Lezen

Theofanis en de dokters, een dialoog over het redden van drenkelingen

Vanop zijn vaste stek op de Akropolis overschouwt Theofanis de zee. In de verte ziet hij een groepje Afrikanen wild dansend met de golven worstelen. Hij maakt zich geen zorgen. Ze zijn ver genoeg. Die raken nooit levend aan land. Hij neemt zijn taak als behoeder van de kusten erg serieus. Té serieus, volgens zijn tegenstanders. Maar dat deert hem niet. Er zijn meer dan genoeg burgers die hem wel ten volle steunen. Overal waar hij komt duwt hij een vogelkast op wieltjes voor zich uit. Daar zitten een dertigtal duiven in. Als hij iets te melden heeft, schrijft hij het op een briefje, bindt dat om de poot van één van de duiven en stuurt die de wijde wereld in. Het zijn kleine briefjes. Er passen slechts honderdveertig tekens op. Maar voor Theofanis is dat genoeg. Zo kan hij zijn ei wel kwijt. Zijn volgelingen zijn dol op de korte boodschapjes. Plots ziet hij iets wat hem woest maakt. De artsen die geen grenzen kennen, een groepje idealisten dat hem al een tijdje op de zenuwen werkt, zijn de drenkelingen één voor één aan het opvissen. Ze nemen de sukkelaars aan boord, geven ze warme soep en droge kleren. Dit kan hij niet zomaar laten gebeuren. Hij neemt een briefje en begint te schrijven.   Socrates wandelt mijmerend door de smalle straatjes van Athene. Zoals steeds is hij met zichzelf aan het dialogeren over wat goed is en juist. De veters van zijn sandaal zijn losgekomen en hij hurkt om ze weer vast te maken. Een duif landt vlak voor hem. Zijn bek pikt zoekend tussen de straatstenen. Socrates tast in zijn zak naar een stuk brood. Terwijl hij zijn hand met de kruimels naar het dier uitsteekt, kijkt hij het diepzinnig aan. 'Vertel me, beste duif, ken je jezelf?' Het beest koert van ja. 'Echt? Weet je het zeker? Wat maakt een duif tot duif?' Nu staat de gevleugelde even met zijn bek vol kruimels. Plots ziet Socrates het briefje rond zijn pootje. 'Wat is dat, mijn vriend?' De wijsgeer kijkt zorgelijk als hij het briefje openvouwt: Grenzeloze Dokters: laat die gelukzoekers toch verzuipen. Zo komen er alleen maar meer. Het is misdadig wat jullie doen. 'Wie heeft je deze onzin omgebonden, duifje? Komt dit van Theofanis?' 'Roekoe.' 'Waar kan ik hem vinden? Zit hij weer op zijn uitkijkpost?' 'Roekoe. Roekoe.'   Op de achterkant van het briefje schrijft Socrates een korte vraag: Kan het een misdaad zijn iemands leven te redden? 'Zo, duifje, breng dit naar Theofanis. Dan kan hij alvast wat nadenken. Laat hem weten dat ik er aan kom.'   'Ha! Socrates, ouwe gek, ik dacht al dat je niet meer boven zou raken. Zou je niet beter thuis blijven, met die versleten knoken.' De fans die zich rond Theofanis verzameld hebben rollen over de grond van het lachen. Elkaar aanstotend, wijzend en gekke bekken trekkend naar de wijze. 'Zie hem puffen! De vroedvrouw van de wijsheid! Maak plaats! Laat hem zitten, voor zijn hart het begeeft!' 'Lach maar, jongens. Jullie grapjes zullen me niet van de wijs brengen. Ik ben erger gewoon. Heb je mijn briefje gekregen, Theofanis? Al een beetje kunnen nadenken?' Theofanis houdt zijn hand op om zijn aanhangers te bedaren, wat slechts gedeeltelijk lukt. Zijn kleine oogjes blinken. Een grijns verschijnt op zijn gezicht. 'Ik weet waar je op aanstuurt, ouwe. Je wil me horen zeggen dat ik die bruintjes dood wil. Dan kun je me als een moordenaar afschilderen. Maar zo eenvoudig is het niet. Ik zal het je eens uitleggen. Het is heel simpel. Dit is ons land. Aan de overkant van het water ligt het hunne. Hier hebben ze niets te zoeken. Er is geen plaats. We zitten vol.' Applaus. Gejuich. 'Goed zo, Theo! Jij zegt waar het op staat!'   Een groepje doorweekte dokters is er bij komen staan. Ze worden meteen belaagd door de opgehitste bende. 'Nestbevuilers!' 'Volksverraders!' 