Lezen

Afterstorm

Na een eenzame liefdeloze nacht, wanneer de koude wind, de vorst en dauw verstrooit, nog voor het daglicht wenkt, herrijs ik! Naakt en onbemind. Moe van wat het innerlijke gevecht tussen dromen en werkelijkheid brengt. Aan genot onthouden en met zacht gefluister van een stem op de achtergrond ontwaakt. Groots en spookachtig, met uitpuilende ogen in wit en met een starende blik. Sterker dan gedachten en met trage bewegingen komt het tot leven. De vorst prikt zacht en geeft brandende kussen zo teder als de liefde , en zo koud als de dood. Zijn lippen, trillend van verrukking, ruisende lakens en een mond die ijle ademtocht uitstoot ver in de grijze stilte van de ochtend. Langzaam verschijnt hij, zijn ogen geopend, boven haar hoofd een zwarte hemel vol schitterende sterren. De lucht die uit haar mond ontsnapte, bracht haar ademhaling langzaam op gang waardoor haar gestalte en haar gemaskerde gezicht oplosten in de duisternis. De klanken van viool zweefden door de ijle lucht naar hen toe. Hoge muren doemden voor haar op, groot en duister met hoge beschilderde glasramen en een puntdak uit lood dat met puntige pinnen in allerlei vormen was bezet. Haar gedachten waren warrig en haar hersenen leken als een kwaadaardige zon uit elkaar te spatten in haar broze schedel. Maar toen zij hem aankeek, kon zij zich nog steeds herinneren wat er verscholen zat achter die hoge muren. Hoe kon het ook anders? Ze had maandenlang het huis verkend met de passie van een geliefde die ze veel te lang had moeten missen. Ze was door de kronkelende gangen gelopen, had wenteltrappen beklommen en was betoverende vertrekken binnengestapt. Het was allemaal nog... tot in de kleinste details opgeslagen in haar beschadigde hersenen. De bloedrode kamer met de lichtgevende rozen, de balzaal met de dansende vlinders. De kamer met de maskers waar het licht van een onzichtbare zon een spinnenweb in goud veranderde. Kamers vol schoonheid. Maar in het huis bevonden zich ook kamers die stonken naar verderf en narigheid. Kleine kamers met vochtige verrotte muren waar ze de starre ogen kon aanraken die uit het plafond groeiden. Troebele ogen die toekeken hoe zij als nachtvlinder door een labyrint van beelden en gedachten zweefde. Zij kende de volgorde en vaak ook de opeenvolging van de dingen die te gebeuren stonden. Waarom kostte het haar dan zoveel moeite om haar hoofd, dat aanvoelde als een kapotte gloeilamp helder te houden? Ze voelde hoe de lakens die haar in een stevige greep hadden gehouden gedurende de nacht over haar naakte lichaam gleden enze vroeg zich af hoe het zou zijn als ze naakt in het binnen schijnende licht zou bekeken worden. Plots werd het duister doorboord door een vriendelijke lichtstraal. Iemand had een lamp aangedaan in de kamer. Ze probeerde een kreet te onderdrukken, maar de spieren in haar keel weigerden om mee te werken. Het licht viel door de openstaande deur en achter de verlichte rode en purperen glazen ruitjes dook een schaduw op die roerloos bleef staan. Er kwam beweging in de schaduw en hij stapte de kamer binnen, terwijl hij verder liep kon ze zijn geur ruiken en haar hart ging als een wilde tekeer.Ze had al die tijd geweten dat hij er was. En nu kwam hij haar redden......   Zijn ogen straalden vanachter donkere brilglazen en zijn hoofd ging schuil onder een trendy hoofddeksel. De kleine monniksaap zat op zijn schouder,pikzwart. Zelfs in het vage licht zag ze hoe de vacht van de aap glansde. Hij ging op zijn knieën zitten naast het bed, boog zich voorover en keek haar recht in het gezicht. Een gouden schijnsel viel over haar schouder en om zijn nek droeg hij een dunne ketting met een hangertje in de vorm van de letter M. Het stak glanzend af tegen zijn zwarte kleren. De klanken van de viool die van ergens op de achtergrond kwamen, waren nu veel duidelijker te horen en ze herkende de muziek 'Andante Cantabile"van Tsjaikovski. Het eerste strijkkwartet opus 11, de extatische noten riepen haast vergeten herinneringen op. De laatste keer dat zij deze muziek hoorde, brandde er vuur in de open haard. Op de donkere houten tafel stonden twee glazen rode wijn te wachten op een zilveren dienblad. Dit hield ze niet langer vol en smekend bewoog ze haar armen en strekte ze naar hem toe. Hij zou haar meenemen, hij zou haar veilig naar een ander oord brengen. Hij keek haar bezorgd aan en de rimpeltjes in zijn voorhoofd spraken boekdelen. De aap sprong met een kreet op het bed en overal in de kamer in het rond, ze zag niets anders dan de glanzende ketting met de letter M die voor haar ogen bengelde. Zijn beeld was verdwenen en enkel de geur was gebleven. Uitgeput viel ze weer neer en keek naar haar gestrekte naakte lichaam, dat koud en eenzaam achter bleef.  

