Lezen

Maalbeek

We gingen op weg zoals elke ochtend We gingen op weg zoals telkens weer Toen daalde de zwarte regen neer Voor jou geen dinsdag meer Drukke metro een laatste zoen Vertrouwde stop waarom anders doen   Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,   Bedolven in stof van haat en woede Bedolven in schoonheid zoet Zo dichtbij de hel onder de grond Waar onze liefde vond Ontspoorde gekken gemene gril Toen stierf de tijd en het werd stil   Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,   Europa schrok en keek naar jou Europa huilde om man en vrouw Kon ik je maar een knuffel geven Was jij maar bij mij gebleven Verdronken rivier huilende dagen Na woede nog zovele vragen   Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,   Onze ontmoeting daar plots gedaan Onheil en een donkere traan We omarmden elkaar daar zonder zorgen Maar waar is nu de weg naar morgen Je bleef daar achter op jankende treden Heden werd toen het verleden   Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,   Hun dromen maken wij vandaag Hun namen als een tweede laag De stad verbonden in elke hoek Laat haat voor eeuwig zoek De stad verbonden in elke hoek Laat haat voor eeuwig zoek   Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,   De weken tellen geen dinsdagen meer De uren zoeken minuten weer Ach irissen zullen er altijd bloeien Uit donker het licht blijven stoeien De stad verbonden in elke hoek Laat haat voor eeuwig zoek De stad verbonden in elke hoek Laat haat voor eeuwig zoek   Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek.   --- Tweede laureaat Liefde voor Lyriek wedstrijd 2019.   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
0 0

black poppies/ parallel universes

Eerste akte/ontvankelijkheid   't Lichtdaalde over hem nederen drukte hem zwaarlood wervelde om het hedenblote voeten in de rijmkrakende grashalmenin stichtelijke stiltede openbaring voorbijnevel kringelt zachtom zijn verlaten lichaamzijn dampende huidzweet een koude schedel uiteen stoel dood van het wachtenhet levende wit vangt de essentievier tralies schuiven naar benedenNoord Oost Zuid West       tweede akte/ de zon was dood   De zon was dooden de aarde kleurde bloedroodverdriet voorbijwant materie kent dat niethet is fysieker dan datde oude Godwas onder zijn eigen lichtgewicht bezwekenverdwenen in een wit geboortekanaal   Duisterhet andere kon nu schijnengrijs lichtruis van fotoneneen beetje alsuit de ether verdwenenteevee kanalenhet dode meisjeschikte zwarte papaversop een tafeltjehaar zolderkamertjekleurde keurig in diverse onkleuren   Vandaag kreeg ze bezoekvan de lang verwachtteeen gearrangeerd huwelijkvan licht en duisternisvier tralies lichtten opin de uithoeken van het kamertje     Derde akte/ fletse kaas   Er hangt iets in de lucht,een knettering, alsofprotonen elk momentin mekaar kunnen klappen.   Haar lichaam voelt als een fletse kaasuitgezweet in een ijskoude frigomet kale schimmel om uit te snijden.   Haar moederis reeds twee jaar begraven.   Vader is vanmorgen de tuin ingegaanen niet meer binnengekomen.   Negentien is ze, fris en ongeschonden,nog in plastieken staat van Barbie,maar iets staat te gebeuren,iedere vezel in haar lichaamschreeuwt om een uitéénvallen.   Deze wereld voelt aan als eenimmanente inconsistentie.   Deze staat van zijn is een vergissing.Alles heeft een vervaldatum, zelfsatomen houden het voor bekekenna grofweg achthonderd duizend jaar.   Maar het is niet het einde, niet het einde...     Vierde akte/ parallelle aarde     Het meisje sliktde knoop van angst doorhaar hart zitonder het knarsen van haar tandenheeft ze haar tong doorgebeten?   De wereld is dood in fractie van een secondeze heeft de keuzevan onvermijdelijkheid gemaaktde keuken laateen levenloos wezen achterin een polsslagreist ze een miljard lichtjaaren flitst weer tot leven   Groen is blauw, geel is roodzwart is wit met grijze strepenbomen hangen onderstebovenhuizen zijn glazen kubussenstraten zijn linten in fluo-paars   Even de twijfelmaar dit is haar werelden ze komt weer bijvan het ongelooftussen twee harde hartslagen in haar tweelingzusstaat op van de keukenvloerze heeft de laatste tijdlast van appelflauwtesherinnert ze zich weerhet was begonnen twee jaar terugtoen vader en moeder trouwden   Vader komt vandaag terugvan zijn spirituele reis in Indiaen moeder ging zijn favoriet 'blauwe appeltaart' bakkenze heeft nog wat bloemetjes geschiktom haar blijde hart de vrije loop te laten   Ze houdt het hout van het aanrecht vastom zich te vermannenze moet wat aansterkenstraks misschien wat vettige kaasuit het vuistje eten   Moeder komt vanuit de tuinde keuken binnenen begroet haar kinderenmet een brede glimlachhet plukken ging bijzonder welde top van de appelboomreikt bijna de gronden is op zijn vruchtbaarstwanneer hij de oversteek maaktvan de hemel naar de aarde volgens oude legendenis het groeien dan zo krachtigdat uit de vruchtennieuwe planeten geboren worden  