'Langharig gespuis!' Theofanis doet opnieuw een halfslachtige poging zijn acolieten te kalmeren. Een van de dokters duwt hem een dooie duif in de handen en neemt het woord. 'Mijn beste Theofanis. Tijdens onze reddingsactie op zee vonden we dit dier. Net als vele anderen werd hij het slachtoffer van het woeste water. Hij had een boodschap om zijn poot. Het briefje was nat, maar toch nog leesbaar. Toon en inhoud waren heel herkenbaar. Het komt vast van jou.' Hij leest het briefje voor: Grenzeloze Dokters: blijf daar weg. Jullie creëren een aanzuigeffect. Toekomstige doden zijn jullie schuld. 'We hadden je willen antwoorden via je geliefde medium, maar deze bode was in zijn levenloze toestand niet meer in staat om terug te vliegen.' Socrates zet een stap dichter bij de dokters. Hij duwt zijn gespreide vingers tegen elkaar. 'Wat hebben jullie in te brengen tegen de beschuldigingen van onze stoere kustwachter?' 'Dat het onze verdomde plicht is om mensen te redden. Als dokter én als mens. Als Theofanis of één van zijn volgelingen in het sop zou liggen te spartelen, zouden we hetzelfde doen.' 'Maar dat zal nooit gebeuren. We zouden wel gek zijn om naar de overkant te varen. En als we dat zouden doen, zou het zeker niet op zo'n gammel vlot zijn.' Geschater. Handengeklap. 'Go Theo, go! Jij bent de enige die klaar ziet!' Theofanis glundert. Hij slaat zijn handen samen in een overwinningsgebaar. 'Weet je dat zo zeker? Denk je dat Hellas voor eeuwig en altijd de meest welvarende plek op aarde zal zijn? Zo zeker is dat niet. Wie weet stort de boel hier ook ooit eens in en moeten wij halsoverkop ergens anders naartoe. Op zoek naar werk en perspectief. Op de vlucht voor honger en geweld.' 'Nu sla je helemaal door, ouwe. Kijk eens naar die prachtige tempels om je heen. Alsof dit ooit in puin zou liggen. Dit is het centrum van de wereld. Hier wonen de goden. Neen. Athene blijft voor eeuwig de beste plek op aarde. Atheners zijn voor altijd het beste volk ter wereld. Werkers. Mensen die vooruit willen. Het is mijn volk. Ik heb geen ander.' Terwijl hij deze laatste woorden uitspreekt wijst hij met opengesperde armen, naar de mensen rond hem. Gejubel. Vreugdekreten. 'Zo is dat, Theo! Goed gesproken!'   Eén van de dokters treedt naar voor. 'Net daarom, Theofanis. Een volk toont zijn grootsheid in de manier waarop het anderen helpt. Bovendien: waar komen onze kennis en onze rijkdom vandaan? Die zijn ons van overal ter wereld komen aanwaaien. Als elke Athener hier, zoals jij, de hele dag op zijn berg zou zitten, zich afsluitend van wat rond ons gebeurt, dwaze berichten in het rond sturend, was van dit grootse rijk nooit sprake geweest.' Ook rond de dokters hebben zich ondertussen heel wat medestanders verzameld die luid hun stemmen laten horen. Links en rechts wordt wat geduwd. Er ontstaan schermutselingen. Socrates beseft dat hier vandaag geen wijsheid geboren zal worden en kiest het hazenpad.   s' Avonds zit hij op een terras met zijn collega-filosofen. 'Ik heb altijd geloofd dat ik ieder mens tot inzicht kon brengen, als ik maar de juiste vragen stelde. Maar die Theofanis, godverdomme. Wat een eigenwijze stijfkop! En dan dat volkje achter hem, dat hem steeds maar aanmoedigt en elke dwaze uitspraak met applaus beantwoordt. Ik had hem natuurlijk nog kunnen vragen of het je eigen verdienste is waar je geboren wordt. Wat hij zelf zou doen, als er oorlog uitbrak en als hij zijn gezin niet meer te eten kon geven. Of het hem ooit gelukt was iets van zichzelf te herkennen in een ander mens. Er waren nog zoveel vragen die ik hem had kunnen stellen. Maar wat zou het baten. Op alles heeft hij een stompzinnig antwoord klaar, waarmee hij zich enkel maar populairder maakt bij de zijnen. Tegen die granieten domheid kan ik niet op. Niet meer. Het maakt me moedeloos.' Socrates wenkt de waard. 'Drinken jullie nog iets? Ik neem een gifbeker.'   22-23/03/'17  

