Lezen

Vierde brief aan mijn zoon

Vierde brief aan Louie Leviticus 6.57 tot 9.23   Terwijl je wel al kunt communiceren, kan je nog niet praten. Geen paniek, dat kan nog niemand op jouw leeftijd. Sterker nog: jullie negen weken oude monstertjes, missen nog een algeheel taalbesef. Ik vraag me dus oprecht af wat er dan wel in je hoofdje omgaat. Zijn je gedachten wazige droombeelden; je gevoelens de meest pure gewaarwordingen? Als je naar me lacht, spreek je dan bij gebrek aan letters, woorden en zinnen de enige echte taal der liefde of mag ik mezelf als papa nog niet zoveel eer toedichten? Er staat je nog wat te wachten jongen. Taal is immers al te vaak frustrerende onmacht om ladingen te dekken, maar evengoed zalig buiten de lijntjes van de realiteit kleuren. Taal is harten veroveren en geesten betoveren; het is alles tussen aartsgevaarlijk en pure schoonheid. Dromen bijvoorbeeld, waarover gaan die op jouw leeftijd in jouw taalloos universum? Ik gok op een vage mengelmoes van mensen die je de hele tijd liefkozend aanspreken met Chewie Chewbacca, eeuwig propere kleren met sokjes van dezelfde kleur die gewoon wél allebei urenlang blijven zitten, in woonkamers boordevol overvolle borsten. Nu ik er zo bij stilsta: minimaal verschil met halfmannelijke dromen tussen je twaalfde en je achttiende.   Taal kan trachten de werkelijkheid als in een worsteling stabiel te houden om ze lamgelegd te vereeuwigen in formules en definities. Toch bewandelen werkelijkheid en taal veel vaker aparte paden en omwegen. Zo zit onze vocabulaire volgepropt met zegswijzen, spreekwoorden en metaforen die we vaak onbewust gebruiken. Wolkenkrabbers zijn gebouwen zo hoog dat ze aan de wolken krabben. Huismussen, pechvogels, proefkonijnen, kippen zonder kop zijn warempel geen dieren maar mensen. Het gaat ver hoor, Louie! Bomenknuffelaars en geitenwollenssokkendragers die in komkommertijd muggenziften en mierrenneuken over huisjesmelkers zeggen dat het vijf voor twaalf is maar botsen op een dovemansgesprek en struisvogelpolitiek omdat ze van een mug een olifant zouden maken.   Taal is dus een onophoudelijk feest! In het Shakespeareaanse dialect van mijn geboortedorp Beveren, zegt men bijvoorbeeld: ‘Keenders: asse joonk zin zudde ze willen opfretten, a se our woure krigde spijt dagget nie gedoun et.’ Vrij vertaald: ‘ Kinderen: als ze jong zijn zou je ze willen opeten, als ze ouder worden, krijg je spijt dat je ‘t niet gedaan hebt.’ Zo’n ogenblikken van ‘willen opvreten’ zijn trouwens niet zeldzaam. De lastigste situatie om te vermijden dat ik mijn vertedering letterlijk zou verteren, is wanneer je eigenlijk moet slapen maar aan de geluidjes en bewegingen vanuit de wieg te horen, daar even geen zin in heeft. De fopspeen (nog zo’n woord waarbij ik nooit echt bij heb stilgestaan dat je de baby daar daadwerkelijk mee ‘fopt’) moet dan door een sluipende ouder tot in zijn mond gebracht worden. Geruisloos als een paracommando begeef ik me dan richting wieg, gluur ik van achteren net over je rieten dakje, steek zorgvuldig mijn hand uit zoals een spin haar vlieg benadert en doe de speen in je mondje. Zo goed als elke keer mislukt dit. Je opent dan net op tijd jouw ogen om mijn terugtrekkend gezicht te fixeren en me met zo’n gulzige lach te verwelkomen dat ik je wil… opeten is het niet echt. Ook hierin schiet taal tekort. Ik wil zoiets als de vage grenzen van de menselijke huid opheffen en op atomair niveau versmelten. Ik wil één worden, met je samenvallen, samen vallen doorheen era’s en lichtjaren en zwarte gaten tot we de historische ballast afwerpen, de onvermijdelijke onmenselijkheid van mensen en de zorgen over de toekomst kunnen uitbannen. Louie, met taal ridderlijk aan onze zijde, wil ik de korrels uit zandlopers onvindbaar leeggieten in verloren gewaande woestijnen, Pietje de dood omkopen om Vadertje Tijd om te leggen en de wereldklok pauzeren om voor eeuwig van ons momentje te genieten. Ik wil het heelal met ezelsoren op in de hoek zetten en geschiedenis herschrijven tot één enkele zin waarin mijn liefde voor jou als een dikke laag graffiti de ganse aardbol verfraait. Maar telkens wanneer we eventjes voor altijd in dit liefdevol vacuüm vertoeven, klopt de werkelijkheid onverbiddelijk aan -gebukt onder een historische erfenis van tekortschieten staat ze voor de deur met in haar vermoeide armen de onvervulde droom waarin alle kinderen met evenveel welvaart, vrede en liefde omringd worden als jij.   Ik wil je alles en meer geven, Louie, maar wat ik je het allerliefst had willen bieden, is niet voorhanden: geboren worden in een wereld waarin kansarmoede kansloos is, alle bloedvergieten voorgoed vergoten en slechts eén uitgestorven diersoort, de geldwolf. Ik kan wel pogen je via taal over een wereld te vertellen waarin Vladimir, Kim Jung, Recep, Bashar, en Donald onderbetaalde poetsmannen zijn, waarin natuur koningin is met mensen als onderdanen, maar na dit talig uitstapje moeten we onverbiddelijk terug naar de onverbloemde werkelijkheid. Ja, kleintje, papa houdt van grootspraak, maar dat is waarschijnlijk om zijn eigen beperktheid te camoufleren.   Louie, hoewel je nog aan de borst hangt, krijg je al veel op je bord. Je bent nog te jong om te jongleren met woorden en alle metaforen te tellen in bovenstaande brief. Dus geen haast hoor. Je bent tenslotte nog maar negen weken oud.

Joachim Stoop
0 0

Vijfde brief aan mijn zoon

Lieve Louie, je hebt nu al vier brieven achter je nog onbestaande kiezen. De eerste ging natuurlijk over je geboorte, jouw eerste levensweek en de start van mijn tweede leven. In de volgende had ik het over zintuigen, meer bepaald de kracht van aanraking. In de derde stond mama Fien centraal en de vierde zwoegde met de macht en onmacht van taal. Genoeg verstoppertje gespeeld dus: tijd om eindelijk te tonen wie je papa is. Je papa is rustig, warmbloedig, en toch heetgebakerd. Ik kan me moeilijk verzoenen met sterfelijkheid en onomkeerbaarheid. Ik ben trots, met een grote angst om pretentieus of arrogant over te komen. Ik ben slordig in wat me koud laat en perfectionist in mijn passies. Mijn zelfzekerheid en onzekerheid organiseren dagdagelijks een wedstrijdje worstelen.  Wacht, nu maak ik het mezelf veel te gemakkelijk. Laat ik enkele aspecten feller belichten: Ik ben een typische voorgerechtenman. Ruim de tijd nemend overschouw ik de mogelijkheden, breng mijn associatieve geest aan de kook en experimenteer met passende combinaties. Vaak is het lekker, soms mislukt het. Maar who cares? De weg is belangrijker dan de bestemming; vrijheid essentiëler dan juistheid; het samenstellen crucialer dan het smakken en smaken. Je mama daarentegen is een dessertvrouw. Met het kookboek opengeslagen, gewogen ingrediënten en afgestreken lepeltjes verzilvert ze het gerecht dankzij haar goede zorg en precisie. Indien dit koud klinkt, zie het dan als roomijs na een middagje speeltuin: verfrissend en toch zoet. Soms durft ze er wel eens een snufje zout , een blaadje basilicum of een chilipeper toe te voegen, want uiteindelijk is zij wilder, creatiever en gekker dan papa. Ik ben een geheugenman. Ik heb sowieso een waanzinnig waterdicht geheugen. Ik ken de naam nog van het Franse dorpje dat ik op mijn tiende in Frankrijk met mijn ouders bezocht én wat we daar aten én welke chateau’s we bezochten. Van een totaal andere dimensie zijn mijn herinneringen over twee dingen: de leeservaring op mijn dertiende van Tolkien’s In de ban van de ring en mijn eerste Indiareis tien jaar geleden. Ik kan de rest van mijn leven blijven vertellen over het belang hiervan voor mijn essentie én over de intensiteit van de gewaarwording van het her-inner-en: het opnieuw naar binnen loodsen van wat ooit was. Zie het als stokpaardjes die in eeuwig groene grassen grazen als evergreens op grijs gedraaide groeven van LP's op zolderkamers. We hebben voor dit soort diepe en scherpe herinneringen andere begrippen nodig. Hetzelfde met woorden als liefde en verdriet, rouw en geluk die verre van ver genoeg kunnen grijpen omdat ze al te vaak hun stempel hebben gedrukt in meer dagdagelijkse context. Het kussentje inkt is dus al opgedroogd. Sommige gevoelens en verlangens vergen verf. Ik ben en blijf jeugdig enthousiast en dankbaar. Druppelsgewijs kan ik van dingen blijven genieten: dat tomaat totaal anders smaakt dan aardbei, hoe ons appartement uitkijkt op een park, over hoe Booksounds mijn twee grootste passies verzoenen, over het schrijven voor het tijdschrift waarvoor ik vroeger elke donderdagochtend met mijn zus om vocht om het als eerste te pakken te krijgen; over het feit dat ik van mijn ouders een opvoeding heb genoten met een onevenaarbare balans tussen warmte en verwachtingen, vrijheid en grenzen. Over die ene dag waarop ik de trein heb genomen richting Amsterdam om uiteindelijk totaal onverwacht in de zetel naast de vrouw van mijn leven te belanden, over dat jij er bent en dat we leven… Ik ben hypocriet. Als hypocrisie betekent dat wat je doet omgekeerd evenredig is met wat je weet en zegt, dan fiets ik vooraan in het peloton der schijnheiligen, in achtervolging van een nooit meer in te halen kopgroep van Brusselse politici die geld voor daklozen in eigen zak steken, priesters die met de ene hand naar de hemel wijzen terwijl ze met het andere geniepige handelingen onder het altaar doen en zowat elke regeringsleider die de vinger wijst naar corrupte regimes terwijl ze met het ander hand er stiekem geld van aanneemt voor wapendeals. Die Oxfam-medewerkers met hun minderjarige sexfeestjes in het zwaar getroffen Haïti bevinden zich al lang over de finishlijn.  Maar ik ben dus hypocriet. Dat ik wellicht tot de meest hypocriete generatie ooit hoor, verzacht dit slechts gedeeltelijk. Wij zijn het vol in de zon badende, globetrottende, benzine tankende, vlees verslindende, huizen bouwende volkje dat de laatste 10 jaar stuiterend tegen zowat alle lampen en muren is gelopen. Wij, plastic people, kwamen, zagen, overwonnen … en lieten een berg smerigheid achter. Wellicht zijn we ook de meest welvarende, gefortuneerde generatie ooit, maar hebben te laat ontdekt dat je het nooit massaal goed kunt hebben in een moreel en ecologisch vacuüm. Welvaart bestaat niet zonder bloederige vertakkingen en doornige wortels in vreemde gronden. We hebben met mondjesmaat geleerd dat zowat voor elke lach hier een zweetdruppel of traan elders neerdaalt; dat mijn hoera bij een geslaagde shopping dag andermans tragische werkdag kan betekenen; dat mijn hedonistisch leventje een ecologische prijs kent. Zoals de eerste wet van theormodynamica stelt dat geen energie ooit verloren gaat of uit niets kan ontstaan, is er ook op mensenmaat geen actie zonder repercussie. Als er al sprake is van yin en yang is het dit wel: voor wat je neemt, wordt meestal ergens wel een offer gebracht door natuur of onzichtbare medemens. Ondanks dat ik dit allemaal weet en al jaren opschrijf, blijf ik gretig nemen. Ik bestel online kleren; ik mijd niet consequent genoeg plastieken verpakkingen; als het regent en ik moet veel boodschappen tillen, neem ik soms de auto; als ik merk dat mijn vliegticket naar Engeland minder dan de helft kost van een treinticket smelten mijn principes als sneeuw voor de zon. Blijkbaar is de hardnekkige aanlokkelijkheid van consumptie sterker dan mijn wilskracht. Het is zo moeilijk om dit patroon te doorprikken, zelfs nu jij hier bent. Het is dus afkicken hoor, dat grenzeloze kapitalisme! We hebben onze aardbol dermate dolgedraaid dat de natuur de kluts kwijt is en de mens duizelig ronddwaalt. Ik heb hier een vies vuil steentje aan bijgedragen, terwijl jij en je (klein)kinderen de boel moeten zien op te kuisen. Pompen of verzuipen. Daarvoor is geen verontschuldiging doortastend genoeg. Ik ben papa Joachim. Hoe wonderlijk te merken hoe mijn liefde voor jou nog dagelijks kan toenemen. Dubbel wonderlijk omdat dit merkbaar groeit tot iets onvergelijkbaar met mijn liefde voor je mama. Liefde heeft meer gezichten dan ik dacht en het jouwe geeft me levensvreugde. In je gezicht begin ik ook meer fysieke gelijkenissen tussen ons te zien. Hoe je blik angstig verfrommelt als je in een warm badje wordt ondergedompeld en hoe het erna traag opklaart bij gewenning. Dezelfde smoel die we trekken als jij die vieze vitamine K ingelepeld krijgt en ik op pakweg zondagochtend een vies bruistablet naar binnen giet. En niet te vergeten: de groei van je voetjes zit boven de curve. Als je nu over mijn hypocrisie terecht denkt dat het niet te laat is om te veranderen, zeg dan niet: ‘geen haast hoor’, want ik ben tenslotte al negenendertig jaartjes oud.  