Joke111
0 0

6 X Godverdoemme

6 X Godverdoemme Toen Patje vertrok op de Zündapp die nog van Moe was geweest, regende het nog niet. Er hing geen wolkje aan de lucht. Het was volkomen helder en de zon scheen lichtjes, maar bij het binnenrijden van Sint-Lenaarts werd hij totaal verrast door een gigantisch onweer. Daar had hij niet op gerekend. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘wat een kutweer. Als ik dat had geweten.’ Hij ging, zoals zo vaak op donderdag, op de markt twee kiekenbillen kopen en misschien een blokske kaas. De eerste kiekenbil zou hij ’s middags, met een boterham, opeten. De tweede ’s avonds, koud met wat mayonaise erbij. Op de terugweg haalde de brommer makkelijk zevenenzestig kilometer per uur, want hij had wind in de rug en het waaide wel stevig. Bovendien was de brommer van Moe opgevoerd. Toen hij zeiknat thuiskwam, haalde hij zijn kiekenbillen uit zijn tas. Hij trok zijn natte kleren uit, plofte in zijn onderbroek in de eikenhouten fauteuil en schakelde de TV en video in om een pornofilm te bekijken. Na welgeteld drie minuten, tijdens een oninteressante scène, liep de film met een groot gekraak vast. De VHS band zat gekneld. Er was in alle geval iets mis. Zenuwachtig duwde Patje op alle knopjes. Vooruit, achteruit, … nog een keertje proberen: vooruit, achteruit, … Niks hielp. Hij deed een poging hem eruit te halen- eject- maar ook die mislukte. Tot slot gaf hij op het oude, versleten toestel een geweldige klap, maar de film bleef geblokkeerd zitten. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik maak er korte metten mee.’ Patje, gekleed in zijn onderbroek en sloefen, flikkerde uiteindelijk zijn videorecorder- inclusief de vastgelopen Duitse pornofilm- in de grijze container. Gelukkig kieperde hij er een gewone vuilzak bovenop om te verdoezelen dat er elektrisch materiaal in zat dat je afzonderlijk zou moeten aanbieden op het containerpark. Hij nam zich voor minder vaak te masturberen en als hij dan zin had, zou hij het doen op fantasie en onvergetelijke dierbare herinneringen aan enkele levendige plaatjes uit pornoblaadjes. Op dit moment was zijn libido trouwens door zijn kledij, de koude buitentemperatuur en de ergerlijke technische mankementen aanzienlijk verschrompeld. Door de zoveelste wolkbreuk en de slechte staat van het dak van de achterbouw sijpelde er water bovenop de tafel. Hij zette een kookpot onder het enerverende lek, schoot snel een jeans en een versleten hemd aan, en ging naar de voorkamer. Daar heeft hij zijn modelbouwatelier. Gisteren was hij begonnen aan de Junkers Ju 87B- Stukka op schaal één tweeënzeventigste. Hij bekeek het plannetje nog eens zeer aandachtig. Patje had veel ervaring en was vaak bezig in de herfst en de winter met modelbouw, maar tot zijn grote ongeloof ontbrak er een stukje in de modelbouwdoos. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘hoe kan dat nu in godsnaam.’ Nog enigszins hoopvol en zonder te bidden voor de heilige Antonius zocht hij heel de kamer af. Prompt gaf hij het op, bakte wat spek, at er een boterham bij en dronk lusteloos wat lauwe koffie. Hij keek nog wat zappend TV maar zoals zo vaak boeide bitter weinig hem. Plots dacht hij aan een deel van zijn collectie singletjes die hij nog van zolder moest halen. Op zijn dooie gemakje slenterde hij de trap op. Hij opende het luik naar de zolder, de uittrekbare ladder kwam met een kort gekletter tevoorschijn - normaal gesproken kon die zijn gewicht dragen- en kroop er tegenop. Met zijn buik als twee zakken cement kwam hij vast te zitten in de opening. Hij probeerde zich los te wringen richting zoldering, maar dat liep fout. Daarna slaagde hij erin los te komen en nog net zijn evenwicht te bewaren op de dunne zoldertrap. Het kostte hem vijfendertig minuten. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘het zit niet mee vandaag.’ Rond twintig over acht lag hij al lekker warm in zijn stinkende bed met twee dekens. Die nacht had Patje een fabuleuze droom. Hij had een ernstig en zeldzaam gesprek met zijn engelbewaarder. Nog merkwaardiger was dat hij het zich ’s ochtends compleet kon herinneren.   Engelbewaarder: ‘Waarom drink jij toch zo veel?’ Patje: ‘Geen idee. Het is plezant zo.’ Engelbewaarder: ‘Dat loopt nog eens fout af. Ik heb mijn handen wel vol.’ Patje: ‘Tja, het zij zo.’ Engelbewaarder: ‘Wil je niet oud worden?’ Patje: ‘Neen, niet per sé of kost wat kost.’ Engelbewaarder: ‘Denk je niet dat je soms wat overdrijft?’ Patje: ‘Ik weet niet beter. Ik vind het wel leuk zo.’ Engelbewaarder: ‘Vaak heb ik je kunnen helpen.’ Patje: ‘Weet ik. Merci.’ Engelbewaarder: ‘Ik had beter moeten weten.’ Patje: ‘Maakt niet uit.   Na zijn ontbijt, bestaande uit drie koppen koffie, vier Bastos en twee boterhammen met paardenvlees-niet uit de Lidl maar van de beenhouwer in het dorp- ging hij “zuiver op karakter” naar zijn werk als slordig boekbinder in de beschutte werkplaats. Buiten was het ijskoud. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik was beter met de bus gegaan.’ Na die vermoeiende vrijdag was de vervelende werkweek voorbij. Patje kwam verkleumd aan in zijn huis in een rustige, doodlopende straat net buiten de bebouwde kom. Het was ondertussen zachtjes beginnen sneeuwen. Hij trok een proper hemd aan en dronk alvast vijf pintjes aan de keukentafel dicht bij de gaskachel. Hij had vorige week in het café bij Chantal een koper gevonden voor zijn verzameling pornofilms. Het was bijtend koud en er woei een snijdende noordenwind. Hij zette de blauwwitte bananendoos vol met video’s op de achterste slijklap en bond ze vast met een caoutchouc snelbinder. Het was een opvallende collectie. Het brommerke pruttelde even en startte dan met hevig gebrom en gekwetter. Patje vertrok. In het dorpscentrum ter hoogte van de Voorzorg, glinsterde een akelige ijsplek. Hij slipte spectaculair op deze venijnige ijzel en ging met zijn kloten tegen de grond. Hij greep meteen naar zijn gekneusde heup. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik wist dat er vodden van gingen komen.’ Door de val scheurde de doos en schoven zijn video’s dwars over de weg tot juist voor café ‘den Boemel’. Chantal, de bazin, en boer Mertens, haar enige klant, schoten wakker en dachten alle twee: ‘Wat is dat allemaal?’ Het vroor en het kraakte. ‘Kom jij mij zo je collectie overhandigen,’ zei boer Mertens lachend ‘Da’s sympathiek.’ ‘Doe niet onnozel,’ reageerde Patje kwaad. Hij trok pijnlijke grimassen en wreef over zijn gekwetste linkerflank, zo ongeveer van de knie tot in zijn zij. Het Flandriake was ongeschonden. Chantal, boer Mertens en Patje verzamelde de VHS banden en staken ze terug in de gehavende doos. ‘Wat moet gij drinken?’ vroeg de cafébazin professioneel. ‘Doe mij maar een trappist van Westmalle,’ antwoordde Patje, ‘dan kan ik een beetje bekomen.’ Hoe hij die avond thuis was geraakt, herinnerde hij zich niet meer. Zijn bromfiets stond nog voor het café. Het vroor nog steeds.   Maandag drie februari gaf Patje zijn Sanseveria’s water. Dat was negen weken geleden. Tegelijk tuurde hij wat door het raam en zag een politiecombi traag voorbijrijden en stoppen voor het huis van Sjarel. Eigenaardig genoeg stapten er geen twee geüniformeerde politieagenten uit, maar een bloedmooie, jonge vrouw en één lange politieagent. Was die vrouw ook een politieagente? En wat kwamen ze hier doen?                                                                                                                                       

