Lezen

Koude voeten

    Het sneeuwde en de verwarming in de galerij werkte alweer slechts op halve kracht. Dus toen ik om vier uur nog steeds geen kat gezien had, besloten mijn verkleumde ledematen en ik dat het welletjes geweest was. Ik sloot af en stak de straat over om de metro in te duiken, maar bedacht mij. Een goed glas whisky bij de open haard in mijn favoriete bar was wat ik nodig had.   Eigenlijk is die bar zowat mijn tweede thuis. Ze heeft dan ook iets van een grote woonkamer met haar comfortabele clubzetels en salontafeltjes met gezellige schemerlampen.  En er zijn heel wat hoekjes waar je je perfect kan verschuilen. Iets wat ik, die letterlijk in een  glazen huis werk,  wel kan appreciëren.   Ondanks het vroege uur was er veel volk maar er kwam net een plaats vrij bij het vuur.   Terwijl ik me ontdeed van de lagen waarin ik me verpakt had  kreeg  ik het gevoel  bekeken te worden.  Was het de man  tegenover mij die half verborgen zat achter zijn krant? Ik  bekeek de nonchalant gekruiste benen in donkerblauwe krijtstreep,  de zwarte glimmende schoenen en het streepje harig scheenbeen boven de sokken. Lange bleke vingers hielden de krant vast  waarboven een tufje golvend haar uitstak. Misschien.     Ik nestelde me met mijn boek en een glas single malt in de zetel en  voelde me langzaam ontdooien. Maar het gevoel bekeken te worden bleef. De man leek nog steeds verdiept in zijn krant en neen er waren geen gaatjes in geknipt.  Ik gniffelde bij de gedachte, waarop hij de krant liet zakken en me met één opgetrokken wenkbrauw aankeek.  “Sorry”, zei ik blozend en gebaarde naar mijn boek. Hij plooide zijn krant dicht en begon me openlijk te taxeren. De brutaliteit ervan verontwaardigde me evenzeer als het me flatteerde maar het verhinderde me vooral om verder te lezen. Ik sloot mijn boek met een klap, liet een hoorbare zucht en beantwoordde zijn blik.  Op zijn gezicht verscheen een ondeugende glimlach waar ik onmogelijk aan kon weerstaan.  De wereld leek een moment te haperen, dan stond hij op, liep weg en kwam niet meer terug. Beduusd keek ik naar de lege zetel. Er lag iets in, het houdertje van een sleutelkaart met een kamernummer erop. Echt?   Het was er eentje van het chique boetiekhotel dat aan de bar grenst en  waarvan de gasten directe toegang hebben via een deur in de hal. Ik keek van het kaartje naar de deur, aarzelde en dan, alsof iemand het startschot gegeven had leegde ik mijn glas, grabbelde mijn spullen bij elkaar en liep er recht op af. Een koppel dat net vanuit het hotel kwam en knikte me vriendelijk toe, de man hield de deur voor me open. Erachter lag  een salon van waaruit  ik een restaurant kon zien waar gasten aan de high tea zaten.  Een hotelbediende kwam mijn richting uit. Rechts van mij was een trappenhal. Ik liep vlug de trap op alsof ik wist waar ik was. Kwam iemand me achterna? Ik durfde niet omkijken en het enige geluid dat ik hoorde was dat van mijn roffelende hart. Had ik al ooit iets spannender gedaan?   Ik bereikte de derde verdieping. 329 was het kamernummer. Mijn voetstappen werden gedempt door het dikke tapijt, 323, 325,… Ik vertraagde. Wat als hij het nu simpelweg verloren had? Of als het niet van hem was? Wat als iemand anders opendeed? Zijn vrouw?  Aan de deur gekomen, luisterde  ik  of ik stemmen hoorde. Hij zou toch niet naakt de deur openen?  Wel, ik was hier nu. Ik klopte. Geen reactie. Ik klopte opnieuw en nog eens.  Niemand.  Al de spanning leek mijn lichaam in een keer te verlaten. Ik had zin om me op het tapijt te laten zakken.   Ik hoorde de ping van een lift en dacht nog, ik moet hier weg, toen een stem achter me zei: “Kan ik u helpen?” Te laat, ik was betrapt. Ik begon zenuwachtig in mijn tas te rommelen en mompelde “ik ben mijn kaart kwijt.” “ Bedoelt u deze?” zei de stem. Ik keek op en daar stond hij met zijn ondeugende grijns. Ik probeerde tevergeefs om niet te blozen. “Ik denk het wel” zei ik terwijl ik de kaarthouder omhooghield.  “Be my guest?” glimlachte hij  en hij reikte me de kaart aan.   Terwijl de deur achter ons dicht klikte voelde ik zijn vingers zachtjes door mijn krullen glijden. Ik begon oncontroleerbaar te trillen.  Ssst, zei hij sussend en nam mijn beide handen vast. Hij wilde me naar het bed leiden maar iets in mij steigerde. “Neen!” riep ik  in paniek en hij liet me verschrikt los. “Neen?” “Neen”. Het bleef een paar tellen stil “Jammer”, zuchtte hij dan en hij gooide de deur wijd open. Ik voelde me meteen stom maar het was voorbij, game over.   Thuis wachtte opgewarmde kost, de afwas en misschien een flauwe romcom?          