Manuel Van den Fonteyne
1 0

zijdemaalzijde

Zo was het ooit geschapen. Deze wereld. Deze Aarde. Als een kubusvormig geheel op een verlaten kosmologisch kruispunt. Waarop enkele grootse Goden petanque speelden en hun onmetelijke krachten van elkander zaten af te toetsen, als echte mannen met baarden. Stoer, wulps en onbegrijpelijk. Zo waren Goden op hun best, zo moesten Goden zijn… onbegrijpelijk en een beetje stoer.   Waarom? Waarom toch zijn dié Goden zo autistisch? Afgelikt? Alles wat aangeraakt werd door hun aandacht was afgelijnd. Repeterend. Als een schilderij van Mondriaan. Ze creëren niets minder dan schilderijtjes. Bijna op elk kruispunt wankelt er wel ene, begeerd door liefde en gecontroleerd door deze bovennatuurlijke monstertjes met pacifistische maskers op. Alsof het daarboven carnaval was. En toch zijn ze gewapend. Met onzichtbare dogma’s, verslindende kruisbogen en sikkels zo groot als groteske zomerse tuinen vol tulpen. Die zelfs bloeien in jarenlange, koude winters. Wat zijn dié Goden toch zo in de wereld? Op ongestelde vragen boetseren ze antwoorden op onuitstaanbare verlangens. Ze scheppen automatisch schoonheid. Alsof het voor hen geen moeite kost. Ze schreeuwen het. Alsof het voor hen geen stem kost.   Hun vele profeten –volmaakt gemaakt, uiteraard- trachtten op de dag des oordeel alle figuren te onderwerpen aan een volmaakbaarheidscontrole. Het was hun opdracht. Hiervoor zouden ze sterven als dienaars in de glinsterende, vlakke nacht.     Ergens op een wereld, op een aarde, maar vooral op een volmaakt kruispunt. In lokaal vierentwintigduizend achtenveertig zat een melig figuurtje. Het had een driehoekig voorkomen met twee ongelijke benen. Zijn bedrading was stuk en zijn batterij stilaan koperarm. Ze hadden hét zo gemaakt. Niet hem of haar, maar hét. Goden maken niets zijdig, maar alles onzijdig. Ze zijn nu eenmaal goddelijk eerlijk, fatsoenlijk met hun objectieve dassen zoekend naar rechtvaardigheid. Het lokaal had een figuur van een vierkant, omringd door muren, arm van kleuren en muf. Er waren duizenden soorten gelijke lokalen, maar allemaal anders. Als hun lichaam, hemels. De muren waren ongenaakbaar, alsof ze net geboren waren uit het handpalmpje van dé grote meesters. In het midden stond een antieken houten stoel met daarboven een ongeopend luikje. Het mechanisme bleek ongerept te zijn. En zo begon een dag zoals een ander, maar dan nu met oordeels.   Omtrent de onmetelijke perfectie van schoonheid. Een eerste offer gleed via het luikje naar beneden. Een gevangen visje, in een klein, aangepast dwangbuisje. Een sardientje in eigen nat. Een metalen grijparm kwam uit het luikje tevoorschijn en plaatste het visje recht en fatsoeneerde de bretellen zodat er een vorm van voortreffelijkheid in de houding aanwezig was. Alsof het ter plaatse opnieuw geschapen werd. Schoonheid is voornamelijk herschapen. De vetvin werd gekamd en door een extra sterke wax naar achteren gelegd. Enkel zo kon het doorheen de controle komen. ‘Naam?’ vroeg de driehoek54 braaf. Zijn ongelijke benen bewogen in een misvormde hoek van negentig graden zodat zijn hoekpuntje zichtbaar kwam te liggen. Hoekpuntjes waren niet specifiek verboden volgens de axioma’s, maar sociaal niet aanvaard. ‘Bernard’, antwoordde het sardientje terwijl het over zijn schijnende schubben wreef met zijn miezerig vinnetje. Op de metalen tafel lag een schamel bordje vierkantswortels, de geparfumeerde soort. Bernard stonk. Dit merkte driehoek54 meteen met zijn scherpe blik op. Niet stinken was volgens de axioma’s niet verboden, maar werd sociaal niet aanvaard. Bernard moest stinken, zo was hij geschapen. Zijn schoonheid moest stinken, zo werd hij gedefinieerd. ‘Een strafblad’, merkte driehoek54 sceptisch op. Bernard zwom vorig jaar tijdelijk tegen de stroom in. In een verloren cirkelvormig hemellichaam was hij verdwaald geraakt tussen de verloren sardienen. Tegen de stroom in zwemmen en verloren zijn was niet specifiek verboden volgens de axioma’s, maar werd sociaal niet aanvaard. ‘Wat is er mis met mijn vierde schub, is deze zo anders?’ ‘Is dat net niet mijn onmetelijke schoonheid?’, sloot Bernard zijn rebellerend pleidooi af. Driehoek54 werd overdonderd door onwetendheid. Hij bekeek de checklist dogmatisch. ‘Ik weet het niet. Ik zal de vraag moeten doorgeven’, fluisterde driehoek54, alsof hij zichzelf niet geloofde. Bernard schrok zich een schub. ‘Doorgeven?’ Driehoek54 drukte aarzelend dé blauwe knop in en een deur schoof in het midden van de kale muur open. Trapezium839 kwam tevoorschijn. ‘Toch niet Trapezium839’, dacht driehoek54 belust. Ze was oogverblindend. Trapezium839 had alle hoeken en tussenliggende punten die men nodig had om schoonheid te definiëren. Trapezium839 kwam slenterend op driehoek54 af en zette zich schuin naast hem neer. ‘Dié vraag mag niet doorgegeven worden’, fluisterde ze. Op haar linker lijnstuk kwam de tekst ‘Fout in axioma 717’. Beiden wisten meteen wat dit betekende. Behalve Bernard, die stond wat verward met de ogen te draaien zodat ze waterig bleven. ‘Waarom ben je mij komen verwittigen?’ vroeg driehoek54 aan trapezium839. Het was strafbaar om te waar-schuwen. Dit was zo vastgelegd in de axioma’s. Het was algemeen geweten dat alles boven axioma 647 automatisch gemeld werd aan de B.R.G. De Brigade van de (R)echte Geometrie was een onafhankelijk controleorgaan, geschapen om de perfectie gelijnd te houden en de vraag naar de ware schoonheid te vermijden. Ze zagen eruit als dikke prisma’s met elk een stoere kuif en een snorretje die hun autoriteitsgezag versterkte. Zij waren de profeten van de axioma’s. Op hun brede zijvlakken stonden in grote, bedrukte letters “Axioma’s zijn te allen tijde waar en kunnen door perfecte schepping onmogelijk in vraag gesteld worden. Axioma’s vormen een kruispunt, ze vormen ons.”            ‘We kunnen via het luik ontsnappen’, stelde Sardientje voor. ‘Dan zijn we voorgoed verloren voor het vaderland’, zei Trapezium839 berustend tegen Driehoek54. ‘Als je blijft dan weet je dat ze je gaan spiegelen en draaien aan axioma 117’, ging Trapezium839 verder. ‘En jij ook, Tr.839’, vervolledigde Driehoek54 de situatie terecht. Inmiddels had Sardientje het luik opengedaan. ‘We moeten zo snel mogelijk naar het Ongerepte Licht, daar waar de controle het minst is en het licht van de Goden ons meer schaduw geven’, sprak Tr.839, alsof ze heel dit gebeuren reeds had uitgedokterd. ‘Wat was ze slim’, dacht Driehoek54. Zijn blik ging richting de volmaakte vlakken van Tr.839. ‘En haar nummer. Haar nummer is prachtig. Volmaakt. Iedereen wou een negen hebben. Ik had geen negen. Trapezium wel. Ze had een negen en een acht’, dacht Driekhoek54 dromerig verder. De B.R.G. stormde lokaal vierentwintigduizend achtenveertig binnen. De ruimte was vlak- en lijnvrij. ‘We zitten met een “Fout in axioma 45”’, melde het dikste prisma tegen het kleine schuifdeurtje die op zijn rechtervlak openging. Zijn zijvlakje kleurde donkerrood. Daar waar het vluchtende trio het Ongerepte Licht in de verte zagen loeren durfde Sardientje dé vraag opnieuw stellen: ‘Nu weet je toch wat de onmetelijke perfectie van schoonheid is?’ Tr.839 en Dr.54 keken elkaar onwetend aan. ‘Kunnen kiezen. Dat is perfecte schoonheid.’ Beiden knikten zonder te begrijpen.   Omtrent de onmetelijke kracht van kennis. Het Ongerepte Licht is een samenkomst van relatief vrije punten op een noordelijke vlakte van een buitenste lijnstuk op kruispunt142. Het Ongerepte Licht is het meest vrije deel van een kruispunt. Daar waar de Goden hun ogen minder snel op richten, daar waar bijna alles kan en sommige zaken naast de perfectie durven wandelen. Slenteren, met ontgonnen vlaktes, berustend met en bij verloren hoeken. Sommigen met de hoop gezien en vergeven te worden. Tr.839, Dr.54 en Sardientje kwamen uit de zwaarbewaakte zone. ‘Het wemelt hier van de prisma’s’, merkte Sardientje op. ‘Houd je bek vis’, spoog Tr.839 grof richting Sardientje. ‘Vis? Ik ben allesbehalve een vis’, schrok Sardientje zich een schub. ‘Ik ben een Sardien. De enigste resterende soort uit categorie 3B. Een unicum hier op dit kruispunt!’ sloot Sardientje zijn pleidooi af, alsof hij een lofrede voerde. Dr.54 excuseerde zich flauw in naam van Tr.839. Ze was in de war. Zij waren samen in de war. Verdwaald en plots in de schaduw van het Ongerepte Licht stonden ze hier nu, als drie grote gevaren voor het kruispunt. Alsof ze behoren tot de Vrije Figuren. De verstotelingen onder ieder en allen. ‘Van dit kruispunt?’ herhaalde Tr.839 terwijl ze scheef begon te lopen van ongeloof. ‘Er is slechts één kruispunt, vis’, gooide ze grofweg indoctrinerend richting Sardientje. ‘Toch…?’ vroeg Dr.54 vanachter Tr.839 haar linker lijnstuk. Uit een duister hoekje trok iets door middel van gefluister Sardientjes aandacht. Het silhouet was niet goed duidelijk door de duistere zone. De zijkanten van het Ongerepte Licht waren gigantische buizen, die uiteindelijk uitmonden bij het Grote Vergeten Meer, waar men alles dumpt en hoopt dat de God van de Recyclage af en toe het meer komt reinigen. Met diens fenomenale, natte mop zou het in één trek alles weg kunnen halen. Kunnen. Een God kan vooral. De gigantische berg vol restjes kwam sinds enkele graden boven meter boven het Grote Vergeten Meer piepen. “Een procedurefout”, argumenteerden de Goden.            ‘Een kegel’, fluistert Dr.54 tegen Tr.839 aan. Alsof het onderwerp verboden was om over te fluisteren. Over een kegel spreken –laat staan aanspreken- was niet specifiek verboden volgens de Axioma’s, maar werd sociaal niet aanvaard. Een felgeel gekleurde kegel, die deels afgestompt was, keek het trio wat scheel aan. Kegels waren sinds kort welkom op het kruispunt. Ze waren verantwoordelijk voor de hygiëne. Deze kegel was ontzettend lelijk. Het kind dat naast hem stond was nog een trap lelijker. Ze droegen dezelfde zijlijn. De kous was af, ze waren sinds kort sociaal geaccepteerd. Het is volgens sommige axioma’s nog steeds niet toegestaan om in bepaalde vormen van communicatie met hen in vlakte te komen, maar daar is veel onduidelijkheid over. ‘Jullie vluchten voor prisma’s? Ik kan helpen’, sprak hij verward en al trillend. Hij bood ons enkele vierkantswortels aan, om het vertrouwen wat aan te dikken. Ze waren zacht en kneedbaar. ‘Een échte kegel’, zuchtte Dr.54 verbluft. Alsof hij zichzelf in vraag stelde. ‘Sorry, waar zijn mijn manieren. Ik ben Kegel74D en mijn zoon heet Kegel74DE’, sprak het onwaarschijnlijk figuurtje. Sardientje gaf meteen een vin. Tr.839 en Dr.54 bleven verbaasd kijken. ‘De onderkant is veel boller dan wat we geleerd hebben uit de boeken.’ ’En deze lijkt me een stuk kleiner dan gemiddeld’, keken ze beiden gebiologeerd Kegel74D aan’, vulde Dr.54 aan. ‘De kegel heeft zelfs een cijfer. Bijzonder’, gingen beiden vol ongeloof verder. Kegels waren volgens de Oude Axioma’s verboden om cijfers te dragen. ‘Ik moet jullie teleurstellen’, begon Kegel74D. ‘Ik heb wel degelijk een cijfer. Jullie beschikken over een vorm van onjuiste informatie’, waagde Kegel74D zich verder, op glad ijs. ‘Onjuiste informatie? Er bestaat geen onjuiste informatie. Er bestaat informatie en die is altijd juist’, beargumenteerde Tr.839, als ridder tegen het onjuiste gemekker. ‘Er is maar één kennis; en die is omvat in de verschillende axioma’s. We dragen deze in en door onze lijnen en vlaktes’, ging Tr.839 –mits een kleine vertwijfeling- verdedigend verder. ‘Kijk rond je. Hier, boven het levende, dwarrelt het voor jullie ongeziene onjuiste’, wees Kegel74D naar enkele andere rondhangende –al dan niet afgestompte- vlakke en hoeken. Hij rekte zijn hand naar voor en ging traag van de ene naar de andere kant, alsof hij ze allemaal overliep en voorstelde volgens hun definitie.            In elke blik van Tr.839 en Dr.54 was er een onjuiste vaststelling. Een constante botsing met het Oude en zelfs het Nieuwe Axioma. ‘Hoe kan men zo leven onder een ander leven? Hoe kan iets onjuist zo gerijmd leven. Alsof er leven boven leven is…Alsof de legende van de Vrije Figuren waar is’ Dr.54 zakte door zijn lijnstuk en ging plat op diens vlakte. ‘Zijn wij misleid in onze kennis over het onjuiste?’ vroeg hij tegenover Tr.839. ‘Is er nog meer dan dit onjuiste? Is het kruispunt nog meer belast met tegenstrijdigheden van het Oude en Nieuwe Axioma?’ vroeg Tr.839 terwijl ze de tranen niet meer kon stoppen en Sardientje uit compassie een schub als steun verleende. ‘Meer dan wat juist is’, verhelderde Kegel74D. ‘Er zijn hier zelfs scholen’, piepte het kleine kegeltje vanachter zijn vader trots. Alsof het echt graag school liep. ‘In het Ongerepte Licht zijn we meer dan Vrije Figuren. We zijn wie we willen zijn. Dat is meer dan Vrije Figuren kunnen zijn’, ging Kegel74D verder. Ondertussen was het trio reeds doorgeseind door de lokale B.R.G. Het zou niet lang meer duren of het Ongerepte Licht zou overspoeld worden met geïndoctrineerde prisma’s. ‘Jullie moeten hier weg. Via het Grote Vergeten Meer kan je het kruispunt ongezien verlaten. Daar worden lijnstukken en vlaktes niet gescand’, informeerde Kegel74D het trio terwijl hij hen met zijn grote lijnen naar de juiste kant wees. Dr.54 en Tr.839 liepen mee. Verdoofd door ongeloof, sceptisch en vooral hun mening opgeschort, daar waar het tussentijdse sprakeloos volgt. ‘Laat hen maar even gerust’, zei Sardientje tegen Kegel74D. ‘Ik begrijp het. Het is de onmetelijke kracht van kennis die hen treft’ ‘En wat is die onmetelijke kracht van kennis dan?’, vroeg Sardientje al hijgend, terwijl zijn ene vin zwaar lag te slapen. ‘Weten dat alles ooit onjuist was’, antwoordde Kegel74D terwijl hij zijn zoon op zijn vlakte droeg.      