Lezen

Onder een steen

Een babyborrel op zondag. Vrienden van de vriend. Gezellig wat cava drinken in een voetbalkantine met taart en een schattige baby toe. Een baby die handig niet van mij is en die ik kan laten passeren als het weent. Een plan. Ik trek een broekpak aan, loafers, en dan toch hakken, net dat tikje meer. Ik ken de vrienden van de vriend niet goed, wil een goede indruk maken. Sexy genoeg, leuk genoeg, mooi genoeg maar niet te mooi voor de vriendinnen van de vrienden. In mijn hoofd is het druk. We stappen uit de auto, begroeten, nog de beste wensen voor het nieuwe jaar.. "Deze kant uit Evelien!" Ik loop naar de verkeerde kant.. Snel wil ik bijbenen en ineens lig ik op de grond. In 1 seconde sta ik recht. Niks aan de hand! Ik ben niet meer op mijn knie gevallen sinds mijn kindertijd.. De vriend kijkt mij raar aan en de vrienden lachen wat.. Gaat het? De vriendinnen kijken mij bezorgd en geamuseerd tegelijkertijd aan. Ja prima! Als kind deed je bij ons thuis nooit flauw en als volwassene weet ik daardoor vaak pas laat als ik lichamelijk iets mankeer. Je broek is stuk.. Kan wel gemaakt worden! Ik ga naar het toilet. Mijn broek is rood van het bloed en hangt aan flarden. Ik ween. Hard. Van schaamte en nog meer van mijn kapotte broek. Mijn eerste pak. Een week eerder gekocht voor mijn nieuwe baan en mijn nakende 30 jaar. Volwassen cadeau voor mezelf. Duur cadeau ook. Hugo Boss. Ik voelde me sterk en een dame toen ik het aan deed. En nu ween ik met een kapotte knie op een toilet, zoals een klein kind. Daar is de vriend. Met een doekje en een pleister. Terug naar de babyborrel. Want dat is wat volwassen mensen doen. Vallen en opstaan. En soms onder een steen willen gaan liggen.. 

Evelien
6 1

Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn. Jeanette Winterson

Ik heb gekozen voor het boek van Jeanette Winterson ‘Waarom gelukkig zijn als je ook normaal kan zijn’.   Ik kies voor het eerste hoodstuk dat begint met volgende zin:   Als mijn moeder boos op me was, wat vaak gebeurde, zei ze: ‘De duivel heeft ons naar het verkeerde wiegje geleid’ het beeld van satan die tijd vrijmaakt van de Koude oorlog en het McCarthyisme om in 1960 een bezoek aan Mancester te brengen met het doel mevrouw Winterson om de tuin te leiden, bezit een flamboyante theatraliteit.   Het extreme gedrag van de ouders brengt de schrijfster in een verwarrende en vreemde wereld waar ze zich niet alleen moet leren handhaven maar ook haar eigen bestemming moet leren ontdekken.     Hieronder de scene die ik schreef vanuit de doorschrijfteksten geïnspireerd door het fragment van het boek van JW.     Langzaam dunt de generatie uit. Mijn moeder was de derde van de tien broers en zussen. Na haar volgden snel twee oudere zussen. Ze werden allemaal negentig en meer. Ik woon opnieuw een rouwdienst bij, deze keer van mijn tante Haddie. ‘We zijn hier samen om afscheid te nemen van Haddie’. Ze is de enige naamgenoot die ik ken. Het is vreemd om mijn naam zo veelvuldig, en  dan nog in deze context, te horen noemen.    Ik zit in de kerk naast mijn nicht Vina. Ze was altijd een haantje de voorste en niet op haar mondje gevallen. Het lijkt me een eeuwigheid geleden dat ik haar nog sprak. ‘Hij kon zijn handen niet thuishouden’, zegt ze. Ze heeft het over mijn grootvader. Ik ben verbaasd dat ze, in de korte tijd dat we daar samen zitten, erin slaagt het gesprek op dit onderwerp te brengen. Ik verdenk haar ervan dat ze het er graag over heeft. Hoe groot het taboe was in de generatie van onze ouders, des te groter blijkt het genoegen bij de generatie erna om er omstandig over uit te wijden. ‘En als dat zo was bij zijn kleindochters, zal dat ook wel zo geweest zijn bij zijn dochters’, voegt ze er nog aan toe.   Mijn grootouders waren voor ons verre figuren met een heiligenstatus. De weinige keren dat ze op bezoek waren kwamen er koffiekoeken in huis. Een delicatesse voor ons, zelfs de oudbakken koeken twee dagen later. Mijn moeder liep zenuwachtig rond en sloofde zich uit om het hen naar de zin te maken. Ze had iets goed te maken. Een vrouw was maar zo goed als ze van haar huwelijk een succes wist te maken en om precies te zijn, een materieel succes met de nodige aanzien.   ‘Hij kan nog promotie maken in die verzekeringsmaatschappij’, oordeelde mijn grootvader over mijn vader. Zijn vijf dochters moesten  een goede partij huwen en dat vereiste wel wat koppelvaardigheden. In vergelijking met de huwelijkskandidaten voor haar zussen was de kandidaat voor mijn moeder minder hoog gegrepen.  Maar mijn grootouders waren al blij dat ze onder de pannen was en het vooruitzicht op de promotie gaf toch een zeker perspectief. Een perspectief dat mijn vader nooit waarmaakte.   Op de sepiafoto zie ik een tuin met op de voorgrond rozelaars. Het gebouw links op de foto doet me denken aan de Zweedse houten huizen. Op de achtergrond over bijna de hele breedte van de foto staat een volière. Als ik inzoom ontwaar ik takken waar ik vogels op vermoed. Centraal op de foto staat een smeedijzeren carrousel hoog uitlopend op een spits torentje. Op het ronde vlak hangen acht klokjes. In het midden van de carrousel, voor een hoge  takkenconstructie, staat mijn vader -  ik schat hem zo’n twaalf jaar – samen met een meisje dat iets jonger is. Vermits mijn vader geen broers  of zussen had, veronderstel ik dat het een buurmeisje is. Als ik op mijn beurt twaalf jaar ben, is deze paradijselijke plek vervallen. Er is geen spoor meer van de rozelaars. Het gebouw links op de foto, staat er vervallen bij. De volière is afgebroken. Het torentje staat er triest bij. Er hangen maar twee klokjes meer onderaan de grote klok en ook die dreigen er af te vallen. De tuin -  twee boomgaarden, een groenten en bloementuin, een kriekengaard en een voortuin, alles tezamen zo’n 70 are groot - is langzaam verwilderd. Mijn vader werkt niet in de tuin. Hij ligt boven op zijn bed. Ik breng hem een bord met een peer die mijn moeder geschild heeft. Hij staart wat uit het raam. Ik kom even bij hem liggen terwijl hij de peer opeet. Daarna kan ik het bord terug naar beneden brengen.  Hij is ziek maar we weten niet wat hij heeft. We hebben geleerd niks te vragen. Wat we moeten weten - zo weinig mogelijk - zal ons verteld worden. Vragen worden vaak op ongeduld en irritatie onthaald. We voelen snel feilloos aan wanneer een vraag niet gepast is. En een vraag blijkt bijna nooit gepast in mijn moeders wereld.  

Haddie
0 0

In de zoektocht naar het ‘wij’ verloor ik vaak mijn ‘ik’.