Joachim Stoop
0 0

Zesde brief aan mijn zoon

Lieve Louie,   wanneer jouw uitbundige lach me vanuit de wieg tegemoet komt, zie ik wat vele volwassene najagen: volledig ontdaan van het eigen ik naar hogere sferen opstijgen en zichzelf eventjes vergeten. De beoogde terugkeer naar dit oergevoel kent vele gezichten: de roes van alcohol, de shanti van meditatie, de hitte van passie, de magie van muziek, de knal van kunst, de zzzing van drugs, de steun van religie, de troost van schoonheid en de schoonheid van al deze troost. Overal op deze aardbol liggen dingen verspreid die je de vaste grond van alledag kunnen doen ontstijgen. Als eenmaal je venster op de wereld wat meer samenvalt met de brede horizon, zal je beeldige gebouwen, schitterende schilderijen en ware woorden aantreffen. Van de metamorfosen door Ovidius, Kafka, Philip Glass tot een rups die zich geduldig tot vlinder ontpopt: de wereld is zo rijk, Louie, vol met schatten waarvan je zegt: ‘enkel en alleen al dit muziekstuk, deze voorstelling, dit kunstwerk maakt mijn leven het leven waard.’ Toen ik bijvoorbeeld de laatste bladzijde van Richard Powers’ epische roman ‘Het zingen van de tijd’ had gelezen, was ik een tikkeltje teleurgesteld. Dit had immers voor mij het boek der boeken kunnen worden indien de auteur op het eind was teruggekomen op een bepaalde scène van eerder in zijn roman. Toen ik achteloos een pagina verder bladerde, zag ik pas de epiloog. Met mijn gezicht doorweekt met tranen las ik de verwerkelijking van het door mij gesmeekte slotstuk en bedacht ik voor de zoveelste keer: ‘een goed boek lezen is gelijk aan een extra gewonnen leven.’ Ook de mmm van muziek, musea en voor sommigen van een misviering (met één ‘s’) kunnen deze rijkdom aanstippen. Het is vreemd hoor: je hele leven zal je worden gevraagd hoe het op school gaat of wat voor werk je doet, terwijl de dingen die er écht toe doen amper de moeite van het polsen waard Blijken. We hebben onze baan, status, positie tot platgetreden hoofdweg gepromoveerd terwijl we uiteindelijk allen hunkeren naar zijpaden waarin we mogen verdwalen. Als je ooit op een afgelegen camping met je beste vrienden naar de sterrenhemel tuurt en nageniet van een zomerdag waarop je in een autorit vergezeld van Pink Floyd tussen kerkjes en musea leek te dwarrelen, zal je begrijpen wat papa bedoelt. Geloof me, het licht wat tijdens die roadtrip invalt op de glooiende heuvels en samenvalt met een specifieke geur van bloemen, zal je langer bijblijven dan eender welk schoolrapport (waarmee je vader niet wil zeggen dat je daar je best niet voor hoeft te doen ;-) Alle wegen leiden niet naar Rome, maar naar boven. Het is de zwaarte, de kracht, de zwaartekracht van alledag die ons in het hier en nu houdt. Ik denk dat we allen een onweerstaanbare drang meedragen om te versmelten met wat groter is dan onszelf. Dit opgaan in het geheel sijpelt door in patriottisme, winkelcentra, bedevaartsoorden, wereldkampioenschappen. Oh, wat vormen we graag een -liefst onmisbaar- puzzelstuk van een geheel wat we bewonderen of waarin we ons thuis voelen.   Dit klinkt wellicht allemaal heel ingewikkeld voor je. Sommige dingen zijn gelukkig ook verbazend eenvoudig. Je mama vroeg me vandaag bijvoorbeeld wat ik het leukste vind aan papa zijn. Na even nadenken, zonder echt te twijfelen, noemde ik de aanraking en jouw lichaamswarmte. De manier waarop je, zoals de cadans van aanspoelende golven, met je mond tegen mijn wang ademt. Elke dag wordt de (her)ontdekking aangescherpt dat tastzin de puurste vorm van ervaren is. Je zal het later nog aan je huid merken als je diep geraakt wordt wanneer je je favoriete liedje uit je puberteit onverwacht terughoort of als je over een heuvel rent en op de top bijna opstijgt van geluk bij het goddelijke landschap rondom je. Kippenvel is het uithangbord van de ziel. Je huid is je huis. Vanaf dag één communiceren onze huiden als twee aparte golven die lang genoeg over elkaar vloeien om te beseffen dat ze uit hetzelfde water bestaan. We klikken, Louie. Als magneten. Jij de plus, ik te min. Louie, als we later in de natuur lopen, zal ik je vertellen hoe je een bos zowel kunt zien als bos op zich, maar ook als som van bomen, en bomen als som van bladeren en takken, en bladeren als som van nerven. Een bos is kunst van de hoogste orde en de mens is een machtig wezen met een aangeboren vrijheid van in- en uitzoomen op deze kunst. Je ogen, oren, neus en mond zijn sleutels waarmee je schatkisten opent. Met je huid de boomschors aaien is aarden. We zullen onze ogen sluiten en de wereld als een verdwaalde strandbal loslaten. Ik zal je zeggen dat het grootste wonder op aarde de aarde zelf is. Dat de boom voor onze neus ringen in haar stam draagt die stroken met onze planeet één keer rond de zon. Dat hier honderden jaarringen geleden net als wij een andere vader en zijn zoontje stonden met handen vol schors en koppen even zonder kopzorgen. En jij ...jij zal me vragen wanneer dat beloofde ijsje er nu eindelijk aankomt. Je bent een mens; een druppel in de mensenzee. Mensen zijn onderling uniek, maar ook als soort zijn we onvergelijkbaar. We zijn de enige dieren die werkelijk beseffen dat ze leven en dat er zoiets als tijd bestaat, hoewel ook wij moeten roeien met de riemen die we hebben. Zo las ik in De werkelijkheid is niet wat ze lijkt van fysicus Carlo Rovelli dat we ‘tijd’ enkel ervaren omdat ons brein te beperkt is. Met hersenen die honderd procent compatibel zouden zijn met natuurwetten en universum, zouden vroeger, nu en later gewoonweg niet bestaan. Tijd tikt dankzij -niet ondanks- ons. Tijd voelt soms aan alsof ik de godganse -tja- tijd een heel zacht, quasi onmerkbaar duwtje in mijn rug krijg. Steeds maar vooruit. Ik kan wel achterom kijken, maar nooit rechtsomkeer maken. Tik tik tik duw duw duw stap stap stap… Even stilstaan bij het hier en nu is dus ironisch genoeg juist halt houden bij het besef dat we vooruitgaan. In het moment leven is het traag voorbij zien gaan. Zo is de mens de maat van alle dingen. Met uurwerk, beitel, pen(seel), dirigeerstokje in de ene hand en jammer genoeg met wapens in de andere geeft hij door de geschiedenis heen de maat aan. De Homo Sapiens schept Goldberg-Variaties en goelags, Guernica als slachtpartij en als schilderij, machtig grote piramides en de slavenarbeid die hun bouw moest bewerkstelligen. Louie, geloof me: er is niks mooier en er is niks lelijker dan de mens. Ik hoop, dat je met jouw leventje de mooie kant op kruipt, stapt, loopt.   Indien je me later vraagt: ‘Papa, waarom leven wij?’ heb ik geen idee. Jouw zoektocht naar wijsheden zal sowieso wijzer zijn dan je bestemming. Daarin zal ik je proberen loslaten. Waar ik je iets nadrukkelijker in de juiste richting wil sturen, is bij de vraag: ‘Papa, hóe moeten we dan leven?’ Kunst, religie, filosofie staan hoog, maar ethiek staat er wat mij betreft boven. Er is niks mooier dan iets moois doen voor een ander. Ook dat is kunst. Maar ik moet toegeven dat ik deze levenskunst zelf te weinig toepas. Het is ook voor mij moeilijk om geen kind van mijn tijd te zijn. Een tijd die te fel wordt overschaduwd door zelfzucht en een hartvochtigheid die hartelijkheid als naïef bestempelt. Alsof onze blik op de medemens standaard op selfie staat. Hoe zal ik je kunnen uitleggen dat er op jouw geboortedag ouders aanspoelden aan de voorspoedige oevers van Europa -misleid door vuurtorens die wereldwijd Verlichting uitstralen. Vluchtelingen die denken eindelijk veilig voet aan wal te zetten om meteen weg te zakken in een moeras van kille tentenkampen en dito onthaal, met baby’s in ontrafelde draagdoeken negen maanden daarvoor verwekt in schuilkelders waar mama en papa hun huiden lieten dansen en zingen tegen de donderslagen van de hel daarbuiten. Kinderen geboren als een speldenprikje hoop, een restant warmte, een middelvinger naar dood en verderf. ‘Hadden die mensen dan iets fout gedaan?’ zal je me vragen. ‘Konden jullie niet meer doen voor hen?’ Mijn mond vol tanden zal boekdelen spreken. Ik weet niet wat er lastiger wordt: die keerzijde van de wereld verdragen ... of ze je verklaren. Ik wil je alles en meer geven, Louie, maar wat ik je het allerliefst had willen bieden, is niet voorhanden: geboren worden in een wereld waarin kansarmoede kansloos is, alle bloedvergieten voorgoed vergoten en slechts één uitgestorven diersoort: de geldwolf. Ik kan wel pogen je via taal over een wereld te vertellen waarin Vladimir, Kim Jung, Bashar en Donald onderbetaalde poetsmannen zijn, waarin natuur koningin is met mensen als onderdanen, maar na dit talig uitstapje moeten we onverbiddelijk terug naar de onverbloemde werkelijkheid. Ja, kleintje, je vader houdt van grootspraak, maar dat is ongetwijfeld om zijn eigen beperktheid te camoufleren.   Ik heb het gevoel dat ik je met deze brief alles en niks heb verteld. Ik weet zelf niet goed wat je uit deze woordenbrij kunt opvissen. Wat ik je vooral wil zeggen is dat het leven de moeite waard is, dat kunst overal is, Vadertje Tijd relatief en Moeder Natuur absoluut. En dat je op je schattenjacht het goede moet proberen doen voor andere schattenjagers. Terwijl je nu nog hooguit pap drinkt, krijg je hier wel al een hele boterham op je bord. Neem dus rustig de tijd om lekker te zoeken, verdwalen, schatten delven. Geen haast hoor, je bent tenslotte nog maar zes maandjes oud.   Veel liefs, je vader Joachim   Ps. Volgende keer schrijf ik over liefde. Dat is véél eenvoudiger.

Joachim Stoop
0 0

Wereldloper

Gefascineerd staarde Edie naar de rozige, zachte armen en lange, dunne vingers die vanaf nu de hare zouden zijn. Pas toen ze voorbij de douane waren, hadden haar bewakers haar handboeien af gedaan. Afscheid nemen van het zuurstofmasker was daarentegen voorlopig nog niet aan de orde. Langzaam pompte het ding gelijkmatige hoeveelheden zuurstof in Edie’s nieuwe longen. Edie wreef over haar polsen en wierp de bewakers een vuile blik toe: twee stuks, elk van een identieke hoogte, gehuld in hetzelfde grijsgroene uniform. De ene hield zijn badge voor de scanner tot de machine met een piepgeluid aankondigde dat ze mochten doorlopen. De andere klikte de handboeien weer in zijn broeksriem, nam Edie bij de bovenarm en loodste haar door het poortje. Met één vinger duwde ze voorzichtig op de rode plekken die op de plaats van de metalen ringen waren ontstaan. De pijnlijke sensatie die ze ervoer was er eentje die compleet nieuw was voor haar. Eén van de vele ongemakken die bij dit vreemde lichaam kwamen kijken. De gedachte aan haar eerste toiletbezoek enkele dagen geleden deed de haren op haar arm nog steeds overeind komen.“Aardemensen doen wàt met dit ding?” had ze vol walging en ongeloof gevraagd toen ze haar naar het kleine kamertje met de witte marmeren stoel hadden gebracht.“Het went wel.” had de bewaker schouderophalend geantwoord, alvorens hij haar genadeloos een kwartier had opgesloten. Je behoefte doen. Een pitstop houden. Geen wonder dat aardemensen er zo veel eufemismen voor bedacht hadden, dacht Edie huiverend.Geflankeerd door haar begeleiders, gleed Edie langs een eindeloze roltrap naar boven. Een gigantische glazen ruimte kwam langzaam in beeld. Roltrappen kruisten elkaar in alle richtingen, zo ver naar boven als ze kon zien, een kluwen glanzende stalen draden in een oneindig spinnenweb.Langs alle kanten stroomden wezens van allerlei werelden, al dan niet vergezeld van groene uniformpjes, de ruimte binnen. Van sommige soorten had Edie al eens gehoord, andere herkende ze totaal niet. Het harige bruine geval dat op zijn achterpoten een steile roltrap afdaalde tegenover hen, was een lychantroop, wist ze. Ze herinnerde zich het plaatje in haar schoolboek, maar de details over zijn soort, zijn dieet, zijn thuiswereld, waren al lang vervlogen. Het was nog maar enkele eeuwen geleden sinds Edie’s tijd op de schoolbanken, maar het leek nu plots veel langer. Een vorig leven.“Welkom in het Geantropisch Integratiecentrum.” kondigde een warme vrouwenstem aan. “Het zuurstofgehalte is 12 procent. De temperatuur is 21 graden Celsius. We wensen u een aangenaam verblijf.”Haar bewakers brachten haar een gang door, een trap af, een andere trap weer op. Aan het eind van een volgende gang doemde een massieve dubbele deur op. ‘Examinatieruimte’ prijkte er op een metalen plaatje. Edie slikte. De bewaker aan haar linkerarm stak zijn badge uit naar het uniformpje dat post had gevat bij de deur. “Geantroop?” vroeg de opzichter met een knik in Edie’s richting.De bewaker schudde zijn hoofd. “Veroordeelde in geantropische vermomming.”Met zijn beide handen tastte de opzichter over Edie’s armen en benen. Alsof ze het in haar hoofd zou halen om iets te proberen, nu ze al zo ver gekomen was. Hij knikte en deed een stap opzij. De deuren werden geopend met een druk op de knop. Een duwtje in de rug deed Edie een stap naar binnen zetten. De deuren sloten zich meteen weer achter haar.De ruimte was zo helder dat Edie’s ogen zich vanzelf een beetje dicht knepen. Witte muren. Witte tegels op de vloer. Ze weerkaatsten het licht dat binnenviel door de hoge ramen. De zon, besefte Edie. Ze had erover gelezen, maar nog nooit had ze haar in het echt gezien. Ze voelde haar op de huid die als een nauwsluitende jas over haar ziel was geritst. Dit was de aardewereld. De magieloze gevangenis waar ze de rest van haar dagen zou slijten. Toch leken die paar ogenblikken in de zon haar magischer dan alles wat ze al ooit had gezien.“De examinator komt zo bij u.” Edie draaide zich om en zag een vrouw in een wit pakje verschijnen door een kleine deur in de hoek. Ze was geen aardemens, maar ze deed aardig haar best. Groenige huid, gele ogen. Soms wilde de transformatie gewoon niet lukken. Mensen zoals zij kregen netjes een baantje in het integratiecentrum. Het was even goed gevangenschap.De vrouw glimlachte vriendelijk en gebaarde naar de rij plastic stoeltjes tegen de muur. Dan draaide ze zich om en verdween.Edie zakte neer op een stoeltje en liet haar blik door de ruimte glijden. Enkele vergeelde posters aan de muur en folders op het tafeltje toonden informatieve boodschappen als ‘Relaties met aardemensen: gevaarlijk experiment of het begin van uw romantisch interwereldlijk avontuur?’ of ‘Aardewereldalcohol: alles wat u wilde weten over de effecten op uw ras!’ Wellicht moesten ze de ruimte minder klinisch doen lijken, maar tevergeefs. Edie wilde net een foldertje over tewerkstelling bestuderen, toen haar oog viel op het aardemeisje in het midden van de tegenoverliggende muur, omlijst door een sierlijke gouden kader. Boven haar hoofd dezelfde vergeelde posters, de letters vervormd en onleesbaar in spiegelschrift. Edie stond op, wandelde naar haar toe en bleef pal voor haar staan, zonder haar blik ook maar een tel van haar af te halen. Lange, koperkleurige krullen vielen in dikke lokken over haar smalle schouders. Geen marmeren huid maar een rozige teint. Weg waren de schubben op haar armen en wangen. Sproeten. Geen spitse snuit, maar een idioot wipneusje. Geen hoorns. Onwillekeurig zocht Edie’s hand op haar hoofd naar wat er niet meer was. Het vond alleen haar. Dik, ros, lelijk aardemensenhaar. Het enige wat van haar was overgebleven waren haar donkergroene ogen. Het zou nog even duren voor het niet meer vreemd zou voelen, had haar transitiebegeleider tijdens één van hun eerste sessies gezegd. Dat was zacht uitgedrukt. Edie had nog nooit gehuild.

