Lezen

Afscheid

‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes mijn hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein. Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen. ‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud. Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb. “Een glaasje water graag’, bestel ik.  Dat zal helpen tegen die droge mond. Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden en ervan kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien. Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik,  maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.   Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag . Straks moet ik nog overgeven. Ik weet ondertussen wel dat de rede soms niet opgewassen is  tegen het gevoel maar ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.   Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer iemand binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren.  Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren. Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk, nog in de illusie dat alles zo blijft. ‘ Zal het lukken mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar. Het koffiehuisje raakt stilaan vol.  Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.   Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen. ‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.   De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen.  De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang. Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn nu op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden. Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef. Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk:    Beste familie en vrienden,   Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed. Ik schoof een stoel bij.  Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien. De glazen kast vol poppen in de woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken. Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten? Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie. Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis. We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen. Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten,  tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte. Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en blijkbaar in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen. En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen. Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze gezinsgroep’, zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten. In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor…   Daar is gelukkig verandering in gekomen’.   Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten. Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg dan:   ‘Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend over de beproeving die ze doorstond daar vooraan, met alle ogen op haar gericht. Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven.  Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.  Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten. Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen. Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.’   Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen. Ze kennen de strijd. Ze vreesden een onverbloemd portret. Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.  Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer. Ondanks en dankzij mijn moeder werd ik haar alter ego.                              

Haddie
0 0

Mijn ijsman

