Lezen

Zomer

De zomer is in het land. Gelukkig maar, want dat was toch niet de lente waarop we gehoopt hadden, hè? Dat de zomer hier met zijn schattig bestickerde reiskoffertje is aangekomen en tijdelijk z’n intrek heeft genomen in de kleine Airbnb die het gehucht België op planeetvlak voorstelt, brengt heel wat meer met zich mee dan je zou denken.   Zoals daar zijn: ijsverkopers die van de ene dag op de andere meer poen dan bollen stracciatella scheppen, waardoor je die gammele crème glace-karretjes plots met een spoiler ter grootte van een surfplank of met 24-inch velgen en volledig gewrapt in bladgoud voorbij ziet cruisen. Deze week meldde kwaliteitskrant Metro nog dat in Smeerebbe-Vloerzegem de eerste ijsventer is gesignaleerd die raketten en versgedraaide vanille verkoopt vanuit een spiksplinternieuwe Bentley. Wees er maar zeker van dat er nog veel van die hoorntjesvullende nouveaux riches zullen volgen.   Anderzijds zijn er ondertussen al heel wat ijsmarchanten die zelfs ’s nachts blijven rondrijden om aan de vraag te voldoen, waardoor het aantal burnoutgevallen in de bevroren goederensector nog nooit zo hoog lag als de laatste maand, aldus Metro. Zo liet de krant een ijsjesverkoopster aan het woord die elke euro van haar pas verdiende fortuin overhad om haar vroegere job en leven terug te krijgen. ’Wat zou ik graag weer grootouders achter mijn rug tegen hun kleinkindjes horen fluisteren: ‘kijk kleine Olivia, dat is wat er gebeurt als je op school niks anders doet dan met je flamoes over je stoel schuren tot het tintelt achter je oogballen.’ Nu heb ik geen tijd meer om nog te luisteren naar de mensen. Alles zou ik ervoor geven om wat minder populair te zijn en geen dagen van 26 uur meer te moeten draaien.’   Wat de zomer ook met zich meebrengt, zijn die – op het eerste zicht – flapdrollen die tien minuten nadat ze een gebouw zijn binnengewandeld nog altijd met een zonnebril op hun neus rondlopen. Ook daarover schreef het Belgisch Instituut der Onderzoeksjournalisme Metro een uitgebreid artikel. In het stuk opperen homeopaten dat ongeveer 23% van deze mensen lijdt aan een ernstige vorm van Non-Excusatoire Divaïtis, een ziekte die, desondanks de jarenlange inspanningen, nog steeds niet erkend wordt binnen de traditionele geneeskunde. Alternatieve geneespriester Samuel F., zelf ook een divaïtis-patiënt: ‘Ik ijver al jaren om deze ziekte officieel te laten registreren, zodat de kosten van de, vaak dure, merkzonnebril door het ziekenfonds terugbetaald worden, maar de huisartsen willen er niet van weten. Elke dag brand ik minstens 5 oorkaarsen en bid, maar zelfs dat heeft, raar genoeg, geen effect.’   Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden waar je niet altijd bij stilstaat. Zo kan het dat de persoon achter de getinte glazen zichzelf in die tien minuten van ogenschijnlijk onverklaarbare arrogantie heel even geen lelijke, domme, wandelende verspilling van perfect werkende organen voelt. Ga jij ‘m dat afnemen? Vergeet ook hen niet die een sponsordeal met Ray-Ban sloten en de contractuele verplichting aangingen om de zonnebril, ongeacht weer of lichtsterkte, minstens 4 uur per dag te dragen. Want ook influencers verdienen begrip en zijn veel meer dan de aandachtsgeile, leeghoofdige, frontcamera verslijtende, zuurstof misbruikende, fantastische levensstijl fakende, nog veel onzekerder dan hun volgers blijkende, zichzelf als merk verhoerende reclameborden waarvoor velen ze afschilderen. Een laatste verklaring is dat de man of vrouw in kwestie blind geworden is na de vorige keer dat je hem of haar zag. Zoek in dat geval om zeker te zijn naar de nieuwe aanwezigheid van een hond, stok of – als het een vrouw van 50 met een uitgedoofd seksleven is – een boek van Santa Montefiore in braille.   Gelieve aan dit alles te denken, de volgende keer dat je je collega met zonnebril op ziet aankomen op de negende verdieping van je werk, vóór je hem of haar uitkajoetert voor mislukt Zalando-model en met een emmer lopende kak overgiet. Ga beter zelf eens naar buiten, met of zonder zonnebril, adem in en geniet ervan nu de zomer eindelijk in het land is. Best stel je jezelf ook nog even de vraag of het niet gezonder is voor jou om ergens te gaan werken waar er niet altijd een emmer lopende kak binnen handbereik staat. Er zijn nog wel wat knelpuntberoepen waarmee je onze maatschappij uit de nood helpt, zoals verpleegkundige, seniorenpijper, mongolenrukker, regeringsarchitect en als meest recente op de lijst, ijsverkoper.