Paula Dumont
0 0

De (op)donder

  Hoe langer ik er bij stil sta, hoe meer ik het onder ogen moet zien: de supermarkt is dé plaats bij uitstek waar je ze kan treffen, of toch bij uitstek van de plaatsen waar ik me geregeld vertoon en waar ik veelal helemaal opgefokt terug buiten kom. Doorgaans lopen ze – klein van gestalte maar lastpakken van formaat – me onophoudelijk voor de voeten en dwarsbomen me op alle denkbare manieren. Onwaarschijnlijk veel zin heb ik dan om hen met de koppen tegen elkaar te slaan en het kost me meer dan eens helse moeite me te bedwingen ze een ferme trap tegen hun wiebelende konten te verkopen. Keer op keer verbaas ik me over het feit dat het merendeel van deze koters hun ouders totaal in hun greep heeft en ik erger me onwaarschijnlijk aan de controle die zij kunnen afdwingen, over van alles en nog zoveel meer. Tenenkrullend hoor ik hoe zo’n vrouw met geanimeerde en infantiele stem elke potentiële aankoop uitvoerig overlegt met haar kroost, van welk  ‘vleesje’ de kleine tiran op zijn of haar boterhammetje wil tot de kleur van de nieuwe tandenborstel voor papa toe. Buitengewoon irritant vind ik dat. Luidkeels en op een gebiedend toontje uit zo’n petieterige dwingeland, al dan niet vanuit het zitje in het winkelwagentje, z’n eisen. De ouder in kwestie neemt, tot mijn grote ontsteltenis, deze ‘gesprekken’ lachwekkend serieus, zien medezeggenschap van de koter als pijler van een hedendaagse opvoeding. Alles wat zo’n uk repliceert wordt door hen als fenomenaal beschouwd en men lijkt te veronderstellen dat ook andere klanten blijmoedig worden na het aanschouwen van dergelijke tafereeltjes. Glunderend speurt men rond in de verwachting een vertederde blik van hen op te vangen maar daar komen ze bij mij niet mee weg, onder geen beding! Angstvallig ontwijk ik elk oogcontact en verbeten zet ik mijn tocht door de supermarkt verder. Liefst ben ik dan ook zo snel mogelijk terug thuis terwijl hun schelle stemmen nog lang in mijn hoofd nagalmen. Het meest ergerlijke voor mij is het moment waarop zo’n booswicht een driftbui krijgt, zich schuimbekkend op de grond werpt of z’n keel oorverdovend open zet. Met man en macht tracht ik me dan te verzetten tegen de destructieve neigingen die plots in me opkomen, terwijl mijn vuisten zich ballen en het zweet me langs alle kanten uitbreekt.   Gisteren werd het eventjes spannend: op de kledingafdeling van het grootwarenhuis had zo’n ettertje me bijna omver gelopen. Krijsend als een wilde kat, met een speelgoedfiguurtje in z’n vieze knuist. Luttele ogenblikken later kwam het, terwijl ik rustig een nieuwe regenjas stond uit te zoeken, opnieuw aandraven. De haren wapperend, een verwilderde blik en een kin vol kwijl. Zonder uit z’n doppen te kijken stormde de kleine opdonder mijn richting uit en stampte met z’n plompe voeten abrupt op mijn voet, keihard bovenop mijn ingegroeide teennagel. De scherpe pijn schoot door mijn zenuwbanen, helemaal naar boven tot in mijn oksel. Kronkelend van de pijn zocht ik steun tegen het rek met de regenjassen. Mijn hart ging sneller slaan en ik merkte dat ik knarsetandde van woede. Ondertussen stond de gemene snoodaard me met open mond en een verfoeilijke blik aan te gapen. En toen kwam het… Stoutmoedig stak het kleine rotzakje zijn tong uit, naar mij! Voor ik het goed en wel besefte was het te laat, ik verloor mijn zelfbeheersing en gaf het kleine monster een ferme kneep in de arm. Geen gewone maar een ongelooflijk venijnige kneep. Behendig gooide ik ook mijn nagels mee in de strijd en klauwde, voor wat extra smart, hard en diep in het jonge rozige vlees. Vóór het onthutste jong brullend weg spurtte, kreeg ik eventjes de kans om – niet zonder voldoening - het resultaat van mijn daad te bewonderen: een grote felrode veeg op de bovenarm en verder nog de onbetwistbare sporen van mijn nagels: opvallend roodblauwe strepen, een beetje gerafeld met een paar loshangende huidflapjes erbij. Als ik het goed gezien heb begon het zelfs een beetje te bloeden. En op de vloer de stille getuige: een minuscuul bontgekleurd speelgoedpiraatje, haastig op de grond geworpen door het panikerende duivelskind. Opeens kreeg ik het enorm benauwd. Ik hoorde hoe het jong jammerend om zijn moeder jankte en ontwaarde vanuit mijn ooghoeken een rijzige jonge vrouw die met verontruste blik kwam toesnellen. Ik moest mijn hachje redden en verdwijnen, snel! Vliegensvlug glipte ik één van de krappe pashokjes van de klerenafdeling binnen en kon nog net als de bliksem het gordijn dicht schuiven terwijl de haastige voetstappen van de vrouw steeds dichterbij kwamen, met hoorbaar in haar kielzog de trappelende en nog steeds blèrende snotneus. Opdat ze mijn voeten niet vanonder het driekwart lengte gordijn zouden zien uitsteken, was ik ijlings gaan zitten op het krukje in een hoek van het hok en had ik met behoorlijk wat moeite mijn beide voeten opgetild. Je kon niet zeker genoeg zijn. Het tweetal stond even te dralen in de omgeving van mijn schuilhok en het oplawaai bracht in horten en stoten zijn onhelder relaas van de feiten. Na een poosje hoorde ik hen tot mijn opluchting afdruipen, hun zoektocht naar de boosdoener gestaakt. Na nog een paar minuten waakzaam afwachten verliet ik mijn tijdelijk onderkomen, met opgeheven hoofd en een nauwelijks te verhullen glimlach op mijn lippen.   In de wachtzaal zit Tobias lusteloos en met een bleke snoet op de schoot van zijn moeder, een Playmobil piraat in de hand. Nu en dan staart hij gekweld naar zijn arm terwijl zijn moeder troostend haar armen om hem heen legt en hem verzekert dat de dokter hem snel zal genezen. De deur zwaait open en een kleine, gezette vrouw met blozende wangen stapt de wachtzaal in. Ze draagt een lange witte doktersjas en lijkt hiermee indruk te maken op Tobias. De dokter kijkt het duo onderzoekend aan. “Komt u maar door,” glimlacht ze minzaam. “Dag lieve kleine jongen, jij bent mijn laatste patiëntje vandaag. Gaat u beiden maar zitten en vertel het eens”. “Het is een bizar verhaal”, zegt de moeder, “maar mijn zoontje beweerde gisteren in de supermarkt dat hij werd aangevallen door een vrouw. Een zonderlinge vrouw die plotseling heel kwaad werd op hem en, zoals u ziet, zijn arm lelijk verwondde.” De mama van Tobias doet ratelend het huiveringwekkend voorval verder uit de doeken. Over hoe ze samen met Tobias nog op zoek ging naar de vrouw maar dat er niemand te bespeuren viel, dat ze de wonde zo goed mogelijk zelf verzorgde maar zich toch ongerust maakte vandaag. Hoe het een pak van haar hart is dat ze nog op consultatie kon komen vanavond. Dat het vermoedelijk een gestoorde vrouw moet zijn en dan die enge nachtmerrie van Tobias vannacht en hoe hij sindsdien erg angstig en in zichzelf gekeerd is. “Ziet u, dokter, we zijn nog maar pas in dit dorp komen wonen en kennen hier nog niemand. Tobias heeft al moeite om te wennen aan het nieuwe huis, een nieuwe peuterklas, … En nu dit…”  De dokter luistert vol aandacht naar het verhaal en knikt nu en dan. Ze maakt een paar notities en bestudeert uitvoerig de wonde. “Inderdaad, mevrouw, dit is een uiterst onbehaaglijke situatie. Wat naar voor uw zoontje. Heeft u dit voorval met de verantwoordelijke van de supermarkt besproken?” “Tuurlijk”, beaamt de moeder, “maar ze vonden het een vreemde historie en ik had de indruk dat ze het niet serieus namen of erger nog, dat ze mij veroordeelden omdat Tobias even aan mijn aandacht ontsnapt was…“ Aangedaan slikt de moeder van Tobias een paar tranen weg. “Ach mevrouw, dat is zo vervelend voor u. En hoe ongehoord van ze om dit als een akkefietje af te doen. In ieder geval schrijf ik u iets voor om de wonde goed te ontsmetten en mooi te laten helen. En praat er maar veel over met uw zoontje, dat helpt ook. Tegen de angst en zodat hij opnieuw een beetje vertrouwen krijgt. Maak hem maar duidelijk dat dit een uitzonderlijke gebeurtenis is en dat volwassenen dit niet horen te doen en doorgaans ook niet doen, hoor je dat Tobias?” Met priemende ogen kijkt ze Tobias aan. Tobias staart met sombere blik terug, omklemt met zijn kleine handje stevig de Playmobil piraat en verroert verder geen vin. “Het komt wel goed”, zegt de dokter op geruststellende toon, “hou de wonde goed in de gaten, als de roodheid en de pijn wegtrekken hoeft u niet terug te komen. En anders kom je gerust langs”. De dokter loodst hen bemoedigend naar de deur, ze geeft de moeder van Tobias een stevige handdruk, knipoogt naar de dreumes en aait hem zacht over zijn kruin. “Tot kijk hoor, kleine piraat!”.   Dokter De Donder sluit de deur, trekt haar doktersjas uit en gooit deze met veel zwier over de kapstok. Ze zucht diep en werpt verveeld een blik op haar horloge. “18u45, nog snel even naar de supermarkt”, mompelt ze tegen zichzelf. Ze schiet haar nieuwe regenjas aan en stapt - licht mankend - naar buiten. “Oh, uncus incarnata, au nom du dieu toch”, foetert ze, “Straks maak ik voorgoed korte metten met die verdomd ingegroeide teennagel!”      