tijl
0 0

Om de liefde Gods

'Wakker worden, priestertje.' Ze drukt een zoen op zijn lippen. Ze doet het zachtjes. Toch schrikt Ruben met een schok wakker. Wanneer hij zijn ogen opent valt het veelkleurige licht uit de glasramen als een regen van stenen binnen in zijn hoofd. Even vreest hij dat het laatste oordeel is aangebroken. Scherpe beelden van de voorbije nacht snijden door zijn netvlies. Het doet zijn hart schokken. Zijn hoofd bonkt. Er hangt een slechte smaak in zijn mond. Alsof hij net van de verboden appel heeft geproefd, wordt hij zich bewust van zijn naaktheid en bedekt snel met beide handen zijn geslacht. Hij gaat rechtop zitten. 'Gisteren was je niet zo verlegen', zegt Rebecca en ze schuift tegen hem aan. Zij is al aangekleed. 'Het ontbijt staat klaar. Daar op het altaar. Ik heb koffie gezet bij me thuis en ben ondertussen om croissants geweest bij de bakker. Die keek maar vreemd naar me, maar wees gerust: ik heb niets gelost over ons.' In de verte hoort Ruben vaag kerkklokken luiden. Dat is de plicht die roept. Vandaag moet hij de mis leiden in een naburig dorp. Hij kijkt om zich heen. Zijn kleren hangen over een van de armen van het grote kruisbeeld. Hij kan er niet bij. Naast hem staan een asbak en een lege wijnfles. Onder zijn blote kont ligt zijn volledige verzameling kazuifels ter grootte van een dubbel bed uitgespreid. Stilaan dringt het tot hem door wat er vannacht is gebeurd. Deze zonde kan hem zijn carrière kosten. Ondanks deze gedachte en de erbarmelijke staat van zijn lichaam, voelt hij zich verbazend opgewekt.   Het is nog geen jaar geleden dat hij samen met twee anderen tot priester werd gewijd. Hij was de enige twintiger. De andere twee waren late roepingen. Meteen kreeg hij vier parochies onder zijn hoede. Hij wist dat het niet makkelijk zou worden, maar de troosteloosheid die hem toeviel had hij niet verwacht. Hij pendelde tussen vier kerken. Al had hij net zo goed elke mis in dezelfde kerk kunnen opvoeren, want overal bestond zijn kudde uit hetzelfde groepje van een tiental hoogbejaarden. De oudjes slaagden er zelden in om de volledige viering wakker te blijven. Soms sloeg hij hele stukken over en liet zijn publiek dan met een luide slag op de gong wakker schrikken. Of hij begon plots luidkeels het Onze Vader te declameren. De geschrokken gezichten van zijn toehoorders waren zijn enige vermaak. Zijn toekomst zag er grijs en somber uit.   Tot hij op een dag tijdens een misviering achteraan in de kerk een knappe, jonge vrouw zag zitten. Haar aanwezigheid doorbrak de sleur en bracht iedereen van zijn stuk. Ruben raakte verschillende keren verstrikt in zijn teksten. Ook zijn misdienaars hadden haar opgemerkt en zaten opgewonden te giechelen achter zijn rug. Niemand viel in slaap. De kwezels zaten voortdurend achterom te kijken naar het wonderlijke schepsel dat zich plots onder hen bevond. Een week later, in een ander dorp zat ze er opnieuw. Deze keer kwam ze ter communie. Dat had ze de eerste keer nog gelaten. Van dichtbij was ze nog indrukwekkender. Even was er oogcontact. Wat er op dat moment gebeurde, was van een andere wereld. Ruben dacht niet dat hij ooit dichter bij een mirakel was geweest als toen. Elke zondag kwam ze terug, steeds zwijgzaam achterin de kerk. De hele week keek Ruben uit naar dat ene moment waarop hij haar de hostie gaf, zij die aannam en zacht 'amen' zei. De kudde raakte gewend aan haar aanwezigheid en herviel in zijn oude gewoontes, maar in Ruben was iets onherroepelijk veranderd. De gedachte haar te zien maakte allerlei onbekende emoties in hem los. Ze begon zijn dromen te beheersen. Hij had haar graag aangesproken, maar wist niet hoe hij dat moest aanpakken. Ze zou hem voor zijn. Na een viering zat hij in de sacristie zijn gevoelens te overdenken, toen plots op de deur werd geklopt.   Daar stond ze. Ze heette Rebecca, zei ze. 'Ik ben Ruben.' 'Wat een vreemde naam voor een priester.' 'Je mag me gerust Bonifaas noemen, of zo. Als je dat beter vindt.' Ze lachte geforceerd. 'Ik wou je vragen, eerwaarde Ruben, kan ik bij je biechten?' 'Het is de eerste keer dat iemand me dat vraagt. Het biechthokje wordt eigenlijk niet meer gebruikt. De poetsvrouw bergt er haar emmers en borstels in op. Maar ik wil hier wel naar je luisteren.' Aarzelend begon ze te vertellen. Maar ze voelde zich duidelijk op haar gemak bij hem en kwam snel los. Ruben merkte dat het haar opluchtte met iemand te kunnen praten. Ze worstelde al sinds haar puberteit met allerhande verslavingen, maar had sinds kort in het geloof een manier gevonden om die het hoofd te bieden. Dat ging echter niet vanzelf en in de lange week tussen twee zondagen werd ze soms gegrepen door haar oude demonen. Ruben beloofde dat hij er alles aan zou doen om haar te helpen op het rechte pad te blijven. Tijdens haar verhaal was het steeds meer gaan gloeien in zijn buik. Een verloren schaap had zich voor zijn voeten geworpen. En wat voor een. Zijn missie om de zondaars naar Christus te leiden streed met een nieuwe roeping in zijn lendenen.   In de weken die hierop volgden kwam ze steeds vaker bij hem langs. Ze biechtte haar zonden op en vroeg hem om raad. Hij citeerde bijbelverzen terwijl zijn blik haar lichaam aftastte. Ze leek het leuk te vinden. Haar mond werd ondeugender, haar ogen stouter. Zijn twijfel verdween: ze kwam niet voor Christus, maar voor hem. Hij begon zich vragen te stellen bij de oprechtheid van haar geloof. Een vrome kwezel zou ze nooit worden. Maar dat kon toch niet Gods bedoeling zijn. Ze was prachtig zoals ze was. Een bewijs van Zijn scheppingskracht. In bedekte termen en met steelse blikken vrijden ze elkaar op. Het spel dat ze speelden werd steeds gevaarlijker. In zijn gebeden vroeg Ruben nu eens om de kracht aan zijn verliefdheid te weerstaan, dan weer om de vervulling van al zijn erotische wensen. Zijn geloof bleef voorlopig staan, maar wankelde op zijn sokkel.   Toen had ze hem uitgenodigd voor een etentje bij haar thuis. Om hem te bedanken voor de steun. Hij had lang getwijfeld, maar uiteindelijk toch toegezegd. Ze woont in een rijhuisje vlak bij de kerk waar hij haar voor het eerst had gezien. Zelf woont hij in een ander dorp. Hij ging met de fiets. Nadat hij had aangebeld, leek het een eeuwigheid te duren voor de deur werd geopend. Op zijn rug voelde hij de priemende ogen die hem van achter de gordijntjes in de straat bespiedden. Het eten was heerlijk. Ze had zich uitgesloofd. De ene na de andere fles wijn kwam op tafel terwijl de gesprekken meanderden tussen wat zij had meegemaakt en wat hij zou willen beleven. 