S.E.T.
0 0

Profiteren

"We zullen er maar van profiteren", zeg ik op het terras, waar we zicht hebben op de zondagse rommelmarkt. "Het is misschien de laatste keer dit jaar", voeg ik er aan toe. Al besef ik meteen dat we dit de afgelopen weken al een paar keer gezegd hebben. Het mooie herfstweer blijft maar duren. "De bladeren vallen van de bomen omdat ze droog zijn. Niet omdat het herfst is", zegt de uitbater, terwijl hij onze drankjes op de terrastafel zet. Het moet gezegd, het zijn voortreffelijke terrastafeltjes. Ik weet niet of u ooit in Parijs geweest bent. Daar zie je dat soort ronde tafels overal. Ze staan dan ook bekend als Parijse terrastafels. In de lichtstad staan ze soms mooi op een rij, op het terras van een bistro.    “Zal ik de patron nog eens roepen?”, vraag ik iets later aan mijn vrouw. “Hoezo, de patron”, antwoordt ze. “Je kent toch zijn naam.” Ik wil zeggen dat ik me helemaal in Parijs waan, met die typische terrastafeltjes. En dat onze pa vroeger ook altijd patron zei. Maar mijn oog valt plots op de man die voor ons zit. Hij draagt een roze hemd met korte mouwen, een korte jeansbroek en gele gympies. “De weersomstandigheden laten het toe, maar met die vestimentaire combinatie doe je zelfs het voortreffelijke weer geweld aan”, zeg ik. Op de stoel naast hem zit zijn hond. Zijn kop steekt net boven de tafel uit. Hij kijkt alsof hij op een drankje wacht. Bovendien zit hij er zonder kussentje of deken. Nu ben ik geen viespeuk, maar daar ben ik geen absolute voorstander van. Het is misschien een gekke vergelijking, maar we hebben het er wel eens over als we wielertoeristen na een tocht van een paar honderd kilometer op een terras zien zitten. Met die bezwete koersbroeken. Ze kunnen toch eerst thuis een douche nemen. Maar dan ga je wellicht deur niet meer uit. Dat snap ik. Dan is de gezelligheid weg. Of ze mogen van moeder de vrouw niet meer weg. Dat snap ik ook. Soms moet je ervan profiteren.  

Rudi Lavreysen
19 0

Le Bohémien - 2 - Rondzweven in een stuk blik, en niks kunnen doen

Jan reist graag, maar kamperen? Toen hij nog met zijn ouders reisde, wees zijn moeder kampeerders aan met een minachtend knikje: ‘Daar, campingvolk’. Ze liet niet na daarbij te zeggen dat je ‘die soort’ herkende aan hun identieke trainingspakken in glanzende stof, dat zij in een tent sliepen waar ongedierte vrij baan had of in een caravan huisden met een schotelantenne erop en plastic tuinmeubels ervoor en ‘dat het toch altijd iets was met dat volk’ toen in de krant stond dat een camping werd geëvacueerd omdat hij bij hevig regenweer geïnundeerd was geraakt of in brand was gevlogen door een ontploffende tankwagen. Altijd iets, en dat had je niet op hotel. Toch niet als je, zoals zij, de beste hotels wist te kiezen.   Dus deed Jan cultuurreizen met zijn ouders, vrienden of zijn lief en sliep hij tussen schone lakens in een nette slaapkamer met een propere badkamer. Zo had hij onder meer Rome, Parijs, Kopenhagen en Firenze bereisd. Steeds op hotel. En liefst een hotel waar het personeel attent en vriendelijk was. Waar je dan ook voor betaalde, maar goed, het maakte het reizen niet alleen aangenaam, maar vooral ook draaglijk. Bovendien wist het hotel waar je een dokter of een ziekenhuis kon vinden. Dat gaf een gevoel van veiligheid dat hij wel op prijs wist te stellen.   Veelal boekten zijn ouders een kamer met uitzicht. Jan werd dan wakker, trok de gordijnen open en zag de ochtendzon op de Santa Croce schijnen. Of hij keek elke avond vanuit zijn hotelbed naar de kleurrijk verlichte Eiffeltoren.   Kamperen was Muriëlles idee. Zij ging als kind al kamperen met haar ouders en vier broers. Wanneer zij vertelde over hoe zij op haar veertiende in een tentje sliep met om zich heen de stilte van een Alpennacht, kwam er een dromerige uitdrukking op haar gezicht. En die veranderde in een enigszins geile blik in haar ogen als ze het over de kampeertocht had met Jurgen de speleoloog die met haar de diepe ondergrond van de Hardangervidda was binnengedrongen.   Was het die ene blik die Jan verrassend snel overhaalde om te gaan kamperen? Hij zag in elk geval niet in hoe hij drie weken met drie kinderen en een leger ongedierte zou overleven met enkel een zeildoek tussen hemzelf en de brute buitenwereld. Maar er zou een wereld voor hem opengaan beweerde Muriëlle.   En ze had gelijk. De automatische deuren van de kampeerwinkel schoven open, Jan aanschouwde eindeloze rekken vol kampeermateriaal en voelde zich meteen zo opgewonden als een kind in een speelgoedwinkel. Zakmessen met 88 functies, pepperspray om beren af te weren, een survivalmes om wild te villen én vuur te maken in het midden van het niets, zelfs bij regenweer. Een kompas met ingewerkte nagelvijl en tandenstoker. Dit was dus de plek waar échte mannen, die met de houthakkershemden, hun gerief haalden! Terwijl hij de inhoud van een EHBO-kit voor trekking en survival bestudeerde, maakte Muriëlle hem er attent op dat ze de bewoonde wereld niet zouden verlaten. Koken zouden ze doen op een kampeerfornuis met een kleine blauwe bidon butagas, slapen op luchtmatrassen met kampeerbeddengoed en er zou altijd wel een dorp met een apotheek in de buurt zijn daar in het zuiden van Frankrijk. Wat ze vooral nodig hadden, was een degelijke tent voor vijf personen.   Tot zijn grote ergernis duurde het twee uur om die tent te kiezen. Ze vroegen raad aan een verkoper, een ‘outdoor advisor’, die hen minstens zes tenten liet zien en zich geroepen voelde om er in detail uitleg over te geven.   Dit is een tent voor vijf personen.   Vijf?, vroeg Jan verbaasd. Dan zouden ze op elkaar moeten liggen, of allemaal op hun ene kant, als potloden op een rij.   Ja, een slaapruimte voor twee en een slaapruimte voor drie.   Ik zie hier nog geen vijf mensen in liggen.   Er is plaats voor vijf slaapmatjes, wij bij Outdoor rekenen altijd in slaapmatten, eigenlijk.   Wij rekenen in luchtmatrassen, eigenlijk.   O, dan zal het maar met vier lukken vrees ik.   Vrees ik ook, en ik vrees dat we drie kinderen hebben.   Dan zoeken we eigenlijk beter naar een andere outdooroplossing voor u.   Dat vreesde ik al, zei Jan en hij liet zich meevoeren naar tent nummer zeven.   Muriëlle vond dat hij bijzonder negatief was en dus nam hij zich voor om verder gewoon aandachtig te luisteren naar het gepalaver van de outdoor advisor over slaapcomfort, waterkolommen en scheurweerstand.   Het lukte hem niet. Hij zag zichzelf niet in een tent, in een slaapzak op een isolerend matje. Hij zag zichzelf niet in de buitenwereld. Hij zag zichzelf in een wereld van zacht beddengoed op de dikke matras van een antiek eikenhouten bed in een luxueuze hotelkamer. Hij zag zichzelf in een wereld van rust. Een wereld zonder kinderen, zonder Muriëlle. Een wereld waarin hij alleen verantwoordelijk was voor zichzelf, waar hij van niemand last had.   Hij staarde naar lichtgewicht potten en pannen en hoorde dat ze gemaakt waren uit hetzelfde materiaal als het hitteschild van de space shuttle. En hij knikte. En hij kreeg het beeld voor ogen van de space shuttle die de blauwe lucht in klimt, hoger en hoger, met achter zich twee witte strepen. De camera zoomt in. De space shuttle raast de oneindige ruimte tegemoet.   Jan zit in de cockpit van de space shuttle. Ingepakt in een astronautenpak, onbeweeglijk klemgezet in een kuipstoel, maar desondanks onverbiddelijk door elkaar geschud door het trillen van het ruimtetuig, achterovergedrukt door G-krachten, voortgestuwd op een bom vol brandstof. En hij vraagt zich voortdurend af wanneer die bom zal afgaan. Echte astronauten vragen zich niet af wanneer de raket uit elkaar zal spatten. Echte astronauten denken aan de protocols die ze moeten volgen om het ding de ruimte in te krijgen en aan de taken die zij straks in de ruimte moeten uitvoeren, zij kijken uit naar het eindeloze zwart, bezaaid met sterren en planeten, zij staan niet stil bij mankementen in het systeem en ontploffende brandstoftanks. Zij behouden het vertrouwen in de techniek, zelfs in de seconden voor de knal, als de wijzers in het rood gaan, talloze verklikkerlichtjes gaan branden en alarmerend gepiep de cockpit vult. Enkel astronaut Jan beseft de hele vlucht dat dit de laatste vlucht is, dat het ruimtetuig uit elkaar zal spatten als een ordinaire vuurwerkpijl.   Muriëlle vroeg of hij rood of blauw plastic servies verkoos.   Zwart, zei hij.   Er is geen zwart, zuchtte Muriëlle.   Blauw dan, antwoordde Jan   Ze nam rood, haar lievelingskleur.   Jan laadde een plooitafel en vier plooistoelen op hun caddy.   Je spat in een fractie van een seconde uit elkaar. Versplinterd, verkoold, verpulverd. Ze kozen een loodgrijze zespersoonstent met voortent en luifel. Jan voelt het uit elkaar spatten. Huid, bot, pezen, spieren, ingewanden en hersenen die in het astronautenpak alle kanten op vliegen. Wat net nog zijn lichaam was, is nu een brij die in het ijle verdwijnt.   Ze kochten lichtgewicht bestek, een opplooibare keuken, een gasvuur met bijhorende bidon butagas, een bommetje dat mee in de koffer ging, slaapzakken die je zelfs warm houden tijdens een poolnacht en eersteklas luchtmatrassen.   Zij gaven een astronomisch bedrag uit aan alles wat nodig was om veertien dagen huisje te spelen in openlucht. Ongeveer de helft van de spullen paste in de autokoffer. Jan liet zich door Muriëlle overhalen om een dakkoffer te kopen met een imperiaal om de dakbak bovenop de auto te zetten. Na een half uur geklungel met inbussleutels, op de parking van de buitenwinkel, for all to see, was het ding nog niet gemonteerd.   Muriëlle had dan al vijf keer gevraagd ‘Gaat het, schat?’. Bij de zesde keer trok Jan uit verregaande irritatie en pure frustratie een lange diepe kras in de autolak, gooide de inbussleutel een eind de parking op en tierde dat het godverdomme niet ging, nee! En toen moest de reis nog beginnen.   Wordt vervolgd …   © David Van Bambost - 03/09/2018  