In de verte weerklinkt het vrolijk deuntje van de ijskar. Op slag laat ik mijn pop vallen wiens haren ik net nog zo zorgvuldig aan het borstelen was. Ons huis, met vooraan de symmetrische houtconstructie, in het midden oplopend naar een punt, ligt zo’n twintig meter dieper dan de straat. De voortuin en de boomgaard ernaast zijn omzoomd met een haag. Van de voordeur tot aan de straat loopt een paadje dat uitkomt op een hek.  Allemaal hebben we wel ergens een litteken opgelopen in de veroveringstocht van het leven. Zelf heb ik op de muis van mijn rechterhand een vijf cm brede genaaide snee, opgelopen bij een valpartij met een glazen zuigfles van mijn elf maanden jongere broertje. Ik vraag me af hoe ze dat toen deed, mijn moeder. We hadden geen telefoon. Vijf kinderen tussen de zes en een jaar en waarschijnlijk was ze al zwanger van het zesde. Waren de buren gealarmeerd door mijn huilen en belden ze de dokter? Of stuurde ze mijn oudste zus naar de buren? Ik besef opeens dat ik dat nooit gevraagd heb. Het litteken van mijn oudste broer Olav spreekt nog het meest tot onze verbeelding, vooral omdat niemand van ons getuige was van het ongeval. In een dappere poging om over het hek te klimmen bleef hij met zijn knie haken in één van de pinnen. We vroegen ons nooit af waarom er pinnen op dat hek zaten. Ik snel het paadje af naar de straat. Het is een rustige straat. Verkeer kennen we nog niet. Zelf hebben we geen auto en slechts een paar buren hebben al een auto op de oprijlaan. Soms gaan we naar de hoek van onze straat die uitkomt op de Schoolstraat, de hoofdstraat van het dorp. We wachten geduldig en roepen dan: ‘Daar is er weer één!’ en  schrijven de nummerplaat op van de auto die voorbij rijdt.  Het kan wel even duren voor ons blaadje vol is. Zelden draait een van deze auto’s onze straat in.   Het tingelende muziekje klinkt steeds harder en dwingender. De ijskar rijdt heel langzaam onze straat door om iedereen de tijd te geven de werkzaamheden even te staken, de portemonnee te pakken en de straat op te lopen. Ik zie de bovenkant van de ijskar al opdoemen boven de haag. Ik open het hek – het is gelukkig niet op slot - en zonder te kijken storm ik de straat op. Met gierende banden komt de camionette van de brouwer, vanuit de andere richting, in de sloot voor ons huis tot stilstand.   Ze noemde het een geleide fantasieoefening. We moesten onze ogen sluiten en de ogen van onze moeder zoeken. Ik vond ze niet. Geen enkele situatie kwam me voor de geest waarin ik haar ogen op me gericht wist. Er kwamen me wel andere ogen voor de geest: de buurvrouw van een tante waar ik logeerde en die meer deed dan alleen mijn gekneusde knie verzorgen. ‘Ach, die jongens kunnen zo wild zijn’ zegt ze vriendelijk. De ogen van de monitrice, ze draagt me in haar armen. Er zitten splinters in mijn voet van het houten podium. Ze neemt de tijd om ze voorzichtig één voor een met een pincet uit te trekken. De pijn deert me niet. De vriendelijke ogen van de ijsman. Ook als ik geen ijs koop mag ik in zijn ijskar klimmen.  Hij heeft zwart haar en een snor. Hij is altijd vrolijk en vertelt verhalen. Af en toe krijg ik een reclamedisplay van Ola in karton. Ik ben de koning te rijk. Hij is mijn ijsman.   Ik zit samen met mijn broers en zussen in de speelkamer als de deur openzwaait. De imposante verschijning van de brouwer vult de deuropening.  Met gespeelde strengheid vraagt hij: ‘wie was dat stoute kind dat voor mijn auto sprong zodat ik bijna verongelukte?’ Ik wil in het kleinste hoekje kruipen maar ik kan me niet bewegen. Hij grapt nog wat over een mogelijke straf voor dit stoute kind. Dan zegt hij:  ‘De volgende keer, eerst goed links en rechts kijken voor je naar je ijsman snelt.’ Hij knipoogt naar mijn moeder. Ze lachen. Iedereen lacht. Ik voel mijn wangen warm worden, schaamte.  Het hek zal wel weer op slot gaan.   Ik ben op weg naar huis. Opeens hoor ik het bekende tingelmuziekje. Ik verstijf. Uit de andere richting nadert de ijskar. Ik durf niet op te kijken maar vang toch nog een glimp op van de man achter het stuur. Een oude, norse man zonder snor.       

Haddie
0 0

Vetpakken