Schrijfopdracht 1 - Esther van der Werf   Logboek van een onbarmhartig jaar – Connie Palmen Pag 28 onderaan ‘Samen betekent wij iets,’ t/m pag 29 bovenaan ‘angstaanjagend leeg is’   Premisse: Dienstbaarheid omwille van de te verwerven verbondenheid, levert niets op als de eerste verbondenheid niet met jezelf is.   In de zoektocht naar het ‘wij’ verloor ik vaak mijn ‘ik’.   Ik herken het in veel vrouwen van mijn leeftijd. Is het iets uit dat tijdperk? Is het een biologisch bepaald gegeven? Het is vast geen toeval dat ik meerdere vrouwen van mijn generatie ontmoet die dit als een rode draad in hun leven aangeven. De kracht tot verbondenheid, opbouw van sociale harmonieuze eenheid is vrouwen al sinds de oermens meegegeven. De mannen gingen jagen, de vrouwen zorgden voor de groep. Hadden het ook nodig in die groep een eenheid te creëren, zonder dat was er geen leven mogelijk. Is dat pas in de laatste generaties aan het veranderen? Waar mijn vader nog de guldencenten en hogere ego-glorie najoeg vanuit zijn baan en mijn moeder als enige taak had de troepen thuis te voederen en verzorgen, heeft de generatie van na pakweg 1960, een andere rolverdeling gevonden. Ik vermoed dat de zoektocht naar verbondenheid, zelfs tegen de stromen in, een combinatie is van tijdsgeest, opvoeding, omstandigheden en karakter.   Mijn grootste kracht is vaak mijn grootste zwakte. Mijn kracht tot verbondenheid. Ik omarmde dit als een gegeven waar ik niets aan wilde veranderen. Ik accepteer nu de consequenties uit het verleden als een bitterzoet gegeven. Want het had wel anders gekund, weet ik nu. In de zoektocht naar het ‘wij’ verloor ik vaak mijn ‘ik’. Dat begon al vroeg in mijn jeugd en de laatste keer overkwam het me vorig jaar. Altijd was ik de sterke en ging veel verder in loyaliteit en geven, dan goed voor me was. De consequenties voor mijn welzijn nam ik voor lief. Als ik het al in de gaten had, dacht ik er niet verder over na.   Tot de periode waarin ik niets te geven had. De laatste acht maanden van 2016. Ziek, op het randje van de dood, met lang revalideren, ging mijn energie naar de meest basale dingen. Er was simpelweg geen ruimte voor meer. Ik werd omringd door lieve gevers. Veel van de ooit door mij gegeven energie kwam terug als een geschenk. Toch kwam in die periode ook de dag, waarop de vriendin aan wie ik het meest van al gegeven had, onze tienjarige hartsvriendinnen-vriendschap via een appje uitmaakte. Bij gebrek aan energie deed ik het voor het eerst: ik calculeerde! Ik kwam tot een negatieve uitkomst en stelde mijn prioriteiten. Voor het eerst ging ik niet op de barricades voor verbondenheid maar accepteerde dat het soms niet de moeite van het geven waard is.   Voor hen uit een andere tijdsgeest, opvoeding, omstandigheden en met een ander karakter wellicht een vanzelfsprekend gegeven. Voor mij een complete omwenteling. Even niet ‘alles’ geven om naar verbondenheid met anderen te werken, maar nu ook lief zijn voor mezelf. Wat komt dat komt. Ik hoef geen vijf keren met mijn kop door een betonnen muur. Ja natuurlijk gebeurt het nog wel dat iemand over me heen loopt. Maar niet meer heen en weer! Juist als ik me eens even terugtrek zal de ander de kans krijgen om de echte verbondenheid te tonen. Ik zie nu dat zelfs als de uitkomst tegen valt, het winst is. Ik ben nu eerlijk in wat ik te bieden heb, en vooral: wat niet. In de zoektocht naar het ‘wij’ hoef ik mijn ‘ik’ niet te verliezen. Juist niet: die ‘ik’ draagt wezenlijk bij aan het pure, oprecht goede in ‘wij’.  

Esther MG
0 0

de berg

Ik leun tegen hem aan, streel al enkele dagen zijn weiden, verlang naar zijn uitzichten. Vandaag mag ik eindelijk naar boven. Vanaf het bergdorp kronkelt het pad naar de top van de berg. Het is erg warm en al een eind in de namiddag. Er is niemand te zien, niemand is zo gek als wij, mijn jongen en ik. We hebben water mee, een stuk brood. Het pad loopt door een groene wei. Er liggen rotsen in het gras, eerst nog her en der verspreid, maar langzaam krijgen de rotsen de overhand, hoe hoger we gaan hoe taaier en kleiner het gras. Het pad is nu een trap met grillige treden, we moeten ons omhoog hijsen met onze handen, ons naar beneden laten glijden. Bomen staan er niet meer, de laatsten zijn teruggedeinsd tot net onder het dorp, de struiken geven het ook op. Het immense mosgroene lichaam van de berg wordt grilliger naarmate we dichterbij komen, de hoogten betreden. De berg is een oeroude brok aardkorst vol uitstulpingen, oksels, welvingen, spleten en knobbels, soms knokig soms zacht. We zeggen niet veel, al onze adem en aandacht gaat naar het klimmen. Af en toe leent de berg ons een schouder om op te rusten. Dan zitten we, drinken water en zuchten van de inspanning, van het genot. We kijken naar beneden, naar boven. ‘Zullen we nog tot daar gaan?’ vraag ik en ik wijs naar een zachte groene plek in de hoogte, ‘en dan zien we wel weer of we verder gaan’. We gaan alsmaar verder. Het is uitputtend en zwaar, maar mijn jongen weet van geen ophouden. ‘Gaat het?’ heb ik hem telkens opnieuw gevraagd toen we net begonnen waren met onze klim, maar intussen zijn we gelijken, de berg vlakte onze verschillen uit. We zijn nu gewoon zoon en moeder, we horen bij elkaar en volgen hetzelfde pad. Het pad verandert opnieuw, brengt ons bij een steenhelling en verdwijnt. Hier en daar toont een steen ons met het rood-witte geverfde teken dat we op de goede weg zijn. We gaan van steen tot steen, het zijn dezelfde stenen als waarvan de huizen in de dorpjes in deze streek gebouwd zijn, zelfs de daken zijn er van steen. Sommige stenen zijn begroeid met korstmos en liggen als gele sproeten tussen de vele soorten grijs, anderen liggen los en wiebelen, of beginnen te schuiven als we er onze voet op willen zetten. De berg staat aarzelend toe dat we haar beklimmen. We bereiken de flank, het pad is nu minder weerbarstig, het blijft een eind vlak en rechtdoor lopen net onder de flank. En dan is het moment aangebroken, de rotsen openen zich. We zien de noordkant van de berg, er ligt nog sneeuw, we zien de woeste vallei waar geen mens woont, we zien de bergen verderop, al even stenig, mossig en woest. Sinds ik als kind met m’n vader bergtochten maakte is hetgeen me de berg op trekt niet zozeer de top, maar het verlangen de andere kant te kunnen zien. We staan stil en betoverd. We hebben geen camera bij ons, maar met al onze zintuigen maken we een foto en slaan die op in onze beste herinneringen. Maar onze tijd dringt, we moeten voort, het laatste eind naar boven. Vanaf dan zijn we niet meer alleen met de berg, we worden langs alle kanten bekeken. De geiten uit het dorp zijn naar boven getrokken.  Het moet beneden te warm voor hen geweest zijn. Ze kijken toe hoe wij ons uitsloven, knabbelen onverstoorbaar aan het taaie gras. Boven zijn ze met nog meer. Ze hebben de top bezet, het zijn hun bellen die daarboven klingelen. Een eindje lager graast ook een kudde zwarte schapen, die blijven op veilige afstand, ze komen vast uit een ander dorp. We kunnen van daarboven alle bergen van heel de omringende wereld zien, maar de geiten trekken aan onze kleren, onze rugzak, onze aandacht. Ze weten dat we mensen zijn.   Gekozen fragment: Sylvain Tesson, Zes maanden in de Siberische wouden. 15 april, p136-137