David Van Bambost
18 0

Peter Pan

Peter Pan (in de slaapkamer van Rosalinde en James. Ze maken zich klaar voor een etentje met de familie. James heeft zijn vader nog geen enkele keer gezien.) R: Ben je nerveus? J: Nee. R: Waarom zweet je dan als een varken? J: Omdat het hier warm is. R: Nee, dat is het niet. Jack, je hoeft niet nerveus te zijn. We hebben al voor hetere vuren gestaan. En jack, niemand kan ontkennen dat je als twee druppels water op Jane lijkt. En zelfs als hij te blind is om dat te zien of je niet aardig vindt, wie kan het schelen? Mij in elk geval niet. Het maakt mij niets uit of je nu een prins, struikrover of een varkentje bent. J: Mij kan het wel schelen. Hoe kan ik een goede vader zijn voor onze zoon als mijn eigen vader me niet wilt accepteren? R: Nu komt het varken uit de mouw. J: Sneeuw… R: Je ziet het helemaal verkeerd. Jij zal hoe dan ook een geweldige vader zijn voor onze dochter met of zonder koning Bastian van Twin Wish. Dus stop met zo te piekeren. J: Dochter? R: Ja. Of allebei. J: Wat! R: Ontspan, ik maak maar een grapje. Het kon zo zijn. Het zit in de familie weet je. Be: Uwe hoogheden. U wordt verwacht voor het diner. R: Kom mijn varkentje laten we wat wassen. (in de eetzaal wachten koning Bastian, koningin Célia en prinses Jane op James en Roselinde.) C: Je moet niet nerveus zijn. P: Dat ben ik niet. … Misschien een beetje. Célia, ze hebben ons al misleid. Ik heb al… C: Ik weet dat we al verschrikkelijke dingen meegemaakt hebben maar Bas vertrouw je mij? P: Natuurlijk. C: Dan kan ik je vertellen dat ik zeker weet dat deze jongeman een diner van jou tijd waard is. Be: Uwe hoogheden, Prinses Rosalinde van Snowdale en Jack Peter Pan. R: Uwe majesteit. C: Roselinde, hoe voel je je? R: Goed, dank je. Zolang ik geen korset hoef te dragen ben ik ok. C: Bastian? P: De gelijkenis is inderdaad verbluffend. Ja: Ik weet het papa, geef hem een pruik en één van mijn jurken en hij ziet er volledig als mij uit. C: Jane Annabelle ik denk niet dat Jack één van je jurken wilt dragen. R: (fluistert in James zijn oor.) Het zou niet de eerste keer zijn dat je een jurk draagt. (Knipoog) (Iedereen zit aan tafel.) C: Wat vind je van de soep, Rosalinde? R: mmm… Heerlijk. P: Al lijk je heel veel op Jane dan nog moeten we zeker weten dat jij weldegelijk James bent.  C: Ok, we slaan de praatjes over. P: Er is een manier om te zien of jij de prins bent. Morgen zal je getest worden. R: Wat voor proef moet hij doorstaan. C: O, niets echt gevaarlijk, Roselinde. Ja: Erwten Jack? Hou je niet van erwten? J: We hebben er nog nooit gegeten. Ja: Nog nooit? Dan moet je ze zeker proberen. J: Mmmm… Ja: Lekker hé? J: Moet jij erwten hebben Jane? Ja: Nee bedankt, ik hou niet zo van ze. C: Jack ik hoopte, als het niet te veel voor je is, dat je ons jouw verhaal zou willen vertellen. J: Natuurlijk moe… natuurlijk uwe hoogheid. Het eerste dat ik me kan herinneren is dat ik op een schip woonde. De kapitein heette Haak omdat hij een haak in plaats van een hand had. P: Hij had een haak in de plaats van een hand? J: Ja, hij raakte hem kwijt in een gevecht met de krokodil. P: In een gevecht met een krokodil? C: Bas! J: Nee, uwe hoogheid, niet met een echte krokodil maar met de man die we zo noemden.  Toen ik zeven werd kon ik samen met een groep jongens ontsnappen van de boot. We hielden ons toen schuil op het eiland van de Krokodil ‘Nooitgedachtenland’. C: Hoe konden zo’n jonge jongens overleven zonder ouders om voor hen te zorgen. J: Er waren veel mensen op het eiland die voor ons zorgden en natuurlijk wisten we onszelf in leven te houden met stel… . P: Célia heeft me al ingelicht over je voormalige bezigheden. J: Het was er zo slecht nog niet. C: Wanneer ben je dan naar Snowdale gekomen? J: Alles veranderde toen zij kwam. C: Zij??? J: Wendy Schat. (Vele jaren geleden in Londen. De ‘Schat’ kinderen maken een wandeling met hun kindermeisje. John en Wendy lopen voorruit en spelen een rollenspelletje.) Jo: Arrr, wees bang, heel bang, want Rode Hand Jan komt je halen. W: O nee, spaar me Rode Hand Jan! Maar dan zal je me toch eerst moeten pakken. Jo: Kom hier kleintje. Wendy? Wendy? W: A, ik heb je te pakken Kapitein Rode Hand! Jo: Wendy, je moet me niet zo laten schrikken. Het is niet veilig hier alleen. W: Jij bent gewoon geïrriteerd omdat je verslagen bent door een meisje. Jo: Helemaal niet. L: John? Wendy? A hier zijn jullie sloebers. Jullie mogen niet zo ver alleen lopen. Jullie bezorgen mij nog eens een hartattack. Sorry Liza. M: Jullie waren opeens weg maar ik wilde ook mee spelen. W: Sorry Michael. We spelen als we thuis zijn. (Wanneer de anderen al verder lopen, komt een jongen uit de schaduw gekropen. Hij spreekt Wendy aan.) S: Psssst. Niet bang zijn. Ik ben maar een jongen. Hoe maakt u het, mevrouw? W: Ik zou niet alleen hier met een jongen mogen zijn. S: Ik zou me nooit aan je hebben laten zien als ik je verhaal niet had gehoord. W: Verhaal? S: Kapitein Rode Hand Jan en het meisje in nood. W: O dat. We waren gewoon aan het spelen. S: Vertel je verhalen mevrouw. W: Mijn naam is Wendy. Juffrouw Wendy. S: Wendy? W: Ik moet gaan. S: Wendy? Zou je me het verhaal willen vertellen, een andere keer, juffrouw Wendy? Uh… Morgen zelfde uur zelfde plaats? W: Ik weet niet… Ik zal erover nadenken. Jo: A, daar ben je. Wat stond je hier nog te doen? W: Niets. (Volgende dag gaat Wendy terug naar het steegje, waar ze Schaduw ontmoet.) W: Hallo? Ik heb niet veel tijd, maar ik wil je het verhaal wel vertellen. S: Dat zou ik fijn vinden. Hoe heet je? O waar zijn mijn manieren. Ze noemen mij Schaduw. W: Dat kan ik begrijpen. Nu het verhaal… Er was eens… (Een paar dagen later voor het slapengaan.) Jo: Wendy waar ga jij steeds naartoe op onze middag wandeling? W: Hoe bedoel je John? Jo: Hou je niet van den domme Wen. W: Ik ontmoet een jongen. Jo: Een jongen! W: Het is niet wat je denkt viespeuk. Ik vertel hem mijn verhalen en hij luistert. Jo: A, ik wil hem ook wel eens ontmoeten. W: Ik ben zeker dat hij het niet erg vindt als jij morgen meegaat. M: Ik wil ook mee! W: Nee, Michael jij moet bij Liza blijven zodat ze niet ongerust wordt. M: Maar ik mag nooit mee. W: Goed dan. Ik zorg wel voor een afleiding. En hup, nu in bed. Moeder komt ons zo een nachtzoen geven. M: Mag Nana ook mee? W: Nee, Michael. De hond is te groot en te opvallend. M: Maar hij kan heel stil zijn. W: Daar twijfel ik niet aan. Papa en mama: Goede nacht Wendy. W: Goede nacht papa, mama. Papa en mama: Goede nacht John. Jo: Goede nacht vader, moeder. Papa en mama: Goede nacht Michael slaap wel… . (De volgende dag op de middagwandeling.) W: Schaduw? S: Hallo, Wendy. Jo: Hallo! W: Ik hoop dat je het niet erg vindt dat ik mijn broers heb meegebracht. S: Helemaal niet. W: Waar waren we… (Liza merkt dat de kinderen weg zijn en wordt ongerust.) L: Wendy? John? Michael? Waar zijn die kinderen? Nana zoek! O, aan jou heb ik ook niets. Wendy? John, Michael? O, nu blijven ze wel heel lang weg. Ik ben ze echt kwijt. Meneer de agent! Ik ben opzoek naar 3 kinderen. A: Rustig mevrouw, ik help u zoeken. (Een aantal uur later. De kinderen worden thuisgebracht door Liza en de agent. Hun ouders staan hen in de hal op te wachten.) M: Mama! (Michael loopt in de armen van zijn mama. Papa spoort mama aan om niet te vriendelijk te zijn.) Papa: Mary… . Michael, ga met Liza naar je kamer. Wendy en John jullie blijven hier. Hoe konden jullie dit Liza aandoen. Jullie weten beter dan weglopen van haar. We waren doodongerust. Ik had meer verantwoordelijkheid van jullie verwacht. Als straf blijven jullie een week thuis. Geen middagwandelingen meer. En nu naar je kamer. Wendy, jij blijft nog even hier. Ik ben zeer teleurgesteld in je dochter. Jij bent de oudste en het wordt tijd dat jij je wat meer als een dame gaat gedragen. Wat deden jullie trouwens zo ver in de stad? W: We waren gewoon aan het spelen vader. We speelden mijn verhalen na. Papa: Verhalen? Wendy, je weet toch beter dan je broers hoofden vol te stoppen met die nonsens. Mama: George! Papa: Nee, Mary. Ze is te oud om zich met die dingen bezig te houden. Ik vrees dat ik haar te lang bij haar jongere broers heb laten slapen. Vanaf morgen krijg je een eigen kamer jongedame. W: Maar vader..! Papa: Geen gemaar. Dit is de laatste nacht op je oude kamer! Mama: George. Papa: Het is voor haar het beste Mary. Mama: En de jongens? Papa: Die moeten leren mannen te worden. Mama: Mannen? (Wendy komt huilend op haar kamer.) Jo: Wendy? W: Ik haat hem. Jo: Nee, dat doe je niet. Wat heeft vader gezegd? W: Dit is mijn laatste nacht in deze kamer. Morgen krijg ik een eigen slaapkamer. M: Zal je dan niet meer hier slapen Wendy? W: Nee, Michael. M: En kom je ons dan geen verhaaltjes meer vertellen voor het slapengaan. W: Als het aan vader ligt niet. M: Maar ik hou van je verhaaltjes. Jo: En Schaduw? Als we de hele dag thuis moeten blijven zullen we hem ook niet meer kunnen ontmoeten. W: Hij zal ons wel snel vergeten. Jo: Het spijt me Wen. W: Het is niet jouw schuld John. (Een nacht later. Wendy slaapt in haar nieuwe kamer. Schaduw staat voor haar slaapkamerraam.) S: Tik, tik, tik. Hallo. W: Schaduw? Hoe ben je helemaal hierboven geraakt? S: Ik kan goed klimmen. Laat je me erin? W: Waarom ben je hier? S: Ik heb je gemist deze middag. Dus ik dacht als zij niet naar mij komt, kom ik naar haar. Waarom was je er niet? W: We zijn gestraft. We mogen het huis een week niet meer verlaten. En ik moet in deze stomme kamer slapen. S: Jij hebt tenminste een kamer voor jou alleen. W: Heb jij dat niet dan? S: Nee, ik slaap in een kamer met veel jongens. W: Echt? S: Wil je het zien? W: Wat? Nu? Maar het is midden in de nacht. S: We zouden tot morgen kunnen wachten maar dan moet ik al vertrekken. W: Ga je weg? Waarom en naar waar? S: Omdat het moet van mijn vader. We gaan naar waar hij wilt gaan. W: Ik weet het niet. Het is niet zo verstandig om zo laat nog op pad te gaan. S: We reizen met een schip. W: Een echt schip? S: Ja, groot met witte zeilen, zoals in je verhalen. W: Ik ga met je mee. Zal ik John en Michael wakker maken? Dit willen ze vast niet missen. S: Doe maar. W: John, Michael wakker worden. We gaan op avontuur. Jullie moeten heel stil zijn. Jo: Wacht. Ik neem mijn hoed mee. W: Die zal je echt niet nodig hebben John het is de bedoeling dat niemand ons ziet. Jo: Een heer brengt altijd zijn hoed. Goed dan. W: Trek je jas aan Michael, het kan heel koud zijn. S: Hierlangs. (De kinderen sluipen het huis uit. Ze