Hans Verhaegen
0 0

Dalilla Hermans heeft een punt, maar...

In een video op haar Instagram deelt Dalilla Hermans haar ervaring met een Facebookgroep waarbij  ze tot voor kort was aangesloten. Die groep is een soort van alert-groep; wanneer iemand een issue had rond diversiteit in de media over beeld-, woord- en taalgebruik, kon je je bedenkingen kwijt en het probleem melden bij de media in kwestie. Althans zo heb ik het begrepen.   Dalilla struikelde over het woord “neger”; sommigen in de groep gaven blijkbaar geen aanstoot aan het woord, anderen vonden het woord ronduit beledigend. Dalilla geeft ons helaas geen dieper inzicht in de argumentatie van de voorstanders. Ze zegt zelf dat ze de groep verlaten heeft omdat het meer ging over wie nu gelijk had dan dat er serieus over het onderwerp gediscussieerd werd. Teveel wasted energy, zou ze zeggen. En terecht. Ik ken Dalilla Hermans niet persoonlijk maar op de manier waarop ze in de video reageert, begrijp ik dat ze deze discussie allicht al duizend keer is aangegaan en dat ze daar nu gewoon geen goesting meer voor heeft. Ik kan haar geen ongelijk geven. Integendeel!   In dergelijke discussiegroepen is het beter weg te blijven. Ik heb zelf mijn idee over social media, ik ben er weinig op te vinden en de enige account die ik heb is Instagram waar veelal foto’s van mijn kat Felix de Tweede te vinden zijn. Social media zoals Facebook en Instagram gebruik je beter voor professionele doeleinden, bijvoorbeeld om je bedrijf of je publicaties bekend te maken. Niet voor “des états d’âme”. Wil je de persoonlijke toer opgaan, ben je er beter bij gebaat als 14-jarige. Maar dit terzijde gelaten. Dalilla heeft een punt. Ik vind het woord “neger” evenzeer totaal ongepast woordgebruik. Maar waarom dan? Want ik vermoed dat de mensen in de groep die geen graten zien in het gebruik van het woord “neger” argumenteren dat “neger” altijd al gebruikt geweest is om mensen met een andere huidskleur te beschrijven en dat dat niets beledigend is.     “Neger” doet denken aan slavernij en kolonisatie. Een beetje research op internet of een betrouwbare encyclopedie leert ons dat de term “neger” gebruikt wordt om een zwarte slaaf aan te duiden. Kan je  anno 2019 het woord “neger” nog gebruiken wanneer we het hebben over onze medemens met een donkere huidskleur? In welke context wel? In welke context niet?   Wat leert ons uiteindelijk een belediging? Hoe gaan we ermee om? Wie spreekt een beledigend woord uit? In welke context? Wat is zijn of haar positie in de maatschappij? Wat is een beledigend woord? En is een belediging voor iedereen hetzelfde of zien we verschillende lagen wanneer een beledigend woord gebruikt wordt door verschillende mensen in verschillende contexten? Wat betekent vandaag het woord “neger” anno 2019?   