Alles hervalt in een repeterend getal. Het felblauwe licht dat de grens tussen het Ongerepte Licht en het moerassig Grote Vergeten Meer afscheidde, kleurde groen. Asymmetrische figuren stonden paraat om de verstoring te analyseren en de schade op te meten. Velen stonden in contact met hun intercom, op hun rechterzijde of vlakte. Het Grote Vergeten Meer werd omringd door een licht doorschijnende mistbank, die het ongeloofwaardig tafereel zuiverde. Aan de vele oevers stonden figuren te bedelen, anderen te vissen en nog een andere groep leek eerder als een controlegroep. Aan de andere kant van het Grote Vergeten Meer stonden complexe formules, als offers voor de afvalgoden die sinds het Begin Der Kruispunten nog steeds hun lange, krachtige armen niet gebruikt hebben om de afvalberg te verkleinen. ‘Zo ging een bekende kruispuntsage’, begon de kleine Kegel74DE terwijl het met zijn kleine, fragiele lijnstukje naar de afvalberg wees. ‘Het stond zo geschreven dat er een dag komt -wanneer de controle ten einde loopt, en de Vrije Figuren hun onjuiste inzien- dat enkele afvalgoden in één vloeiende beweging het met roze besmeurde hemeldeken open zouden breken en zo met diens volmaakte, porseleinen armen het kruispunt ging zuiveren van afval’, sprak het kleintje verder. ‘Heb je dat weer staan luistervinken bij de naïeve formules?’ vroeg Kegel74D sceptisch, zoals een vader dat zou moeten doen. Op het einde van het Grote Vergeten Meer vormde zich een gigantisch hunebed, die omringd werd met enkele boze –sommige onder hen verwaarloosde- formules. De opening van het geheel was nauw en gaf een claustrofobisch gevoel. De capsule was niet veel groter dan de kamer waar alles begon, het was enkel langwerpiger. ‘Bedankt voor alles en het onjuiste’, zeiden het trio tegenover Kegel74D terwijl ze het ding omlijnden. Wanneer de kracht toenam, werd de capsule weggeduwd van het kruispunt, dat allesbehalve een centrale ligging had in de Geometrisch Tuin. Een klein vlinderachtig wezentje kwam op het raam van de capsule zitten toen het trio wakker werd. Uit zijn aarsje kwam een steeltje dat in verschillende kleuren onderverdeeld was. Het krulde en kwam tegen de voorruit leunen. Een klein pinachtig boortje kwam uit het steeltje en begon te boren. Het kopje van het pinnetje –die als een oog heen en weer bewoog- sproeide een vloeistof in de ruimte. Alles werd wazig en uiteindelijk zwart. Het trio viel gerangschikt over elkaar.   Vastgekneveld met onrustige complexe gehele getalen lag het trio naast elkaar in een donkeren buis. Tegen elkander gedrukt, alsof de muren om de vier seconden naar elkander toe kwamen. Met hun boze ogen knipogend. Ze zat met boeien vastgebonden. Sardientje verloor enkele keren het bewustzijn. Zijn ene vinnetje zat slap en enkele schubben waren onwetend naar de andere kant gedraaid. Hét was nog steeds onvolmaakt, zoals enkel een schepper dit kon maken. ‘Er gaat iets open’, fluistert Tr.839. Het mechanisme van het luikje ging open. Sardientje kwam bij bewustzijn en zag een blik in de ogen van Tr.839 en Dr.54 die hij al eens had gezien toen ze de onmetelijke perfectie van schoonheid en de onmetelijke kracht van kennis ontdekten. Ze hoorden alle drie een monotoon, mechanische stem weergalmen. Dr.54 en Tr.839 keken elkander beangstigend aan en Sardientje plooide een glimlach op zijn gezicht. ‘Here we go again’, sprak hij alsof hét als een doordachte complotdenker een alleswetende was, die in diens eigen nat knipoogde naar de goden.     In lokaal achtentwintigduizend tweehonderdendertien zaten drie melige figuurtjes…  

Niels Lievens
51 0

Madame Cézanne

‘Is dat een Cézanne?’ Michel draait zich verstoord om in de wirwar van witte, beslapen lakens. Wanneer hij slechts een vage vlek in de deuropening ziet, zoekt hij naar zijn bril. Maar de vaste plek, onder de linkerkant van het bed, is leeg. ‘Op het nachtkastje! Hij lag op de grond.’ Geïrriteerd tast hij het nachtkastje af. Zijn bril, aangeraakt en verlegd door haar handen, voelt al bijna niet meer als de zijne. Door zijn ontvreemde bril, koud op zijn neus, tuurt hij naar de deuropening, waar ze staat met het schilderij in haar handen. Het is, inderdaad en verontrustend, Madame Cézanne. Niet te geloven. Natuurlijk had ze die eruit gepikt. Had hij het schilderij maar niet zo slordig naast de strijkplank gezet. Zevenentwintig jaar en twee maanden had het tegenover hun bed gehangen. Zevenentwintig jaar lang had hij daar niets op tegen gehad. ‘Andere vrouwen willen een ring, ik wil een Cézanne!’ had Marie ooit gezegd. Ze hadden erom gelachen. Maar de laatste twee maanden, zo alleen in bed, had de starende blik van de schildersvrouw, strak in het rood, hem steeds meer gestoord. ‘Zet die onmiddellijk terug!’ snauwt hij haar toe. Haar glimlachende mond plooit zich in een treurige streep. Als een geslagen hondje trippelt ze in niets meer dan een fijn, wit onderbroekje terug naar de andere kamer. Hij zucht. ‘Monique, zo bedoelde ik het niet. Kom je terug?’ Alsof er niets is gebeurd, komt ze vrolijk de kamer binnen en springt terug bij hem in bed. Wat een kabaal toch, die jeugd van tegenwoordig, denkt hij wanneer ze zich energiek in zijn armen nestelt. Eén van haar hoekige armen port onbedoeld in zijn zij. Het nichtje van Jean is sinds twee dagen aangekomen in Parijs. Ze begint aan een opleiding filosofie. Of ze een paar dagen bij hem kon overnachten, terwijl ze op zoek was naar een studentenresidentie? ‘En ondertussen kunnen jullie toch gezellig praten over Sartre, nee? Het is win-win voor iedereen!’ Hij kende Jean al jaren en had de zenuwachtigheid gehoord in zijn stem aan de telefoon. Sinds de ouders van het meisje vorig jaar begonnen waren aan een vechtscheiding, even passioneel als hun voormalige relatie, was Jean zo'n beetje aangewezen als haar informele voogd. Die taak leek zijn vriend meer met angst te vervullen dan met plaatsvervangende vaderliefde. Hij had in een bui van nihilisme toegestemd – het was tien uur ’s avonds en de kat sliep zoals steeds vaker de laatste tijd, bij de buren. En nu ligt ze hier. Monique. Naakt in zijn armen. Op geen enkele manier gemotiveerd om een verblijfplaats te zoeken, of zelfs maar een stap uit de deur te zetten. De halfvolle verhuisdozen rond het bed geven hem een moedeloos gevoel. Over drie weken vertrekt hij. De nieuwe functie aan Cambridge ziet er met elke ingepakte doos steeds minder aantrekkelijk uit. Maar de keuze is nu eenmaal gemaakt. Marie is weg. Zonder haar heeft het toch geen zin. Zijn blik blijft nog even rusten op een stapel kleren, halfslachtig in een verhuisdoos gepropt. Een morrelend geluid doorbreekt de stilte van het appartement. Monique houdt als betrapt haar handen voor haar buik: ‘Mijn buik rommelt soms,’ zegt ze met rode wangen. Hij kijkt naar haar. Met dat korte, zwarte haar en die slungelige, magere ledematen. Dat kleine gezichtje met die grote, donkere ogen. En overal blauwe plekken. Ze is ook zo onhandig, te hoekig en te hevig. Hij begrijpt dat ze geen vadergevoelens oproept in Jean. Ze lijkt wel een versleten lappenpop. Misschien wat te houterig, wat te scherp, maar ook weerbarstig aandoenlijk. Kwetsbaar, maar misschien ook onsterfelijk. Iets om in het rond te smijten, iets om door plassen met modder te halen – en dan te knuffelen. ‘Kom uit dat bed,’ zegt hij.   Parijs is vandaag mooier dan ooit, wat een afscheidsgeschenk. De Eiffeltoren rijst op uit de frisse dauw, terwijl de kasseien langzaam opwarmen in de gloed van een sluimerende ochtendzon. Hij propt een stokbrood in haar mond, eet zelf een halve croissant, slurpt zijn veel te zwarte koffie, en troont haar mee naar alle kleine plekjes, alle vroegere tijden, alle vergeten momenten met Marie. ‘En daar, aan Montmartre…’, ‘en daar, in de Rue de Thermopyles…’, ‘en hier, op dit bankje, in deze straat, bij dit fontein en deze boom!’ En Monique is weergaloos. Het lange, zwarte kleed zwiert om haar benen. Ze knipoogt van onder een grote, rode hoed. De hoed van Marie. Terwijl hij het bordje in de keuken met kattenvoer vulde, had hij haar betrapt voor de spiegel in de hal. Langzaam had ze haar lichaam gedraaid, terwijl ze haar eigen gestalte keurde. Het hoofddeksel, scheef op haar hoofd. Blik gefixeerd op de spiegel had ze, met een onbeschaamd voyeurisme van een meisje nog nieuw in haar eigen lichaam, met haar heupen gewiegd en een kleine pirouette gemaakt. Ondanks zichzelf moest hij glimlachen. In een opwelling had hij gevraagd: ‘En, wat zegt de spiegel?’ Zij was opgesprongen, verschoten van zijn plotse mannenstem in de stille hal. Ze bloosde. In het begin is het toch een beetje vreemd, de rode hoed, zo, op dat jonge hoofd. Maar wanneer de wind waait en Monique hem lachend toezwaait met één hand, de andere op de rode stof, de randen vrolijk wapperend – denkt hij: God, ze staat er beter mee. Hij laat toe dat ze zich vastklampt wanneer hij haar meetrekt over de kasseien. Hij vertelt haar honderduit, en alles door elkaar. Hij trakteert haar op rode wijn. Zegt dat ze niet mag morsen, morst dan zelf. Zij lacht, waarop hij lacht. Waarop hij zin heeft de hele wijnfles om te stoten. Al was het maar uit spontane uitbundigheid, verraste melancholie.  