komen aan in de haven waar de boot van Schaduws ‘vader’ ligt. Een groot zwart zeil met doodshoofd wappert in de wind.) W: Wow, wat is dat schip mooi. S: Willen jullie aan boord gaan? W: Vindt je vader dat goed? S: Natuurlijk, hoe meer zielen hoe meer vreugd. We moeten wel zeer stil zijn want mijn vader en de bemanning slapen al. M: Eu… Wendy? (Michael ziet de piratenvlag.) W: Nu niet Michael, je moet heel stil zijn. (De kinderen gaan aan boord van het schip. Daar liggen vele jongens te slapen op het dek.) W: Wie zijn die jongens Schaduw. S: O, dat zijn mijn broers. Kom, dan laat ik jullie mijn kamer zien. (Zodra de kinderen in de kamer zijn, sluit Schaduw ze op.) W: Schaduw!? Schaduw!? Hou op met dit spelletje. Laat ons uit de kamer, we moeten naar huis. S: Maar Wendy, schatje, je bent thuis. W: Nee! Jo: Hij ontvoert ons. M: Ik wil naar huis Wendy. W: Ik vrees dat dat niet meer kan Michael. (Tegen Schaduw, achter de deur.) Je hebt ons erin geluisd. Jo: Dit is geen gewoon schip. Het is een slavenschip. W: Maar schaduw zei… Laat ons hier onmiddellijk uit! Ik wil je slaaf niet zijn. S: Maar Wendy jij bent mijn slaaf niet. John en Michael daarentegen… (Schaduw haalt Michael en John uit de kamer en laat Wendy alleen in de kamer achter. Schaduw presenteert hen aan Kapitein Haak.) H: Schaduw! Waar zit je etter. S: Hier kapitein. Ik heb verse jongens voor je. H: Ze stinken uren in de wind naar hun moeders parfum en hun vaders geldbuidel. Hier kan ik niets mee beginnen. S: Ze kunnen werken. H: Vetje! V: Ja~aa kapitein. Geef deze jongens een taak. Het is goed dat we al naar Nooitgedachtenland vertrokken zijn. Als ze toch nutteloos blijken kan ik ze nog gebruiken als haaienvoer. M: John!!! Jo: (Tegen Schaduw) Rat! (Tegen Michael) Hou vol Michael. (Enkele dagen later. Schaduw heeft meerdere keren geprobeerd om Wendy aan zijn kant te krijgen. Al die tijd heeft ze opgesloten gezeten in een kamer op het schip.) S: Wat? Geen vloeken, verwensingen of dreigementen meer? Ga je nu in een spreekstaking? Ook goed, als je niet schreeuwt lijkt het alsof je hier toch een beetje wilt zijn. Je moet begrijpen Wendy waarom ik je meegebracht heb. Normaal nemen we geen meisjes mee en al zeker niet van zo’n goede komaf. Maar jij bent bijzonder. Zo vol leven en fantasie. Je bent mooi en ruikt naar rozen. Ik heb nog nooit iemand zoals jij ontmoet Wendy. W: Raak me niet aan viespeuk. S: Op een dag Wendy zal je me wel willen kussen. Je wilt zo graag een kind blijven maar je zal ontdekken dat volwassen zijn veel leuker is. Tot vanmiddag! W: Ik zal eens wat zeggen schaduw! Zodra dit schip is aangemeerd zal ik maken dat ik ver weg van jou en al je leugens kom. S: Dan zal ik je weten te vinden Wendy. (Weer enkele dagen later. Het schip heeft ‘Nooitgedachtenland’ bereikt. John weet in de kamer te raken waar Wendy opgesloten zit. Wendy staat echter achter de deur met een tafelpoot en klopt ermee op Johns hoofd omdat ze denkt dat het Schaduw is.) Jo: Wendy? W: Aaaa. Jo: Auw. W: John?! Ik heb je zo gemist. Je ziet er niet uit. Jo: Bedankt. W: Hoe is het met Michael? Jo: Hij is er erger aan toe dan ik maar hij overleeft het wel. Hoe is het met jou? Heeft hij… . W: Ik ben ok. Die vetzak denkt dat ik me uit vrije wil aan hem zal geven maar ik weet niet hoeveel langer ik zijn geduld op de proef kan stellen. We moeten hier weg. Jo: Daarom ben ik hier. W: Hoe ben je hierbinnen geraakt? Jo: We zijn deze nacht aangemeerd op Nooitgedachtenland, de meeste piraten zijn naar op het eiland. Niemand besteedt veel aandacht aan ons. W: En de Schaduw? Jo: Die zag ik van boort gaan. Kom, ik denk niet dat we veel tijd hebben voor hij terugkomt. (Op ‘Nooitgedachtenland’ liggen de jonge James, die Peter Pan wordt genoemd, en zijn beste vriendin ‘Theodora’ AKA ‘Tink’ achter een paar bootjes op de loer. Ze bespieden de boot van hun ‘aartsvijand’ Kapitein Haak.) J: Kapitein Haak is terug. Barrie zal dit willen weten. T: Hé, zie je dat? Er sluipen 3 kinderen uit het schip. J: Kom dan gaan we wat dichterbij. Komaan Tink, vijanden van Haak zijn vrienden van ons. (Wendy en haar broers, gaan van het schip. Peter en Tink komen hen tegemoet. Als Wendy en haar broers hen ziet naderen zetten ze het op een lopen, omdat ze bang zijn dat ze bij kapitein Haak horen. Peter zet de achtervolging in.) W: Er zal ons toch wel iemand willen helpen op dit eiland. J: Hallo! Hey, jullie hoeven niet weg te lopen. Tink ren jij al naar de schuilplaats en zeg Barrie dat ik nieuwe vrienden meebreng. T: Zijn ze te vertrouwen? J: Zo’n angsthazen… . (Peter heeft de kinderen ingehaald.) Jo: Alsjeblieft breng me niet terug naar kapitein Haak! J: Dat zou ik nooit of te nimmer doen ‘angsthaas’. W: Laat hem met rust! We gaan nooit meer terug naar dat schip! J: Ik ook niet. Ik ben Jack maar iedereen noemt me Peter Pan. Ik kan jullie naar een plek brengen waar jullie veilig zijn voor de Zeekoe. M: Hi,hi,hi, de Zeekoe. W: Ik denk dat we moeten doorlopen tot we een volwassene vinden die ons kan helpen. J: O, maar die zullen jullie niet helpen tenzij je de juiste mensen kent. Ik vrees dat ik jullie enige hoop ben. W: Goed, dan. Jo: Wendy! We waren al eens goed van vertrouwen en zie in welke situatie we zijn beland. J: Ik ben niet zoals de Schaduw hoor. Bij mij ben je volledig veilig. W: Ja, ja…we gaan met je mee omdat we geen keuze hebben. Dat wil niet zeggen dat ik je vertrouw. J: Madame, gaat u voor. (In het kamp van de ‘Verloren Jongens’.) T: Peter komt eraan. Hij heeft vrienden van de Schaduw gevangen. Hij wil dat jullie ze meteen doodschieten als hij met ze arriveert. JO1: Weet je het zeker, Tink, dat Peter dat gezegd heeft? T: 100%. JO2: Misschien moeten we wachten tot Barrie terug is. T: Maar dan kunnen de vijanden al ontsnapt zijn. JO3: Goed, geef me mijn katapult Tink. Ik zal die smerige rotten mores leren.   (Peter en de kinderen komen aan bij het kamp. Wendy wordt geraakt door het steentje in de katapult.) W: Aaa. JO3: Raak. JO1: Peter! J: Wat hebben jullie gedaan. JO2: We schoten de vijand neer. J: De vijand!! Wie heeft gezegd dat Wendy een vijand is. JO1: Het was Tootles die haar neerschoot. JO3: Het was Tink die ons zei dat we de vijanden van Schaduw dood moesten schieten. J: Theodora! T: Het was maar een grapje. Zo erg is het niet. Kijk, ze leeft nog. W: Wat is er gebeurd? Jo: Is alles ok Wendy? Ik dacht dat je zei dat we veilig bij jou waren! Misschien moeten we… J: Dat zijn jullie ook. JO2: Ja, wij zijn de dappersten van dit eiland. Wij zullen jullie beschermen. J: Wendy, John en Michael dit zijn de ‘Verloren jongens’; Tootles, Nibs, Slightly, Curly, Twin, Twin en… Tink. W: Het is een waar genoegen jullie te ontmoeten jongens… en meisje. Wat doen jullie hier zo in jullie eentje? J: We zijn allemaal ontsnapt aan de Zeekoe en we houden ons bezig met… alles wat we leuk vinden eigenlijk. Willen jullie het eiland zien? W: We willen eigenlijk… . J: Kom dan laat ik je de zeemeerminnen zien. JO3: Bah, de zeemeerminnen. Kom John en Michael we gaan jagen. Jo: Jagen? O mijn God! (Peter neemt Tink even apart.) J: Tink? Waarom heb je gezegd dat ze onze vijanden zijn? T: Waarom bracht je ze naar onze schuilplaats? Wacht maar tot Barrie terugkomt, eens zien wat hij hiervan zegt. (Peter neemt Wendy mee naar een huis langs de kust.) J: Kom Wendy. W: Peter, ik wil eigenlijk naar huis. J: Niet voordat je de zeemeerminnen gezien hebt. W: Maar… J: Misschien kunnen zij ons helpen om je thuis te krijgen. W: Je hebt het toch niet over echte zeemeerminnen hé, want die bestaan niet. J: Natuurlijk niet. Nochtans… . We zijn er. (In de tent lopen veel schaars geklede vrouwen rond en komen mannen hun pleziertjes zoeken.) Z1: Peter! Grote, stoere jongen, kom je ons weer verhaaltjes vertellen? Z2: Ja, over die enge kapitein lange hand Jan. Z3: Eng Daisy? Die mag zijn lange vingers wel eens over mijn lijf laten gaan! Z1: Ssshut, Lis, de jongen is nog maar 10. Z3: Je weet wat ze zeggen hoe vroeger ze er aan beginnen, hoe heviger,…. Z2: Nee, nee dames hij is hier voor liefdes advies, hij heeft een meisje mee. Z1: Is dat een nieuwe aanwinst voor ons Peter? Ze is mooi. Z2: Een beetje mager. Z3: Ze is zo netjes mannen houden daar wel van. W: Peter! J: Ja, Wendy? Dit zijn uh…, hoeren. Z1: Hu… bij alle krulspelden, dit seutje noemt ons een hoer. Z2: Ha,ha,ha dit zijn we ook. Z3: En jij kan er ook één worden als je dat wilt. Dit leven is zo slecht nog niet. Elke dag warm eten, een zacht bed en een man tussen de lakens. We vinden gemakkelijk een man die bij je standaard past kindje. (De Zeemeerminnen bepotelen Wendy. Ze loopt geschrokken de tent uit. De Zeemeerminnen lachen haar na.) Z: Ha,ha,ha,… W: Peter! Dat waren hoeren! J: Hoeren? Ik dacht dat je ze aardig zou vinden. Ze zijn even oud als jij en over het algemeen zijn ze niet zo aanhalig. Ze zijn meestal zeer lief voor ons. W: Maar Peter heeft je moeder je nooit geleerd om niet met zo’n mensen om te gaan? J: Moeder? Wat is een moeder? W: Een moeder is iemand die voor je zorgt, je liefde heeft, verhaaltjes vertelt voor je gaat slapen, je leert wat je wel en niet mag enz. J: Ah, natuurlijk heb ik een moeder. Barrie is een goede moeder. W: Nee, Peter een moeder is een vrouw. J: Zou jij onze moeder willen zijn? W: Ik weet niet Peter, ik ben misschien te jong om moeder te zijn en we moeten zo vlug mogelijk naar huis. J: Voor de tijd dat je hier bent dan… Asjeblieft? Het klinkt heerlijk om een moeder te hebben. W: Goed dan, voor de tijd dat ik hier ben zal ik jullie moeder zijn. (Peter en Wendy keren terug naar het kamp. Een pijl vliegt rakelings boven hun hoofd en blijf in een boom steken.) W: Aaaa. Schieten ze nu alweer op ons? J: Dat is een pijl van de Indianen. W: Indianen? J: De originele bewoners van dit eiland. Ze hebben de verloren jongens gevangen. W: Michael en John! J: Ze zijn niet zo gevaarlijk. Maar ze denken dat wij Tijger Lelie hebben, de dochter van het stamhoofd. Haak! Die heeft haar vast gekidnapt. Kom Wendy, ik denk dat ik weet waar ze zijn. W: Haak… J: Niet bang zijn Wendy, bij mij ben je veilig. (Peter en Wendy komen bij het schip van kapitein Haak. Wendy verstopt zich achter een paar bootjes terwijl Peter aan boord gaat. Tijger Lilly zit vastgebonden op een stoel en Haak ondervraagt haar.) J: Blijf hier Wendy. H: Vertel me waar de verloren jongens zijn Lilly! Ik weet dat jullie ze geholpen hebben om te ontsnappen. (Peter doet de stem van de ‘Krokodil’ na, de eigenaar van het eiland en één van de weinige