Het woord “neger” is een belediging. Punt aan de lijn. Het wordt door sommigen vandaag nog gebruikt als een normale en gebruikelijke manier om iemand te beschrijven die een donkere – donkerdere? – huidskleur heeft. Wat mensen met een andere huidskleur veelal niet beseffen is dat door een beledigende taal te gebruiken, deze belediging een leven lang gegraveerd blijft in de persoon die men beledigt. Zo blijft de belediging als gangbaar in een maatschappij gehanteerd en blijft de beledigde in die rol die hem wordt opgelegd. De identiteit van de beledigde persoon is bijgevolg minderwaardig en bespot; op die manier wordt een identiteit door de beledigende partij als een levensconditie     opgelegd : jij bent een neger (of een vuile homo, of een allochtoon of een vrouw…) en door jou zo te benoemen, voldoe jij aan de normen die ik je opleg. Ergo : ik ben zwart van huid (of ik ben een vuile homo, allochtoon, vrouw…) en ik zal me zus of zo in de maatschappij moeten gedragen om aanvaard (of onzichtbaar) te worden.   Anders dan bijvoorbeeld seksuele geaardheid die je nog enigszins kan verbergen, kan je je eigen huidskleur niet verbergen. En dat is maar goed ook.   Een belediging door bepaald woordgebruik (neger, vuile homo, je bent maar een vrouw..) van iemand die niet zwart of niet homo… is, is gewelddadig. Ook onze hele sociale wereld die ons omringt - en nog meer in ons beeldtijdperk – houdt minderheden onderdrukt. Uiteraard krijg je een reactie van die minderheden zelf; je kan moeilijk iemand met een donkere huidskleur verwijten dat hij of zij teveel ophef maakt wanneer je woorden als “neger” blijft gebruiken.   Het gevaar van het banaliseren van scheldend of beledigend woordgebruik, de trumpificatie van de taal en wanneer politiek zoals het Vlaams Belang het heeft over de waarden van de traditionele familie wetende dat deze partij haar bestaan op migratie issues bouwt, bestaat erin een scheldwoord of een belediging als iets acceptabel te doen uitschijnen terwijl de belediging of het scheldwoord beladen is met het ergste van racisme, homofobie enz. en wordt zo, vaak ongemerkt, geprofileerd als normaal en iets gangbaar.   Dit gemaskeerd ostracisme raakt mensen in hun identiteit. Giftig taalgebruik sluipt snel onze maatschappelijke cohesie binnen en verdeelt onze maatschappij. De strakke blauwe pakjes waarin Tom Van Grieken en Dries Van Langehove zich hullen, het afgeborsteld kopje en het misprijzend en arrogant grijnzen, staan symbool voor white supremacy. Ook de uitspraak van Dominiek Sneppe legt een totalitaire agenda bloot waar alleen de blanke (Vlaamse) heteroman bestaansrecht heeft. Daarom kunnen er nooit genoeg Dalilla’s zijn. Maar... Dalilla Hermans moet ook kleur bekennen, nl. dat racisme naar blanke mensen toe ook bestaat en evenzeer kwetsend en stigmatiserend werkt. Dat jammer genoeg extremen misbruik maken van dit zwart racisme. Er kunnen maar niet genoeg Dalilla's zijn om extremen (Vlaams Belang, het geflirt van de N-VA met diezelfde partij, de Alt-Right beweging, de impact van sociale media...) te bestrijden maar dan graag Dalilla's die kritisch kunnen omgaan met racisme, niet aan zelfverheerlijking doen en die niet navelstaren. Dalilla's die van zichzelf afstand kunnen nemen en een wij-verhaal de wereld in kunnen sturen. Dalilla's die weten waarmee zwarte mensen écht mee bezig zijn en niet waarmee Dalilla Hermans dénkt waarmee zwarte mensen bezig zijn. Dalilla's die systemen aanvallen, niet mensen. Columns lezen van Dalilla Hermans is lezen over Dalilla Hermans. Dat is niet lezen over racisme.  