Adinda
0 1

opdracht 1

Roman: ‘Het kleine meisje van meneer Linh’, Philippe Claudel (pagina 7 tem 13)   ‘Een oude man staat op het achterdek van een boot. In zijn armen houdt hij een lichte koffer en een pasgeborene, nog lichter dan de koffer. De oude man heet meneer Linh. Hij is de enige die weet dat hij zo heet, want iedereen die het wist om hem heen gestorven. .... ‘     Een jonge vrouw staat op het perron. Naast haar staat een jonge man, de broer van de vrouw, en een metalen valies, met net afgewogen 23 kilogram. De jonge vrouw heet Kristien. Zij is de enige die weet dat ze in het land die ze in haar hart draagt Vi wordt genoemd. Het land waar ze 2 jaar woonde. Het land met zijn overdrukke straten, zijn miljoenen bezige mensen en zijn uitgestrekte rijstvelden.    Ze ziet de trein dichterbij komen, steeds dichter. De jonge man maakt grapjes. Zij laat de grappen over haar heenglijden zoals de regendruppels over een blad. De trein stopt. Zij is niet gehaast. De jong man reikt haar de valies aan. Ze treuzelt, ze kijkt om zich heen en neemt uiteindelijk de valies aan. Ze stapt, zet de valies neer en hangt aan de deur naar buiten. Zou ze het wagen om op het perron te springen? De valies alleen de lange reis te laten maken? Enkele maanden was ze terug in haar thuisland. Ze had er vrienden terug ontmoet. Ze had werk gezocht en nu gevonden. De wereld verkennen, voelen en beleven. En toch. Het afscheid is telkens een opgave. De conducteur fluit. De jonge vrouw haalt diep adem en zwaait enthousiast naar de jonge man. Een volgende keer zal ze blijven.   De reis duurt lang. Uren en uren. Al die tijd kijkt de jonge vrouw uit het raam, met haar blik op het voorbij glijdende landschap. Alleen zij weet dat achter de horizon en nog veel verder haar vriend nu op de brommer rijdt, nu op kantoor zit, nu rijstsoep slurpt en straks gaat slapen met een lege kant in bed. Dat hoopt ze toch. Eindelijk, na vijf uur, bereikt de trein de bestemming. De jonge vrouw blijft zitten. De trein verlaten betekent zich opnieuw openen voor een onbekende stad, onbekende mensen en een onbekend project. Ze zucht, neemt de valies en houdt het stevig vast. Binnen een week zou ze de valies volledig kunnen uitpakken. De winter- en zomerkleren. De geluidloze wekker. De toiletspullen met een volle tube tandpasta. De kleine CD speler op batterijen met twee CD’s. Het dagboek met vier kleuren stylo’s, een potlood en 11 kleurpotloden. Een foto van haar vriend, moeder, vader en broer. Exact 23 kilogram bekende spullen. Zonder zichzelf mee gerekend.   Ze stapt uit en kijkt om zich heen. Het is koud. De mensen op het perron begeven zich allen in één richting, zoals de stoet van mieren die aan een mierennest werkt. De jonge vrouw schakelt over op de automatische piloot. Ze volgt de massa. In haar hand omklemt ze stevig de zware valies. Het bekende wil ze niet kwijt. De massa blijft zich voortbewegen. Ze laat zich leiden. Plots staat ze buiten het station op straat. De regent overvalt haar.  Met de valies tussen haar voeten, haalt ze een papiertje uit haar vest met de eindbestemming van de dag erop. Ze is een doorreizende bezoeker. Of zouden ze haar hier vluchteling noemen? Of toch niet? Ze heeft een eigen identiteitskaart op zak en heeft maar enkele uren gereisd. De ogen van de jonge vrouw speuren de straat af. Een man komt op haar afgestapt. Ze neemt haar valies. Recht voor zich uitkijkend stapt ze met volle stap naar de rij net geparkeerde taxi’s. Zonder woord, doet ze een portaal open en stapt in.   De taxichauffeur spreekt de jonge vrouw met een vreemd accent aan. Ze glimlacht. De auto vertrekt geluidloos tussen de vele auto’s. Steeds verder van het station. Ze ontspant. In de metalen doos met de zachte kussens is ze veilig voor de buitenwereld. Een verkennend gesprek ontvouwt zich. Ze luistert en stelt meer vragen. Ze staart uit het raam. Hoge gebouwen. Rechte asfaltwegen. Mensen met actetassen, mensen in jogging, mensen met een kind. Ergens heen. Ook zij.  

Kristien Vliegen
0 0

In de hospitaalgang - Marieke - opdracht 1

We wisten al lang dat het niet goed met haar ging. Maar ze was erin geslaagd om ons op afstand te houden, zodat we niet konden zien hoe erg ze eraan toe was. Tot ze zelf besloot om zich te laten opnemen. “Aan de baxter liggen om wat bij te sterken” noemde ze het.  Die maandag hadden haar beide kinderen haar naar het ziekenhuis gebracht. Dinsdag gebruikte ik mijn middagpauze om mijn schoonmoeder een bezoekje te brengen. Ik trof haar bed leeg aan, de lakens opengeslagen. Haar rozige wollen trui hing eenzaam op de bezoekersstoel en wist me zo te vertellen dat ik in de juiste kamer stond. De joodse buurvrouw was er wel, met naast zich de dochter die haar hand vasthield. Ik heb het nooit voor ziekenhuizen gehad: de steriele geur, lange gangen, mensen worden nummers op hun deur en aan hun pols. Daarbij de ontmoeting met het lege bed. Het deed mijn maag samenkrimpen. Een vreemd gevoel dat er iets gebeurd was.   De verpleegsters keken verstoord op van hun lunch, wisten niet waar ze was. Gaan roken? Vanuit de kale galmende gang kwam ze schuifelend met voorzichtige pasjes, gehuld in een bruine kamerjas. Zo kende ik haar niet, zo broos en twijfelend. Ze was altijd al mager geweest maar niet zo fragiel. Ze zuchtte opgelucht zodra ze me zag, een brede glimlach verscheen op haar bezorgde gezicht. Maar die verdween al even snel als hij verschenen was. Toen ik haar kuste en omhelsde, werd ik bedwelmd door de geur van haar sigaartjes die als een aura rondom haar het hospitaalparfum van desinfecterende middelen deed vergeten.   Nog voor we in haar kamer aankwamen vertelde ze wat de dokter haar net had gezegd. Het was fataal. Kanker die was uitgezaaid en niet meer te behandelen. Van de longen, naar de lever, naar de hersenen. Die bult op haar hoofd was er een deel van. Maar er was zo veel meer over heel haar lijf. Ze had de ziekte alle kans gegeven om helemaal te woekeren door jarenlang niet naar de dokter te gaan. Of toch geen serieuze arts. Wel charlatans die haar het ene na het andere walhalla beloofden, die haar meenamen in hun fictieve wereldje en haar daar nog eens dik voor deden betalen. En ze liet zich graag in zo’n zweverig universum opnemen. Als een vlucht voor de echte wereld. De wereld van de mensen had ze al langer verguisd. Enkel dieren en kinderen boden haar nog troost.   Na een hele voormiddag van onderzoeken hadden de artsen haar het nieuws onomwonden gebracht. Er was niet gewacht tot er naasten bij waren om haar te ondersteunen. Ik was de eerste aan wie ze het vertelde. Ik hoorde het. Maar kon het nog niet direct begrijpen. Of wilde het nog niet laten doordringen. “Hoe moet ik dit nu aan mijn kinderen vertellen?”, dat was haar grootste zorg. We spraken open en eerlijk over de dood. Evenzeer was er betekenisvol zwijgen tussen ons. Ze sprak over haar leven waar nu een einde aan zou komen. Dat niet meer lang zou duren. We staarden samen naar bomen voor haar raam. Ze sprak over spijt, terugblikken en vooruitkijken.   Toen ik even later in het park aan de voet van het ziekenhuis stond, toen pas kwam het besef. En het gevoel. Ik had beloofd haar kinderen naar haar toe te sturen, maar kon hen nog niet zeggen waarom. Mijn tranen stroomden maar ik mocht ze nog niet aan mijn man tonen. Met gebogen hoofd, mijn blik gericht op de leegstaande fonteinbedding belde ik mijn moeder met het trieste nieuws. Mijn haren dienden om mijn tranen voor vreemde blikken te verbergen. Joelende stemmetjes van de peuters in de speeltuin achter me. Het leven gaat verder. Ik zwaaide naar het ziekenhuisraam waar ik haar bed vermoedde. In de waan dat ik die dag gewoon door zou doen, fietste ik terug naar mijn werk. Het waren mijn collega’s die me voor mezelf moesten beschermen. Ze belden mijn afspraken van die middag voor me af.   Opdracht 1 Premisse & fragment – 1p Schaduwkind van P.F. Thomése In een kantoortje p 73 Thema: Slecht nieuws boodschap, het besef dat het lot onomkeerbaar is. Premisse: eerst hoor je, dan begrijp je, dan besef je en dan pas voel je. Premisse: terwijl voor ons de wereld instort, gaat het leven gewoon zijn gang

