Lezen

Mien de slet

(aquarel van Paula Aerts - zie www.paulaquarel.blogspot.com)   2008. De zaken gingen al geruime tijd niet goed meer ten huize Marylou. De bankencrisis had uitbreiding genomen en nu kreeg haar core-business er ook flink van langs. Ze kreeg almaar minder volk over de vloer. En als er dan al eens een man  langskwam dan vond ie het te duur of moest er aan verlaagd tarief iets afgehaspeld worden. Dat was ook geen leven. Dus dacht Marylou na. Ze dacht lang na want ze had veel tijd om na te denken. Maar ze vond niet direct een antwoord. Wie had kunnen vermoeden dat de oplossing voor haar probleem vanuit een totaal onverwacht hoekje kwam opduiken.   Op een dag kreeg Marylou een nieuwe buurvrouw want het aangrenzende herenhuis verwelkomde een kersverse bewoner. Een pas afgestudeerde seksuologe kwam naast Marylou wonen en opende een praktijk op het gelijkvloers. Haar privé lag op de eerste verdieping en die deelde ze met Fred, haar gecastreerde kater.   Een uitnodiging voor een house-warming-party had Marylou niet ontvangen, dus trok ze op een middag haar stoute schoenen aan. Als welkomstgeschenk had ze twee éclairs meegenomen en een tompoes voor Fred. Ze zag het naamplaatje van de jonge vrouw, Lien De Smet, en belde aan. Een vriendelijke stem klonk door de parlofoon en nodigde haar uit om binnen te komen. ‘Waarmee kan ik u helpen?’ vroeg Lien onmiddellijk. ‘Aan mij mankeert er niks,’ zei Marylou, ‘Begrijp me niet verkeerd. Ik kom enkel kennismaken zoals een goede gebuur betaamt en ik heb een cadeautje bij’. Dat vond Lien wel erg charmant en ze schaamde zich een beetje omdat ze zelf het initiatief niet had genomen om haar buur uit te nodigen. Ze zette een potje koffie, heet en sterk, honderd procent arabica. Binnen de kortste tijd werd Lien ingewijd in Marylou’s onzekere maar wondere wereld en vernam ze de specifieke problemen waarmee haar buurvrouw te kampen had.   ‘Ik moet je eerst bekennen,’ had Lien gezegd, ‘hoezeer ik jouw functie in de maatschappij respecteer. Zouden jij en je collega’s er niet zijn, dan zouden er vele, erge dingen gebeuren.’ Met deze woorden lag Lien onmiddellijk in Marylou’s bovenste schuif en schrok deze laatste er ook niet voor terug om de achteruitgang van haar éénvrouwsbedrijfje uit de doeken te doen. Ze vertelde dat ze, reeds voor de crisis een echte aanvang had genomen, had gemerkt dat het aantal bezoekjes van mannen-in-nood stelselmatig afnam. In het begin was ze al eens op een voormiddag werkloos en de week erna kon dat op een namiddag zijn, maar na verloop van tijd waren er zelfs avonden dat ze rustig televisie kon kijken zonder gestoord te worden. Ze was zelfs gestopt om Temptation Island op haar digibox te programmeren. Ze keek gewoon live omdat ze er donder op kon zeggen dat die avond hooguit een verdwaalde poes aan haar vensterraam kwam postvatten. Zodoende had Marylou op die betreffende namiddag een enige gelegenheid om een specialiste om raad te vragen. Lien moest wel toegeven dat ze een dergelijk probleem niet had voorgeschoteld gekregen tijdens haar studies aan de universiteit - praktijklessen bestonden niet - maar ze wilde toch graag haar nieuwbakken vriendin ter hulp schieten. Ze dacht na. Ze dacht diep na en toen ze aan haar livingraam naar buiten keek en haar blik aan de overzijde van de straat het volkscafé ontwaarde moest ze denken aan haar opa en het gezelschapsspel dat hem zoveel plezier had bezorgd toen hij in het bejaardentehuis verbleef. ‘Dat is het,’ zei ze, ‘een pietjesbak. Je moet klanten lokken met een pietjesbak. Destijds heb ik zo’n exemplaar aan mijn grootvader voor zijn tachtigste verjaardag geschonken en toen hij overleden is heb ik de bak als dierbare herinnering aan hem naar huis meegenomen. Hij moet hier ergens op zolder aanbeland zijn. Je mag hem gerust een tijdje van mij lenen. Zo doe ik ook een duit in het zakje of noem het maar het pietjesbakje’. Op één, twee, drie had ze een strategie klaar en een uurtje later kon Marylou op haar werkdivan een uitgebreider strijdplan bedisselen.   