Vanaf de straat klonk de claxon van Harry’s nieuwe auto, een DeSoto Airflow SG Business Coupe. Ik nam een laatste hap van mijn pannenkoek en kuste met volle mond Luanne gedag. In de spiegel in de hal controleerde ik of mijn pak me nog steeds goed stond. De grote groene ruiten op de gele stof sprongen op je af. Het was modern en toch gekleed.   Toen ik het huis uitkwam maakte Harry met zijn gele mouw met groene ruiten een ongeduldig gebaar uit de DeSoto. Het zijraam kon elektrisch naar beneden. Afgelopen vrijdag had Harry het voortdurend omhoog en omlaag laten zoemen. “Nu is er veel wind, ik doe hem wat verder dicht.” En als we bij een stoplicht stonden: “Ik geef je weer wat lucht.” Zrrrrr deed het raam, en de straatgeluiden werden luider en de dieseldamp van een vrachtwagen woei onze neusgaten in. “DeSoto heeft ook een model met airconditioning, maar dan adem je evengoed die uitlaatgassen in,” zei Harry. Ik vond het allemaal prima. Ik was blij dat ik niet zo’n investering had hoeven doen en met hem samen op pad kon. “Je ziet er toppie uit, kerel,” zei Harry toen ik instapte. “Mag ik je complimenteren met je keuze?” Dat had de vent in de winkel tegen ons gezegd toen we afscheid namen met onze nieuwe pakken in vloeipapier in een doos. “Een prima vent,” zei Harry. “Maar hij liet kansen liggen. We moeten een beetje opschieten, het is nog een heel eind.” “Ja, we hebben smaak,” daar is niks aan gelogen, beaamde ik. Ik liet mijn blik over de dubbele rij gouden knopen gaan. Tussen de knopen verdween mijn groene stropdas met dubbele Windsor. De geelwitte borsalino lag op mijn benen. Harry droeg de zijne al, maar ik vond het te warm en de wind uit het open raam trok aan de hoed. Harry was een verhaal begonnen, maar ik had het begin gemist, vanwege mijn pak. Het kwam erop neer dat in Duitsland een kerel die Hetler heette een groep volgelingen had die allemaal een uniform droegen. “Net als wij,” zei ik, toen zijn verhaal was afgelopen, ook om niet te laten merken dat ik niet goed had opgelet. “Dat is dus heel modern, die eenheid in presentatie.” “Zo’n investering haal je er snel uit,” beaamde Harry. We zoefden langs witte huizen met grote tuinen. “Is het hier?” vroeg ik. We waren inmiddels een half uur onderweg. Het werd steeds warmer, en wat betreft luchtigheid hadden we beter een andere stof kunnen kiezen. Maar deze was het mooist en ook sterk, dus had je langer plezier van je pak. “Nee, joh. We gaan een buitenwijk doen. Op kantoor denken ze dat daar een prima doelgroep zit. De kerels hebben goede banen en ze hebben veel kinderen.” “Waarom proberen we het hier niet?” zei ik. “Is al afgewerkt. Het gaat nu om de buitenwijken.” “Het is wel een eind rijden,” zei ik. Harry begon In Love with the Memory of You te zingen. Hij kon goed zingen, dus ik hield mijn mond. Dat was het enige dat me aan hem stoorde; het leek of hij altijd alles beter voor elkaar had dan ik.   Eindelijk waren we er en stapten we uit. De straat was leeg en breed. We waren de enige auto. “Je zei dat ze goede banen hebben,” zei ik. “Ja, daarom zijn er geen auto’s. Al die kerels zijn naar hun werk.” Harry liep om de DeSoto heen in de richting van het eerste huis. Twee kinderen op het trottoir vermaakten zich met een hoepel. Nu ik Harry op de rug keek, zag ik dat er iets vreemds was met zijn pak. Het leek of het op de rug en aan de achterkant van de broekspijpen veel donkerder was en een beetje doorzichtig. De groene ruiten waren nauwelijks meer te zien. “Harry, er is iets met je pak,” riep ik. “De achterkant ziet er raar uit.” Harry keek over zijn schouder. Hij voelde aan zijn achterwerk. “Getverdemme, het is helemaal vet,” zei Harry. Hij schudde zijn hand heen en weer. Ik keek ook achterom, en streek langs mijn dijbeen. Mijn vingertoppen glommen. Ik rook eraan. Het rook naar frituur. “Bij mij zit het ook,” zei ik. “Het moet van die bank afkomen.” Ik liep terug naar de DeSoto. “Kijk maar, die glimt helemaal.” We inspecteerden de voorbank. Het groene leer glom in de zon. “Die bank heeft ons vet gemaakt,” stelde Harry vast. Harry zag eruit als een omgekeerde okapi. De achterkant van zijn pak was donker en glom, de voorkant was nog helder geel met groene ruit. “Wat doen we nu?” zei ik. “Zullen we terugrijden en onze pakken in de was doen?” “Bekijk het,” zei Harry. “Dan is de dag al weer voorbij als we terug zijn. Ik heb net een nieuwe auto en een nieuw pak gekocht. We moeten rendement halen.” We stonden een tijdje met onze handen in de zij rond te kijken. De kinderen met de hoepel kwamen