personen waarvoor Haak schrik heeft.) J: Haak! Haak! smerige rat! kom onmiddellijk naar buiten! H: Meneer Krokodil. Ik kom er zo aan een momentje. (Peter bevrijdt Tijger Lilly uit haar stoel en zet het op een lopen. Haak realiseert zich te laat wat er is gebeurd en wanneer hij achter Peter wilt aangaan komt de echte meneer de ‘Krokodil’ die hem tegen houdt.) Tij: Peter? J: Sssht. Kom Lilly. H: Peter!!! J: Rennen Lilly! Pak me dan als je kan. Kr: Meneer Haak! H: Meneer Krokodil?! Kr: Ik wil een woordje met u spreken. H: Een momentje meneer. Kr: Nu! H: Zoals u wenst. J: Kom Lilly. W: Peter, wacht op mij! (In het kamp van de ‘Indianen’.) Opperhoofd: Ha,ha,ha. Peter van de Pan, je hebt ons een grote eer bewezen door onze geliefde dochter terug te brengen. Ik zal de jongens vrijlaten. We zullen feestvieren. Kom rook met mij de vredespijp. W: Niet doen Michael. M: Maar Wendy… . (Die avond keren ze terug naar hun schuilplaats.) M: Dat was leuk Wendy. W: Fijn Michael. JO1: Peter waar is Barrie om ons een verhaal te vertellen? JO2: Moeten we weer gaan slapen zonder verhaal? JO3: Barrie komt niet meer terug hé Peter. Dat deden zijn broers ook niet. JO1: Maar wie zal ons nu verhaaltjes vertellen? J: Jongens! Ik heb iets veel beter dan Barrie. Ik heb voor jullie een moeder. JO: Moeder? J: Iemand die voor je zorgt enz. En verhaaltjes verstelt. Wendy is onze moeder en ze zal ons een verhaal vertellen. W: Peter het is al laat. J: Toe..? W: Ok dan,… . Er was eens… (Na het verhaal.) J: Wow Wendy dat was mooi. Je bent een goede moeder. W: O, maar waar ik vandaan kom heb ik een echte moeder. M: Wendy ik mis mama. Jo: Ik ook Wendy. JO1: Ik wil ook een echte moeder. JO2: Ik ook. JO: Ik ook. W: Jullie kunnen allemaal met mij mee naar huis gaan…, als we een schip vinden om ons thuis te brengen… . JO3: Staal heeft een schip. W: Werkelijk? Waar is die ‘Staal’. JO3: Hij ligt met zijn schip in de haven. Ik zag het deze morgen. W: Peter waarom heb je mij hier niet over vertelt. J: Ach ik weet niet. Het ging uit mijn gedachten. W: Nietes. Je wilde het mij niet vertellen. J: Ok, misschien wilde ik het je niet vertellen. Je bent hier nog maar net. W: Maar Peter ik heb verplichtingen thuis. J: Bah verplichtingen. Wil je niet liever plezier maken? Hier kan je doen wat je wilt. W: Zo gaat het niet Peter. J: Ga dan maar naar huis, Wendy. JO3: Ik wil ook mee! JO2: Ik ook. J: Goed! Ga maar allemaal mee naar die verplichtingen van haar. W: Peter jij kan ook mee komen. Ik weet zeker dat er iemand jou ook mist in… . J: Tot Ziens Wendy! (Wendy en de jongens verlaten het kamp. Buiten staan de piraten hen op te wachten. Wendy, die als laatste het kamp verlaat botst tegen Schaduw op. Ze probeert van hem weg te komen. Elke jongen wordt vastgehouden door een piraat.) S: Dat was een mooi verhaal Wendy. W: Aaaa. S: Dat zou ik niet doen als ik van jou was. Anders zouden je nieuwe vriendjes hun hoofden weleens kunnen verliezen. W: Hoe heb je me gevonden? S: Laten we zeggen dat een klein jaloers meisje me iets in mijn oor fluisterde. H: Goed gedaan Schaduw. Plaats de bommen rond het kamp. W: Nee. H: Zwijg! (Nadat de jongens en Wendy meegenomen zijn, rent Tink in paniek het kamp binnen waar Peter in zijn eentje zit te mokken met een versleten babyhemdje in zijn handen.) T: Peter!? J: Wendy en de jongens zijn vertrokken. T: Jij moet hier ook weg! J: Dat begin ik ook te denken. Wendy denkt dat ik ergens een moeder heb die mij mist. Je bent een gelukzak Tink. Jij weet wie je ouders zijn. Dit is mijn enige aanknopingspunt. T: Je zal er geen meer hebben als je nu niet naar buiten gaat! J: Wat is er aan de hand Tink? T: Ik heb iets doms gedaan Peter. (Tink en Peter rennen net voor de bom afgaat naar buiten.) BOEM! J: Theodora? T: Het zou kunnen dat ik aan Haak de schuilplaats heb verraadden. J: Wendy en de jongens! (Op het schip. De jongens zijn vastgebonden aan de mast.) S: Ik ben blij dat je terug bent Wendy. Jo: Raak haar niet aan! S: Maar je zus geniet er van. W: Jij rotzak, strontkop, viespeuk,… . H: Bind haar tong vast Schaduw of ik snij hem er uit. Ik snap nog steeds niet wat ze hier doet op mijn schip. S: Ze kan koken, wassen, eten maken,… . H: Dat kunnen mijn matrozen ook. De jongens kan ik gebruiken maar loos het meisje Schaduw of ik doe het. W: Ik zou graag dit schip verlaten meneer Haak. Als u mijn broers en de verloren jongens vrijlaat… . H: Zei ik dat ik je gewoon zo zou laten gaan? Je hebt weken op mijn schip gezeten. Je weet te veel, meisje. Dus de enige manier waarop je mijn schip verlaat is via de plank. W: Nee! Jo: Wendy! W: Goed, goed,… . Dag John. Dag Michael. Dag jongens. Vertel vader en moeder dat ik van ze hou. En tegen Peter… H: Genoeg. S: Sorry mijn lief. (Wendy loopt over de plank en springt…) W: Aaaaa…. PLONS. H: Hijs de zeilen. Volle kracht voorruit. (Een schip doemt op uit de mist en komt op gelijke hoogte met het schip van kapitein Haak.) J: Waar denk je dat je heen gaat Haak? H: Peter Pan. Met welk verdomd schip geeft hij mij ingehaald? S: ‘De zes zwanen’. St: Dag Haak, oude vriend, wat vind je van mijn nieuwe aanwinst. H: Staal!!!? St: Klaar voor entering? H: Aaa… . J: Pak aan Haak. H: Heel slim van je Peter om gebruik te maken van je vriendjes, jammer dat je te laat was om Wendy te redden. W: O, maak je geen zorgen kapitein. Hij was ruim op tijd. Waar is schaduw? J: Die is er vandoor in een roeiboot. W: Ik hoop die engerd nooit meer terug te zien. Jo: Wendy, we hebben Haak vastgebonden aan de mast! JO2: Schip in zicht. St: Wie is daar Tootles. JO1: Het is het schip van de Krokodil. St: Tijd om er vandoor te gaan. Laat meneer maar afrekenen met Haak. W: Bedankt dat je ons kwam redden, Peter. Jo: Wow, Peter dat was me nogal een spectaculaire actie. J: Ik had het niet zonder mijn goede vriend gekund. John, Michael mag ik je kapitein Staal voorstellen. St: Het was me een genoegen. Ik had die jongens op Haaks schip al veel eerder willen redden maar ik had het geld niet om een schip te kopen. Ik ben zelf jaren geleden met mijn broers ontsnapt uit de klauwen van dat monster, je hebt trouwens de groeten van Barrie. We hebben sindsdien geprobeerd om zoveel mogelijk kinderen te redden. Vergis u niet juffrouw ik ben een piraat. Met het fortuin dat ik van anderen gestolen heb, heb ik dit schip bekostigd en ik besteel nog steeds schepen. W: Piraat of niet bedankt voor je hulp. Ik hoop dat u, als het niet te veel gevraagd is meneer de piraat, u ons ook naar huis kan brengen? St: Natuurlijk, jongedame. Waar dacht je anders dat we heen zouden varen. JO1: Gaan we allemaal naar jouw huis Wendy? W: Ja, Tootles jullie mogen mee naar ons huis. Het spijt me Peter. J: Ach, misschien had je wel gelijk en is er iemand die op mij wacht. Ik ga ook naar huis of ik probeer om naar huis te gaan. W: Echt Peter!? Als je wilt kan ik je bij je zoektocht helpen. J: Dat zou fijn zijn Wendy. Weet jij waar ze kleren van Peterson maken,…? (Terug in het heden) J: Wendy en haar broers werden herenigd met hun ouders. Sommige jongens bleven bij hen anderen gingen met mij mee. De vader van Wendy ontdekte dat Peterson kleren in Rosedale gemaakt worden dus trokken we daarheen. Omdat daar het spoor doodliep besloot ik om samen met de jongens te doen waar we al jaren goed in waren, stelen en roven. Enkele jaren later kwam Roselinde en de rest van het verhaal kennen jullie. C: Hoe heette het meisje dat je thuisgebracht hebt ook alweer?  J: Wendy moeder, ik bedoel mevrouw. R: Is alles goed Jack? Je ziet opeens zo, zo,… groen. C: Ik denk dat het voor iedereen een boeiende maar lastige avond was. Morgen wordt het een interessante dag. Jullie kunnen zich terugtrekken als jullie dat wensen. (James en Roselinde gaan van tafel. James is opslag heel ziek. Rosalinde brengt hem naar hun kamer.) R: Jack? J: Ik ben ok Sneeuw. R: Je ziet eruit als ik in de ochtend. O, Jack waarom ben je net nu ziek. J: Wat als ik morgen niet in staat ben om te test te doorstaan. R: Het komt wel goed Jack. Je hebt verdorie met piraten gevochten! J: En met reuzen ooit ook eens. R: Wat je morgen moet doen is vast een eitje voor je. J: Ik hoop,… . (Jack geeft op dit moment over.) (De volgende morgen in de eetzaal.) R: Goede morgen, Uwe hoogheden. C: Goede morgen Roselinde, James, hoe hebben jullie geslapen? J: Ik vrees dat ik gisteren iets opgedaan heb uwe hoogheid. Ik was wat onpasselijk deze nacht. R: Hij moest om het halfuur overgeven Celia en hij zag er nog erger uit dan ik deze morgen. J: Maar ik ben beter en klaar om getest te worden. C: Nee, dat ben je niet. O, ik voel me verschrikkelijk schuldig. Je hebt de test al doorstaan James. Je hebt gisteren erwten gegeten en je werd er misselijk van. Dat was de test. Ja: Ik en mijn broer James zijn allergisch voor erwten. Het feit dat jij ziek was bewijst dat je mijn broer bent. C: Alsjeblieft James accepteer mijn excuses en kom hier in mijn armen want ik heb al zo lang gewacht. P: Ik realiseerde me dat er andere manieren waren om te controleren of je de waarheid sprak maar toen was het al te laat. Welkom thuis zoon. Bedankt vader. Morgenavond houden we een groot feest! J: Zolang er geen erwten geserveerd worden ben ik van de partij. (De volgende avond op het feest.) W: Dit moet een grap zijn! Peter ben jij het echt? Ben jij het verloren zoontje van mijn zus Celia? J: Ik wist niet dat je nog een zus had Wendy. W: Schoonzus eigenlijk. Sie: Dag neef. Ik ben Siegfried, Wendy’s echtgenoot en je moeders broer. R: De wereld is verbazingwekkend klein. J: Wendy, Siegfried dit is mijn verloofde Rosalinde. W: Aangenaam kennis met je te maken Rosalinde. R: Ik ben zeker dat jullie nog veel moeten bijpraten. (Wendy en James gaan naar het terras om bij te praten.) W: Ik had nooit gedacht dat ik je nog zou terugzien. J: Het is allemaal dankzij jou dat ik dit nu heb. W: Ach, Peter dat is te veel eer. J: Nee, echt, zonder jou moederlijk advies zou ik nooit actie ondernomen hebben om mijn echte ouders terug te vinden. W: Dan ben ik blij dat ik even je moeder was. R: Jack moet je ook een glaasje punch. J: Ja, Roselinde graag, maar jij mag dat nu niet drinken weet je nog? R: A, juist. W: Peter, Jack, James je hebt al veel namen versleten. Hebben jullie al een naam voor de baby? J: Hoe weet je… ? W: Moederinstinct. En ik die dacht dat je veel liever geen verplichtingen had. J: Ik,… W: Ik ben je maar aan het plagen Peter. J: Sinds wanneer ben jij zo grappig. W: Ik geloof dat een paar hoeren me geleerd hebben hoe… . Einde.