Cindy Van de Velde
0 0

Kassa 4

Kassa 4. Aan kassa 4 staan geen klanten. Ik heb een mandje met fruit, witte wijn en Italiaanse delicatessen. Aan de kassa zit een vrouw met een hoofddoek. Ze zegt “Bonjour” maar kijkt me niet aan. Ik zeg “Bonjour” terug. Mijn mandje is 24,56 euro waard. Dat zegt ze ook zonder me aan te kijken. Ik geef een briefje van 50 euro. Op de rolband legt ze het wisselgeld terug. ‘Bonne journée’ zegt ze, zonder me aan te kijken. ‘Bonne journée’ zeg ik haar en ik verlaat de winkel.   Kassa 4. Aan kassa 4 staan geen klanten. Ik heb een mandje met fruit, witte wijn en Italiaanse delicatessen. Aan de kassa zit een oudere dame, grijsblond of blondgrijs, ik merk het verschil niet meer, ik schat haar leeftijd rond de 60. Ze zegt ‘Bonjour’, glimlacht en begint te scannen. Ik zeg ‘Bonjour’ terug. Mijn mandje is 24,56 euro waard. Dat zegt ze me terwijl ze me het bedrag op haar display toont. Ik geef een briefje van 50 euro. Ze geeft me mijn wisselgeld in mijn handen terug. Ik wens haar ‘Bonne journée’, ze wenst me ‘Bonne journée’ terug.   Kassa 4. Aan kassa 4 staan geen klanten. Ik heb een mandje met fruit, witte wijn en Italiaanse delicatessen. Aan de kassa zit een jongeman, ik schat rond de 20, luidop de mérites van voetballer Mbappé te loven tegenover een collega. Ik zeg ‘Bonjour’, de jongeman prevelt, zonder me aan te kijken, een ‘Bonjour’, scant mijn producten en praat verder. Ik heb het raden naar de prijs. Ik geef een briefje van 50 euro. Hij legt het wisselgeld op de rolband, zegt snel een ‘Bonne journée”, staat op en gaat verder praten bij zijn collega.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/    

Erwin Abbeloos
21 1

Een vingerknip.

