ik me voel en wat er met me gebeurt. Het is zo moeilijk om uit te leggen hoe dat voelt. Hoe machteloos ik sta tegenover mijn toekomst. Ik ben veel te zwak om nog extra lasten te dragen. Ik geef alles weg, alles wat ik ben. Ik heb gewoon geluk dat hij er met respect mee omgaat.    Ik leef niet meer echt. Als hij er niet is, voel ik me verloren. Dan kan ik enkel nog denken aan de volgende keer dat ik weer zo dicht bij hem kan kruipen dat het voelt alsof we één zijn. Die kleine kostbare momentjes dat ik mezelf en mijn geluk even terugvind. Als hij er wel is, dan voel ik me vaak minder gelukkig dan hoe ik fantaseerde me te voelen. Dan heeft hij iets kleins gezegd waardoor ik weer aan mezelf twijfel. Eeuwige twijfel. Ben ik goed genoeg? Gaat hij me niet verlaten? Ga ik ooit gelukkig zijn? Ga ik ooit niet meer mezelf zijn?    Ik ben nog heel erg op zoek naar mezelf en ik geraak niet dichter want ik heb alles weggegeven. Alles weggegeven, aan hem. Hij heeft geen idee hoe groot zijn invloed op mij is. Ik weet dat dit niet goed is. Ik weet dat ik enkel dieper zak en verder van mezelf verwijderd geraak. Maar ik moet en ik zal blijven vechten tot ik zowel mezelf als Nick heb gevonden. Ik kan beide niet missen. Ik kan Nick nooit zo graag zien als hij verdient, als ik mezelf niet graag zie. Dat is zo cliché maar zo waar.    Ik wil perfect zijn. Nooit zagen. Hem tonen hoe goed hij dat doet. Hem tonen hoe geweldig hij is, hoe geweldig ik hem vind. Ik wil elke dag dansen in de keuken, lachen in de zetel, knuffelen in bed. Ik wil elke dag dat sprookje dat ik weet dat ik kan hebben. Was ik nu maar niet zo verdomd moeilijk. 

Layla Clarke
0 0