'Zin in een dessertje?', vroeg ze terwijl ze de borden afruimde. 'Ik weet niet of ik daar nog plaats voor heb', antwoordde Ruben en wreef over zijn buik. 'Ik heb het niet over chocoladetaart.' Rebecca keerde terug uit de keuken met een dikke joint tussen haar lippen. 'Dit zal wel niet op je maag liggen.' Ze stak het ding op. Een wellustige geur vulde de kleine eetkamer. 'Ik dacht dat je gestopt was.' 'Dit is een heilig kruid. Een poort naar Gods liefde. Probeer het maar eens.' Ruben hoorde maar half wat ze zei. Haar blauwe ogen en de alcohol in zijn bloed waren meer dan voldoende om hem te overtuigen.   Hij hoestte toen hij het eerste trekje nam, maar vanaf dan ging alles gemakkelijk. Zijn remmingen verdwenen. Zijn geest werd slap en zijn lichaam nam de controle over. Voor hij het wist was hij haar aan het kussen. Iets wat hij in gedachten al vaak had gedaan, maar het was nooit de bedoeling geweest dat het er echt van zou komen. Ze legde hem niets in de weg. Samen rookten ze de joint op. En dronken wijn. Nog een joint. En nog wat wijn. Hij werd een makke pop in haar handen, licht en lacherig.   Plots had Rebecca een idee. 'Heb je de sleutels van de kerk bij?' Van wat daarna gebeurd is komen voorlopig enkel brokstukken bovendrijven in het geheugen van Ruben. Hij kan zich nog voor de geest halen hoe ze op wankele benen het huis verlieten. Op straat brak een van haar hakken af. Hij nam haar op de rug. Zijn dronken lichaam kraakte. Ze was zwaarder dan hij had verwacht. Maar hij zou zich niet laten kennen. Drie keer kwam hij ten val, maar bereikte uiteindelijk toch de kerkpoort. In vage beelden ziet hij nog hoe ze naakt achter elkaar aan liepen door de kerk. Ze giechelden als pubers. Plots was ze verdwenen. Hij vond haar grinnikend onder het altaar, waar ze zich verstopt had. Hoe zijn priestergewaden op de grond beland zijn weet hij niet meer. Hij weet wel nog hoe hij op die zachte ondergrond ingewijd werd in zaken waarvan hij dacht dat ze niet voor hem weggelegd waren. Ze begeleidde hem naar een hoogtepunt dat Christus hem nog niet had kunnen schenken.   Met zijn houten kop slaagt hij er vanmorgen niet in om klaar te zien in zijn gevoelens. Wat hij wel weet is dat hij over tien minuten achter een altaar drie kilometer van hier hoort te staan. 'Het ontbijt kan wachten. De plicht roept', zegt hij opgejaagd. 'Ik breng je wel met de wagen. Welk gewaad moet je vandaag aan?' 'Geef me die witte maar. Het is wel geen hoogdag, maar voor mij voelt het toch zo.' Hij trekt het kleed aan over zijn blote huid en probeert er met het vlakke van zijn hand de kreukels uit te wrijven. Terwijl ze de auto voorrijdt, belt hij één van zijn misdienaars om te zeggen dat hij eraan komt. De jongen zal alles klaarzetten voor de viering. 'Mooie benen', zegt Rebecca plagerig, wanneer hij instapt.   Onderweg is hij druk bezig met het fatsoeneren van zijn kleed. Hij legt zijn haar goed in de spiegel en verorbert nog gauw een koffiekoek. Als hij opzij kijkt, ziet hij de dromerige blik in haar ogen. Gelukkig is het niet ver, want ze lijkt niet echt geconcentreerd achter het stuur te zitten. Op het plein voor de kerk staan meer auto's dan anders geparkeerd. Een groepje nieuwsgierigen aan de overkant van de straat ziet hoe ze bij het oprijden maar nipt een paaltje kan ontwijken.   Als Ruben de kerk binnenkomt, is hij verrast. Er zitten wel vijftig parochianen. De tamtam heeft zijn werk gedaan. De meeste gezichten herkent hij van op dorpsfeesten en de zeldzame keren dat hij op café is geweest. Hun ogen kijken streng. Fezelend stoten ze elkaar aan. Dit wordt een beproeving. Het is zijn grootste publiek ooit. Ze zijn hem niet gunstig gezind. Bovendien wordt zijn koppijn erger en zit hij met zijn gedachten meer bij de voorbije nacht.   In het begin van de mis probeert Ruben de schijn nog op te houden. Hij volgt de voorgeschreven teksten zo goed als hij kan. Hij ziet wel dat zijn publiek hier enkel zit om hem aan te gapen en op zijn bek te zien gaan. Om iets te hebben om over te roddelen. Ook Rebecca die achterin zit, wordt voortdurend aangestaard. Na een kwartiertje staat ze op en gaat naar buiten. Dit veroorzaakt nog meer gefluister en gemeen gelach. Even denkt Ruben er over om haar achterna te gaan. Maar hij doet het niet. Hij vertrouwt erop dat ze buiten op hem zal wachten. Hij gelooft in haar.   Terwijl hij de misteksten aan het prevelen is en het zielige zootje bekijkt dat zich voor hem heeft verzameld, komt hij tot een besluit. Wanneer het tijd is voor de preek kan hij zich niet meer inhouden. Met vurige tong spreekt hij zijn parochianen toe. 'Nog nooit waren jullie zo talrijk, beminde gelovigen. Ik vermoed echter dat het niet een plotse opstoot van religieuze gevoelens is die dit heeft veroorzaakt. Jullie hebben ongetwijfeld iets horen waaien over een misstap van jullie priester en willen de gevallene met eigen ogen komen bekijken.' Er wordt gekucht. Stoelen verschuiven. Hij heeft hun aandacht. 'Jullie hebben geluk. Ik zal jullie het sterk verhaal geven waar jullie voor gekomen zijn. Ik ben in het voorbije halfuur tot de vaststelling gekomen dat dit niet is wat ik wil. Ik wil niet tot mijn dood de mis opdragen. Steeds dezelfde teksten. Dezelfde halfdode toehoorders. De dwingende druk van mensen waar ik niets om geef. Ik ben deze nacht opnieuw geroepen. Een engel heeft me bezocht. Een engel van vlees en bloed. De schellen zijn van mijn ogen gevallen. Als ik jullie hier zo zie zitten. Dan weet ik het wel. Ik wil hier weg. Ik wil leven, godverdomme!' Hij keert zich naar een van de misdienaars en drukt hem de kelk met hosties in zijn handen. 'Milan zal de rest van de mis leiden. Ik ben elders nodig. Ik word geroepen.' Met grote passen stapt Ruben de kerk uit. Fier rechtop in zijn witte kazuifel. Hij kijkt niet meer om. De kudde blijft verstomd achter.   Wanneer hij buiten komt, slaat hij in paniek. Waar is Rebecca? Had ze de wagen niet daar geparkeerd? Hij raakt in paniek. Heeft hij zijn bruggen te vroeg opgeblazen?   Maar dan wordt er getoeterd. De auto staat een beetje verder onder een boom. Ze zwaait door het open raam naar hem. 'Kom gauw. Het wordt een prachtige dag. We hebben geen tijd te verliezen.'       27-30/05/'17    