    Het geluid van een vingerknip net naast m’n oor, meer was er niet nodig om te beseffen dat er weer eens een vakantie aan m’n neus zou voorbijvliegen. Ik had nochtans zo gehoopt op een uitstapje naar zee. Het verlangen dat ik had om de zilte zeewind eens te mogen voelen razen door m’n korte lokken zou niet ingevuld worden. Eens het tintelende gevoel te ervaren van zout op mijn lippen, starend naar de schepen die lijken te zweven over de kabbelende golven, schitterend in de onschuld van de ochtendzon. Schelpjes te zoeken in het mulle zand met m’n voeten in de schuimende branding van de zee. Zandkorrels laten glijden door mijn vingers als vloeibaar goud om er dan het grootste zandkasteel mee te bouwen, dat vast en zeker zal bestormd worden door een leger tinnen soldaatjes. Eindeloos turen naar de einder door een verrekijker om dan zeemeerminnen haasje-over te zien spelen. De opwinding te mogen voelen wanneer ik een verborgen schat zou ontdekken die verstopt lag tussen het wiegende helmgras. Om dan met grote ogen en bonkend hart de kist te openen en de geur van chocolade te ruiken die me zou bedwelmen en verleiden om in het water te gaan in het gezelschap van een zoogdier. Racend op de rug van een dolfijn die trouwens m’n beste vriend zal worden, laverend tussen zeilboten met verbaasde toeristen die me horen juichen en zien hoe ik een school vissen begeleid. Ik, als aanvoerder van een zotte bende vissen, luidkeels liedjes zingend over dronken piraten totdat m’n keel schor is en stokt. Om dan hijgend aan wal te gaan, gebruind door de felle zomerzon. Me neer te vleien in het warme zand tussen algen en dansende kwallen en een veilig deken van zeebries over me heen te slaan. In slaap te vallen op het ritme van eb en vloed om te dromen over vuurtorens die walsen op hemelse muziek georkestreerd door strandredders in roze tutu’s, blazend op hun toeters. Neen, dat alles hoef ik te missen…omdat ik arm ben. Een zielig onzichtbaar kind dat woont op een éénkamer flatje in hartje stad. Verscholen tussen de kilheid van vier grijze betonnen muren waar de schimmel langzaamaan omhoog kruipt. Eenzaam in de grote-mensen-wereld die ik geeneens begrijp. Spelend met kakkerlakken en kreupele spinnen tussen het geluid van over de grond scharrelende bierflessen. De koude vloer te voelen door m’n gescheurde broek en mijn buik te horen protesteren van honger, ronkend als een oude dieselwagen. M’n maag lijkt aan m’n rug te plakken als kleverige kauwgum. Ik laat een geladen zucht, een traan loopt traag over mijn wang en baant zich een weg door het vuil op m’n gezicht. Ik veeg m’n tranen droog, verkleumd door angst om achtergelaten te worden door ma en pa. Ik sta op de toppen van m’n tenen en rek mijn lang pezig lichaam zodat ik uit het raam kan kijken. Een blik op de groezelige stad met toeterende auto’s, zwevend door de straten. Bomvolle bussen die duistere figuren lijken uit te spuwen. Bedelaars die zich smekend voor de voeten gooien van rijke zakenmannen in de hoop een aalmoes te vergaren voor een schamele hap gevuld met vervuilde lucht. Ik hoor het geluid van een winkelalarm en kan nog net een dief zien wegvluchten achterna gezeten door een briesende verkoopster met flanellen benen. De dief duikt heimelijk de ondergrondse metro in met zijn gestolen buit, de mollige verkoopster blijft radeloos achter. Plots zijgt ze neer als een slagroomtaart die te lang in de zon heeft gestaan. Ze ligt roerloos op het voetpad tussen wriemelende voeten die zich haastig begeven naar een zinloze afspraak. Niemand reageert, niemand vertoond ook maar enige emotie. M’n mond gaat traag open en ik wil schreeuwen om hulp, maar m’n woorden zijn kleurloos als grauwe regenwolken die een mistroostig gordijn trekken over de bedorven aarde. Ik bal m’n vuisten als vernietigende bommenwerpers en bonk schreeuwend op ’t raam. Niemand wil me horen, niemand wil me ook maar aanzien als een levend wezen met een slapend hart. Ik draai me om en slenter droef naar de oude koelkast die in de hoek van de kamer staat. Ik trek de koelkastdeur open en grijp met bevende handen naar niets...echt niets. Ik laat me zakken door de benen van slapte en staar naar de houten deur. Ik wacht op schimmige bezoekers die me misschien komen bezoeken, met een doos gevuld met bonbons in alle kleuren van de regenboog. In gedachten ontrafel ik vliegensvlug de felroze blinkende strik met trillende vingertjes. Ik til het deksel van de doos op en kies er ééntje uit. Ik beeld me in dat ik eraan lik. M’n tong strelend over de hemelse chocolade. Het smaakt naar vakantie op een exotisch eiland ver weg dobberend in de Stille Oceaan. Ik hoor kinderen op ukeleles spelen, wiegend in een rokje van gebreide lianen. Ik neurie zachtjes mee en m’n oogleden worden zwaar. Ik val in een diepe slaap. Ik droom...ik droom dat schatrijk ben en wereldberoemd. Ik word geprezen in alle windstreken, benijd tot ieders grote spijt. Ik zucht… ik zucht, hij is geladen. Ben ik gelukkig nu? Ik laat me drijven op  wolken van verbeelding, waar dromen en verlangens mekaar vervullen in ieders ziel. Mijn ziel lijkt te zweven boven m’n lichaam. Ik word gewichtloos en stijg omhoog naar witte wollige wolken die geplakt hangen tegen een helblauwe hemel. Daarboven aangekomen hoor ik harpmuziek gespeeld door engelen met opvallende tattoos. Een rode loper wordt haastig voor me uitgerold. Ik vlieg zwevend over het robijnkleurige tapijt en zie engelen met guitige ogen die me verleidelijk wenken. Ik vlieg verder en ruik aangebrande rijstpap op een bedje van appeltjes met een snuifje kaneel. Ik meen te lachen, m’n hart maakt een vreugdesprong. Hier voel ik me wél thuis. In de verte zit een heilige spelend met zijn lange witte baard gezeten op een troon van slagroom. Hij lijkt te prevelen en opeens roept hij m’n naam. Zou ik langsgaan? ‘Kom nader, jij kleine kapoen. Wees niet bevreesd. Je bent hier veilig in ’t hemelse rijk. Je kan hier spelen met een allegaartje aan engelen en drinken uit de eeuwige jeugdfontein. Je slaapt in een donzig bedje wiegend op het ritme van de oneindigheid. Sluit je ogen, nu…en tel langzaam tot acht. Ik hoorde een vingerknip, opende m’n ogen en…wat had je nu gedacht?