Liesbeth
194 1

Broertje en zusje

Broertje en zusje Verteller: Celias en Siegfrieds ouders, Roserood en Faber, zijn gestorven. Hun vader hertrouwde met Sanntach en zij kregen naast een stiefmoeder een stiefzus, Fula. Door de hebberigheid van Sanntach werd de familie verplicht om in een kleiner huis te gaan wonen en de kostbare bezittingen te verkopen. Ondanks de achteruitgang van het familielandgoed blijft Sanntach geld uitgeven en manieren zoeken om aan geld te komen. (Sanntach probeert de ketting van Celia’s hals te trekken. Celia loopt net op tijd naar de andere kant van de tafel. Ze legt haar hand beschermend op het hangertje in de vorm van een roos.) S: Geef dat hier, kreng dat je bent! C: Nee, het is het laatste van mijn moeder dat ik heb. S: Ooo pakkend. Maar je moeder heeft er nu niets meer aan aangezien ze dood is, dus geef hier! S: Ondankbaar wicht. Laat ik jou en je broer niet in mijn huis wonen? Geef ik jullie niet te eten? Het enige wat ik vraag is dat je meebetaald in de kosten die jullie maken. C: We hebben al genoeg betaald voor jou ‘zogezegde’ vrijgevigheid. (Celia vlucht de keuken uit en verstopt zich om het hoekje om te horen wat haar stiefmoeder en zus te zeggen hebben.) F: Wie denkt ze wel dat ze is? De koningin? Wat moeten we nu doen moeder? Zonder dat sieraad kan ik die jurk niet kopen dat ik zo graag wil en ik heb echt die jurk nodig. S: Je hebt gelijk Fula. Dat meisje kent haar plaats niet. Ik heb recht op die ketting omdat ik hen jaren verzorgd heb. F: Maar ze wil hem niet afstaan. S: Maak je geen zorgen, schatje. Morgen zal je die nieuwe jurk kunnen kopen en zullen wij ons niet meer moeten bekommeren over die 2 lastposten. F: Wat ga je doen? S: Iets dat ik al vele jaren geleden had moeten doen. Morgen doe ik wat van dit in hun thee… . (Celia rent naar boven naar de kamer die ze met haar broer deelt. Als ze binnenkomt begint ze meteen haar spullen bijeen te rapen. Ze gooit Siegfried een stuk brood toe.) C: We moeten weg. B: Heb je wat te eten? Waar gaan we heen? C: Dat weet ik nog niet maar zeker ergers ver van hier. Schiet op, ik wil meteen vertrekken. B: Maar het is bijna donker en dan is het gevaarlijk. C: Beter die gevaren trotseren dan gif in je eten. (Siegfried laat geschrokken het brood vallen). B: Wat! C: Kom. Wees heel stil. (Celia en Siegfried sluipen het huis uit.) B: Ken je de weg in het donker? C: We volgen het pad door het bos zolang het zichtbaar is. Daarna probeer ik een vuur te maken. We moeten door blijven gaan. Sla je arm maar om me heen als je te moe wordt. B: Ik word niet moe. Ik kan heel de nacht doorgaan. (De volgende morgen in het huisje ontdekken Fula en Sanntach dat broertje en zusje weg zijn.) F: Ze zijn weg! S: Weet je het zeker? Heb je al bij de kippen gekeken? Bij de varkens? In de zolder? F: Ik heb overal gekeken, ik ben echt uitgeput. S: De halsketting? F: Ze heeft hem meegenomen. Gaan we achter ze aan? Ik sleep haar terug aan dat lelijke haar van haar. S: Nee. Het is beter zo. Daar hoeven we geen handen meer aan vuil te maken. Fula, kook een paar eieren en zet het brood op tafel. F: Ik? (Siegfried en Celia zijn die nacht gestopt bij een meer. Het water is zwaar vervuild. Wanneer Celia wakker wordt ligt Siegfried te kermen van de pijn. Celia neemt Siegfried op haar rug zodat ze verder kunnen.) C: Broer? Broer!? Heb je van het water in deze plas gedronken? Het water is veel te smerig. Je had vast dorst. Het spijt me dat ik je zo onvoorbereid meenam. Als vader nog had geleefd zou dit nooit gebeurd zijn. Kan je op mijn rug kruipen? (Enige tijd later. Celia zet Siegfried even op de grond tegen een boom. Ze gaat op zoek naar onderdak). C: Ik ben zo terug. (Celia heeft een huisje gevonden in het bos. Ze heeft Siegfried daar naar toegebracht. Dagen heeft ze hem verzorgd tot hij terug wakker wordt. Wanneer Siegfried probeert te praten lukt het hem niet.) C: Hoe voel je je? Rustig. Het is normaal dat je stem weg is. Je hebt een week niet gesproken. Over een paar dagen ben je weer helemaal de oude. Wat vind je van dit optrekje? Het is minder luxe dan we gewoon zijn maar het kan er mee door. Ik heb een beetje hazenvlees voor je. Kijk me niet zo vragend aan. Het was puur toeval dat ik een haas in een val tegenkwam. Dit is het gebied waar vader vroeger kwam jagen, denk ik. (Een paar dagen later. Siegfried probeert nog steeds te spreken maar het lukt hem niet. Hij vindt het fijn om in het bos rond te rennen en te spelen. Celia wuift hem uit en gaat dan terug naar binnen.) C: Nog steeds geen stem? Wil je buiten spelen? Niet te ver in het bos lopen zodat je niet verdwaalt en je moet terug zijn voor etenstijd en je weet wat je moet doen om binnen te mogen. Ik hou van je! (In het bos zijn prins Bastian en ‘zijn’ mannen aan het jagen wanneer ze een flits van Siegfried opmerken. Bastian gaat achter het ‘hert’ dat hij denkt gezien te hebben aan.) P: Heb je dat gezien? Be: Wat? P: Ik denk dat het een hert was. Ik ga er achteraan. Blijf hier. We willen het niet doen schrikken. Be: Maar uwe hoogheid u kunt niet alleen… . En toch gaat hij weer alleen. (Bastian komt terug.) P: Verdorie. Be: Gemist? P: Het was al weg voor ik de kans kreeg om het neer te schieten. Be: Volgende keer meer geluk, uwe hoogheid. Het moet wel een uitzonderlijk hert zijn. Oh nee, ik ken die blik. Be2Wat betekent die blik? Be: Hij is vastberaden om dat beest te vangen. Be2: Niet meer vandaag hoop ik. P: We keren terug. Be1 en2: oef… . Be: Niet vandaag nee, maar morgen en de dag daarna en daarna tot hij het gevangen heeft. Be2: Oh nee. (Siegfried is terug in het hutje.) C: Was het leuk? Ik weet dat het opnieuw bessen zijn voor lunch. Heb jij iets beters gezien? Ik zoek het later wel. Ok? (Prins Bastian ziet de volgende dag dat het hert een jongen is. Hij volgt hem tot aan het hutje.) P: Dat is onmogelijk. Wat spook een jongentje in zijn eentje uit in het bos? Domme jongen, ik kon je neergeschoten hebben. (Bastian komt terug bij zijn mannen). P: Ik was niet opzoek naar een hert. Be: Het spijt me uwe hoogheid, we vinden wel een ander dier waar je op kunt jagen. P: Het was een jongen. Be2: Een jongen? Wat doet een jongen in dit bos. P: Dat vroeg ik me ook af. Hij woont in het oude jagershuisje samen met een meisje. Ik ga er morgen heen. (De volgende dag aan het hutje. Celia zwaait Siegfried uit en gaat dan naar binnen.) C: Saluut. Voorzichtig zijn. (Na een paar minuten klopt Bastian drie keer op de deur van de hut. Celia doet de deur open en schrikt hevig.) C: Ben je al terug, was het niet… P: Wees niet bang. C: Wie ben je en wat doe je hier? P: Dat kan ik evengoed ook aan jou vragen. Dit is mijn huisje, weet je. C: Het spijt me meneer, ik ben hier zo weg. Laat me erdoor. P: Je hoeft van mij geen schrik te hebben en je moet hier niet weg. Ik ben alleen een beetje nieuwsgierig. Waarom woon je hier met je…? C: Broertje. We konden niet meer thuis blijven wonen. P: Waarom niet? C: Wie wil dat weten. P: Mijn excuses. Ik ben Bastian, prins Bastian. C: Het spijt me uwe hoogheid dat ik zo onbeleefd was. P: Heeft u blauw bloed? C: Misschien, waarom vraagt u dat? P: Je maakte een reverence in plaats van een volledige buiging. C: Mijn vader was een graaf. P: Van welk graafschap? Ik zie dat je me nog steeds niet vertrouwd maar ik beloof je… . Be: Uwe hoogheid? C: Heb jij ze naar hier geleid? Dat was heel onbedachtzaam van je, Siegfried. Dit konden gemakkelijk stiefmoeders mannen zijn geweest. P: Behandelt uw stiefmoeder u slecht juffrouw? C: Slecht is zacht uitgedrukt. P: Hoe zou u het vinden om met ons mee te gaan naar het koninklijk paleis juffrouw… . C: Celia de la Rose en dit is Siegfried de la Rose 4de graaf van Tournesol. P: Uw vader was de graaf van Tournesol? Ik herinner me hem van toen ik klein was. Het was een goede man. C: Ja. P: Mijn moeder zal u met plezier ontvangen, mejuffrouw. Kan je broertje niet spreken? C: Hij werd ziek nadat hij van een vervuild meer had gedronken. Sindsdien is hij zijn stem kwijt. P: We zullen er een dokter naar laten kijken. (Celia en Siegfried gaan mee naar het paleis. Bij het paleis staat Brunhilde haar oom op te wachten. Ze rent naar hem toe en Bastian tilt haar op en draait haar rond). Br: Bastian! Wat heb je gevangen? P: Hallo. Dit is mijn nichtje Brunhilde. Brunhilde dit zijn juffrouw Celia en haar broer de jongeheer Siegfried. Br: Aangenaam kennis te maken. P: Zij woonden in het bos. Br: In het bos? (Brunhilde neemt Siefried bij de arm en loopt er mee weg.) Br: Maar is het daar niet zeer gevaarlijk? Wil je me er over vertellen? P: Siegfried kan niet spreken. Br: O. Wil je het domein zien? Sieg…? (Celia wil achter haar broer aanlopen. Bastian houdt haar tegen.) P: Laat ze maar. Edgar zal je naar je kamer brengen. Dienstmeisjes zullen je helpen met je bad. Tijdens het diner stel ik je aan mijn moeder voor en Celia…  C: Ja? P: Je hoeft niet bang te zijn dat iemand je hier kwaad doet. C: Bedankt, uwe hoogheid. (Even later in de troonzaal. Bastians moeder zit op de troon.). M: Toen je zei dat je ging jagen dacht ik dat je op dieren bedoelde. Waar zat je met je gedachten? Iedereen kan zeggen dat zij de dochter van de 3de graaf van Tournesol is. E: Uwe hoogheden, mag ik u voorstellen juffrouw Celia de la Rose. P: Ze is te vroeg. C: Uwe hoogheden. M: Het is alsof ik naar een geest kijk. Heeft iemand je ooit vertelt hoeveel je op je moeder lijkt mijn kind? Kom wat dichter. Ongelofelijk. Ik was een goede vriendin van haar, weet je. Jammer dat ze zo vroeg gestorven is. C: Ik ken haar niet zo goed. M: O, mijn kind ze was dol op zingen. Doe jij dat ook graag? Bas, we zien je bij het diner. (Maanden later. Celia, Bastian en de koningin lopen in de tuin). P: Moeder, we zien je tijdens het avondeten. M: Nou ja zeg. (De koningin wandelt gespeeld verontwaardigd weg.) P: Celia, ik hou van je. C: Ik hou ook van jou, Bas. (Bastian gaat op één knie zitten.) P: Wil je dan mij de eer doen mijn vrouw te worden? C: Ja. (Celia en Bastian zijn getrouwd. Ze vertrekken op huwelijksreis. Als ze langs huizen passeren staan mensen hen zwaaiend op te wachten). M: Saluut. Veel plezier op jullie huwelijksreis. Ik zal goed voor Siegfried zorgen. Dag kinderen. O, ze worden toch zo rap groot. (Onderweg komen ze langs het huis van Celia’s stiefmoeder). F: Waarom moeten we op de prins begroeten? S: Omdat we nog steeds blauw bloed hebben Fula. En de nieuwe prinses zal ons misschien uitnodigen op het kasteel. C: O, nee rij door alsjeblieft! (Fula en de stiefmoeder zien Celia in de koets zitten). F: Was dat…? S: Nee, dit kan niet waar zijn. Uit alle mensen! (Celia verstopt zich vlug achter Bastian. Wanneer ze verder rijden komt ze vanachter Bastian vandaan). P: Wie was dat? Gaat het Celia je ziet er bleek uit. C: Dat was mijn stiefmoeder. Nu weet ze dat ik nog leef. P: Maak je geen zorgen schat ze kan niets meer tegen je doen. C: Ik hoop het. (in het huis van Santannach en Fula.) F: Wat doen we nu? Ik kan niet verdragen dat dat kreng er met de prins vandoor is. S: Stop met zeuren Fula. Ik heb een plan. We moeten gewoon het juiste moment afwachten. (Enkele weken later op het kasteel.) C: Ik heb zin in een partijtje ‘Ginds’. P: Nu? (Iedereen gaat zitten. Celia staat vooraan.) C: Ik begin. P: Ik… draagt… een kind. Je draagt een kind! Wat! M: Proficiat, laat de klokken luiden Edgar. (Siegfried kijkt niet begrijpend naar Brunhilde die hem omhelst). Br: Je wordt een nonkel. (Celia’s stiefmoeder hoort de klokken). S: Dat is ons teken. Over negen maanden krijgt die gierige pin de rekening gepresenteerd. (Negen maanden later. Bastian staat ijsberend te wachten op de geboorte van zijn kind.). M: Blijf daar Bastian. We halen je wanneer ze klaar is om je te ontvangen. Wat duurt er zo lang? (Bastian mag naar de kamer van zijn vrouw gaan.) C: Bas, zeg hallo tegen je zoon… P: Ik heb een zoon? C: en je dochter. P: Twee? O, Celia. (Siegfried wijst trots naar zichzelf en dan naar de baby’s .) C: Ja, ze lijken op jou Siegfried. M: We laten de kersverse ouders even alleen met hun kroost. Hoe heten ze? C: Ik dacht aan James voor de jongen, naar je vader. En dan Jane voor het meisje. P: Hi, prins James Siegfried II en prinses Jane Annabelle. Gelukkig hebben we meteen twee nieuwe dienstmeisjes aangenomen. (Enkele dagen later. De twee dienstmeisjes brengen Celia naar de kelder voor haar bad. Ze dragen sluiers waardoor Celia niet ziet dat ze eigenlijk haar stiefmoeder en stiefzus zijn). S: Komt u maar verder uwe hoogheid. Een bad zal u deugd doen. C: Waarom moeten we helemaal naar de kelder Sanne? S: In de kelder is het heerlijk rustig en het water blijft er beter warm.  