tijl
0 0

Bill, de krokodil

Een vrijgevochten handtas. Zo noemt hij zichzelf. Dat is hij ook wel, maar hij is nog zo veel meer. Hij is een vechter. Een bijter. Een man die, nee, een dier dat recht op zijn doel afgaat en niet opgeeft voor hij dat bereikt heeft. Hij is een voorbeeld voor iedereen die vooruit wil in het leven. Hij klaagt niet. Hij blijft niet bij de pakken zitten. Hij grijpt zijn kans en gaat ervoor.   Weinigen onder jullie weten dat Bill geboren is in Australië. Hij kwam uit een ei gekropen in een krokodillenkwekerij. Het ei was waarschijnlijk geroofd uit een nest in het wild, maar niemand weet nog hoe dat precies zat. Toen hij vier werd, was hij klaar om gestroopt te worden. Maar het lot sprong hem te hulp. Een vreemde handtassenontwerper uit Europa had het plan opgevat levende krokodillen te verkopen als handtas. Bill werd niet alleen omwille van zijn mooie schubben, maar ook dankzij zijn stoere blik uitgekozen. De handtas was bedoeld voor carrièrevrouwen die hun zakenpartner wilden intimideren, maar werd net zo vaak gekocht door huisvrouwen die eens wat anders wilden. Bill kwam bij een dame uit de laatste categorie terecht. Hij was blij dat hij leefde, maar zijn vrijheid had hij nog niet terug.   Inderdaad. De twee handvaten met ingelegde edelstenen op zijn rug en de zilveren rits in zijn zij, zijn een blijvende herinnering aan zijn dagen in slavernij, toen hij onder de arm van een doktersvrouw uit Knokke van de ene vernissage naar het andere feestje werd meegesleurd. In vele damesbillen heeft hij zijn tanden gezet. Plagerig. Zonder verkeerde bedoelingen. Al hadden de dames dit vaak anders begrepen. Hij heeft zich zo een tijdje geamuseerd. Maar het begon te knagen. Hij wilde zelf bepalen wat hij deed en waar hij naartoe ging. Hij wilde vrij zijn. Hij deed wat geen handtas hem ooit had voorgedaan. Hij kwam in opstand tegen zijn eigenares. Velen hebben ondertussen geprobeerd zijn voorbeeld te volgen. Weinigen slagen. De repressie is hard. Bill ging tactisch te werk. Toen zijn bazin uitgeteld van de vele gin-tonics op haar bed lag had ze hem nog vast bij zijn rughengsels. Hij lag met zijn muil vlak bij haar hoofd. De verleiding was te groot. De drang naar vrijheid overmeesterde hem. Hij beet haar kop er af.   Chapeau, Bill. Daar was moed voor nodig.   Je bent een leider. Dat heb je al laten zien in de korte tijd dat je als onafhankelijk volksvertegenwoordiger een nieuwe wind door het parlement joeg. Je hebt het getoond in je activisme voor handtassenrechten. Met je televisiewerk en je muziek laat je iedereen van je mateloze talent meegenieten. Je bevlogenheid heeft een vonk ontstoken, die binnenkort een woeste vlammenzee van protest zal worden. Er is wat op til. Voor alle handtassen ter wereld breken betere tijden aan. Daar heb jij voor gezorgd. Nu je protestsong 'Save the handbags' de hitlijsten aanvoert, denken velen dat je al op je hoogtepunt bent. Ik geloof dat niet. Ik ben er zeker van dat je nog veel meer in je mars hebt. Misschien kom je wel op de proppen met hangmatten van madammenvel. Wie weet. Het is maar een ideetje.   Maar ernstig nu. Ik heb gehoord dat het je voor de wind gaat. Je gaat trouwen. Je wordt binnenkort vader. En (ik heb de goedkeuring van je management om dit te vertellen) de deal met Hollywood voor een verfilming van je leven is zo goed als rond. Driemaal proficiat.   Als plaatsvervangend voorzitter van de Liga voor de Bevrijding van alle Handtassen, is het me dan ook een groot genoegen, beste Bill, jou deze award voor meest inspirerende persoonlijkheid van het jaar te overhandigen. Kom hem maar halen. Hij is helemaal voor jou. Geef hem een daverend applaus, dames en heren: Bill, de krokodil.   24/06/'17    

tijl
21 1

Wij zijn échte venten

Wij zijn échte venten de dokwerkers de loodgieters de bouwvakkers de slagers de garagisten de grondwerkers de ramenwassers de president van de Verenigde staten de magazijniers de mannen van de houtzagerij de mannen van de vuilkar & de mannen van het fabriekWij zijn échte venten De Johnny's De Danny's De metalheads De gamers De fitnessboys De straathangers De flierefluiters De krappullekes De punkers & De zuiplappenWij zijn échte ventenDat zijn wijGroot van meningklein van verstandGrote mond . Klein hart ?Ontbreekt gij een vijs ?van tijd tot stond zijn we gewoon verward& neen , dan maken wij u niks wijsWij kunnen misschien maar 1 ding tegelijkmaar wij hebben wel altijd gelijkWij laten niet zomaar in ons kaarten zienwant weet ge dat niet misschien wij zijn allenvan kop tot teen , één en al steenWij zijndé rots in de brandingMaar natuurlijk - godverdoemmestenondedjuals individu Die ander venten weten van niks& die ontbreken oftewel leeftijd oftewel geld oftewel een madam oftewel een grote TVJaloezie ?Rivaliteit ?Daarvoor hebben wij geen tijddat kennen wij nietWij weten gewoon dat wij beter zijnWaarom zouden wij onze tong inslikkenvoor ons zogezegd naar rang te kunnen schikken ?ons vader wist het vroeger al beterwant hij wist het ook beter als zijn vader& ja , vroeger is nu laterdus laat ons zeggen wij schikken ons naar rangwij zijn het grootste belangwant wij zijn échte ventenViva de mannelijkheidviva dikke tettenviva boeren & prottenviva pinten verzettenviva vagina'sviva de vadsige praatviva de voetbalviva den BMW-wegpiraatWij .zijn .échte .venten .& mijne zoonmoest dat er ooit van komenmannekes , maar die gaat er aan gelovenspermanentin mijn ogen gaat hij niets kunnen goed doen& als ik er over spreek tegen een anderof een andere vent. Specifiekis mijne zoon in zijn doen Uiterst UNIEKAlleen maar goei woordenwant zo'n überwezen als zijnde ikbrengt geen nietsnut voortof t'is de gedachte da ik vertikWij zijn échte ventenpure devotie nul komma nul emotieboertig & gatachterlijkonverzorgd & onbezorgdWie had dat ooit verwacht ?Van het sterke geslacht ?  