Sandra Ringoot
17 0

Vakantie

Vakantie, volgens de reclame 'de beste tijd van het jaar'. Ik vind het een beetje sneu om een jaar te leven voor 3 weken lol. Bovendien ligt de lat dan wel erg hoog voor deze 3 weken. Vriend en ik pakten de tent in en reden met jeep richting Polen. De hond mocht ook mee. Kamperen, worstjes grillen en pintjes drinken. Zonder bh rondlopen. Heerlijk. Even een voetnoot. De vriend heeft vaak uitzonderlijk geluk in het leven, speciaal rond reizen. Vriendelijke strangers die zijn vergeten portefeuille terugbrengen, zonder diesel vallen en een buurman die hem uit de nood helpt, zo'n dingen. Mijn familie staat bekend uitzonderlijk pech te hebben op verlof. Verre reizen naar waar de zon altijd schijnt en dan in een orkaan zitten (buiten orkaan seizoen). Vliegtuigpanne. Voedselvergiftiging. Zo van dat. Tot nu toe hadden we tijdens gezamenlijke reizen meestal het geluk van de vriend aan onze zijde. Tot nu toe. Deze vakantie reeg een stroom aan kleinere en grotere pechjes aan elkaar. Verloren voorwerpen. Een vies pension (waar we meteen vertrokken). Alle campings volzet. Alle restaurants op sluitdag. Het einde van de reis leek de pech afgewend. Laat in de avond toch een gasthof gevonden in de bergen, mooi weer en rust. Ontbijten op het terras. Vriend en hond rustig aan een tafeltje. Vandaag is er zelfs een dorpsfeest! 5 knallen om 09h00. Geweerschoten zegt de vriend. De vriend is gepassioneerd jager. De hond is zijn compagnon. En weg zijn ze! Ik zit en eet, schud nog een kopje hete koffie in. Genieten dat kan op ieder moment van de dag, en dat kunnen kleine dingen zijn! 

Evelien
22 0

Nederlands in Brussel.

In het hippe centrum van Brussel ligt een trendy bar waar het na het werk gezellig rondhangen is. Voor eten zou ik hier niet stoppen, een prijzige smaakloze afgekoelde pasta levert niet de juiste culinaire belevenis – het is zo’n bar waar je de koffie, de thee, de muffin en het drankje met onuitspreekbare naam en waarvan je nog nooit gehoord hebt niet zomaar benut, je moét het beleven. Toch weet ik de plek te appreciëren, de wijn is er lekker, er hangt een ongedwongen sfeer en op één serveuse na die écht alles doet om onvriendelijk te zijn, zou ik wel een positieve recensie schrijven op Tripadvisor. De eigenaar van het concept blijkt uit Frankrijk te komen (zoals tegenwoordig veel horeca door Fransen wordt opgekocht), met leerschool in Parijs en het établissement heeft dit hangen : “Cherche étudiant(e), connaissance français et anglais. Néerlandais apprécié”. Daar stond het. Daar beleefde ik het weer. Ik ben al na meerdere mokerslagen opnieuw opgestaan en doorgegaan en ik heb de naweeën ervan altijd met filosofisch tegenwoord weten te beschrijven. Zelfs met humor want Nederlands ligt gevoelig. Ik ben herleid tot een appreciatie, een bijrol in een commercieel succesverhaal, een voetnota op een aanwervingsbord, een derderangs (klote) klant. Een klant die Nederlands spreekt. Djeezes, man! Ach, appreciatie is de troostprijs. We hebben ons best gedaan maar het is ons niet gelukt. En jullie Nederlandstaligen spreken toch allemaal een handig mondje Frans en Engels? Toch? Je weet toch dat het daar niet over gaat. Toch? Als ik mijn geapprecieerd worden niet zou herleiden tot iets om te lachen (humor), was ik geheid een “sale flamand”, een ambetante gast die het nu wel érg doordrijft. Eentje van de NVA zeker? Of van het Taalactiecomité. Laat me het dan met humor en met de nodige filosofie aanpakken. In de Delhaize op de Anspachlaan begrijpt niemand wat “Mag ik een zak alstublieft?” betekent, tenzij die enige Bulgaarse of Roemeense, misschien een vrouw van Russische afkomst, aan de kassa. Bij Paul weet de verkoopster niet wat een boterkoek is, bij Panos weten ze ook niet wat een volkorenbrood is. Bij Club is het verloren moeite te vragen waar de agenda’s liggen, in de biowinkel is het stilzwijgend afrekenen en verder communiceren in gebarentaal, een klantenkaart aanvragen bij DI? Vergeet het maar. In de Inno slaat de verkoopster in paniek wanneer ik zeg dat mijn aankoop voor een cadeautje is. In Rituals wordt naast elkaar gepraat. Niet alleen in de privé, ook in het openbaar Brussels bestuur getuigt communicatie in de andere landstaal van incompetentie. Voor een burgemeester ligt de letter “K” moeilijk en ook de informatie op de bouwwerf van de voetgangerszone wordt niet meegegeven zonder spelfouten. Ziek worden, de dood in de ogen beleef je maar beter niet in een Brussels ziekenhuis. Toch om te lachen allemaal? Toch? Cijfers, iemand begroeten, producten kennen die je verkoopt, iemand bedanken… het zijn allemaal simpele en dagelijkse belevenissen die toch zo moeilijk liggen. Ik lach mijn Franstalige vrienden niet uit. Ik zie er wel de humor van in – sommige spellingsfouten zijn écht schitterend trouwens, ik zou het zelf niet beter gevonden hebben! Mij maakt het niet uit of je het Nederlands wel dan niet beheert. Je m’en tape! Waar ik niet tegen kan is me “sale flamand” noemen, me geapprecieerd laten weten (wat van mij dan weer die moeilijke gast maakt), reacties op een Vlaams liedje in een bar : “C’est quoi ça?” of, “C’est quoi cette merde?”. Dat zijn reacties die kwetsen. Ik ben ook maar een Belg. Waarom is het toch zo moeilijk voor een deel van de Brusselse bevolking om, ik zeg maar, een opleiding Nederlands te volgen, zich te interesseren voor de andere cultuur, verbinden in plaats van schimpen. Ik begrijp de onkunde. Ik begrijp dat het Franstalig Onderwijs niet altijd de juiste keuzes biedt. Ik begrijp dat het Nederlandstalig Onderwijs kwaliteitsonderwijs is. Laat ons onze wonden helen. Laat ons meer zijn dan gewoon elkaar te appreciëren, laat ons meer zijn dan scheldwoorden en desinteresse. Laat ons nieuwsgierig zijn naar elkaar. Geef elkaar meer dan woordenlijstjes en grijze grammatica. Geef ons elkaar België terug. Geef ons elkaar Brussel terug. En laat het ons niet in handen geven van gevaarlijke domme politici. http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
0 1