Een nieuw concept dus ook een nieuwe naam, was het eerste wat Marylou te binnen schoot. Ze moest niet lang nadenken en ze kreeg al binnenpretjes, die ze hoopte in de naaste toekomst nog meer te voelen: haar behulpzame buurvrouw heette Lien De Smet, dus zou Marylou’s nieuwe alter-ego Mien de slet zijn. Een slogan in het plaatselijk advertentiekrantje had ze ook al klaar:  ‘Bij Mien de slet, altijd pret. De teerlingen in de bak besparen je een smak’. Die laatste zin tezamen met een afbeelding van drie dobbelstenen liet ze door een bevriende kunstenaar op haar vitrine schilderen. Nu moest ze even geduldig zijn en hopen dat het nieuws als een lopend vuurtje zou rondgaan en de eerste nieuwsgierigen hun kop omhoog zouden steken. In de tussentijd kon ze haar nieuwe manier van werken wat finetunen. Buurvrouw Lien had haar al goed op weg geholpen maar er waren nog enkele punten die haar aandacht verdienden. Telkens weer als ze alles zorgvuldig overliep ontdekte ze een nieuwigheidje en bij elke nieuwe vondst ontsnapte haar een gilletje. Die avond, na alweer geen klanten te hebben gezien, ging ze moe maar ongelooflijk voldaan slapen en legde ze haar éne been over het andere …   Enkele dagen gingen voorbij. Marylou had zich zelfs wat verlof gegund - op het bordje dat aan de deur hing had ze met enige zin voor humor ‘enkele dagen platte rust’ geschreven - en ze spendeerde die welgekomen vrije tijd en wat geld aan het opsmukken van het interieur van haar werkplek. De gordijnen met pantervellenopdruk verdwenen naar het containerpark en werden verruild voor state-of-the-art-jaloezieën. De muren kregen een kakelvers behangpapier aangemeten met een terloopse verwijzing naar het dobbelspel waarvan ze in haar diepe binnenste verhoopte dat het haar geluk zou brengen.   Het werd weer vrijdagavond. Dit zou, normaal gesproken, haar drukste werkdag moeten worden. Marylou stond in haar vernieuwde etalage te popelen van ongeduld. Ze had een nieuwe lampenslinger aangestoken en ze had zichzelf gehuld in een luchtig niemendalletje. Frivoler kon het niet en dat zou effect ressorteren. Er liep wel wat volk rond die avond en het was haar opgevallen dat een drietal heren meerdere keren, geïnteresseerd maar onrustig kijkend, aan haar venster waren gepasseerd. Uiteindelijk ging de deurschel en kwam een oud mannetje haastig binnengestapt. Marylou zag dadelijk dat hij zich niet op zijn gemak voelde dus besloot ze daar dadelijk aan te verhelpen. Ze was tenslotte een kei in haar vak. ‘Doe maar rustig,’ zei ze, terwijl ze de deur sloot en ze haar tanden bloot lachte, ‘ik doe je geen pijn hoor’. Het ventje keek haar gerustgesteld aan. ‘Wil je een drankje? Die trakteer ik jou omdat je mijn eerste klant bent sinds ik alles gerenoveerd heb. Alles is nieuw, behalve ik natuurlijk, of wat dacht je?’ Hij lachte wat ongemakkelijk. ‘Doe maar een biertje,’ zei hij. ‘Dan neem ik een Virgin Mojito,’ giechelde Mien. ‘Misschien heb je geluk en word ik opnieuw maagd’. Hij kon de inside-joke wel smaken en nam een slok van zijn pintje. ‘Ondertussen hebben we even tijd om de nieuwe gang van zaken wat toe te lichten,’ klonk ze professioneel. ‘Zie je daar dat bord. Daarop staat te lezen hoe je wat kunt besparen door met de dobbelstenen te gooien.’ Het mannetje keek met halfdicht geknepen ogen wat er te lezen stond en zei: ‘Dat wil ik wel eens uitproberen. Ik ben altijd graag uit op een gokje.’ Mien haalde de pietjesbak en de dobbelstenen te voorschijn. ‘Omdat ik je zo sympathiek vind laat ik je al eens een keer gooien. Is het resultaat niet goed, dan mag je nog eens een keer met de teerlingen werpen. Ok?’ ‘Prima,’ zei hij en hij gooide verwoed de dobbelstenen in de bak. 2 - 2 - 3. ‘Oei, dat is 7, de laagste score,’ lachte Mien, ‘als mijn volgende klant dit zou gooien, dan zou hij voor zijn verzorgingsbeurt 70 ipv 50 euro moeten betalen. Gooi nog maar eens. Toe.’ Deze keer nam het mannetje de stenen voorzichtig vast en gooide al even behoedzaam. 2 - 2 - 2. ‘Oei, dat is 6. Dat is nog lager,’ reageerde hij beteuterd. ‘Maar nee jongen,’ troostte Mien, ‘je hebt zand van 2 gesmeten. Zo noemt men dat. Dat is goed. Zeer goed zelfs. Zie je het daar op het bord staan: zand van twee betekent 20 % korting als je binnen de twee weken mij opnieuw een bezoekje brengt. Dan hoef je dus slechts 40 in plaats van 50 euro te betalen. Hier, ik geef je een tegoedbon en ik schrijf het in mijn schrift. Zoals je ziet is het boekje nog maagdelijk wit. Op welke naam mag ik het zetten? Gebruik gerust een schuilnaam, als je dat wilt.’ ‘Zet dan maar Schuitje. Zo noemde mijn overleden vrouw mij altijd. We zaten immers méér dan veertig jaar in hetzelfde trouwschuitje. Ze is twee jaar geleden heengegaan en dit is de eerste keer dat ik bij iemand zoals jij …’. Hij wist niet goed hoe hij dit moest uitleggen. ‘Ik snap maar al te goed hoe jij je voelt Schuitje. Kom we beginnen eraan. Heel voorzichtig en we zien wel hoe het verder gaat,’ stelde Mien hem gerust. Een half uur later nam Mien afscheid van haar eerste gast. Ze gaf hem een kuis kusje op zijn wang want ze voelde dat ze net iets heel moois had meegemaakt.  