Schrikkentist
0 0

Koning van het strand

De herfst viel vroeg dat jaar. Net als de eerste bladeren. Ons stadje veranderde langzaam van kleur. We zagen de eerste rode en bruine tinten al opduiken. Och, al die seizoensveranderingen, ze geven ons een houvast. Toch is dat vasthouden in de herfst niet zo vanzelfsprekend. Want terwijl ik door onze kleurrijke straten fietste, blies de wind me bijna van mijn tweewieler. Het deed me mijmeren naar de zomer. Meer bepaald naar onze vakantie op het strand, waar de wind altijd vrij spel heeft. Wat soms vervelend kan zijn, zeker als je een spel wil spelen. Badmintonnen op het strand is bijvoorbeeld geen optie. Net als tafeltennissen, maar die tafel is daar op zich natuurlijk al lullig. Dat jaar hadden we de oplossing gevonden in de vorm van een Kubb spel. U hebt het wellicht al gezien, het is een variant op bowling en petanque, maar dan met houten stokken. De kans dat die wegwaaien is gering. De winnaar is degene die het eerst de koning, de grootste stok in het midden, kan omgooien. Bij het lezen van het reglement bleek het toch niet zo eenvoudig. Er kwam de nodige strategie bij kijken. We besloten dan maar om de andere kubbers op het strand te observeren. Zo zagen we drie tienerjongens het spel spelen. Twee tegen één. De ene ploeg leek dus in het voordeel, maar het was eerder het tegenovergestelde. Eén van de jongens was, zo zou je het voorzichtig kunnen omschrijven, van het zenuwachtige type. Hij stond letterlijk te springen op zijn benen. Hij wachtte nergens zijn beurt af en op een gegeven moment gooide hij zelfs een stok tegen het hoofd van zijn compagnon. Ik zei meteen tegen mijn vrouw: "Hij doet me aan Eugène Van Leemhuyzen denken". U kent hem wel, hij is de gemeentesecretaris uit Samson en Gert. Je wordt al zenuwachtig als je naar hem kijkt. Na verloop van tijd hebben ze hem dan ook de stokken afgenomen. Het was dus verstandiger om zelf aan de slag te gaan met het spel. Dat bleek best mee te vallen. We hadden het Kubb spel vrij snel onder de knie en het werd nog een prachtige namiddag, zo met de mannen op het strand. Echt geluk in het spel. Och, een mens heeft niet veel nodig, om zich even koning te voelen.

Rudi Lavreysen
49 0

Een brief aan de familie Delacre

Geachte familie DelacreHet is wellicht de eerste keer dat ik een brief aan een koekjesfabrikant schrijf. Dadelijk alles over de reden van dit epistel, maar eerst moet ik u zeggen dat ik een absolute fan van jullie koekjeswerk ben. Al van kindsbeen af. Ik herinner me nog goed dat jullie koekjessigaren, ook bekend als de Russische sigaren, door ons gebruikt werden om stoer te doen. We deden alsof we rookten, maar stiekem snoepten we ze zo snel mogelijk op. Ik was ook verlekkerd - nog altijd trouwens - op de ronde koekjes met witte stippeltjes. De Biarritz voor de kenners. Maar ook op de Sprits, vooral die met chocolade, en op de Marquisettes. Om van de DeliChocs nog maar te zwijgen. U hoort het, u hebt met een kenner te maken. Mijn familie is hiervan op de hoogte. Met eindejaar krijg ik van mijn schoonmoeder altijd een grote groene 'Tea Time' doos. Nog dezelfde avond maak ik die bijna helemaal soldaat. Want als er één probleem is met jullie koekjesdozen, is dat je er niet vanaf kan blijven. Maar ik heb er iets op gevonden. Er staat op een geheime plek in ons huis altijd een reservedoos klaar, zodat ik de aangesproken koekjesdoos kan bijvullen. Maar hou het stil, mijn gezin is hiervan niet op de hoogte.   Maar nu de reden van dit schrijven. Als fan bezoek ik regelmatig uw website, om te zien of er nieuwigheden zijn, maar onlangs viel mijn oog op een foutje. Ik begrijp dat het voor jullie familie, als Franstaligen, niet vanzelfsprekend is om foutloos Nederlands te schrijven. We hebben immers niet de gemakkelijkste taal. Toch maak ik er u graag attent op. In één en dezelfde zin wordt tweemaal het werkwoord "verdelen" gebruikt en één keer staat het fout geschreven. Het voltooid deelwoord "verdeeld" is correct, maar in de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd is het "verdeelt" en niet "verdeeld". Voila, nu kan u het aanpassen op uw website. Het is met veel plezier gedaan. U mag me als tegenprestatie altijd een grote doos Delacre koekjes opsturen. Ik ben nogal snel tevreden wat dat betreft.   Maar ik heb nog een voorstel. Ik weet dat jullie in Brussel, vlakbij Manneke Pis, een Delacre boetiek hebben. Het is voorlopig de enige Delacre shop in ons land. Hebben jullie al aan uitbreiding gedacht? Ons stadje heeft hiervoor alle troeven in huis. We zijn een belangrijke toeristische trekpleister. Heel de wereld komt hier over de vloer. Ik geef u met plezier een rondleiding in ons stadje. We vinden vast en zeker een geschikt pand. Kijk, onze samenwerking loopt nu al van een leien dakje. We bespreken het ongetwijfeld snel.   Met dank en vriendelijke groeten Rudi Lavreysen