Kritisch blijven denken

In het Brussels Gewest, in de groene gemeente Sint-Lambrechts Woluwe, heeft de school Singelijn in 2017 besloten om geen aandacht meer te schenken aan Moederdag en Vaderdag. Populistische reacties bleven niet uit : het hellevuur kwam weer van de islam. Zo dachten en schreven veel mensen hun ongenoegen uit op sociale media. In een later bericht stond te lezen dat het een beslissing is geweest waar de school al jaren over nadacht. De school had immers opgemerkt dat het klassieke gezin ‘mama + papa + kind’ niet meer het enige model was, niet alleen in de Singelijn maar ook in onze Belgische samenleving. Langs islamitische hoek kwam dan even populistisch (uit)gelach in de column “Niets is pittiger dan een nieuwsfeitje dat een multiculti- of islamstaartje krijgt” van Yasmien Naciri in De Morgen van 12 mei 2017.   Ik kan de school geen ongelijk geven maar was het niet beter geweest de communicatie beter te verzorgen en duidelijk te maken waarover het ging? Wij Belgen zijn de schatbewaarders van onze volkse tradities, iets als “Moederkesdag” neem je niet zomaar weg. Want dat dachten de mensen, dat hun Moeder-Vaderdag op het altaar van de multiculti lag om onverdoofd als een halalschaap afgemaakt te worden. Kijk naar de heisa rond Sinterklaas en zijn Zwarte Piet, of verbaas jezelf over het feit dat in bepaalde kringen niet meer gesproken mag worden over de Kerstvakantie of de Paasvakantie maar dat het gaat over de Wintervakantie en de Lentevakantie. Ook de benaming Kerstmarkt in het hartje van Brussel heeft zijn ziel moeten verkopen aan het platte Winterpret.   Het Rode Kruis organiseert jaarlijks een stickeractie die veel bijval treft bij de Belgen. Dit jaar stonden de Kiekeboes in de kijker. Zo leren we dat blonde Fanny een mond-aan-mond reddingsactie op het strand onderneemt. Op de achtergrond veinzen alle mannen flauw te vallen om ook door de bekoorlijke Fanny geanimeerd te mogen worden. Alle mannen.. en een vrouw (een lesbische dan nog wel, zo schrijven de kranten). Het Rode Kruis heeft besloten deze vrouw weg te laten omdat, na raadpleging en overleg, de mensen echt niet zouden begrijpen waarom die vrouw mee flauw valt. Deuh!   Het valt te betreuren dat de Singelijn niet met een alternatief is gekomen. Waarom niet een dag om alle ouders (lees : ieder volwassenen die zich met de opvoeding van het kind bezig houdt) van alle kinderen in de bloemen te zetten? Wie beslist eigenlijk over Moeder- en Vaderdag? Of is dat iets voor het ministerie van Volksgezondheid waar ook al eens de ‘mayonaisewet’ op de overlegtafel kwam? Dat het Rode Kruis niet in staat is om uit te leggen aan hun mensen dat er anno 2017 – en al héél lang – ook vrouwen zijn die graag door vrouwen gekust worden, baart ook zorgen. Iets simpel als bonjour wordt in een handomdraai met de gom weggeveegd. Een lesbische vrouw laten zien, dat doe je toch niet?   Wat scheelt er met onze Belgische maatschappij? Waar is onze openheid en waar is ons kritisch denken en argumenteren gebleven? We hebben grootse dingen gedaan in ons klein landje : van euthanasie tot homohuwelijk. En ook de islam heeft een plaats naast onze kerktoren gekregen. Ligt het aan de generatie “Likers en Volgers”, ligt het aan de media? Ligt het aan de platvloerse politiek, ligt het aan de VTM-cultuur zoals Arno het ooit zo prachtig zei? Gaan we nu zo verder, dat we niet meer nadenken over wat we schrijven, over wat we denken? Gaan we onze vrijheden van schrijven en denken compromitteren door plat populisme gekruid met angst en ‘wat we zelf doen, doen we beter’ te hanteren? Voor zo’n maatschappij pas ik. Voor een kritische, vrije en constructieve maatschappij blijf ik schrijven. Nu weet u dat ook.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
0 0

Huisvlieg.