langs. “Jullie ruiken naar doughnuts,” zei een zesjarig meisje. Ze holden lachend weg. “Laten we onze pakken dan maar helemaal vet maken,” zei Harry. “Dat geeft meer eenheid.” “Hoe doen we dat?” vroeg ik. “We wrijven ook de voorkant tegen de bank.” We trokken om de beurt onze pakken uit. Ik ging achter Harry staan, zodat niemand kon zien dat hij in zijn onderbroek stond. Daarna was het mijn beurt. Methodisch wreef ik de nog niet vette stukken tegen de glimmende voorbank. Het vet lag als dikke vernis op het leer, en leek onuitputtelijk, alsof de bank een spons was die bij de geringste druk vet uitperste. “Hoe kan dit nou,” zei Harry. “Zou het een grap zijn? Ik heb de DeSoto nog maar een week. Niemand is er bij geweest. Gisteren heeft hij de hele dag vlak voor de deur in de zon gestaan.” “Dat verklaart het,” zei ik. Ik trok mijn broek weer aan. Die was zwaar geworden en kleefde. Van het colbert had ik minder last, want daar droeg ik mijn overhemd onder. Nu konden we eindelijk aan het werk. Ik monsterde mijn vetpak. Het zag er minder gelijkmatig uit dan ik had gehoopt, en het leek alsof het doorschijnend was. De kleur was nu eerder bruin dan geel. “Ik ben er niet helemaal gerust op,” zei ik. “Laten we de eerste met z’n tweeën doen.” “De eerste met z’n tweeën,” echode Harry. “Dat klinkt een beetje Bijbels.” “Ik bedoel er niks mee, alleen maar dat we samen de eerste doen,” zei ik. We liepen naar het eerste huis van de straat. Harry belde aan. Een vrouw deed open. Ze zag er ongeduldig uit. Ze had papillotten in haar haar. “We kopen niet aan de deur,” zei ze geërgerd. “We willen u niks verkopen, mevrouw,” zei Harry. “We willen u er alleen op attenderen dat Proctor and Gamble door middel van loting uw adres heeft geselecteerd. Als vertegenwoordigers van deze firma hebben we het genoegen u een gratis proefverpakking te kunnen aanbieden van Mr Clean’s Abraxo super waspoeder. Dit poeder wast zes keer beter, en staat bekend om de wervelende kracht waarmee het vet wegtovert alsof het er nooit is geweest.” “Wat zien jullie er raar uit,” zei de vrouw. Ze snoof. “Zijn jullie soms zwervers?” Er ging me opeens een licht op. “Neemt u ons niet kwalijk, mevrouw,” zei ik. “We hebben een ongelukje gehad. Als je kleine kinderen hebt, morsen die wel eens met vet, u kent dat wel. Zouden we gebruik mogen maken van uw wastobbe? Dan kunnen we u meteen de kracht van Mr Clean’s Abraxo Super waspoeder demonstreren.” Harry beloonde mijn ingeving met een nauwelijks merkbaar knipoogje. De vrouw twijfelde. Twee vreemde kerels binnenlaten die niet bepaald fris roken, daar zou iedereen voor passen. Ze nam ons nog eens onderzoekend op. Toen verzachtten haar gelaatstrekken. “Vooruit dan maar. Maar jullie moeten niet denken dat ik open sta voor andere dingen. Je hebt van die mannen die zodra ze binnen zijn, denken dat ze van alles kunnen proberen.” “Mevrouw, ik verzeker u dat wij keurige heren zijn en dat we ons beiden in een gelukkige huwelijkse staat bevinden. De eer van een dame is voor ons het allerhoogste goed,” zei Harry plechtig. Hij stak zijn vingers op alsof hij een eed aflegde.   De vrouw ging ons voor de gang in, maar hield meteen stil. “Loop maar door naar de tuin, daar staat de wastobbe. Ik wil die smerige pakken niet in huis hebben.” Via de keukendeur kwamen we weer buiten. Onder een afdakje stond een grote tobbe met een wringer ernaast. “Laten we onze pakken dan maar uittrekken,” zei Harry. “Aan dat kraantje hangt een slang waarmee we dit ding kunnen vullen. Heb jij het waspoeder?” “Kunnen we met koud water het vet eruit krijgen?,” vroeg ik. “Er staat toch dat het schoonmaakt als een tornado?” Ik las de verpakking. Er stond: ‘Honderd procent vetverwijdering, gegarandeerd’. We legden onze pakken in de tobbe en Harry draaide de kraan open. Het vullen ging traag. De zon verdween achter de wolken en er woei een kil briesje. Ik kreeg het koud. Boven mijn sokophouders kreeg ik kippenvel. Toen de pakken net onder water stonden, stak de vrouw haar hoofd om de keukendeur. “Ik heb een ketel opgezet. Het duurt nog even voor het water warm is.” “Dat is niet nodig, mevrouw,” zei