Er ging geen kwartier voorbij alvorens een volgende klant zich aanmeldde. Ze herkende de man als één van de geïnteresseerde voorbijgangers van een uur geleden. Hij was een pak jonger dan de vorige en hij keek wat onwennig rond. ‘De eerste keer?’ informeerde Mien. ‘Ja, en ik weet niet heel zeker of ik dit wel wil,’ zei de midveertiger. ‘Dat begrijp ik,’ antwoordde Mien heel gedecideerd, ‘laat ons er even over praten. Hoe heb je me gevonden?’ ‘Via jouw advertentie eigenlijk,’ vertelde de man heel openlijk, ‘die viel me op, zo met die dobbelstenen weet je wel en daarom vond ik het toch wel interessant om eens kennis te maken.’ Mien vond het prima en legde de spelregels van haar pietjesspel haarfijn uit. ‘Daar is over nagedacht,’ zei hij, ‘kom geef die teerlingen maar. Drie eentjes, de aapjes dus, en ik mag gratis voor niets met jou naar …’. Hij kon zijn zin niet eens afmaken want Mien repliceerde meteen: ‘Zo zit dat’. Haar tweede bezoeker hield de dobbelstenen in zijn twee handen, maakte er een bolletje van en blies tussen zijn twee duimen. ‘Vooruit aapjes,’ riep hij en hij gooide met forse kracht de stenen in de bak. 1 - 1 - 6. ‘Oei, dat was dichtbij,’ jammerde hij, ‘hoeveel heb ik nu eigenlijk?’ ‘Dat is 260, het hoogste wat je kan gooien, buiten die speciale getallen dan, dus dat heb je goed gedaan maar hier heb je er geen prijs mee. Je mag wel gratis opnieuw gooien met deze score en dat is toch ook niet slecht hé,’ moedigde Mien hem aan. De klant wreef in zijn handen en herhaalde zijn vorige handeling maar dit keer wat minzamer. 4 - 4 - 4. ‘Sjonge, sjonge, er wordt flink gegooid vandaag. Maar dat is niet erg. We doen tenslotte alles voor onze business,’ zei Mien. Ze had er eigenlijk wel schik in. ‘Je hebt zand van 4 geworpen. Dat wil zeggen dat je 40 % korting krijgt als je binnen 4 weken mij nog eens komt opzoeken. Dat is toch een schone geste hé. Kom geef me nu maar 50 euro. Je weet dat het binnen de maand maar 30 euro zal zijn. Ok? Ik schrijf je even een waardebonnetje. Op welke naam mag ik het zetten?’ Mien voelde zich echt in haar element. ‘Tarzan,’ lachte hij, ‘dat zal je dadelijk wel ondervinden.’ ‘Ik verheug er mij al op,’ kirde Mien. Hij scheen haar te geloven.   Haar eerste twee bezoekers zaten erop en je kon het ontegensprekelijk een groot succes noemen. De dobbelstenen hadden weliswaar in het voordeel van haar klanten gerold maar tezelfdertijd bracht deze uitkomst flink wat cliëntenbinding teweeg. Dat het gooien van 260 een extra werpbeurt met zich meebracht had ze op datzelfde moment verzonnen, maar ze was zeker van plan dit zo te houden. Dus moest ze dit getal ook op het bord noteren. Daardoor kwam ze zelfs op het idee om aan iedereen die geen ‘prijs’ gooide voor te stellen een nieuwe gok te wagen voor een inbreng van slechts 5 euro. En in de dagen die daarna verstreken bleek deze strategie ook vruchten af te werpen. Lukte het niet dan was ze telkens 5 euro rijker. Kwam er toch een prijs uit de bus vallen, dan kon ze weer rekenen op klantenbinding. Mientje, Mientje, dacht ze bij zichzelf, je bent goed bezig, heel goed bezig.   De zandjes van 2, 3, 4, 5 of 6 kwamen af en toe eens uit en de mannen straalden dan zoals jongens die een nieuw speeltje hadden gekregen. De respectievelijke kortingen nam Mien er met de glimlach bij. Na 3 weken was er zelfs een gelukzak die de aapjes gooide en Mien trakteerde hem, buiten een gratis stoeibeurt, zelfs op een glaasje bubbels.  Nog een week later was het een lang opgeschoten verlegen jongeman die 4 - 5 - 6 wierp. ‘Soixante-neuf,’ had Mien toen luid uitgeroepen en de kerel dacht even dat hij iets verkeerd had gedaan. ‘Maar nee,’ had Mien hem dadelijk gerust gesteld, ‘je mag, als je dat wil, me even ondersteboven bewonderen en dat kost je geen cent méér.’ ‘Ik heb wel wiskunde gestudeerd en ik ken een beetje Frans maar dit heeft mijn mama mij nooit geleerd,’ zei de jongen met een duidelijke blos op zijn wangen. ‘Het is zo eens iets anders dan die vervelende missionarishouding, vind je niet,’ fluisterde Mien, maar deze opmerking deed geen belletje rinkelen in de seksuele fantasiewereld van de kerel. Ze giechelde even en toen begon ze er maar aan. Toen hij een halfuur later naar buiten ging was er al veel van zijn schroom verdwenen en hij verzekerde Mien dat hij beslist nog eens zou terugkomen ‘omdat zij hem nog veel te leren had’.   