Hubert Grimmelt
0 0

Een misvatting

"Het is een misvatting", zeg ik tegen mijn vrouw. "Een wijdverspreid misverstand. Dat oudere mensen door hun leeftijd langzaam stappen. Dat het met de jaren allemaal wat trager gaat. Zeker bij mensen die alleen zijn." We zitten aan de enige tafel van het gezellige koffiehuis waar je rechtstreeks op de straat kijkt. De andere mensen in de zaak moeten langs onze hoofden proberen te zien, vooraleer ze een glimp van buiten opvangen. Het is een tafel waarvoor gevochten wordt. Bij het plein zien we de man langzaam stappen. "Ik ken hem via zijn vrouw”, vervolg ik. “Door het vrijwilligerswerk dat ze deed. Hij is nu een paar jaar weduwnaar. Ik herinner me dat ze vertelde dat haar man ziek was. Vrij ernstig. Toch is zijn vrouw eerder moeten gaan. Van zijn ziekte is hij goed hersteld. Je ziet hem nu dikwijls ergens alleen een koffie drinken." "Het is niet hun leeftijd”, zeg ik. “Of hun fysieke toestand. Ze stappen langzaam om de tijd te vertragen. Met elke stap die ze buiten zetten, moeten ze binnen niet voor de tv zitten. Daarom bewegen ze zich, misschien onbewust, traag voort.” “Ik begrijp het wel. Ik zou mijn pas ook inhouden. Zeker tijdens de donkere wintermaanden, als je om vijf uur de afstandsbediening naar de beeldbuis richt. Alsof je een knop indrukt om de dag af te sluiten." Buiten houdt de man halt bij een kennis. Zijn handen sierlijk op de rug. Op zijn hoofd draagt hij een pet tegen de kille najaarslucht. Het is een groene pet met gewatteerde oorkleppen, die hij kan laten zakken als het te koud wordt. Nu staan ze omhoog. Wellicht om zijn gesprekspartner goed te kunnen verstaan. Een paar tellen later stapt hij verder. We zien hem nog net. Hij is ondertussen heel klein. Ik meen te kunnen zien dat hij de gewatteerde oorkleppen ondertussen heeft laten zakken. Daarna verdwijnt hij uit ons zicht door het raam van het koffiehuis. Langzaam stappend en de tijd vertragend. De tijd dodend. 

Rudi Lavreysen
16 0

Moor

in een kwijtgespeeld interesseveld zitten de aangetaste deeltjes benadelen en de weg vrijmaken voor mezelf in een verbaasd landschap de staat bezingen de vertwijfelde pose vormgeven en de weg vrijwaren voor mezelf   Ik startte een onderzoek naar de ongeziene status der dingen die in een handomdraai de gevrijwaarde basis vormde van al dat zich de dag in zong, een kwestie van volume waarin het volle de zendmast betekende voor communicatie en een volle integratie. Zo vormde zich een poreus buiten-landschap dat zich omplooide tot routine waarmee we alles exclusief raad gaven en de dieren de dieren vertwijfelde poses in joegen tot mens vermomd en tot twijfel verdacht waardoor mens zijn niets meer werd dan al dat exclusieve gepropagandeerd aanstalten maken. Hiermee schreven we nieuwe grondregels voor een helium-staat waarin op onder werd en wij onderwezens vastzaten in de modder van de aangrijpende horror der mens versus dier.   in een verbaasd aanzicht vastzitten en geluid maken opdat alles zich in een vrome realiteit voortbeweegt en wij ons in dat vacuüm een plexiwand schenken en deze ook schenden tegen de doodgebloede buitenlander waarvan quasi alles verdacht bleek en het stormde soms als het al licht was geworden dat herinnerde ik me nog goed en als daarin het licht wederkeerde vermomde ik mijzelf als een dubieus dier dat nog instinct kende   Instinct een gevrijwaarde basis voor het omkomen van de wezens der planeet pro integratie die een baan beschrijft in zichzelf. Hij beschrijft een baan die in de ban is van zijn eigen middelpunt en daarmee garandeert het zichzelf van starende blikken die steken in de huid de huid die aardkorst mee beweegt in een ommekeer en hierover lopen om telkens om een middelpunt te vragen om te kunnen terugkeren   Hiernaar bleek geen vrije weg die verloren was in het zich aanpassen naar een bleke norm en we liepen liepen en we liepen tot we vastzaten in onze eigen ledematen die de aardkorst in natte materie met zich meedroegen en het zicht met zich meedroegen en alle ongeziene dingen met zich meedroegen waardoor het zicht al in ons zat en wij keerden de gaten in onszelf om zodat we onszelf iets beloofden dat nooit zijn rug kon tonen.Hierop glimlachte onze thuisbasis en keerde weder naar zijn schamel spel waar er een spijkerschrift het begin betekende van de ondergang.   ik wou mijzelf een wand schenken waarin ik schroot was en de tafel bekleedde volgens de regels van de weigering ik wou mijzelf een wand schenken zodat ik schroot was en wanden op zijn beurt verkleedde een buiten-binnenspel volgens de regels van een toekomst

Dries Verhaegen
13 0