Erwin Abbeloos
164 0

Over "De Schaduw van het Feest" - Michaël Maerten.

            De meeste fictie die ik lees, vervoert en bedwelmt me. Sommige boeken verblinden me door hun begeestering en enthousiasmeren me. Non-fictie wekt mijn nieuwsgierigheid op, geeft me nieuwe inzichten en schaaft mijn vastgeroeste ideeën bij. Die boeken lees ik allemaal uit.             Eén boek heb ik niet uitgelezen. Bij het lezen van “De Schaduw van het Feest”, een anti-Pride-en-zoveel-meer-anti betoog van Michaël Maerten, vroeg ik me bij iedere pagina af : meent die gast dat nu? Ik bedoel maar : echt, meent die dat nu? Ik moet toegeven  ik ben niet verder geraakt dan pagina 48. Niet omdat het saaie of ontoegankelijke lectuur zou zijn – Maerten kan wel schrijven -,  niet omdat zijn sociologisch taalgebruik verweven met woordkunst voor mij als Chinees zou zijn (ik ben zelf socioloog van opleiding), maar omdat ik op iedere bladzijde terug in de tijd werd gekatapulteerd, naar de jaren ’90 toen ik in Parijs meewerkte aan campagnes over samenlevingscontracten[1], naar het jaar 2002 toen ik op 1 mei in de straten van Parijs tegen het Front National van Le Pen mee stapte[2], naar 1972 toen ik als 4-jarige aan mijn moeder zei dat mannen met snorren me opwonden (dat doen ze nog steeds!), naar 1981 toen mijn eerste kus gedeeld met de stoere buurjongen zo goed en zo juist voelde, naar juni 2019 toen ik mijn standpunt over het gevaar van extreem rechts in onze maatschappij en onze politiek in De Standaard deelde[3].             Ik reken mensen niet af op hun persoonlijkheid en ik zal dat ook niet in mijn column doen. Maerten is een jonge socioloog die via opiniestukken in de pers zijn mening ventileert over alles wat LGBTQ+ thema’s aangaat; dat uit zich in een storm van frustratie, niet-constructieve kritiek en weinig positieve zelfbelevenis – of kennis – van homoseksualiteit en homoaffiniteit. Een wederwoord op feiten moet altijd kunnen, een recht op antwoord of een rechtzetting van iets dat misschien over het hoofd is gezien ook. Alleen neemt Maerten vrij snel een loopje met de begingeschiedenis van holebi-bewegingen waarbij hij de context  waarin bewegingen en strijden zich voordeden filtert naar zijn hand en de feiten zoals ze gebeurd en beleefd zijn, verdraait.             Onze jonge socioloog – van wie we, mag ik hopen, niet veel meer zullen horen – ontkent de kracht van seksualiteit die in iedere maatschappij een weg zoekt naar belevenis, uiting, erkentenis en zichtbaarheid. ‘Terug in de kast’ zijn woorden die te zacht de visie van deze socioloog uitdrukt maar het gaat wel die richting uit. Zijn schrijven, zou ik denken, is een beetje uitlachschrijven maar Maerten weet heel goed wat hij schrijft. Een snel-op-de-tenen-getrapt-zijn mentaliteit ligt in iedere zin, haast in ieder woord. Maerten is die niet zo neutrale socioloog die zijn verhaaltje schrijft al goochelend met beleerde woorden. Maar het brengt ons niets bij. Bovendien is zijn analyse niet kritisch onderbouwd wat een fundamenteel probleem is voor wie aan onderzoek doet.             Ik kan voor iedere pagina een kanttekening maken maar ik ga het niet doen. Het zou een commentaar van 250 bladzijden worden. Je kan voor of tegen de organisatie van een Gay Pride zijn. Toch is een Pride geen modeverschijnsel, wat men ook beweert. Ik heb op mijn blog ook mijn bedenkingen neergeschreven maar je mag verschillende factoren niet uit het oog verliezen : de vorm, de inhoud, de opzet, het doel, wie organiseert de manifestatie en uiteindelijk moet je de Pride schetsen binnenin een historische context. Je kan een Pride niet loskoppelen van een veel groter historisch geheel.             Wat de auteur van het boek ook ontgaat, is de strijd tegen aids en de strijd tegen al de heteronormatieve vooroordelen die wij (hebben) ondergaan. Geen enkel woord hierover in dat boekje! Verder vind ik nergens referenties van andere grote LGBTQ+ denkers en doeners die via teksten en acties de holebibeweging mee adem en leven hebben gegeven, iets wat zijn boekje daarmee uiteindelijk van enige waarde ontdoet. Maerten is nergens positief geïnspireerd. Ik heb vanaf mijn 17de tot de laatste letter van deze column en nog veel verder gestreden omdat de Dries Van Langehoves en de Maertens mij verplichten om alert te blijven. Ik blijf op die eerste rij staan. Die enkele rotte appels in de mand zullen de hele oogst nooit kunnen verloren doen gaan. Ik blijf, met zoveel anderen, in de Schittering van ons Feest staan.   [1] http://obspacs.chez.com/rapport_observatoire_du_pacs_1999.htm [2] https://fresques.ina.fr/jalons/fiche-media/InaEdu01101/manifestation-a-paris-le-1er-mai-2002-contre-jean-marie-le-pen.html [3] https://www.standaard.be/cnt/dmf20190705_04495985