Marieke Genard
0 0

Het kerstdiner

Liefste papa,   Afgelopen zaterdag was het kerst. Dat zijn we bij tante Annie en oom Jan gaan vieren. Ze hadden hun huis versierd met duizenden lampjes in alle kleuren van  de regenboog en in de woonkamer hadden ze speciaal een hele grote kerstboom gezet. Een echte! Er lagen tien pakjes voor mij onder. Voor zus maar vier en voor mama twee. We hebben hard gelachen toen opa zijn cadeautje opendeed. Er zat een nieuw vals gebit met tandenborstel en een tube tandpasta in. Het oude heb ik gekregen. Ik ga het in een glas water op mijn nachtkastje zetten, net zoals opa dat doet. Tante Truus was er ook. Mama zegt dat ze maandag terug naar het centrum moet. Ik denk dat ze het huis voor oude mensen bedoelt, maar zo oud is tante Truus toch niet?   Als voorgerecht waren het zelfgemaakte kaaskroketten van oma. Ik heb er zoveel gegeten dat ik de tel ben kwijtgeraakt. De ijstaart kwam uit het centrum, maar niemand heeft ervan kunnen eten. Tante Krista heeft ze per ongeluk omgestoten. Maar niemand vond dat erg, want zotte mensen kunnen toch niet koken, zei oom Ruud. Ik heb geweend, want het was er eentje met chocolade én slagroom.   Tante Truus is na de koffie samen met mij een engel gaan maken. Buiten in de sneeuw. Dat is superleuk. Je doet dat door met je armen en benen tegelijk te zwaaien. Maar eerst moet je wel op je rug gaan liggen. Zus heeft een sneeuwpop gemaakt. De ogen en neus waren restjes van de kaaskroketten. Ik heb er het oude gebit van opa ook nog ingepropt. Mama heeft er een foto van getrokken. Ze gaat hem voor ons afprinten op fotopapier. Ik hang hem zeker en vast op in mijn kamer.   Papa, ik vond het echt jammer dat je er weer niet bij kon zijn, want we hebben mens-erger-je-niet gespeeld en zijn pas gestopt na middernacht. Ik was nog helemaal niet moe. In bed heb ik eerst een Rode Ridder gelezen en daarna stiekem onder de deken dit briefje geschreven. Ik hoop dat ik niet teveel fouten heb gemaakt, want spelling is niet mijn beste vak op school. Voetbal en hoofdrekenen doe ik het liefst.   Wanneer ik je terug zal zien weet ik niet. Eric, mijn beste vriend zegt dat ik zal moeten wachten en dat dat nog heel lang kan duren. Of dat waar is weet ik niet.  Soms geloof ik hem en soms wou ik dat ik morgen al bij je was.   Liefste papa, over enkele dagen is het 2018. Mama, zus en ik gaan dan hamburgers eten en naar het vuurwerk kijken in de stad. De zelfgemaakte rijstpap van tante Truus eten we daarna thuis op. Als er nog wat over is, stop ik volgende week na school bij het kerkhof. Dan kan jij ook eens proeven.   Ps. Ik mis je. Ps. 2 Zus mist jou ook. Ps . 3 Mama mist jou ook. Ps. 4 Ik mis jou meer dan mama en zus!

Sascha Beernaert
11 0

Diane Broeckhoven/ Wat voorafging - Rupert Thomson / Dit feest heeft lang genoeg geduurd - Edgar Hilsenrath/ De belevenissen van Ruben Jablonski