Zij volgt hem met dezelfde grote glimlach van  vanochtend, giet de wijn naar binnen, struikelt over kasseien, klampt zich vast, begroet bakkers, tuinmannen, oude vrouwtjes in de schaduw. Kijkt in tegen de felle zon en lacht, en houdt zijn hand vast in het park. Het kwartier van Saint-Victor kijkt hen na. Hij voelt het. De oude man en zijn lappenpop. Allemaal kenden ze Marie. De stad weet dat ze weg is. De stad weet dat Monique kijkt naar een soort kerkhof. ‘Wat een prachtig kerkhof. Vind je niet Monique?’ Monique knikt en ze geeft hem een kus.   Het is middag en ze zitten op een houten bank in het midden van een grote, witte kamer. Slechts één schilderij siert de muur voor hen. ‘Uncle Dominique,’ leest het plakaatje links onder. Het portret toont een man van rond de veertig, ingepakt in een kostuum dat even zwart is als zijn dikke baard, zijn borstelige wenkbrauwen en zijn strak naar achter gekamde hoofdhaar. Met zwarte ogen staart hij naar een punt voorbij de schilder. Bijna alsof hij zich erbij heeft neergelegd, denkt hij. Het leven. De eenzaamheid. Zijn stramme schouders.    ‘Hoe vielen jullie in slaap?’ fluistert Monique. Zijn blik blijft hangen op de wang van de man. Een roze veeg lijkt bijna een traan. -‘Marie kon nooit slapen,’ fluistert hij terug. ‘Steeds wanneer mijn ogen toevielen, begon ze te wriemelen. “Niet in slaap vallen, ik wil de eerste zijn!” zei ze, en ze bleef aan mijn oor trekken tot ik reageerde.’ Hij glimlacht, maar heel even. ‘Nu ben ik degene die niet kan slapen.’ -‘Tenzij de kat bij je in bed kruipt.’ Hij kijkt op. Monique kijkt nog steeds naar het schilderij. Zonder om te kijken zegt ze: ‘Mijn vader is net zo.’   Pas tegen negen vinden ze een plek om te eten. Hij had haar eerst meegenomen naar zijn vaste plek, Chez René, zichzelf alvast verkneukelend over de coque au vin. Maar bij Chez René stond oreo-ijs niet op de dessertkaart. In het begin had hij het grappig gevonden, vertederend bijna. Hoe ze van restaurant naar restaurant liepen. Hoe de obers haar hadden aangestaard: ‘Oreo? Nee, madame.’ Hij houdt het slappe stukje pizza tussen zijn duim en wijsvinger. Hun tafeltje wiebelt op de ongelijke tegels van het trottoir. Een auto rijdt luid toeterend voorbij.   ‘Te bedenken dat we vanavond hadden kunnen genieten van – ’ -‘Heerlijke coque au vin, ja.’ ‘Ik had niet de indruk dat je iets tekort kwam vandaag.’ Langzaam steekt ze een sigaret op, en houdt haar blik strak gericht op de muur achter hem. ‘Je hebt niets toe te voegen?’ Eerst ontwijkt ze zijn blik, maar wanneer hij haar blijft aanstaren, valt ze plots uit: ‘Nee, ik heb niets toe te voegen! Niets! En ik kom niets tekort. Niets!’ Haar stem klinkt hees. Op de achtergrond vallen een paar glazen kletterend op de grond. ‘Helemaal niets. Ik heb niets toe te voegen en ik kom niets tekort,’ zegt ze nu rustiger. De sigaret trilt in haar hand. Haar nagels zijn afgebeten. Wanneer ze zijn blik opmerkt, trekt ze de mouwen van haar vestje over haar handen. Wat zou Marie hiervan denken, vraagt hij zich af. Ze zou waarschijnlijk met hem lachen: ‘Lieve, waar ben je nu weer mee bezig?’ - ‘Ik weet niet wat me bezielt. Het enige dat ik weet, is dat ik nu, hier, bij jou wil zijn,’ zegt ze. ‘Je kunt toch moeilijk nu al verliefd zijn,’ zegt hij. Ze antwoordt niet, maar laat zijn vraag hangen in het geroezemoes rondom hen. - ‘Nee, ik ben niet verliefd,’ zegt ze tenslotte. Haar blik volgt de rug van een voorbijganger. Het is een bejaard vrouwtje met een magere, kromme rug. In haar handen draagt ze twee zware, plastieken zakken. Moeizaam waggelt ze verder, de ene voet na de andere. - ‘Soms voel ik me zo oud,’ zegt ze. ‘Maar vandaag – vandaag niet.’ Ze kijkt hem aan en glimlacht. Haar ogen zijn vochtig. Hij nipt van de wijn. Bedenkt zich hoe het zou zijn. Hoe hij haar eindeloze dagen lang op sleeptouw zo nemen in de smalle straten van Parijs. Hoe hij haar met grote gebaren zou vertellen over Degas, Monet, Manet, Racin, Balzac, Baudelaire, Zola, de gebroeders Goncourt. Hoe zij hun namen niet uiteen zou kunnen houden, en ze zou blijven vragen naar Zola. Hoe zij hem zou vertellen: ‘Zonder jou ga ik dood.’ Hoe hij haar gezicht zou strelen met de tederheid van een oude man die weet dat dat niet waar kan zijn. Hoe hij op een dag zou sterven, en zij met de afscheidsbrief in haar hand zou kijken naar de gang vol schilderijen in bubbeltjespapier, aan haar geadresseerd op zijn expliciet verzoek. Hoe hij een afwezigheid zou zijn daarna, een verhaal waarover ze niet zou kunnen praten, een verhaal dat zou blijven kleven aan haar muren. De vereeuwigde voorganger van elke volgende man in haar leven. Haar eenzame mentor. Haar beste vriend, achteraf gezien dan. Ze kijkt naar hem. Vraagt ze zich af wat hij denkt? Haar blik dwaalt terug af. Ze wenkt een ober en vraagt om een cola. Misschien zou het triestig zijn. Misschien zouden ze jarenlang ongelukkig zijn, elkaar het leven zuur maken omdat ze niet meer zonder elkaar, maar ook niet met elkaar zouden kunnen leven. Zij, wrokkig omwille van de tijd die hij haar had ontnomen toen ze zelf nog te naïef was om te beseffen dat ze die had gehad. Hij, verbitterd om haar plotse uitvallen, haar kinderlijkheid die al snel al zijn charme had verloren en vervormd was tot een schelle achterlijkheid. Of zou ze te slim voor hem zijn? Reeds na een maand of twee verveeld gapen wanneer hij iets vertelde, en hem in de rede vallen: ‘Bedoelde je niet de Beauvoir?’ Hem verlaten voor een magere jonge kerel met donkere krullen en rode lippen – haar mannelijke spiegelbeeld. Zodat hij, wanneer ze elkaar per ongeluk op de markt tegen het lijf zouden lopen, zich niet alleen gebroken zou voelen bij het zicht van haar hand in de zijne, maar ook misselijk zou worden van dat bevreemdend gevoel getuige te zijn van iets dat even naïef als incestueus leek. - ‘Denk je dat ze elkaar ooit zijn tegengekomen?’ ‘Wie?’ -‘Madame Cézanne en Uncle Dominique.’ ‘Dat kan toch bijna niet anders.’ - ‘Denk je dat ze elkaar konden uitstaan?’ ‘Waarschijnlijk niet.’ - ‘Hoezo?’ ‘Madame Cézanne was niet meer dan een randfiguur. Niet opmerkelijk anders, dan dat ze uren poseerde voor haar man. Over wat zou ze het hebben, zomaar, op een zonnige namiddag? Laat staan met Uncle Dominique. Die in zichzelf gekeerde man, zwetend in dat zwarte pak, met de zon erop. Een triestige namiddag, zou ik zo denken.’ - ‘Zou Cézanne met hen gepraat hebben toen hij hen schilderde? Of gaf hij daar niet om?’ Hij haalt zijn schouders op, alsof hij zich wil verontschuldigen in de naam van de schilder. - ‘Hoe kan je uren bij iemand zijn, zo diep in iemands’ ogen staren om toch maar die tint blauwgroen, de tristesse, te vatten op een doek – zonder ook maar iets te willen weten over wat hen daar, zo stil en triestig, bracht?’  ‘Ik weet het niet, Monique. Ik weet ook niet alles.’ Plots voelt hij zich moe. - ‘Ik stel domme vragen, niet?’ Voor een moment wou hij dat ze niet zo breekbaar leek. ‘Ik heb jarenlang gekeken naar dat schilderij,’ zegt hij. ‘Telkens wanneer ik wakker werd, was ze het eerste dat ik zag. Haar harde ogen. Die lichtelijk neerbuigende, opgetrokken wenkbrauw. Haar handen, lijdzaam in haar schoot. Nooit heb ik me daarbij vragen gesteld. Ik bewonderde zijn spel van kleuren, de manier waarop hij haar handen niet had afgemaakt. Maar nu besef ik net dat ik haar nooit echt gezien heb. Dat ik niets over haar weet.’ - ‘Ze kijkt je nochtans recht aan,’ zegt ze, terwijl ze een nieuwe sigaret probeert aan te steken. ‘Geef dat aan mij,’ zegt hij wanneer de wind het vlammetje blijft uitdoven. Hij pakt de aansteker van haar over. Terwijl hij met zijn ene hand de aansteker ontvlamt, schermt hij met de andere hand de wind af van het puntje van de sigaret. Met haar handen maakt ze een kommetje over zijn hand. Het gebaar ontroert hem. - ‘Gelukkig heb ik jou,’ zegt ze, terwijl ze glimlachend een haal neemt. Ja, gelukkig, denkt hij.   De lichtjes aan de Seine weerkaatsen in het water. Monique laat haar benen bengelen over de rand. Ze rookt een sigaret en staart voor zich uit. Een jongeman spreekt haar aan: ‘Hebt u een vuurtje?’ De twee roken en praten, hij voegt zijn benen bij de hare. Hij zit wat verder. Zijn benen zijn stijf van het wandelen en het buigzame hout zit beter dan de harde grond. Hij bekijkt haar van op een afstand. Monique zal een mooie vrouw worden. En wat is ze jong. En hoe is ze lief. Voor hem, voor die onbenullige jongen, voor de wereld. Daar zit ze nu, met die onnozelaar, haar hele leven nog voor zich. En daar zat hij, toen, kijkend naar Marie, op blote voeten. De avond, het begin voor altijd. Nu, als een slechte grap misschien, wreedaardig gedupliceerd – maar even tijdloos glinsterend in de Seine. Monique laat de jongen alleen achter en komt naast hem zitten. Ze legt haar hoofd op zijn schokkende schouder. Fluistert woorden die hij maar half verstaat. Een slaaplied, of het einde van een sprookje misschien. Het helpt. Haar adem, warm tegen zijn oor. Een troostende jongemeisjesstem.  ‘Hoe doe je het toch?’ vraagt hij. Ze haalt haar schouders op. Haar make-up is wat uitgelopen rond haar ogen. Ze neemt nog een trek van haar sigaret en blaast langzaam, met licht getuite lippen, de rook naar de hemel. Samen kijken ze naar de nacht.

ianthe cooreman
127 0