Erwin Abbeloos
142 0

Kamperen voor Dummies

  Inleiding   Haaa zon, zee, tussen bossen en weilanden of in de nabijheid van een pittoresk stadje.                    Kamperen… vrijheid, blijheid, nieuwe mensen leren kennen, geen moeten. Word je dronken geen boeten. Ik meen het, er gaat niets boven kamperen! De kinderen kunnen heel de tijd ravotten met leeftijdgenootjes, worden sociaal, leren al spelend andere talen. Het is goedkoper, milieuvriendelijker dan het vliegtuig, gemakkelijk als je geen zin hebt om in de file te blijven staan en alles bij je hebt. Besluit je een dutje te doen dan kan je gebruik maken van de vele rustpunten onderweg. Kamperen met de tent, te voet of met de fiets, campingcar, caravan, mobilhome… De keuze is legio en veel betaalbaarder. In alle landen kan je in het voor- of naseizoen goedkoper kamperen. Geen centje pijn. Onze Noorderburen hebben het al lang begrepen. Buiten het seizoen in een acsi-camping, meestal door Nederlanders zelf beheerd, overheerst… sorry, ik haal de woorden soms door elkaar. Je vindt en hoort ze overal. Geen gezeik met de taal: ze spreken Nederlands en wij ook. Zo worden misverstanden vermeden behalve als je, in mijn geval, Aaaaantwaaarps praat. Niet erg, onze Noorderburen worden er door gecharmeerd, al verstaan ze er geen moer van! En raar, maar waar, als Vlaming praat ik dan… plots Nederlands met een accent. Ik geloof dat ze het ‘Hollands’ noemen. ‘Wat leuk… ach wat sneu… als daar maar geen gesoddemieter van komt… Doei!’ Geen kwaad woord over onze Noorderburen! Nederlanders praten vlot Engels, wij Belgen een mengelmoes aan talen, daarvan geen enkele correct. Talen zijn voor ons Belgen een overlevingsstrategie. Al onze buurtstaten zijn in ons land op bezoek geweest voor een korte of langere tijd. Wat doe je dan? Je wilt toch niet ongastvrij zijn of het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen. Je past je aan. Survival! Was het niet Darwin die zei: Survival of the fittest? Ze hebben daarna zijn uitspraak een beetje veranderd: Het zijn niet de sterkste soorten die overleven en ook niet de meest intelligente. ‘Maar de soort die het beste reageert op veranderingen. Charles Darwin Engels medicus en bioloog 1809-1882 Wel daar ben ik volkomen met eens.  Arabisch gaat ons niet zo goed af… maar dat is een kwestie van tijd. Kamperen breekt alle taalbarrières, maakt je geliefd én intelligent. In de volgende afleveringen wordt hier dieper op ingegaan. Maar laat mij u toe met uw keuze te feliciteren.   De volgende episode: Als het weer niet meezit?

Fanny Vercammen
0 0

Bij de bakker

Er staat een lange rij wachtenden bij de bakker. Exact 15 gele hesjes. Ik heb tijd om ze te tellen, want ze rekenen elk afzonderlijk af. Mocht u zich afvragen wat de gele protestbeweging bij de bakker doet, kan ik u geruststellen. Het is een groep met verkeersveilige meisjes van de jeugdbeweging.  Een van de meiden heeft een oude fietspet op haar hoofd. Ze lijkt op een wielersupporter uit mijn jonge jaren. Misschien is de pet nog van haar vader geweest. De klep van haar petje staat omhoog, zoals de echte wielerfans dat deden. De naam van de renner, die ook op de onderkant van de klep staat, komt dan beter in beeld. Ik had er vroeger eentje van Lucien Van Impe en een van de Boerenbond, maar dat was eigenlijk geen echte wielerpet. Die durfde ik tijdens officiële wedstrijden met de jongens uit de buurt niet opzetten. Op de toonbank staat een schotel met proevertjes. In stukken gesneden koffiekoeken. Een slimme zet van de bakker om het hongerig gevoel van de klant te versterken. Vandaag zijn het stukjes van een eclair, van een rozijnenkoek en van een glaceeke. Genoeg voor alle gele hesjes. Al maken ze geen aanstalten om er eentje te proeven. Misschien durven ze niet. Een van de meisjes wel. "Is dat om te proeven?", vraagt ze. "Zeker", lacht de bakkersvrouw. "Neem maar. Het staat ervoor."  Die komt er later wel. In de school vertelde een leraar vroeger dat we een mond hadden gekregen om vragen te stellen. "En om te eten", antwoordde ik ooit. Het waren de jaren waarin je altijd honger leek te hebben.    Ondertussen hebben de gele hesjes afgerekend en ben ik aan de beurt. Er liggen nog een paar stukjes. Och, waarom niet?  