De afgelopen twee jaar hebben zich veel ,meer dan anders het geval was, voorvallen van opmerkelijke aard en bijzondere verschijnselen voorgedaan. Misschien dat ik er nog meer ontdek in de jaren van daarvoor, maar wat zojuist alweer het geval was wil ik graag vermelden. Drie weken geleden zat ik ook juist op dezelfde plek als waar ik nu zit, in de voortuin. Op een middag ,na mijn werk, was het precies tijd voor een glas koud bier in de schaduw toen ik een bepaald insect opmerkte. Te snel voor een kever, te groot voor een mier. Het bleek een vlieg te zijn die een van haar vleugels had verloren. Ze liep nog steeds met dezelfde snelheid voort, maar in plaats van weg te vliegen als ik haar met mijn wijsvinger probeerde aan te raken, maakte ze een sprongetje en bleef dan op haar rug rondtollen. Er liepen ook mieren, torretjes en spinnen rond op de tegels van de voortuin. Het zou niet lang duren voordat ze daar uiteindelijk aan ten prooi zou vallen. Ik schonk mijn glas weer bij en keek toe hoe ze inmiddels aan de aanval van twee mieren had weten te ontsnappen. ‘Die sterft zeer zeker’, dacht ik. Ook alleen al door een vleugel te missen. Toen de mieren met meerderen tegelijk  de vlieg in de gaten kregen was mijn bier op. Ik liep mijn huis in, pakte uit de koelkast nog een biertje, een stukje brood en een overgebleven stuk appel van het ontbijt. De vlieg kreeg het steeds drukker met het ontwijken van haar belagers. Steeds weer opspringen, even rondtollen op de rug en dan weer vliegensvlug weglopen. Het is weldra schaakmat tegen de strategie van slechts drie mieren die paard, toren en koningin om haar heen spelen. Ik maak mijn blik bier open en neem er een slok uit. Het stuk brood breng ik naar mijn mond en spuw er het bier in. Mijn lege glas leg ik over de vlieg heen en duw het natte brood met het stuk fruit erin. Ze zit gevangen. ‘Je sterft toch. En de mieren zullen je na je dood ook nog wel weten te waarderen. Eet en drink.’ Ik liet haar daar en kwam volgende middag pas weer kijken naar het omgekeerde glas in de voortuin. Daar was plots beweging te zien van een vlieg die onder het stuk brood vandaan kwam en op het stuk fruit sprong. Ik kon duidelijk zien dat ze zich eraan tegoed aan het doen was. ‘Beschermd tegen alle anderen, behalve je eigen dood’, dacht ik nog. Ik liet haar zo en keerde de volgende middag pas weer terug. Nog steeds was de vlieg over het brood en fruit aan het kruipen. De buurvrouw had er nog naar gevraagd. Waarom dat omgekeerde glas daar nog steeds stond. ‘Laat u dat maar daar, morgen haal ik het weg’.  De dag erna zag ik haar niet meer in het glas. Het brood was opgedroogd en het fruit beschimmeld. Niet dat dat voor vliegen een probleem hoeft te zijn. Maar ze was niet meer in haar beschermwoning aanwezig. De mieren hadden misschien toch een manier gevonden om onder het glas door te komen en haar meegenomen. Ik pak het glas op en gooi het brood en fruit in de compostbak. Het regent. Een en een halve dag, totdat de zon weer twee middagen volop schijnt. Uit hetzelfde glas dat diende als bescherming voor de vlieg zit nu weer ijskoud bier terwijl ik, nog in mijn werkvest, in de voortuin zit. Ik kijk naar de mieren die hun spoor voortzetten over de tegels.  En kijk. Er springt een insect op mijn schoen. Te groot voor een mier, te snel voor een kever. Het is een vlieg met 1/4 vleugel. Als ik haar mijn wijsvinger toesteek, springt ze op en wijkt opzij. Maar ze verlaat mijn schoen niet. Ook niet na drie keer. In een van de zakken van mijn vest vind ik een stuk verkruimeld biscuit. Ik doop het in mijn bier en leg het op mijn schoen bij de vlieg neer. Met haar trompetsnuit doet ze zich eraan tegoed. En ik aan mijn bier. Plots springt ze van mijn schoen af en haast zich over de tegels naar een stuk afgesneden tuinslang waar ze inkruipt.   Ze heeft inmiddels helemaal geen vleugels meer. Maar ze komt nog steeds voor brood, bier en koek of fruit.

Stanley
25 0

Het rode slipje.

Ze stapte alsof ze te laat ging zijn op een afspraak maar het waren haar zenuwen die haar passen op dreef hielden. Misschien was het gewoon de koude winter die over Weesdonck gevallen was en die haar op de hielen zat. Uit haar jas nam ze een opgevouwen papiertje met het juiste adres. Hier had ze geen afspraak maar hier moest ze wel zijn. Ze liep naar de deur en belde aan. Ze herschikte nog snel even haar blonde haren. Was ze nu gisteren toch naar de kapper geweest maar ze had zich met enkele mensen en haar vriend liggen suf neuken bij haar thuis. Er kwam niemand open doen. Na een minuut belde ze nog eens aan. Deze keer met aandrang, iets langer dan de eerste keer. Ze hoorde een deur open en weer dicht gaan. Een stoere vrouw deed de deur open en begroette haar. “Ah, jij bent het”. Ze glimlachte onwennig, zei hallo en opende haar grote handtas. “Ik denk dat je deze gisteren vergeten bent”. Ze gaf de vrouw een rood slipje waar vooraan een kunstpenis was vastgehecht. “Ooh, dank je wel”. De stoere vrouw nam de lingerie aan en vroeg of ze even binnen wou komen voor een kop koffie. Of een pintje. Of iets anders. Ze bedankte. “Ik heb een afspraak bij de kapper. Een andere keer misschien”. De stoere vrouw glimlachte terwijl ze de kunstpenis als een volrijpe courgette in haar handen vast hield. Het rode slipje bengelde er wat onhandig aan. “Ik heb het niet gewassen” zei ze nog. “Oh, maar dat is prima. Ik doe dat wel. Wat fijn van je om snel even langs te komen. Ik apprecieer het enorm”. “Dan ga ik maar,” zei ze zelfverzekerd alsof ze te laat ging zijn op een afspraak. “Tot een volgende keer misschien”. “Ja, misschien wel”, zei de vrouw met de dildo in haar handen en ze verdween achter de gesloten deur. Ze was opgelucht. Ze liep de voortuin uit. Wat een knap huis, dacht ze nog, hoewel ze door haar zenuwen niet veel van het huis heeft kunnen bekijken. Hier is geld. Ze stak haar verkleumde handen in haar veel te grote groene fluo jas en liep vastberaden naar haar auto die een straat verderop stond geparkeerd. Vreemd, dacht ze bij zichzelf terwijl ze met de sleutel de deur van haar oude Toyota opende, die vrouw heb ik nog nooit gezien. Het was toch een triootje met twee mannen?   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
72 0