En terugkomen deden ze haast allemaal en dat had drie redenen. Ten eerste kende Mien haar job als geen ander. Ten tweede liep ze er altijd vrolijk bij en werd er al eens flink gelachen en ten derde was er altijd dat tikkeltje spanning. Wat zouden de dobbelstenen dit keer in petto hebben?   Op een late morgen, nadat Mien haar gebruikelijk croissantje had opgepeuzeld en  haar onmisbare latte macchiato had opgedronken, kreeg ze onverwachts bezoek. Buurvrouw Lien kwam eens informeren hoe de zaken liepen en ze had een bavarois meegebracht, gemaakt van passievrucht met crèmeux met daaronder een biscuit van chocolade en een krokante bodem.  ’De patissier vertelde me dat dit een ‘passionata’ heet en ik vond dit wel een gepast gebakje voor jou. Zeg maar vertel eens, hebben die pietjes je geluk gebracht,’ vroeg ze nieuwsgierig. ‘Lientje, Lientje, geluk? Een ongelooflijk schot in de roos was het’, vertelde de vroeger genoemde Marylou. ‘Sinds ik mijn naam veranderde in Mien en ik het pietjesspel introduceerde kan ik met moeite al mijn klanten bedienen. Als dat zo verder gaat moet ik een bijkomende werkkracht aannemen. Die pietjesbak was echt een geweldige vondst en de spelregels kan je daar op dat krijtbord terugvinden.’ Mien wees trots naar haar prijzenuitstalling en ze gaf er een woordje uitleg bij. Lien moest er flink om lachen. ‘Fantastisch,’ zei ze, ‘dan hebben opa’s dobbelstenen toch iemand gelukkig gemaakt. Hij zal het vanaf zijn wolk hierboven wel goed in de gaten houden. Hij krijgt er misschien rode oortjes van.’ De twee vriendinnen konden hun pret niet op.   Nu zijn we goed tien jaar verder. Mien heeft België al en tijdje voorgoed vaarwel gezegd. Nadat ze enkele jaren furore had gemaakt in haar business, kon het niet anders dan dat ze haar succes wilde uitproberen in een ander stukje van de wereld. Gokhoofdstad Las Vegas moest er aan geloven. Nu baat ze daar triomfantelijk haar club ‘The hot slot’ uit. De pietjesbak is ingeruild voor vijf ‘meer in het kraam passende’ slotmachines. Geen dobbelstenen maar de vroeger betitelde éénarmige bandieten beslissen of de klanten een prijsje verdienen. Vijf mooie dames hebben haar vroegere beroep overgenomen en ze doen dit natuurlijk onder het motto: ‘what happens in Vegas stays in Vegas’.   Lien heeft Marylou vorige week nog in Vegas bezocht. Het was een vermakelijk weerzien in de woestijn van Nevada. En inderdaad, Mien liet zich ondertussen weer Marylou noemen. Dat klonk wat Amerikaanser en ze betrapte zich er op dat ze de bekende Ricky Nelson-hit, genoemd naar haar voornaam, regelmatig mee neuriede als ze over de befaamde strip liep. Beide dames gingen op een avond naar het casino van Caesars Palace en ze gokten aan de roulettetafel op nummer 1. En wat dacht je? Number 1 it was. Driemaal na elkaar ! Kijk, daar waren de aapjes weer.

Marc M. Aerts
0 0

Chips en oortjes

In de trein had ik de deur van het toilet al vier keer dichtgedaan toen het meisje naast ons kwam zitten. De ene na de andere onverlaat weigerde om de deur te sluiten na een bezoek aan het rijdende kleinste kamertje. Ik keek telkens op de toiletpot die eruitzag als een exemplaar uit de gevangenis. “Daar zit je toch ook niet op je gemak”, zei ik tegen mijn vrouw. De grap werd met een licht grijnzen onthaald.    Het meisje droeg oordopjes die men in de volksmond gemakshalve dezelfde naam geeft als het lichaamsdeel waar men ze insteekt. Oortjes. Deze kenmerkten zich omdat ze zonder draad met haar telefoon verbonden waren. Het blijft een gek zicht. Och, als men over pakweg tien jaar een exemplaar draagt met draadjes, heeft men ook bekijks. “Het kan verkeren”, fluisterde ik tegen niemand in het bijzonder.   Het meisje zat amper toen ze een grote zak chips uit haar rugzak haalde. De combinatie van de oortjes en het eten zorgden voor een waar klankspel. Want als je het gehoor uitschakelt, ga je automatisch luider spreken. En eten. "Waar zijn die oortjes als je ze nodig hebt", zei ik.    Bovendien was ze snipverkouden. "Wist je dat een neus vroeger bekend stond als een snotkoker", probeerde ik tevergeefs de aandacht af te leiden. Na een tiental keer zeer luid het neusvocht terug op haar plaats gebracht te hebben, greep ze eindelijk naar enkele papieren zakdoekjes. Er volgde een trompetgeschal waar menig klaroenblazer jaloers op was geweest. "Het ergste moet nog komen. Doe het alsjeblieft niet", zei ik. Mijn smeekbede leidde tot niets. Ik had mijn hoofd veiligheidshalve omgedraaid, maar in de weerspiegeling van het treinraam zag ik het meisje toch naar het resultaat van haar gesnotter in de papieren zakdoekjes kijken.   Gelukkig stond de deur van het toilet open.  