Diane Broeckhoven/ Wat voorafging Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? -de ik = de auteur. Broeckhoven schrijft de biografie van haar moeder en van zichzelf. Zij kent haar deel van het verhaal. Wat vertelt de eerste zin? -‘Hoe heb je me gevonden?’àdat iemand kwijt was en iemand anders haar heeft gevonden. De toon waarop is verwijtend, dit wijst dus ook al op een vorm van conflict. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer? -We kijken door de ogen van de schrijfster, hierdoor krijgen we een ander beeld op de moeder en op hun relatie dan als het vanuit de moeder zou zijn geschreven. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? -bij de auteur, vooral door de herkenbaarheid. Zij schetst  het verleden van haar moeder, waardoor ik kan begrijpen hoe ze zo is geworden, maar tegelijk ook wat zij ondanks dat haar moeder zo is allemaal voor haar moeder doet. Ik denk dikwijls: Diane, gij zijt zot, uw moeder verdient dat niet. De liefdevolle manier waarop ze schrijft stuurt mijn sympathie voor haar. Misschien ontbreekt het verhaal wat aan zelfkritiek. Broeckhoven hemelt zichzelf misschien ook wat op. Bv. p.17: ‘Ik heb de oorlog met mijn moeder overleefd door het principe van onvoorwaardelijke liefde te beoefenen, als een boeddhist.’ Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? -N.V.T. Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol? -De moeder is eigenlijk het hoofpersonage. We krijgen een beeld van haar door de ogen van de schrijfster, dit zal verschillen van wat ze echt denkt. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? - Broeckhoven begint met de laatste weken en het overlijden van haar moeder (Het einde). Dan geeft ze de geschiedenis van haar moeders leven (Wat voorafging). Ze eindigt met de begrafenis (Wat volgde). Door met het einde te beginnen weten we dat Broeckhoven haar moeder tot het einde bijstaat, hierdoor dwingt ze sympathie af, het maakt tegelijk nieuwsgierig naar wat voorafging. Het laatste deel maakt het verhaal rond. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie? - Het verhaal wordt verteld in de weken die voorafgaan aan moeders dood en de dag van de begrafenis, maar beslaat het hele leven van de moeder. In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? -Het verhaal speelt zich af in Antwerpen en Parijs, de plekken waar de moeder geleefd heeft, in de 20ste eeuw en de eerste 14 jaar van de 21ste eeuw. Het maatschappelijk historisch kader is voortdurend als achtergrond aanwezig. Broeckhoven laat het eerder subtiel doorklinken, maar als lezer weet je dat dit kader de personages maakt tot wie ze zijn en mee hun handelingen bepaalt. Moet ik dingen opzoeken op het verhaal te begrijpen? - Ik kan het boek volledig begrijpen zonder dingen te moeten opzoeken. Er is geen achtergrondkennis nodig. Broeckhoven legt veel uit, bv. p.126: ‘Mijn salaris bedroeg 14 000 Bfr., zijnde 330 euro.’ en p.131: ‘…de Nederlandse Inno, die toen nog L’innovation heette.’ Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? -Thema’s: De moeilijke moeder-dochter-relatie De hunkering naar liefde van en erkenning door de moeder De plaats in het gezin: tussenkind zijn   En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie. - Broeckhoven gebruikt weinig beeldspraak, maar waar ze die wel gebruikt, is het goedgekozen,  bv. p.105: ‘De aders op het voorhoofd van mijn vader spanden zich dan als touwen.’ En p.192: ‘Maar hoe meer ik naar een milde moeder verlangde, hoe meer ze zich met prikkeldraad omwikkelde en me afwees.’ -Broeckhoven vervalt af en toe in clichés als ‘tortelduiven’ voor geliefden, (p.62), spic en span, duivel uit het doosje, om de lieve vrede,… -Soms vult ze suggestieve passages iets te veel in. Zo schrijft ze over het lot van vrouwen als haar moeder: ‘Er zouden  uitsluitend lieve woorden tegen hen gefluisterd mogen worden door zachtmoedige verzorgers. De werkelijkheid ligt er mijlenver vandaan.’ (22) Die laatste toevoeging zou niet nodig moeten zijn als het relaas van de vertelster geslaagd is. -Soms vertelt ze te veel of legt dingen uit, bv. p.28: ‘De volgende dag, na mijn bezoek in de hallucinante wachtkamer vol vertwijfelde bejaarden, is het afscheid nog hartverscheurender.’ Dit is een weergave van oprecht sentiment, maar het zou de lezer moeten zijn die wat er verhaald wordt al dan niet hartverscheurend vindt. De schrijfster zou het hem of haar niet hoeven te vertellen. -Nochtans slaagt ze er meestal wel in niet te sentimenteel te zijn en haar boodschap duidelijk over te brengen. De lezer voelt uiteindelijk mededogen voor de moeder en voor Diane zelf.     Rupert Thomson / Dit feest heeft lang genoeg geduurd Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? -de ik = de auteur. Thomson schrijft een portret van zijn familie en zichzelf n.a.v. het overlijden van zijn vader. Hij kent zijn deel van het verhaal, maar heel weinig van dat van de anderen, en dat is ook wat hij wil meegeven: je kan iemand nooit helemaal kennen, ook niet als je erbij woont. Hij zoekt veel uit door met mensen te gaan praten enzo, maar dan nog weet hij lang niet alles. Wat vertelt de eerste zin? -‘Mijn moeder heeft nog een keer iets tegen me gezegd, na haar dood’àdat de moeder van de ik dood is Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer? -door die van de auteur. Hij probeert dingen ‘objectief’ te schrijven, waar hij conclusies trekt bv. i.v.m. zijn broer door nadien ook mee te geven hoe zijn broer het zag/ziet, maar toch beïnvloedt het mijn kijk. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? -bij de overleden moeder: zij is het enige personage dat alleen positief wordt voorgesteld. Thomson vraagt mensen hoe ze was en krijgt alleen positieve antwoorden, bv. p.162: ‘Nou, ze was echt beeldschoon […] Ze was altijd opgewekt en enthousiast en hartelijk, terwijl je vader eerder iets stugs had.’ Thomson herinnert zich zijn moeder vaag. Hij vraagt anderen hoe ze was en die geven alleen positieve antwoorden, om hem te sparen? Het is in elk geval het beeld dat Thomson van haar wil bewaren en het beeld dat hij de lezer meegeeft. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? -N.V.T. Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol? - We komen het van weinig personages te weten, of slechts deels, omdat de auteur het zelf niet weet. Het gaat zowel om de mensen dicht bij hem (zijn familie) als anderen. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? -De schrijver schrijft dit verhaal n.a.v. de dood van zijn vader: in de goede volgorde krijg je dus zijn dood, de 7 maanden waarin de broers samen rouwen in het huis van de vader, de spanningen die er zijn, het leegmaken en de verkoop van het huis, de verwijdering van zijn jongste broer en hun reünie. Op deze manier zou de schrijver nooit uitkomen bij waar het echt om draait, het trauma uit zijn jeugd, het plotse sterven van zijn moeder, de angst dat iemand zomaar kan wegvallen. Door het dooreengooien kan dit wel. De schrijver slaagt er hierdoor in meerdere lagen in het verhaal te stoppen. Helemaal sluitend is het verhaal niet: de schrijver blijft met veel vragen zitten, en bijgevolg de lezer ook. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie? -Het verhaal begint in 1965, een jaar na de dood van zijn moeder, maakt dan een sprong naar 1984, wanneer zijn vader sterft. En daarna worden gebeurtenissen aangehaald in een schijnbaar willekeurige volgorde. De lezer moet heel aandachtig zijn om te begrijpen wat zich wanneer afspeelt, de schrijver geeft dit soms aan met een jaartal te vermelden, of met tijdsaanduidingen als ‘twintig jaar later’ en door het gebruik van de tijd. Wat zich in 1984 afspeelt schrijft hij in de t.t. Door deze sprongen slaagt de schrijver erin de verschillende lagen mee te geven én bij het pijnpunt, het overlijden van zijn moeder, uit te komen. Het is ook door deze sprongen dat hij kan meegeven dat je iemand nooit helemaal kent. -De tijd die hij nodig heeft om het verhaal te vertellen begint in 1984, na het overlijden van zijn vader, maar beslaat zijn hele leven. In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? - Het verhaal speelt zich af in de 2de helft van de 20ste eeuw. De maatschappelijke context klinkt door in de muziek die ze beluisteren, de kleren die ze dragen, de normen die gelden, de kunstenaars die in zijn,…  Het verhaal speelt zich voor een groot stuk af in het huis van de vader na zijn overlijden, maar alle plekken waar de schrijver en zijn broers hebben gewoond komen aan bod. Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? - Namen van muziekgroepen, kunstenaars, bekenden,… komen voor in het boek. Het is niet noodzakelijk ze te kennen om het verhaal te begrijpen, maar wel interessant. Ook enige kennis van de maatschappelijke context is relevant, omdat de schrijver elementen daaruit aanhaalt om de historische tijd en de milieus te schetsen. Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? -Thema’s: Rouwen, gemis ‘mensen kunnen zomaar verdwijnen’ Familiebanden: tussen broers, tussen zoon-vader,… Herinneren: herinneringen zijn niet betrouwbaar   En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie. - Thomson gebruikt heel veel beelden, bv. p.9: ‘Haar plotselinge dood heeft haar uitgevaagd, als met krijt geschreven woorden die door de leraar van een schoolbord worden geveegd.’ of p. 183: ‘Elke lantaarnpaal waar we langs rijden maakt een fotokopie van mijn gezicht.’ Vaak zijn ze echter ver gezocht, bv. p.9: ‘De bossen doemden voor me op, de bladeren in dreigende clusters als een paddenstoelenwolk.’ of p. 114: ‘… klim ik in mijn lievelingsplataan, waarvan de schors is afgeschilferd op plekken waar takken uit de stam komen, als een trui waarvan de mouw tot aan de ellenboog is opgestroopt.’ En vaak zijn ze overdreven, bv. p.40: ‘Het was zo stil op de overloop dat ik ergens achter me een vlieg tegen het raam hoorde botsen.’ -Thomson raakt gebeurtenissen, vaak ook vreselijke, aan zonder er te diep op in te gaan. Hierdoor dringen ze net meer door bij de lezer. -Hij schrijft intiem en oprecht, nergens sentimenteel, en toch ontroerend. Bv. waar hij terugkeert naar de plek waar zijn moeder ineengezakt is tijdens het tennissen, een plek die vroeger een tennisveld was, maar nu een parkeerplaats is geworden: p. 167: ‘Toen ze weg waren gelopen, bleef ik tussen de Renault en het busje in staan. Met hun witte markeringsstrepen leken de parkeerplaatsen een spookachtige echo van de tennisbanen waarop ze ooit uitzicht hadden geboden – spookachtig en tegelijkertijd logisch, alsof ze een bewerkte versie of de neergang ervan waren. Ik maakte een foto […] Later liet ik op Terminus Road een afdruk maken van de foto die ik had genomen. Drie auto’s, van achteren, een paar ondiepe plassen – wat witte strepen… De foto was opvallend nietszeggend, zonder echt middelpunt. Nee sterker nog: het was alsof hij was bewerkt. Alsof het onderwerp van de eigenlijke foto was verwijderd, waardoor alleen nog achtergrond restte.’     Edgar Hilsenrath/ De belevenissen van Ruben Jablonski Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? -de ik = Ruben Jablonski = de auteur, die een andere naam gebruikt. De ondertitel leert ‘Een autobiografische roman’ leert me dat. Wat vertelt de eerste zin? -’22 maart 1944. De Russen zijn er!’à We krijgen de datum mee. We kunnen nu al vermoeden dat het om een bevrijding gaat. We krijgen ook een richting mee over waar het zich kan afspelen. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer? -We kijken door de ogen van deze Ruben Jablonski zelf: het verhaal begint bij de bevrijding uit het getto. Hij is op dat moment een ongeïnspireerde jongeman, zonder levensvreugde of zin in het leven, en dat beïnvloedt mijn kijk. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre wordt ik daarin gestuurd door de verteller? -zeker niet Ruben Jablonski zelf: hij is ongemotiveerd, ongeïnspireerd en hij ‘gebruikt’ vrouwen. -de andere personages komen aanwaaien en verdwijnen weer, ze zijn niet diep genoeg uitgewerkt om sympathie of antipathie op te roepen, behalve op het einde zijn vader, die vind ik niet sympathiek omdat hij Ruben tegen zijn wil in de bontindustrie dwingt. De schrijver creëert dit gevoel bewust. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? -N.V.T. Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol? -Ruben zelf: doordat hij zo ongeïnspireerd is, geeft hij weinig prijs Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? -Het verhaal beschrijft Rubens kindertijd en jeugd tot hij jongvolwassen is en zijn boek, Nacht schrijft. Hij begint het verhaal bij de bevrijding uit het getto, blikt terug op zijn romantische kindertijd en beschrijft dan hoe hij van de ene naar de andere plek trekt in de hoop een boek over het getto te kunnen schrijven. In goede volgorde zou het eerste deel zeemzoeterig zijn. Nu weet ik dat er een breekpunt komt, het maakt me nieuwsgierig naar wat volgt. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie? - zie vorige vraag. Hij begint het te vertellen vanaf het moment van de bevrijding, maar vertelt over zijn hele kindertijd tot de periode waarin hij het boek probeert te schrijven. Over de tijd in het getto vertelt hij opvallend weinig. Hij besteedt hier ook weinig tijd aan. In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? -Het verhaal speelt zich in de 20ste eeuw af, de tijd voor tijdens en na WO II. De maatschappelijke context bepaalt het hele verhaal. -We volgen Ruben, alias Hilsenrath, tijdens zijn leven: Hilsenrath werd in 1926 in een Duits-Joods gezin geboren in Leipzig, maar groeide op in Halle. Na de Kristallnacht in 1938 vluchtte het gezin zonder de vader naar het Roemeense Sereth. Daar woonden een opa en oma en het stadje had voor de toen 12-jarige Edgar een paradijselijke klank, die hij er in werkelijkheid ook ervoer. Zijn vader bleef in Halle achter, maar vluchtte in 1939 naar Parijs. Edgar zou hem pas na de oorlog weer zien toen het hele gezin wonder boven wonder herenigd werd. In 1941 kwamen Edgar en zijn moeder en broer terecht in het Oekraïense getto Mogilev-Podolski – een stad die niet meer dan een ruïne was – , waar ze soms met meer geluk dan wijsheid gespaard bleven voor transport naar een vernietigingskamp. In 1944 werd het getto door de Russen ontzet en al snel koos Edgar voor het avontuur door naar Palestina (destijds nog Engels mandaatgebied) te trekken in de hoop daar een nieuw paradijs te vinden. Dat werd een ontgoocheling. Hij belandde er meerdere keren in de gevangenis. In 1947 keerde hij terug naar het inmiddels in Lyon wonende gezin, maar vertrok kort daarna al weer naar de Verenigde Staten. -Hij vertelt opvallend weinig over het getto, buiten wat algemeenheden en hoe hij en zijn familie per toeval weten te overleven niets. Het verhaal begint op het moment waarop hij uit het getto bevrijd wordt, het gaat over hoe hij er niet in slaagt zijn gettoroman te schrijven, hij is verdoofd, hij vindt de woorden niet, dus kan hij ze ook niet schrijven in dit boek dat vanuit het perspectief van wie hij op dat moment is, is geschreven. Moet ik dingen opzoeken op het verhaal te begrijpen? -Je kan dit boek grotendeels begrijpen zonder al te veel achtergrond te hebben  over de streek. Uiteraard kent iedereen de grote lijnen van de Jodenvervolging. Veel wordt duidelijk in het boek/ de Russen bevrijden hen uit het getto, Palestina is op dat moment onder Engels bewind,…   Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? -Thema’s: de pogingen om het boek, Nacht te schrijven: het is een noodzaak voor hem deze roman te schrijven, maar het lukt maar niet, pas op het einde, als hij op de boot naar Amerika zit, vindt hij woorden. zijn onrustige maatschappelijke bestaan (jobhoppen avant la lettre, ongemotiveerd, ongeïnteresseerd in de inhoud van zijn jobs)) de politieke verwikkelingen in de regio: in Midden-Europa tijdens het nazisme, zijn visie op de Armeense genocide en de ontwikkeling van de Joodse staat en de verhouding tussen Palestijnen en Joden in die tijd. zijn gedrag naar vrouwen toe: hij ziet hen alleen als wezens om seks mee te hebben zijn depressie: omdat het niet lukt het boek te schrijven of in de nasleep van het leven in het getto (bijhorende impotentie) familieverhoudingen   En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie. - We vinden hier niets terug van de aangrijpende taferelen in het getto uit Nacht, of van de satire in De nazi en de kapper. Deze Belevenissen lijken met weinig literaire ambitie geschreven te zijn. We krijgen bijna naïef te noemen dialogen  en beschrijvingen die je eerder in een droog geschiedenisboek verwacht. De vele seksscènes worden zonder passie afgeraffeld Ik vermoed dat deze kale, bijna fantasieloze stijl een bewuste keuze van Hilsenrath is, want het sluit wel aan op het levensverhaal van Ruben Jablonski die na het getto zijn inspiratie en zin in het leven totaal lijkt te zijn kwijtgeraakt. De platte, onversierde, taal, de plichtmatige dialogen, het zonder opsmuk beschreven gehobbel van het ene baantje naar het andere, en de kleurloosheid van de rafelranden van het leven passen hierbij. Het maakt er wel ene boek van waar je je als lezer moet door bijten..    