Smakelijk eten

Het komt wellicht in de beste families voor. Bij ons kunnen ze er ook wat van. We zitten aan tafel, de gekookte aardappelen dampen dat het geen aard heeft, het vlees sist nog een beetje na in de pan en de eerste vork verdwijnt al in de kastrol met groenten. "Smakelijk eten!", roept iemand van het gezelschap. Maar dan presteert een andere om het over - laat ons maar zeggen - vieze dingen te hebben. Wat er zich in het kleinste kamertje afspeelt bijvoorbeeld. U begrijpt wellicht wat ik bedoel. Allesbehalve smakelijk dus. Ik zie het in mijn hoofd meestal meteen voor ogen. Ik heb er dan ook een verbod op uitgevaardigd. Tijdens het eten praten we niet langer over die zaken.   Maar u weet hoe dat gaat. Zo begon ik eens, toen ik voelde dat het heikele onderwerp opnieuw klaar lag om afgevuurd te worden, maar een stukje uit de krant te lezen. "Kijk", zei ik, "Hoe leuk. In de peutertuin hebben ze deelgenomen aan de modderdag. Ze laten de peuters in de modder spelen zodat ze ontdekken wat het is." Ik keek boven mijn leesbril uit en wierp een blik op de rustig verder etende familieleden. Het onderwerp boeide niet meteen. Maar op die manier was het wel mogelijk om smakelijk te eten. Ik las vervolgens nog een stukje over de dierentuin. Ik kan me niet meteen herinneren waarover dat exact ging, maar ik had het beter niet gedaan. Want door de combinatie van 'modder' en 'dierentuin' kwam er een ander verhaal naar boven. "Weet ge nog in de dierentuin pa", hoorde ik zeggen. "Bij de nijlpaarden?" Ik zag de hele scène in de dierentuin weer voor me. Tijdens een bezoek aan de zoo zagen we een nijlpaard uit de modder kruipen en die moest duidelijk zijn of haar behoefte doen. Ik weet niet of u dat ooit hebt mogen aanschouwen, maar dat is een spektakel. U kan ook maar best de nodige afstand houden. Het nijlpaard doet zijn of haar gevoeg en kliedert de uitwerpselen met de staart vervolgens alle kanten op. Meteen netjes afgeven die handel, denken de nijlpaarden wellicht.   Trouwens, ik had toen net een boterham met choco vast. U zal begrijpen dat die in de verste verte niet meer smaakte. Net als het avondeten dat toch voortreffelijk begonnen was. Ik zag enkele grijnzende gezichten aan tafel en het enige wat ik kon uitbrengen was dan ook "Ja, kak".  

Rudi Lavreysen
0 0

Zon, zee, maandverband?

Eén van de krantenkoppen die me deze week opviel ging over afval. Over hoe er na een dagje zon-, zee- en strandplezier steevast een smerige berg vuilnis achterblijft op onze Belgische stranden. Blikjes, plastic, luiers, ja, zelfs maandverband, zowat alles wordt dagelijks achtergelaten op het strand. Ik dacht meteen: dat knap stukje menselijk gedrag verdient een snedig stukje op mijn blog. Of misschien toch niet. Ik heb immers graag dat mijn columns een glimlach toveren op het gelaat van de lezer. Omdat die lezer zich in iets herkent, omdat hij wordt ontroerd door wat hij leest of gewoon omdat hij het om te lachen vindt. Het waarom maakt eigenlijk niet echt uit, maar wel die glimlach graag. En daar knelt het schoentje toch vandaag. Want wat kan er ook maar enigszins grappig zijn aan een bende onnadenkende kuddebeesten – nochtans net als zij die hun afval wel flink sorteren en braaf in de juiste vuilnisbak deponeren, behorend tot die vorm van zogenaamd ‘intelligent leven’ die wij mens noemen - die, na een dagje genieten van de schoonheid en de weldaad van de zon en de zee, hun windschermen weer netjes opplooien, hun badlakens grondig uitschudden, hun gebruinde voeten secuur afborstelen (want we willen geen zand in huis, hoor, stel u voor) om dan hun schup af te kuisen en het strand achter te laten als een gore vuilnisbelt? Niks. Daar is echt niks grappig aan. Wat bezielt hen? Is het puur egoïsme? Après nous le déluge? Doen ze het vanuit één of andere misplaatste overtuiging dat ze het wel verdiend hebben om hun vuiligheid door anderen te laten opruimen? ‘Waarvoor dienen anders de mannen van de vuilkar? Daar betalen wij toch belastingen voor?’ Ligt het aan de warmte? Een zonneslag? Een dagelijks terugkerende vlaag van collectieve verstandsverbijstering? Of ben ik gewoon te streng? Misschien is het wel goed bedoeld? ‘Ach kijk, er zit nog een restje ketchup in het frietbakje, laat maar liggen, zoet, zo hebben de dolfijnen er ook nog wat aan. Ja, tuurlijk, dat blikje cola ook, kan nog wel dienen, hoor, als huisje voor een kreeft of zo.’ Seriously. Precies of er dobbert nog niet genoeg plastic in de zee. Vergeef me het woord onnadenkend. Vergeef me het woord kuddebeest. En begrijp me vooral niet verkeerd. Hoewel tussen tienduizenden anderen gaan liggen bakken en braden niet my cup of tea is, heb ik wel al veel mooie momenten beleefd aan ’t zeetje en heb ik ook echt helemaal niets tegen mensen die wel graag voor bakharing spelen. Ieder diertje zijn pleziertje. Ik heb ook niets tegen mensen die al eens graag een hapje eten of een drankje nuttigen op het strand. Dat doe ik zelf ook als ik er ben. Maar ik neem wel mijn vuilnis mee als ik ermee klaar ben. Altijd. Is het leuk om met een vol poepzakje, een berg vuile luiers, een stuk of wat plakkerige waterijswikkels en een dozijn perzikpitten in de hand de weg naar huis weer te moeten aanvatten? Neen, dat is het niet. Maar wees er maar zeker van dat tussen tientallen (honden)drollen, vuile luiers, vieze wikkels en afgekloven pitten van anderen moeten zitten nog veel minder leuk is. En - hoewel ik ze het, toegegeven, niet kan vragen - ben ik er vrij zeker van dat de vissen en bij uitbreiding alle andere planten en dieren in de zee het volmondig (en liefst zonder plastic erin) met me eens zijn. En kom, geef toe, als je ’s ochtends je hele hebben en houden tot op dat allermooiste plekje van het strand gesleurd krijgt, is het toch maar een kleine moeite de boel er ’s avonds ook weer af te halen. Niet? Ik denk het wel. Dus, lieve mensen, lieve lezers, lieve kuddebeesten allerhande: geniet. Geniet met volle teugen, van de zon, van de zee en van het strand maar - alsjeblieft - houd het daarbij gewoon voor iedereen plezant!

Bregtje Van Bockstaele
70 0