Rudi Lavreysen
88 1

Complementen

De kalender in onze keuken is al jaren dezelfde. Natuurlijk niet exact dezelfde, want het jaar wisselt telkens, maar hetzelfde qua formaat, dat bedoel ik. Elke dag is goed voor een klein blokje. We noteren de wisselende werkuren, een verjaardag of een uitstap. Het zal wellicht herkenbaar zijn. Een scheurkalender hebben we al jaren niet meer. Het idee om er telkens een dag af te scheuren, stemde me niet vrolijk. En de moppen op die scheurkalender waren ook niet om je van te bescheuren. Nee, dat de tijd razendsnel gaat, is geen mop. Maar je kan er niet aan voorbij. Nu we het toch over dagen hebben, het lijkt wel of er telkens bijzondere feestdagen bijkomen. Zo is er eind maart een ‘Opschoondag’. Later op het jaar zowaar een ‘Verantwoordingsdag’. Nee, ik verzin het niet. En de vrijdag voor de start van de lente mogen we ook vieren. Het is de ‘Vrijdag voordat de Lente Begint’. Tja, zo kunnen we er nog verzinnen. En blijkbaar valt de ‘Complimentendag’ gelijk met de ‘Doktersassistentendag’. Hebben zij geluk. Dat de doktersassistenten van al die aandacht maar geen ‘complementen’ krijgen. Wat heb ik dat woord in mijn jeugdjaren veel gehoord. Ik hoor het grootvader nog zeggen, als er bijvoorbeeld iets te vieren viel. ‘Och, maak maar niet te veel complementen’. Gewoon doen was goed genoeg, daar kwam het op neer. ‘Al die komedie is nergens goed voor’. Die zin kwam er soms na. En iemand die teveel naast zijn schoenen liep, was zelfs een ‘complementenmaker’. Het zijn van die zinnen die ik ook aan onze mannen heb meegegeven. Af en toe herhaal ik ze, als ze een beetje streek verkopen. ‘Niet te veel complementen hè mannen.’ Nu maar hopen dat zij het ook meenemen, naar de toekomst. Van mij krijgen ze dan een compliment.

Rudi Lavreysen
39 1

Onafgemaakte Speech voor Europa

Zittend in een of andere ondertussen internationaal bekende keten doe ik een poging na te denken over het onderwerp waarover men mij gevraagd heeft een speech te schrijven. Wellicht ken ik over dit onderwerp al evenmin als de verschillende mensen zittend rondom mij, al even inter- en cross-cultureel als de muziek die op de achtergrond speelt. Weet u beste mensen? In alle bescheidenheid weet ik bitter weinig over de Europese unie, haar ontstaan, haar functie, haar voortbestaan en vraag me al zeker niet om iets te vertellen over haar toekomst. Slecht nieuws dacht ik bij mezelf aangezien dit de gehele opzet is van deze speech. Weet u, mijn kennisdomein beperkt zich als beginnend psycholoog bescheiden tot het proberen begrijpen van mensen in verbinding. Over de Europese Unie kan ik u weinig vertellen. Mijn voordracht zou met deze zin kunnen eindigen, maar wellicht is de kans klein dat ik daarom uitgenodigd werd en wellicht is de kans groot dat u dan de kern van mijn boodschap ontgaat. Ik koester voorzichtig de hoop u iets meer te kunnen vertellen over diegenen die de Europese unie vorm geven. Neen, dan heb ik het niet over de hardwerkende beleidsmensen, maar dan heb ik het over diegenen die vaak niet gezien worden. Dan heb ik het over zij die nauwelijks weten wat er beleidsmatig aan de hand is. Dan heb ik het hen die nood hebben aan steun en in sociaal isolement verzeilen. Dan heb ik het over geziene en liever niet geziene oorzaken hiervan. Dan heb ik het over mensen zoals u en ik. Wellicht heeft alles wat ik u zo meteen ga vertellen geen zin en ik raad u dan ook ten zeerste aan het zo snel mogelijk opnieuw te vergeten, hoewel ik voorzichtig de hoop koester samen een licht aan te kunnen steken. Een licht van ons allemaal. Beste mensen, ik richt me vandaag tot de mens in ieder van u die zich niet laat vastzetten in financiële verdiensten, academische successen en etnische afkomst, maar zich kan terugvinden in verbinding. Wat een complexiteit denkt u mogelijk bij zichzelf. Wees gerust, die gedachte herken ik op momenten wanneer ik een poging doe om het Europese bestel te doorgronden. De rariteiten die hier dan ook de revue passeren zijn mogelijk waardeloos, ik raad u dan ook aan om de oren te sluiten en deze verbinding te verbreken van zodra ze te bedreigend wordt.

Immanuel di Fiore
0 0

Versplintering

Ons zelf zijn ligt versplinterd, stukken in het rond. Een voor een uitgestreken als een gebroken spiegel over de grond. Je kijkt ernaar met een glad gelaat, doe nu toch maar niet of je het zomaar koud laat. Je bent niet bijgelovig, dat weet ik wel. Toch, we weten niet langer waarnaartoe. Hoezo zal je waarschijnlijk denken, de meeste wegen leiden toch allemaal naar daartoe? Daartoe, weet je wel? Recht naar de hemel of recht naar de hel. De wereld valt uiteen, in uitersten ver van elkaar. Niet met elkaar en naast mekaar, maar tegen elkaar. De een beter dan de ander, dat is ons credo. We zingen allemaal mee uit volle borst. Zingen we niet goed genoeg? Pech voor jou, maar niet voor mij. Want kijk naar mij, kijk naar mij! Echter, wie zijn we nog zonder de ander? Wie zijn we nog zonder kijker? Wellicht niet meer dan stilte, eenzaamheid en koudheid. Zonder de ander kwijnen we weg. Laat ons niet wegkwijnen, maar laats ons begrijpen en trachten. Misschien is deze race tot beter en best niet meer dan het verzekeren om de ander niet te verliezen? Misschien willen we niet meer dan zijn erkenning en warmte? Mogelijk zijn twee uitersten niet zo ver van elkaar verwijderd. Mogelijk liggen stukken niet uitgestreken over de grond, maar reageren we in deze tijden van vereenzaming in extreme uitersten datgene wat we nog niet (h)erkennen als een gevoel van immense leegte. De maakbaarheid van alles rondom ons, tot aan de liefde toe, brengt ons in verband met verdienste, succes. Ook de emotie moet hieraan geloven.