Deze kant op. Is het badwater niet te heet. Het is zalig. (Fula steekt Celia met een mes). C: Aaaa. S: Genoeg. Straks vloeit er te veel bloed. Hierlangs. (Via een geheime hang brengen ze Celia’s levenloze lichaam naar buiten). F: Moeten we ze helemaal begraven, moeder? S: Natuurlijk moeten we… er komt iemand aan. Vlug, gooi ze naar beneden. We begraven haar later. (Celia rolt van de berg naar een riviertje. Haar lichaam gaat mee met de stroming. Fula heeft de plaats van Celia ingenomen in het bed. Ze draagt een sluier om haar gezicht te verbergen.) P: Hoe bedoel je ze is ziek. Daarstraks zag ze er nog kerngezond uit. (De prins wil in de kamer binnengaan). S: Dat zou ik niet doen uwe hoogheid. We weten nog niet wat het is maar de rode bolletjes op haar huid zien er besmettelijk uit. Bovendien is ze nu aan het rusten. Maak u zich geen zorgen uwe hoogheid, wij zullen voor haar zorgen. P: Ik verwittig de dokter. S: Dat heb ik al gedaan uwe hoogheid, hij is onderweg. P: Stel me onmiddellijk op de hoogte als hij langs is geweest. S: Komt in orde uwe hoogheid. (Bij de rivier komt een monnik langs. Hij ziet het lichaam van Celia liggen en neemt haar mee op zijn paard). Mo: Wat is dit? O, mijn God! Kom mijn kind. (Twee weken later. Prins Bastian probeert de kamer van zijn vrouw in te komen). S: Uwe hoogheid! P: Ik wil haar zien! S: Maar dat is niet wijs uwe hoogheid de dokter heeft gezegd,… . P: Het kan me niet schelen wat de dokter heeft gezegd. Ik wil  mijn vrouw zien. Het is twee weken geleden dat ik de moeder van mijn kinderen heb gezien. S: Goed dan. Laat me haar dan eerst presentabel maken. P: Celia? O liefste. S: Spreken doet pijn uwe hoogheid. P: Waarom draagt ze een sluier? S: Ze wilt niet dat u de bulten in haar gezicht ziet uwe hoogheid. P: O Celia voor mij zal je altijd de mooiste vrouw op aarde blijven met of zonder bulten maar als je je zo comfortabeler voelt. De kinderen missen… . B: Zusje? P: Kom binnen Siegfried. S: Maar de kans op besmetting…? P: Kan niet zo groot zijn aangezien u nog niet ziek bent geworden. B: Zusje, ik heb Brunhilde vandaag het meertje laten zien waar je zo dol op bent. P: Siegfried je praat! B: Het komt en gaat maar waarom zegt ze niets? P: Het spreken doet pijn volgens haar dienstmeid Sanne, niet waar? B: Maar… . (Siegfried herkent Sanne als zijn stiefmoeder. Hij wil het zeggen maar wordt onderbroken).  S: Hare koninklijke hoogheid heeft genoeg bezoek gehad voor vandaag. Ze moet rusten. (Siegfried probeert het uit te leggen aan de prins). P: Wat is er Siegfried? Ben je je stem al opnieuw kwijt? Maak je geen zorgen, ze komt wel weer terug. Ik moet nu naar stal. Ik zie je later bij het diner. S: Dat was op het nippertje. F: Wat? Alles ging toch goed. De prins denkt echt dat ik zijn vrouw ben. Wil je nog wat brood voor me halen moeder? S: Jij dom wicht, ik had het over dat rot jong. Net nu hij gezien heeft wie ik ben krijgt hij zijn stem terug. Gelukkig verloor hij ze weer. We moeten van hem af zien te raken voor hij de prins vertelt wie ik werkelijk ben. F: Maar hoe doen we dat? S: Leg dat brood neer, straks kan je niet meer in de kleren van de prinses. Ik heb een plan. Pas op addergebroed.   (Celia is naar een klooster gebracht. Daar vecht ze voor haar leven. In haar dromen rent ze weg van een monster en schreeuwt ze om Siegfried, Bastian en James en Jane). (Ondertussen in het paleis). Kin: Uwe hoogheid! Uwe hoogheid, de kinderen zijn weg. P: Hoe bedoel je ze zijn weg? Kin: Ik deed een dutje omdat de kinderen ook lagen te slapen. Toen ik wakker werd lagen ze niet in hun wiegjes. Iemand moet ze terwijl ik sliep meegenomen hebben. P: Wachters, doorzoek het kasteel, ze kunnen niet ver zijn. S: Wat is dat voor een kabaal? Het verstoort de rust van uwe hoogheid. P: Iemand heeft de kinderen uit hun wiegjes gehaald. We weten niet waar ze zijn. S: O, jee het kan niet waar zijn. P: Als u iets weet juffrouw Sanne zeg het dan meteen ik heb geen tijd voor getreuzel. S: Ik hoorde uw schoonbroer toevallig tegen zichzelf zeggen dat hij de kinderen uit de weg wilde ruimen. Hij houdt ze verantwoordelijk voor de zwakke gezondheid van uw vrouw. P: Dit is kletspraat, wanneer heeft u zoiets gehoord? S: Net nadat hij wilde laten horen aan uwe hoogheid dat hij weer kon praten. P: U zult het wel verkeerd begrepen hebben. Sanne ga naar binnen en zorg dat mijn vrouw dit niet te horen krijgt. Ik wil niet dat ze van streek raakt in haar toestand. Natuurlijk uwe hoogheid. P: Brunhilde, heb jij Siegfried gezien. Br: Nee al een tijdje niet meer. Hij was nogal verdrietig omdat hij zijn stem opnieuw niet kon gebruiken. Waarom zoek je naar hem? Zou je niet naar de kinderen moeten zoeken. P: Ik ben bang dat ze wel eens bij hem kunnen zijn. Br: Bang? Voor wat? W: Uwe hoogheid! (Een wachter vindt Siegfried versuft buiten in de kou. Jane en James liggen naakt in zijn armen). P: Siegfried wat heeft dit te betekenen? (Siegfried gebaart wanhopig dat hij het niet weet).  P: Hoezo je weet het niet? Je bracht mijn jonge kinderen naar buiten in de kou. Wat probeer je daarmee te bereiken? Probeer je ze soms te doden? Het komt wel heel goed uit dat je weer niet kan spreken. Ron, haal een dokter. Brunhilde neem de kinderen mee naar binnen. Zorg dat ze het goed warm krijgen. Siegfried jij komt met mij mee.  Jij blijft in je kamer tot ik weet wat ik verder met je aan moet. Rafael, zorg dat niemand in of uit zijn kamer gaat zonder mijn toestemming. Ja, uwe hoogheid. (In de kamer van de prinses). F: Ons plan heeft gewerkt. S: Niet zo goed als ik gehoopt had. De prins is verschrikkelijk mild voor de jongen die zijn kinderen wilde doden. Ik hoopte dat hij hem zou terechtstellen zodat ik niet nog eens mijn handen moest vuil maken. Nou, goed nu hij afgezonderd zit kan hij tenminste niet gaan rondbazuinen wie wij zijn. F: Maar hoe ruimen we hem nu uit de weg moeder? S: Net als zijn vader. We laten hem een beker met vergiftigde wijn drinken en wanneer hij dood teruggevonden wordt maken we iedereen wijs dat hij zelfmoord heeft gepleegd. Hij kon het niet verdragen dat hij gefaald heeft in zijn missie de kinderen te doden. F: Dat is briljant moeder. Mag ik nu even naar buiten? Het is hier om te stikken. S: Ben je gek! Natuurlijk niet jij domme gans. (In het klooster.) Z: U bent wakker. Het is een mirakel. Rustig aan. C: Waar ben ik? Z: U bent in het klooster Amor Dei. Pater Francis heeft je hierheen gebracht nadat hij je op de oever van de rivier had gevonden. Kan je me vertellen hoe je heet? C: Ik… weet het niet. Ik weet niets meer. Z: Dat is heel normaal meisje. Je hebt een harde klap gehad. Het is een wonder dat je nog leeft. Bijna twee weken heb je tussen leven en dood gezweefd, werkelijk een wonder. We zullen je voorlopig Maria noemen omdat Onze Lieve Vrouw onze gebeden heeft verhoord. (Brunhilde komt binnen in de kamer van Siegfried. Hij probeert met een touw van lakens door zijn raam te ontsnappen). Br: Probeer je te vluchten? Dat is geen goed idee Siegfried, je lijkt nog meer schuldig zo. Tenzij je echt schuldig bent. (Siegfried kijkt boos naar Brunhilde). Br: Kijk niet zo boos naar me. Ik weet dat je geen vlieg kwaad doet maar waarom sla je dan op de vlucht? Het is te ingewikkeld om in gebarentaal uit te leggen is het niet? Goed, welke reden je ook hebt om te vluchten, het zal wel een goede reden zijn. Kom, maak plaats, ik ga met je mee. (Siegfried schudt hevig zijn hoofd). Br: O, jawel, probeer me maar eens te stoppen. Kijk, zodra Bastian merkt dat je weg bent zal hij je poster overal verspreiden en niemand zal je meer onderdak willen bieden. Ik weet echter één persoon die ons met open armen zal ontvangen. Grootmoeder. Ken je de weg naar grootmoeders kasteel? Dat dacht ik al. Dus mag ik? (Siegfried wijst naar Brunhilde en dan naar de deur).  Br: Hoe ik binnen ben geraakt? Siegie, ik ben nog steeds prinses Brunhilde Katharina Eleonora Josefina Charlotte dochter van de koning van Twin Wish. Als ik zeg dat ik naar binnen wil kan niemand mij dat weigeren. (In het klooster). Z: U ziet er prachtig uit in de jurk van zuster Dominique. C: Bedankt. Z: Kom, ik zal je helpen. C: Bedankt. Z: Geen dank lieve. De zon zal je goed doen. Misschien helpt het om je geheugen terug te krijgen. C: Ik hoop het. Z2: Moeten we haar vertellen over de namen die ze uitspreekt in haar slaap? Z: We laten dat beter aan pater Francis over. Waar is hij trouwens? Z2: Hij is naar het koninklijk paleis geroepen om de biecht van de prins af te nemen. Z3: Er zijn bezoekers. Z: Laat ze binnen in de ontvangstruimte, ik kom zo dadelijk. We hebben nog nooit zoveel bezoek gehad in tien jaar. Z2: Ik hou wel van een beetje afleiding. Z: Zuster! (In de kapel van het paleis. Bastian en Pater Francis zitten in de biechtstoel). Mo: Zeg het maar mijn zoon. P: Ik… zou u gewoon naast mij willen komen zitten vader? Ik heb gewoon nood aan een babbel met iemand die wijzer is dan ik. Mo: Ik weet niet of ik wijzer ben dan u, uwe hoogheid, maar met de hulp van Onze Lieve Heer… . P: Mijn vrouw Celia is al weken ziek. De dokter lijkt geen verklaring voor haar ziekte te hebben. Mo: Heb je moeite met het trouw blijven aan je vrouw nu ze haar echtelijke plicht niet meer kan vervullen? P: Nee, dat is het niet. Ze laat me gewoon steeds minder bij haar omdat ze bang is dat ik besmet zal raken. Ze heeft haar kinderen al een hele tijd niet meer gezien. Ik weet dat ze ons weert om ons te beschermen maar ik wil er voor haar zijn. Ik word er hoorndol van. Ik heb het zelfs uitgewerkt op haar broertje. Mo: Heeft u hem pijn gedaan, uwe hoogheid? P: Nee, ik heb hem in zijn kamer opgesloten omdat ik dacht dat hij mijn kinderen kwaad wilde doen. Nu weet ik zelfs niet meer waar hij is. Hij is door het raam gevlucht met mijn nichtje. Mo: Van wat ik hoor uwe hoogheid, houdt u zich behoorlijk goed in deze omstandigheden. P: Dat is het nu net, ik heb het gevoel dat ik er ieder moment onder door kan gaan. Dat mag niet gebeuren ziet u, mijn James en Jane hebben me nodig. Mo: Jane en James? P: Mijn kinderen. Ze zijn nog geen maand oud. Mo: Is er iemand die voor hen zorgt, nu hun moeder ziek is? P: Hun min zorgt al sinds hun geboorte voor hen. Mo: Hadden ze bij hun geboorte nog iemand anders die voor hen zorgde? Een jonge vrouw misschien? P: Nee, waarom vraagt u dat? Mo: Ach zomaar. Uwe hoogheid, ik denk dat een ritje door het bos u goed zal doen. P: Werkelijk? Mo: Ja, Onze Lieve Heer vertelt me dat het tijd is voor een ritje. P: Als hij het zegt… . (Brunhilde en Siegfried die uit het paleis zijn gevlucht komen in de tuin van het klooster. Celia staat ondertussen in de tuin te genieten van de zon). B: Zie ik dat nu goed? Celia wat doe jij hier? Het is door onze stiefmoeder, is het niet? Ik wist wel dat ik dat onmens in het kasteel gezien had. C: Het spijt me, moet ik u kennen? B: Celia, ik ben het Siegfried. En hoor ik kan weer praten. C: Ik… het spijt me. B: Wat is er met haar aan de hand? Ze herkende me niet. Z: Kent u onze Maria, jonge heer? B: Maria? Dat is Celia mijn zus. Prinses Celia van Twin Wish om precies te zijn. Z: O, jee we dachten al dat ze iemand belangrijk moest zijn. We vonden haar drie weken geleden zwaar afgetakeld op de oever van de rivier. Nu is ze terug op de been maar ze is helaas haar geheugen kwijt. Waarom heeft er niemand naar de prinses gezocht? B: Omdat er in het kasteel een bedriegster haar plaats heeft ingenomen. We moeten dit meteen aan Bastian vertellen. Br: We waren hem al van plan te vertellen dat je stiefmoeder in het kasteel was toen je je stem terugkreeg maar we raakten verdwaald, weet je nog. Zuster, kan u ons de weg naar het paleis tonen? Z: Natuurlijk, maar hoe moet het dan met Maria? Ik bedoel Celia. (Bastian en Francis arriveren bij het klooster). P: Waarom brengt u mij naar het klooster Vader? Mo: Hierlangs uwe hoogheid. (Francis neemt Bastian mee naar de tuin). P: Siegfried en Brunhilde? Wat doen jullie hier. B: Je bent net op tijd, Bastian. Mij stiefmoeder is in het paleis en die vrouw die zich voordoet als mijn zuster is niet… . P: Celia? Hoe? B: Zoals ik je probeerde te vertellen Bastian de vrouw in het paleis is een bedriegster. Z: Wij vonden Celia, ik bedoel uwe hoogheid, zwaar gewond op de oever van de rivier. Ze heeft hier 3 weken gevochten voor haar leven. Ze kan weer opstaan maar ze is haar geheugen kwijt. Doet u dus alsjeblieft voorzichtig. P: Celia? C: Goeie dag. Bent u ook een pater zoals vader Francis? P: Nee, ik… . C: O het spijt me, ik zou u ook moeten kennen. B: We kunnen haar hier niet laten. P: Maar we kunnen haar ook niet tegen haar wil meenemen. Voor haar is het alsof ze met vreemden meegaat. (Celia neuriet een liedje. Siegried begint mee te zingen). B: Ik ken dat liedje. Mijn moeder zong het altijd voor Celia en Celia zong het altijd voor mij als ik verdrietig was. P: We moeten gaan. C: Siegfried! Broertje, je kan praten. B: Zusje? C: Nu herinner ik me alles weer. P: Celia? C: O mijn lieve Bastian hoe kon ik je ooit vergeten? (Siegfried, Brunhilde, Bastian en Celia komen aan bij het paleis. Er staat een koets voor de deur. Het is de koets van Bastians broer de koning van Twin Wish en de vader van Brunhilde). P: Ik geloof dat er iemand op bezoek is. Br: Papa! Mijn lieve dochter. K: Ik heb je gemist. En Kasper ook. (Kasper is de verloofde van Brunhilde. Hij trekt zijn neus op als de koning dit zegt). K: Bastian, broer je bent me uitleg verschuldigd. Ik ben zo vlug mogelijk gekomen nadat ik Brunhildes vreemde brief kreeg. Normaal gesproken zou ik er niet zoveel aandacht aan hebben besteed want Brunhilde zit altijd met haar hoofd in de wolken, maar nu was er toch iets anders. O, vrouwe Celia, u bent een plaatje. Ik ben blij om te zien dat u terug genezen bent. Komen jullie net terug van een ritje? P: Broer, als je mond even zou stilstaan dan kan ik vertellen dat er inderdaad vreemde dingen op het paleis gebeurd zijn. Als je me nu wilt excuseren ik heb een appeltje te schillen met een kreng en haar dochter. We leggen het je wel later uit. K: Wel, het is een mooie dag voor een executie. Br: Papa! K: Ik maak maar een grapje pluimstaart. (Bastian stormt de kamer van de prinses in.) S: Uwe hoogheid! P: Uw vreselijk spel is uit. S: Celia? C: Hallo stiefmoeder. S: Maar ik dacht… . C: Dat ik dood was? Zoals je kan zien ben ik springlevend. F: Moeder!? S: Zwijg. Proficiat, je was sterker dan ons. Als je ons wilt doden doe het dan nu. F: Moeder! C: Nee, ik ga je nu niet doden. Jullie zullen een eerlijk proces krijgen. De koning zal beslissen wat jullie straf zal zijn. Wachters! Haal ze hier weg. O, mijn kindjes. Het is voorbij. P: Ik beloof je dat ik me nooit meer zo laat bedriegen lieve. C: Shuuut. P: Ik hou van je Celia. C: Ik hou ook van Bastian. (Siegfried bedekt zijn ogen als hij Bas en Celia zit kussen.) C: Siegfried doe niet zo kinderachtig en kom hier. B: We hebben het gehaald zuster, we zijn veilig. C: We hebben het gehaald broer.   einde  

Liesbeth
0 1