veerle schaltin
6 1

Masterclass Autobiografisch Schrijven – Opdracht 1 – Veerle Schaltin

Geschreven n.a.v. fragment uit ‘Wat voorafging’ van Diane Broeckhoven (p. 92 tot 100) Premisse: Om er bij vrienden bij te horen moet je ergens goed in zijn, om er thuis bij te horen ben je best zo onzichtbaar mogelijk.   Sneller dan anders fietste ik na school naar huis. De garagepoort kon niet vlug genoeg open zijn, mijn fiets niet rapper tegen de muur gezwierd. Ik denderde de trap op en juichte met de livingdeur nog in mijn hand: ‘Moeke, er is een muziekschool waar je kan leren gitaar spelen zonder eerst zeven jaar notenleer te moeten studeren!’ Ik griste het briefje van Jeugd en Muziek uit mijn boekentas en duwde het onder haar neus. ‘Mag ik dat doen? Toe?’ Natuurlijk mocht ik het. Een middag meer dat ze geen last van me had, kwam immers altijd goed uit. Mijn hart maakte een schroefsalto als ik even later de trap naar mijn kamer op holde. Ik zou leren gitaar spelen zonder saaie muzieknoten. En als ik dat kon,  zou ik er weer bij horen, bij Yves, Peter, Jurgen en Guy.   De voorbije zomervakantie was anders geweest dan alle andere. We hadden geen fietsraces of rolschaatswedstrijden georganiseerd. We hadden geen kampen gebouwd en ook nauwelijks potteke stamp gespeeld. De hele zomer had in het teken gestaan van het grote optreden van Yves, Peter, Jurgen en Guy. Elke ochtend hadden die vier zich in de berging bij Jurgen opgesloten om er pas ’s avonds weer uit te komen. Wij mochten er niet in de buurt komen. Annick en ik hinkelden, sprongen touwtje of haalden onze Barbies boven. Een paar keer fietsten we naar de snoepwinkel om zoveel snoep te kopen als we in onze zakken gestopt kregen. Ons zakgeld raakte echter te snel op. We telden af naar de avonden. Elk uur duurde een halve dag. ’s Avonds dramden de jongens door over hun optreden, welk nummer er nog bij kon, waar een akkoord moest worden aangepast, hoe ze zich zouden kleden,… Annick en ik stonden erbij voor Piet Snot. Af en toe hadden ze een taak voor ons. Zo mochten we tickets verkopen. We knipten rechthoeken uit gekleurd papier, schreven er ‘OPTREDEN’ en ‘5 frank’ op, en tekenden er nog een gitaar bij. Met deze kaarten schuimden we de Meerminnenstraat en de Dwergenstraat af. Als iemand me vroeg welke muziek ze speelden, haalde ik mijn schouders op, want alle namen waar de jongens mee dweepten waren Chinees voor mij. Op de vraag of ze goed waren, antwoordde ik volmondig ‘ja’, al had ik nog geen enkele noot mogen horen.   De dag van het optreden zetten Annick en ik drie rijen stoelen klaar in de garage bij Yves. Aan de zijkant plaatsten we een tafel. Annick zette er bekertjes met chips op. Ik legde er koeken bij die ik thuis met Petit Beurres, Smarties en suikerglazuur had gemaakt. We haalden ook flessen cola aan. Voor de garage klapten we een picknicktafeltje open. Hierop installeerden we onze kassa, niet meer dan een eenvoudige schoendoos waar we het geld instopten. Ook al was niet elke stoel bezet, om stipt twee uur deden we de poort dicht, want dat had Yves ons opgedragen. Meteen daarop vulde kattengejank de pikdonkere garage. Ik gaf Annick een stomp. ‘Dat moet zo,’ fluisterde ze, ‘dat heet stemmen.’ Dit vals gedoe ging snel over in keiharde rockmuziek. Toen Yves begon te zingen, knipte Annick het licht aan. Guy gebaarde dat we moesten rechtstaan. Iedereen danste voor of zelfs op zijn stoel. Ik deed uiteraard mee, maar moest mijn voeten wel dwingen om heen en weer te springen. Op het einde zwaaiden Peter en Jurgen hun gitaren in de lucht, en gooide Guy zijn drumstokken weg. De vier pakten elkaar stevig vast. Wij applaudisseerden luid. Mijn handen konden elkaar niet goed vinden. Als het publiek weg was, bleven de jongens maar zeuren over hoe tof het was geweest. Annick en ik ruimden ondertussen alles op. En toen was de vakantie voorbij.   Het briefje van Jeugd en Muziek was een zegen. Elke zaterdagnamiddag zou ik voortaan naar de muziekschool gaan. Dat ik eerst een jaar zang moest doorworstelen voor ik echt een gitaar kreeg, viel wel tegen, maar om er weer bij te horen had ik veel over. Het tijdstip bleek niet zo gelukkig gekozen. Elke zaterdagmorgen gingen we immers met het hele gezin naar de markt. Zo’n voormiddag kon alleen bij de Sels afgesloten worden. Als het volgens mijn moeder hoog tijd was om naar huis te gaan, smeekte mijn vader: ‘Nog eentje?’ Staf schoof dan snel de zoveelste pint naar hem toe. Mijn broer en ik kregen chips en cola. Ik speelde nog maar een spelletje op de flipperkast of koos een nieuw plaatje in de jukebox. Mijn moeder roerde haar lepel woest in haar koffie rond. In de auto vloog ze uit tegen mijn vader: ‘Hoe moet dat nu met de muziekschool?’ Thuis brulde ze zo hard dat het vast drie huizen verder te horen was. Steevast verdween ze zonder eten klaar te maken naar haar bed en ging er liggen huilen. Mijn vader wisselde geen woord met mij als hij me naar de muziekschool bracht. De lessen verliepen anders dan ik had verwacht. Ik heb nooit toon kunnen houden. Als de leraar me vroeg ‘Oude Jan en jonge Jan’  voor te zingen, begonnen de meisjes achter me zacht te miauwen. Tijdens de pauze gingen ze op de speelplaats op een bank staan en riepen: ‘Komt dat kijken, komt dat kijken… hier treedt op… de jankende kat!’ Ik moest dan voor iedereen zingen en alle kinderen miauwden mee. Ik hield mijn hoofd en schouders recht, en boetseerde een lach op mijn gezicht, maar liefst was ik in een gat in de grond verdwenen. In de auto terug naar huis was het weer muisstil. Thuis zat mijn moeder te breien of te lezen alsof er niets was gebeurd. Ik volgde haar voorbeeld of ik ging buiten met de jokari spelen. Over die plagerijen liet ik niets los. Mijn ouders hadden al problemen genoeg. En ze zouden toch zeggen dat ik me er niks van moest aantrekken. Ik wist dat als ik ergens mee gestart was, ik dat jaar ook uit moest doen. Dus ging ik elke week opnieuw naar de muziekschool. De chips en de cola van bij de Sels lagen elke week zwaarder op mijn maag. Ik wist toen al dat ik het na dat jaar zou opgeven, dat ik nooit gitaar zou spelen, nooit meer bij Yves, Peter, Jurgen en Guy zou horen, en dat onze wonderlijke zomervakanties voor altijd voorbij waren.