Rudi Lavreysen
22 0

Pittige soep

Om half twaalf hadden Jane en Boris afgesproken. Ze zouden samen gaan eten in een nieuwe soepbar in de Leuvense binnenstad. Enkele weken eerder had ze hem gebeld voor een concrete dag en tijdstip. ‘Kan je er zeker om half twaalf zijn?’, vroeg ze. ‘We moeten zorgen dat we er voor de middagdrukte zijn, anders wordt het aanschuiven.’ ’s Middags kon het er superdruk zijn. Klanten stonden dan tot op straat te wachten. De soep was altijd met verse groente gemaakt. Niet zoals in menig restaurant waar ze de verlepte groente daarvoor gebruiken. Onooglijke restjes die nog moeilijk naast een stukje vlees op een bord kunnen worden gepresenteerd. In een soep ogen ze subliem. ‘Ja, ik ken de zaak.’, zei hij ‘Super plekje om te eten, heel trendy, maar zoveel volk.’ ‘Niet om half twaalf.’, wist Jane te vertellen, ‘Dan is er nog niemand en zijn ook al hun soepen nog beschikbaar. Trouwens, als je graag tomatensoep met balletjes hebt, moet je zéker op tijd zijn. Die is altijd als eerste op.’ Stiekem hoopte ze dat hij eerder klassiek was, betreffende zijn soepkeuze voor die ene dag dan toch. Afgaand op haar gevoel verhoogde dat de kans dat hij op tijd zou komen exponentieel. Ze trok alle registers open om hem te kunnen overtuigen voor een lunch op een niet-alledaags uur. ‘Wat maakt dat half uur nou uit?’, dacht ze ‘Ik wil geen tijd verspillen met wachten. Een beetje vroeger eten, dat moet hem toch wel lukken? Als je dat lang genoeg op voorhand weet, kan je je de rest van de dag daarop toch voorzien? Is hij misschien het type dat alles altijd op hetzelfde tijdstip wilt?’ Jane wist natuurlijk dat hij niet anders was dan anderen. Niet anders ook dan zijzelf, behept met kleine en grote gewoontes. ‘Hij is een stuk jonger. Zou hij al vastgeroest zitten in een strak patroon? Hij vertoeft in de academische wereld, niet bepaald een wereld van vrijbuiters.’ Ze had het raden naar zijn houding ten aanzien van kennis, medemens, natuur, omgeving, gezin. Eigenlijk wist ze zo goed als niets over hem.    ‘Hij is te laat. Ik wacht nog vijf minuten, zeker niet langer dan tien. Als hij er dan niet is, bestel ik mijn soep.’ Ze was haar gsm vergeten. Die lag thuis op te laden. Ze kon hem dus niet bellen om te informeren of er iets was tussengekomen. Dat ergerde haar mateloos. Ze ging slapen met dat ding, nam ‘m mee als ze uitgebreid ging badderen, maar uitgerekend nu had ze ‘m vergeten? Halverwege de autorit naar de stad was het haar opgevallen. Terugrijden was een optie, maar dan was ze minstens tien minuten te laat geweest. ‘Hij lijkt me eerder het type dat netjes op tijd komt. Ik kan hem toch niet laten wachten vanwege een vergeten gsm? Met platte batterij dan nog wel.’ Nu ze hier alleen zat had ze er natuurlijk spijt van, dat ze niet was teruggereden.   Om kwart over twaalf zag ze hem in de rij wachtende klanten staan. Schoorvoetend. Zoals te verwachten op dit tijdstip was het aantal hongerigen enorm. Hij deed teken dat hij haar had gezien. ‘Gelukkig, ze heeft gewacht.’, dacht hij. Vergezeld van een kleine glimlach zwaaide ze terug. Ze was chagrijnig. Niet alleen vanwege zijn te laat komen. ‘Hoe is het toch mogelijk dat ik mijn gsm ben vergeten? Ik had ondertussen al mijn e-mails kunnen overlopen en een deel ervan beantwoorden. Nu moet dat wachten tot vanavond. Vanmiddag heb ik nog een hoop te regelen en terug naar huis rijden is zonde van de tijd en de benzine. Nu moet ik zonder. Leuk is anders.’   Ze probeerde haar misnoegdheid te onderdrukken. De sfeer was zonder dit alles al beladen genoeg. Ze kenden elkaar nog maar pas. Nou ja, kennen was veel gezegd. Over een periode van een drietal maanden hadden ze elkaar meegemaakt tijdens een aantal schrijfavonden waarbij hij opdrachten gaf en zij een van zijn cursisten was. Nu de vijf avonden waren afgerond en er een online miscommunicatie tussen hen was ontstaan, had ze het initiatief genomen om dat recht te zetten. ‘Als je er een soep van maakt,‘ dacht ze, ‘dan moet je dat uitpraten over een kom soep.’ En zo belandden ze uiteindelijk in de hippe soepbar. Ze was maar wat blij dat hij op haar voorstel was ingegaan. Met speelsheid en wat humor wilde ze het liefst zoveel mogelijk de problemen die haar pad kruisten luchtig aanpakken.   De afgelopen weken had ze zich nogal opdrongen en daaraan had hij zich mateloos geïrriteerd. Ze had hem overladen met vragen en teksten. Veel meer dan hetgeen waaraan hij zich had verwacht. Wat hij precies mocht verwachten als lesgever in deze cursus, wist hij ook niet. Het was de eerste keer dat hij zich buiten de velden van de academische wereld had begeven en in een eerder creatieve setting les had gegeven. ‘Wie denkt ze wel niet dat ze is?, had hij zich afgevraagd. ‘Ik heb ook nog de tekstbijdragen van de andere deelnemers te lezen en te becommentariëren. Daar kruipt wel wat tijd in. En ik ben moe. Verschrikkelijk moe, maar dat hoeft zij niet te weten. Dat zijn haar zaken niet. En dan de studenten die ik voor hun scriptie aan de unief moet begeleiden. Hen als excuus inbrengen zal ik niet doen. Zo lafhartig ben ik niet. Ze heeft zich ingeschreven voor een cursus en heeft recht op mijn oordeelkundig oog. Mijn werk aan de unief mag geen schaduw werpen over de creatieve uitdaging die ik mezelf als lesgever in die korte lessenreeks heb gesteld. Ze is wel boeiend en creatief aan de slag gegaan, heeft op haar eigen manier een heel ongewone inbreng gegeven aan het opzet van de cursus. Dat moet ik haar wel nageven. Maar mijn hemel, wat is de eindeloze hoeveelheid aan mails, sms’en, Messenger-berichten, Facebook-posts, teksten via onze website en via mail me net iets te veel geworden.   ‘Wat spijtig’, dacht ze, ‘dat ik nu niet naast hem sta. Dan hadden we samen naar het grote zwarte bord met het aanbod soepen van de dag gekeken. We hadden ze één voor één becommentarieerd en uiteindelijk had elk van ons er eentje als prijswinnaar naar onze tafel meegenomen. Hoe duidelijk kan de communicatie zijn? Via één kanaal gelijktijdig worden geïnformeerd, dan kort fysiek overleggen over hetgeen je op dat ogenblik leest en vervolgens nog even nazinderen over hoe goed of slecht de keuze wel niet was terwijl je lekker - of ook niet - aan het eten bent? Ik had op die manier alvast iets over hem geleerd. Nu is er heel veel waar we allebei het raden naar hebben.’   ‘Even kijken welke soepen er zijn’, dacht hij. ‘Mijn hemel, ik heb honger. Dat gesprek met die doctoraatsstudente heeft me helemaal opgesoupeerd. Ongelofelijk hoe sommigen nauwelijks begeleiding nodig hebben en anderen om de haverklap om feedback en begeleiding aan je deur staan. Die bespreking heeft te lang geduurd en nu ben ik nog te laat ook voor een afspraak die al weken geleden werd gemaakt. Ik hoop maar dat Jane het me niet kwalijk neemt. Maar eerst eten. Vanochtend geen tijd gehad en die halve boterham van Jack was maar een kleine maagvuller, een plakpleister voor mijn honger die aanvoelt als een aderlating. Ik sta te trillen op mijn benen.’ Jack en Boris kenden elkaar van de lagereschooltijd. Ze waren jeugdvrienden, maar in het tweede jaar van het middelbaar waren ze elkaar uit het oog verloren. Jack’s vader was burgerlijk ingenieur en had zijn hele familie opgetrommeld om voor zijn werk naar China te verhuizen. Lange tijd hadden ze geen contact met elkaar gehad omwille van de uitzonderlijke omstandigheden. Zelfs voor Europeanen - of beter gezegd - zeker voor Europeanen was het niet evident om via internet contact te hebben met het thuisfront. Sinds kort waren ze via hun werk aan de universiteit herenigd. Ze werkten niet aan dezelfde faculteit, maar maakten er een goede gewoonte van om regelmatig tijdens het werk bij elkaar langs te gaan. Die ochtend was Jack even bij zijn vriend gaan checken hoe hij zich voelde. Sinds een aantal weken klaagde hij over een rits kleine aandoeningen. Elk apart niets bijzonders, maar bij elkaar een aandachtspunt om in het oog te houden. Jack wist er alles van. Toen hij tien was hadden kleine kwaaltjes zich opgestapeld en waren ze uitgedraaid op een ziekte die je kunt missen als kiespijn: kanker. Voor zijn goede vriend die zich die ochtend belabberd voelde had hij dan ook maar wat graag zijn boterham over. ‘Dank je, Jack. Ik heb vanochtend geen tijd gehad om te eten. Yelena had gisteren gezegd dat ze de ontbijttafel ging klaarzetten, maar ze was al weg toen ik beneden kwam. Ze had niets klaargezet. We moeten nog een beetje wennen aan een nieuw ritme in ons leven. Sinds de geboorte van Marie gaat het er allemaal toch wat anders aan toe.’ Zorg nou maar dat je goed eet en slaapt had Jack hem gezegd en nu hij in de soepbar zijn beurt afwachtte ging hij alvast een van die adviezen ter harte nemen.   ‘Heerlijk, wat ruikt die soep uit de laatste ketel heerlijk kruidig.’, dacht Boris. De soepketels gaven om de beurt hun geheimen prijs als het deksel werd gelicht. De pollepel verdween steevast tot diep in de metalen ketel, zodat elke klant altijd alle lekkers wat een snoep te bieden heeft in zijn kom kon terug vinden. Het geurenpalet van de diverse soepen was op zich al een hongerstiller. Hoe dichter bij de toog hoe voller het aroma. Het deksel van de laatste ketel werd minder gelicht dan de andere. Zo nu en dan vulde het pittig kruidige aroma de krappe doorgang bij de toog. ‘Laat ik de soep nemen van die laatste ketel’, dacht Boris, ‘dan heb ik straks Jack nog wat te vertellen.’   ‘Spijtig dat ik nu niet weet of hij een durver is.’, dacht Jane. ‘Een durver met een experimenteel kantje? Gaat hij voor de klassieke tomatensoep of kiest hij de exotische? Ik wil het wel eens weten. Hij kan natuurlijk ook de tomatensoep kiezen om bij wijze van experiment te onderzoeken of ze beter is dan die van de soepbar van enkele straten verderop. Hmm, dat vertekent mijn beeld dat ik heb van de tomatensoepliefhebber. Zelf heb ik vandaag voor het eerst niet eens de moeite genomen om te zien welke soep er in de zesde ketel zat. Dat is doorgaans hun meest gewaagde. Nummer drie was vandaag voor mij de beste keuze. Mijn soepalgoritme moet nog worden fijngesteld.’ Ze was nieuwsgierig en had van nature een onderzoekende houding. Nieuwsgierig zijn en nieuwe dingen proberen was voor haar als tomatensoep met balletjes: een grote noodzaak in het leven. Een leven zonder tomatensoep met balletjes was zo goed als geen leven. Alleen het onderwerp dat werd onderzocht mocht nogal eens exotisch zijn. Voor anderen leek het wazig, voor haar was het focus. Alhoewel ze een bloedhekel had om het warme water terug uit te vinden, was er toch vaak dat aha-effect.   Boris was tegenover haar komen zitten. Ze had nauwelijks oog voor hem. Had zich van een stapel tijdschriften voorzien en was die uitgebreid aan het bestuderen. Vluchtig keek ze op. ‘Hey.’, zei ze. ‘Laat het je smaken. Ik heb die van mij al op. Ik kon niet meer wachten en ik wist eigenlijk ook niet of je nog wel zou komen.’ ‘Sorry. Het gesprek met een doctoraatsstudente is uitgelopen. Ik heb je ge-sms’t.’ ‘Dat kan zijn, Boris, maar ik ben mijn gsm thuis vergeten. Maakt niet uit. Geniet van je soep.’ Natuurlijk maakte het haar allemaal wel uit. Ze wilde met deze lunch een misverstand rechtzetten en dat lukte voor de tweede keer niet. Hoe was het toch mogelijk dat sommige toevallige ontmoetingen zo spontaan en ongedwongen konden verlopen en andere voor geen meter vooruit geraakten. ‘Doe ik niet voldoende mijn best?’, vroeg ze zich af. ‘Had hij niet beter zijn best moeten doen om hier op tijd te geraken? Het was tenslotte een ogenblik om iets op te lossen. Niet om er nog meer een soep van te maken.’   ‘Is ze lekker?’, vroeg ze hem. ‘Hmm’, mompelde hij terug zonder dat ze daardoor nu wist of hij zijn soep wel of niet geslaagd vond. ‘Welke soep heb je gekozen?’, wilde ze weten terwijl ze lichtjes vooroverboog om het zelf te kunnen vaststellen. De grote kom voor hem was gevuld met een wirwar aan bestanddelen waarvan ze het raden had wat het allemaal was. Enkel de geelrose slierten herkende ze als oosterse noedels. Grote witroze brokken dreven tussen de noedels. De lege plekjes werden opgevuld door gekleurde kubusjes. Waren het groenteblokjes? Bij elke sliert die hij in zijn mond liet verdwijnen, leken nieuwe kubusjes vanuit de diepte van de kom naar boven te komen drijven om hun pasverworven plekje tussen de slierten op te eisen. Ze was benieuwd naar zijn antwoord en keek hem onwennig aan. Ze wist niet goed hoe ze het gênante ogenblik kon ontwijken. ‘Chinese groente-noedelsoep. Lekker, maar niet makkelijk om met stokjes te moeten eten.’ Hij had het moeilijk om enigszins elegant zijn soep binnen te werken. De rode spetters kwamen tot ver over het midden van het tafelblad. Als sterren lagen de druppels soep in een melkwegstelsel dat nog moest worden ontdekt. Te weinig spetters om er een patroon of tekening in te herkennen, maar voldoende om een kleine hoek van een witte servet volledig oranjerood te kleuren. Ze had dus zeker ook nog iets Belgisch die Chinese noedelsoep van hem. ‘Bijna zo rood als onze eigenste tomatensoep met balletjes.’, probeerde ze een luchtig gesprek op gang te brengen. Iedereen had wel iets te melden over België’s populairste soep. Wie in de familie de lekkerste maakte. Wie steevast met de meeste balletjes aan de haal ging of wanneer je de laatste keer had genoten van de geur van het aanbakken van ajuinen in boter, terwijl iemand ze liefdevol voor je was beginnen koken.   De oerdegelijke klassieker stond op het grote zwarte bord achter de toog met krijtstift vermeld op nummer één. Iedere dag werden er andere soepen gemaakt, maar deze topper verdween nooit uit hun hitparade. Vijf soepen volgden steevast de best verkochte. Ze werden altijd uitvoerig met alle gebruikte ingrediënten aangeprezen. De tomatensoep behoefde geen uitleg. Met regelmaat stonden er nieuwe combinaties achter deze traditionele soep. Ze kwamen en gingen afhankelijk van wat het seizoen aan groente te bieden had of afhankelijk van de voorkeuren van de klant. ‘Hoe smaakt de soep?’, vroeg de jongedame die vlak naast hen het brood aan het snijden was. Ze zaten aan de lange tafel in het verlengde van de toog. Dichter bij de bron konden ze niet zitten. ‘Ik lust nog wel een stuk brood.’, antwoordde hij. Behendig drukte het meisje het enorme mes in de korst van het volkorenbrood. Ze was duidelijk niet aan haar proefstuk toe. Ze sneed een dikke snee voor hem af. Als klant kreeg je hier alvast waar voor je geld. Dat was duidelijk. ‘Vast een studente die wat zakgeld goed kan gebruiken en hier tussen de middag komt bijspringen.’, dacht ze. ‘Als je zelf af en toe verveeld zit met geldtekort, heb je het minder moeilijk om een ander wat te gunnen. Je snapt onmiddellijk wat de impact is van een lege maag.’ Terwijl het meisje de flinke snee brood aan hem gaf, knipoogde ze naar Jane. Het was voor hen beiden duidelijk dat ze hier met een uitgehongerd paard te maken hadden. De haver was echter verkeerd gekozen. Met stokjes een oosterse eetsoep binnenwerken? Daarmee moest je ervaring hebben, zo niet duurde het een eeuwigheid vooraleer je hongergevoel gestild was.   ‘De baas is vorige maand naar Korea op vakantie geweest. Dit is een aangepaste versie van een recept dat hij van daar heeft meegebracht.’ Haar tafelgenoot reageerde niet op wat het meisje zei. Het was nu wel overduidelijk dat een soepel gesprek even op zich zou laten wachten. ‘Wat fijn dat we mogen genieten van een beetje verre vakantie hier in ons eigen land. Geen jetlag, daar teken ik voor’, antwoordde ze onhandig in zijn plaats. Iets over de soep zeggen kon ze natuurlijk niet, want een half uur eerder was ze voor de wortelsoep met kokos gegaan.   ‘Sorry voor mijn geknoei.’, zei hij ‘Die soep met stokjes eten is écht moeilijk.’ ‘Aha.’, dacht ze, ‘Er verschijnt terug een mens voor me. De maag van het hongerige paard is gevuld, de viervoeter galoppeert de wei in en een geciviliseerd man komt er voor in de plaats. Champagne en Russische kaviaar zijn blijkbaar geen vereiste om van hem een beschaafd man te maken.’ Nu was zij het die niet onmiddellijk antwoord gaf. Ze was in gedachten verzonken. Champagne en kaviaar maken een man misschien zelfs minder beschaafd. Moest hij zich excuseren voor het onhandig eten van een Chinese soep? Het was niet zo, dat hij met zijn onhandigheid op haar kleding had geknoeid. Wat maakte het zelfs uit? Ze zat hier in de kleren waarmee ze op andere ogenblikken zou staan poetsen. Een vlek meer of minder, geen mens die erover viel. Toch was ze blij dat hij zich excuseerde. Het maakte de situatie wat menselijker, wat draaglijker. Nog voor ze iets kon zeggen, was hij haar al voor. ‘Kom je hier vaker?’, vroeg hij. ‘Die extra snee brood heeft hem echt goed gedaan.’, dacht ze. ‘De snelheid van spreken gaat er met rasse schreden op vooruit.’  Haar eigen antwoorden lieten nu op zich wachten. ‘Wat gek.’, dacht ze. ‘Is het nu zo moeilijk om op zo’n makkelijke vraag antwoord te geven? Wat scheelt er met me?’   De afgelopen weken was de soepbar zo nu en dan haar plekje geweest om ‘s middags te eten. Als er iets in de Leuvense binnenstad moest worden geregeld - papierwerk of een bibliotheekbezoek - zorgde ze ervoor dat ze rond halftwaalf hier kon komen eten. Alle andere afspraken waren van ondergeschikt belang. Deze plek met haar piepklein terrasje achterin de zaak, had iets idyllisch. Het was een rustpunt in de dag. De vertrouwde lokatie die zich pal in de binnenstad bevond zorgde voor de nodige afleiding tijdens een hectische periode. Voor de drukte van de stad het daar van haar overnam was ze alweer weg. Op pad om van haar dag iets te maken. Een kom warme soep en een stevige boterham zorgden ervoor dat ze het grootste deel van de dag ermee door kon. Voor de komende maanden had ze een zekere onrust. Met de zomer in aankomst zou ze waarschijnlijk maar nauwelijks zin hebben in warme soep. En met een zomer zoals het jaar ervoor, zou ze zelfs geen fut hebben om in de bus tot daar te willen gaan. Zwetende lijven in een bus die niet altijd airco had. Een studentenstad zonder studenten, maar te broeierig om haar bezoekers te verwelkomen. ‘Tijdens de zomer kan ik hier maar beter wegblijven.’, dacht ze. ‘De koude pasta’s die ze dan aanbieden, kunnen mij niet bekoren. Er moet wel gegeten worden en liefst zo smaakvol mogelijk tegen een draaglijke kost. Maar wat? Een fruitsla? Dat verteert te vlug.’ Ze probeerde er niet teveel aan te denken. Hopelijk had ze tegen dan terug een baan en kon ze deze periode achter zich laten.   ‘Kom je hier vaker?’, vroeg Boris haar opnieuw. ‘Je was aan het dromen,’ ‘Oh ja, sorry. Ik was met mijn gedachten ergens anders. En euh, ja ik kom hier de laatste weken wel wat meer, maar dat is eerder toevallig. Ik hou wel van soep.’ Net op het ogenblik dat ze haar blik uit het tijdschrift oprichtte om hem te antwoorden landde haar blik recht in zijn ogen. Een zonnestraal weerkaatste via het enorme winkelraam van de handelszaak aan de overkant van de straat. Via het kleine terrasje murwde ze zich een weg tot in de soepbar, net in de buurt waar Boris zat. Hij baadde in een aanzienlijke hoeveelheid licht en dat zorgde ervoor dat zijn blauwe ogen nog nooit zo blauw waren geweest.   ‘Ik moet nu echt wel weg. Sorry voor het misverstand.’ Ze was graag nog langer gebleven en had met hem hun misverstand uitgeklaard, maar ze dreigde te laat te komen op een andere belangrijke afspraak. ‘Ik had je beloofd je te trakteren op een soep en nu heb je die zelf betaald. Hier’ en ze legde een papiertje voor hem neer. ‘Kras maar.’ Boris keek bedwelmd naar het stukje papier en vervolgens hoe Jane zich in een ijl tempo klaarmaakte om te vertrekken. Hij begreep er niets van. ‘Ze had toch met me afgesproken om het een en ander uit te klaren.’, dacht hij ‘En nu spurt ze er van door. Heb ik iets verkeerd gezegd misschien?’   Jane was al even weg toen Boris eindelijk zag wat ze voor hem had neergelegd. Hij nam het papiertje vast en draaide het om. ‘Win for Life’ stond er op te lezen.  

Attendant Moon
84 0