Rudi Lavreysen
0 0

Noten Kopen

‘Ik ga een boek schrijven,’ zei de eekhoorn. Haar pluizige staart wiebelde heen en weer van enthousiasme.De mier keek op van zijn boek en hield zijn hoofd scheef. ‘Een boek?’ vroeg hij.‘Ja, een echt boek,’ zei de eekhoorn beslist.De mier wiebelde even op zijn stoel en zei toen: ‘Daar kan je toch geen geld mee verdienen?’ Waar ga je dan noten mee kopen voor je middagmaal?’‘Geen idee.’ zei de eekhoorn. ‘Ik verzin wel iets.’De mier fronste zijn voelsprieten. ‘Iets verzinnen? Wat ga je dan eten? Waar ga je dan dat huisje mee bouwen waar je al zo lang over praat?’‘Ik heb eens nagedacht,’ zei de eekhoorn ‘Een eigen huisje lijkt me beslist heel erg fijn, maar ik denk toch dat ik er gelukkiger van wordt als ik een boek zou schrijven.’De mier zuchtte een paar keer diep. ‘Met geluk kan je niks kopen en al zeker geen noten.’‘Toch wil ik een boek schrijven,’ zei de eekhoorn. ‘Noten en huizen zijn leuk, maar zelf iets maken dat lijkt me nog leuker.’De mier schudde heftig met zijn hoofd. Wat haalde die eekhoorn toch allemaal in haar hoofd.‘En er is meer!‘ ging de eekhoorn verder ‘niet alleen ik word gelukkig van dat boek, ik maak er ook nog een heleboel andere dieren gelukkig mee. Iedereen wil toch gelukkig worden?’De mier liet zijn hoofd in zijn voorste pootjes zakken. ‘Nou nou,’ monkelde hij ‘denk jij echt dat je andere dieren zitten te wachten op dat boek van jou?’‘Tuurlijk wel,’ zei de eekhoorn. ‘Het wordt echt een heel mooi boek.’De mier kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘En waar mag jouw boek dan wel over gaan?’ vroeg hij aan de eekhoorn.‘Over de olifant en de kat die samen naar helemaal Amerika reizen. Wat een avontuur!’ zei de eekhoorn enthousiast.‘He bah!’ zei de mier fel. ‘Amerika, dat is zo ver.’‘Of Mechelen, ’zei de eekhoorn snel. ‘Mechelen is niet zo heel ver weg.’‘Doe dan maar Mechelen’ zei de mier. ‘Daar kan je tenminste nog mooie historische gebouwen bezoeken.’De eekhoorn dacht even na. Daarbij pulkte ze geconcentreerd aan haar staart. ‘Goed,’ zei ze toen beslist, ‘dan gaan ze naar Mechelen.’De mier knikte tevreden.De eekhoorn nam pen en papier en begon naarstig te schrijven. De mier keek toe. Hij begreep nog steeds niet goed hoe dieren gelukkig konden worden van een boek.‘Denk je echt dat andere dieren ook gelukkig gaan worden van jouw boek?’ vroeg hij de mier na een half uur te hebben gezwegen.‘Ja hoor, ‘zei de eekhoorn, ‘want de kat is heel lief en de olifant heel grappig.’‘Oh ja?’ vroeg de mier ongelovig.‘Ja,’ zei de eekhoorn ‘en Mechelen is echt een heel boeiende locatie. Dank je voor die goede raad trouwens.’Zo bleef de mier de hele avond kijken naar de eekhoorn die schreef. Soms giechelde de eekhoorn in zichzelf. Soms pinkte ze tranen weg van de mooie avonturen die ze aan het schrijven was, maar altijd bleef er een glimlach om haar lippen hangen.Goh, dacht de mier, misschien heeft de eekhoorn wel gelijk: misschien word je wel écht gelukkig van boeken schrijven.(geïnspireerd door de verhalen van Toon Tellegen)

Ans DB
51 1