veerle schaltin
11 1

De Zieke Man

Ze legde een dekentje over me, en nog één. En nog één. Ze bracht me kippensoep, kuste haar hand en legde die op mijn wang. Ik zei: 'Maar ik ben vegetariër.'... Ze antwoordde engelachtig: 'Maar je bent in de eerste plaats ziek. Genees maar snel.' Ik slurpte van de kippensoep. Mijn darmen protesteerden hevig, gingen een MMA-gevecht aan met elkaar. Ik vreesde het ergste, maar mijn boxershort bleef voorlopig remspoorloos. Ik zei: 'Ik heb angst.' Ze kwam naast me zitten, wreef over mijn voorhoofd: 'Hoezo, angst?' 'Het toilet... Zo gulzig... Met zijn opengesperde muil... Het wacht op mijn darminhoud.... Zo stil en rustig... En toch zo gulzig... Ik wil niet.... Ik wil niet!....' 'Je begint te ijlen', zei ze. 'Probeer wat te slapen.' Maar ik kon niet slapen, enkel rusteloos draaien en keren in een zetel van ongemak. Ik schopte het deken van me af, legde het weer over me. Warm en koud blies over mijn lichaam. Ik dacht ergens God te zien aan het einde van de tunnel. Ze kwam terug naast me zitten: 'De dokter zal er zo dadelijk zijn.' Haar bambi-ogen weerspiegelden een harmonieuze kosmos waarvan zij de enige ster was. Ik kneep in haar hand: 'Blijf nog even bij me, ik...' Maar nog voor ik mijn zin kon afmaken, spurtte ik naar het toilet; naar een opgesperde muil van keramieke gulzigheid. De snelheid waarmee mijn darmen hun drassige inhoud in de pot spuwden was ongezien. Ik schreeuwde en kreunde en liet mijn tranen de vrije loop. Ik mompelde: 'Ik kan niet meer... Ik kan niet meer...' Tot er op de WC-deur werd geklopt. Zij: 'De dokter is er. Kom je?' Als een gebroken Caesar strompelde ik de woonkamer binnen, legde me opnieuw in de zetel. Ik legde mijn hand op mijn voorhoofd, sloot mijn ogen en zei zacht: 'Ach... Ach...' De dokter op vrolijke toon: 'We zullen eens zien wat er scheelt. Kun je je kamerjas openen? We zullen eens luisteren.' Nadat hij me onderzocht had: 'Een klein buikgriepje. Niets aan de hand. Enkele dagen rust en je bent er zo weer bovenop.' Ik kneep in zijn beide handen; handen die stinkende wonden hadden verschoond; handen die zich troostend op een schouder hadden gelegd; handen die wijsheid bezaten. Ik herhaalde: 'Ach... Ach...' De dokter: 'Dat is dan dertig euro, alsjeblieft.' Zij betaalde, liet de dokter uit. Wanneer ze terugkwam, staarde ik naar het plafond: 'Zal het ooit goed met me komen?' Het was alsof mijn darmen hun antwoord al klaar hadden. Zij: 'De dokter zei dat het slechts een buikgriepje is. Hou je nu kalm. Wacht.' Ze kwam naast me liggen, onder het deken. Ik zei: 'Maar nu zal jij ook ziek worden...' 'Ik wordt nooit ziek.' Ze omhelsde me, legde haar hoofd op mijn borst en viel in slaap.   Ik wou dat ik eeuwig ziek was.

Michaël Verest
30 0

een diepe put

Opdracht één, stap drie Thema van leven en dood Premisse: Voor wie de dood niet aanvaardt, zal ze geen nieuw leven voortbrengen. Is dat wel zo? Hoe kom je daartoe? Sinds die dag ben ik veel gevoeliger geworden voor het lijden van mensen. De woorden die ik toen hoorde sloegen in als een bom. De krater in mijn ziel werd een put die de komende weken zou vol stromen met mijn tranen. Ik weet niet wat mijn ziel is. Het diepste van een mens voorbij alle kennen.    De wanden van de put die eerst nog overeind bleven, stortten in. De tijd dat er stevige grond was, leek voorbij. Mijn ziel werd bodemloos. Een paar weken later werd een Duitse topindustrieel door de Rote Armee Fraction vermoord. Een bom onder zijn auto en een krater in de weg.    Met hun linkse ideeën had ik altijd enige sympathie gevoeld. Nu beukte het nieuws van de moord in op de afbrokkelende wanden van mijn put.      Er was iets veranderd in mij. Ik snikte het uit, alsof het mezelf overkwam. Het besef dat het om iemands geliefde ging, die nu achterbleef. Een huwelijk dat brutaal werd stuk gemaakt. De foto van de vermoorde man bleef hangen aan de wanden van mijn ziel. De bron van mijn tranen was lang geleden droog gelegd. Tranen waren als kind verboden en ik leerde om niet te voelen. Als mijn grootvader stierf, wist ik niet wat er werd verwacht dat ik zou voelen.    Wat me nu overkomen was, had wat toen dicht gesnikt was, weer open gebroken. Nu welden de tranen op bij alles dat wijst naar grote liefde, liefde in moeilijke omstandigheden, onmogelijke liefde, liefde die wordt getackeld. Welke waarde hebben die tranen? Wat dragen ze bij tot het leven? Zijn snelle emoties niet even snel weer vergeten? Wat moet er meer gebeuren als je geraakt wordt door het lijden van anderen? En door je eigen lijden? Ik las ergens dat het leven intenser wordt in tijden dat de dood dichtbij is. Mijn grootvader was 10 toen zijn vader stierf en toen zijn moeder stierf 17. Hij ging aan de drank. Hoe kan het leven intenser worden nadat de dood heeft toegeslagen? Is de dood niet altijd destructief? Kan de intensiteit te groot zijn? Een man die onder het kruis stond waarop zijn geliefde Meester werd terechtgesteld, schreef vele jaren later: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden…In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan.” De wereld van Johannes was ook ingestort. In wat hij schrijft is zijn geliefde een Woord van God, licht in de duisternis, maar een duisternis die het licht niet aanvaardt. Is dood gelijk aan duisternis? Beide hebben geen identiteit, net zoals de godheid. Dood en duisternis zijn de afwezigheid van iets. De afwezigheid van leven of van licht. Maar God wordt Licht genoemd. Duisternis kan niets met het licht doen. Maar zonder duisternis zouden we niet weten dat er licht is. Pas in de duisternis wordt het licht zichtbaar. God is ook duisternis. Heeft Johannes in dit Woord het antwoord gevonden op de dood die zijn wereld liet instorten? Thomese schrijft: “Ze is iemand geworden die steeds opnieuw geboren moet zien te worden: in de woorden die ik voor haar vind.” Zijn dochtertje, nog een baby is pas gestorven. Moeten de tranen woorden vormen? Moeten uit die put vol tranen woorden en beelden opwellen? Uit een onkenbare bron in het diepste van die bodemloze put, ingeslagen in de ziel? Woorden als een echo. Een echo van wat?      

Hendrik Van Moorter
25 1