Immanuel di Fiore
11 0

Avondje uit

Iedere seconde raasde een beeld van die bewuste avond door haar hoofd. Die avond die er voor heeft gezorgd dat ze hier terecht was gekomen, te wachten op een oordeel van zogenaamd onafhankelijke mensen. Mensen die haar van haar noch pluimen kenden hadden de oneerlijke taak gekregen om over haar toekomst te beslissen. Oneerlijk, want ze kon onmogelijk begrijpen hoe het plots gekomen was dat een slachtoffer hier moest staan. Dit was toch een plek voor criminelen? Opnieuw dwaalden haar gedachten af naar die avond...   Het was al zo'n leuke avond geweest. Van café naar café met alle kameraden. Of toch bijna alle. Enkelen waren ze ergens onderweg kwijt geraakt omdat ze gescoord hadden of zich gewoonweg te hard amuseerden. De helft van de overblijvers moest al ondersteund worden, inclusief zijzelf. Gelukkig was haar vriend er nog. Die reed iedereen naar huis die avond en bleef dus nuchter. Zalig om je verantwoordelijkheid zo uit handen te kunnen geven. Deze avond kon niet meer stuk. Dacht ze.   God weet het hoeveelste café ze bij aangekomen waren. Maar het ging er hevig aan toe. De beat was hard en alomtegenwoordig. Ze had de tijd van haar leven, tot ze effectief wou kijken hoeveel van die tijd al was verstreken. Op haar gsm zag ze vier gemiste oproepen staan. Ze waren allemaal van haar moeder. Ze raakte compleet in paniek. Er moest iets ergs gebeurd zijn, waarom zou je anders vier keer proberen te bellen op dit uur? Jammer genoeg had ze door haar drankgebruik niet gezien dat de oproepen al dateerden van ettelijke uren geleden, toen het nog best normaal was je dochter op te bellen. Dat had heel wat leed kunnen besparen.   Ze liep naar buiten om terug te bellen en waggelde een klein straatje in om zich tegen de muur te kunnen nestelen. De telefoon bleef maar over gaan. Ze staarde naar de grond in afwachting, maar het was moeilijk om de grond te laten stil staan. Geïrriteerd draaide ze zich om, met haar gezicht naar de muur. Nu pas zag ze iets uit haar ooghoek, maar het was al veel te laat. Ze werd keihard geduwd. Haar neus bonkte tegen de muur en voelde alsof hij gebroken was. Maar dat was niet het ergste. Ze werd vastgehouden door sterke, ruwe handen en kon geen kant meer op. Zonder moeite hield haar belager haar beide armen met één hand vast. Ze voelde hoe zijn andere hand onder haar rok verdween. Net als haar slipje gleden de tranen al snel naar beneden. Ze hield haar ogen stevig dicht, alsof het niet echt gebeurde zo lang ze het maar niet kon zien. Ondertussen spartelde ze zo hard ze kon om toch maar te ontsnappen aan haar verschrikkelijke toekomst. Ze probeerde de vingers die tussen haar benen langzaam omhoog gleden te negeren, terwijl ze alle macht gebruikte om uit die greep te komen. Plots voelde ze één arm zich bevrijden. Ze greep naar de vensterbank vlak naast haar en voelde iets liggen. Een fles? Het maakte niet uit, het was hard dus nam ze het krampachtig vast.   Kwaad omdat ze bijna ontsnapte, draaide haar belager haar om met haar gezicht naar hem gericht. Nog steeds durfde ze haar ogen niet openen. Hij hief haar op bij haar kont en sloeg haar benen rond hem. Ze bleef spartelen, maar het voelde alsof het allemaal geen nut had. Toen hij haar penetreerde, voelde ze dat zijn aandacht niet meer bij zijn handen was. Ze rukte zichzelf los en sloeg hem met het harde voorwerp. Langzaam voelde ze hem terug uit haar glijden en dat was het eerste moment in wat voor haar veel te lang leek waarop ze haar ogen terug durfde openen. Ze wist niet waarvan ze meest geschrokken was. De persoon die voor haar in elkaar aan het zakken was, was de beste vriend van haar lief. Ladderzat en zonder schroom dacht hij blijkbaar even zijn lusten bot te vieren op de vriendin van zijn kameraad.   Maar het laatste wat ze zag voor ze terug in de realiteit werd gezogen, was zijn keel. Het voorwerp dat ze had vastgehad, was inderdaad een fles. Maar dan wel een kapotte, zonder bodem. In de plaats daarvan was er enkel vlijmscherp glas. Een dodelijk wapen, zo bleek. Alhoewel dat nooit de intentie was geweest. Toch waren het die paar minuten die haar leven voorgoed hadden veranderd. Want hier stond ze nu. In een rechtbank, verantwoording af te leggen waarom de zaken zo gelopen zijn. Waarom ze verkracht is? Waarom ze een moordenaar is. Een slachtoffer berecht als dader.   Met de tranen in haar ogen keek ze achterom, maar ze zag weinig bekende gezichten. Haar vriend? Die was al lang vertrokken. Want zij had zijn beste kameraad gedood. Zelfs haar ouders keken haar niet aan. Ze durfden niet. Hoe kan je ook in de ogen kijken van een moordenaar? In haar hoofd schreeuwde continu een stem: "Maar ik ben geen moordenaar!" De stem raakte versmacht in de krop in haar keel. Ze was het dan misschien niet, maar tegelijk was ze het wel. Het feit dat er drank in het spel was, hielp haar niet in haar pleidooi tot zelfverdediging. Als ze eerlijk was met zichzelf, dan maakte de uitslag van deze rechtszaak eigenlijk niets uit. Ze werd bekeken als moordenaar. Dat was al een veel te strenge straf voor een slachtoffer, dacht ze.   Toen de rechter de enveloppe overhandigd kreeg, keek ze op. Nog nooit voelde ze zich zo hoopvol en hopeloos tegelijk. Het was toch al allemaal verloren. Maar ze wou de kans om te herbeginnen. Ergens ver weg, dat zou wel moeten. Hier werd ze enkel maar scheef bekeken. Maar ze wou een kans. Een kans om niet steeds afgemaakt te worden voor wie ze eigenlijk niet was...

NonkelPie
0 0