Harry. “We wassen met koud water.” “Zulke onzin heb ik nog nooit gehoord,” zei de vrouw. “Geef me Mr Clean maar eens even,” zei Harry triomfantelijk lachend. Als een tovenaar die een magische bezwering uitvoert, goot hij het poeder in de tobbe. Het zonk omlaag en bleef in hoopjes op de pakken liggen. De vrouw kwam naar buiten en boog zich over de tobbe. “Wacht maar tot het water warm is,” zei ze misprijzend. Ze verdween naar binnen. Enige ogenblikken later deed ze de deur weer open. “Jullie mogen wel even binnenkomen.” In de woonkamer stond een bruine bank. Je zonk er ver in weg. Omdat we ons niet op ons gemak voelden, bleven we voorover geleund op het puntje zitten. Zelfs nu leken we nog op elkaar. We droegen beiden een wit overhemd met gouden manchetknopen, een gestreepte das, en ook onze gestreepte boxershorts leken afkomstig uit dezelfde voordeelverpakking van Farmer Jack. Even later kwam de vrouw de kamer binnen. Haar papillotten had ze verwijderd. Haar blonde haar hing nu golvend tot haar schouders. Ze droeg een blad met een koffiekan en kopjes. Ze zette het blad op de salontafel en ging tussen ons in zitten. Harry leek zijn gebruikelijke tegenwoordigheid van geest te hebben verloren en staarde zwijgend naar de pendule op de schoorsteenmantel. “Jullie jongens zullen wel vaker eenzame huisvrouwen tegenkomen, is het niet?,” zei ze, terwijl ze koffie inschonk. De uitdrukking ‘jullie jongens’ hoorde je de laatste tijd wel vaker. Het gaf een sfeer van gezellige familiariteit. Ik keek opnieuw naar Harry, want ik wist niet wat ik kon antwoorden, maar ook hij zweeg. Hij staarde naar zijn kopje waarvan hij het schoteltje met beide handen vasthield. Ik stond op. “Wat vriendelijk dat u ons koffie serveert, mevrouw. Ik zal eens kijken of het water al warm is.” Ik liep naar de keuken. Daar stond een grote pan van grijs emaille te dampen. Ik voelde voorzichtig het water. Dat was lauwwarm. “Het water is warm, we kunnen beginnen,” riep ik. Harry haastte zich naar buiten en we togen aan het werk. We lieten het koude water op het gras weglopen, ik leegde de pan in de tobbe en Harry gooide de rest van Mr Clean’s op de pakken. We roerden het lauwe water, maar het poeder bleef opnieuw onopgelost liggen. “Het begint me nu wel de keel uit te hangen,” zei Harry. “Misschien doen we iets fout. Weet jij hoe je moet wassen?” Ik antwoordde ontkennend. Terwijl we in de tobbe tuurden, was de vrouw achter ons komen staan. “Jullie kunnen beter groene zeep gebruiken.” Ze verdween en kwam terug met een blik waaruit ze flinke klodders in de tobbe gooide. “Nu kunnen jullie wassen. Wrijf de kleren over het wasbord en spoel dan uit.” Om beurten probeerden we het terwijl de vrouw oplettend toekeek. We kregen de slag te pakken en schrobden er op los tot het zweet ons op het voorhoofd stond. Als een opzichter hield de vrouw onze verrichtingen in het oog. Af en toe gaf ze aanwijzingen, zoals: ‘Die pijp is nog niet helemaal gedaan’, of: ‘Vergeet de kraag niet’. Nadat we zo’n tien minuten aan het werk waren geweest, zei de vrouw tegen Harry: “Op jouw onderbroek zit ook vet. Of zijn het soms remsporen?” Harry probeerde de achterkant van zijn boxershort te bekijken, maar dat lukte niet best. “Ik zie niks,” zei hij. “Jawel,” zei de vrouw. “We moeten de onderbroeken ook doen.” Harry maakte een abrupte beweging alsof hij van iets schrok. Daarop haalde hij met een verbeten gezicht zijn broek uit de tobbe en sloeg hem uit, zodat de waterdruppels in het rond spetterden. Hinkend trok hij de met water verzadigde broek aan. “Hartelijk dank voor de gastvrijheid mevrouw. Ons werkschema laat geen ruimte voor een langere pauze,” zei hij met een stem die hoger klonk dan gewoonlijk. “Jullie kleren moeten eerst door de wringer en dan nog een paar uur drogen aan de waslijn,” zei de vrouw. Maar Harry wenkte me met een hoofdbeweging en ik volgde zijn voorbeeld. Het viel niet mee het zware natte pak aan te trekken, maar het was nog warm, zodat de natte stof niet onaangenaam aanvoelde. Toen we buiten waren, keek ik vragend naar Harry. Zijn gelaat vertoonde een angstige uitdrukking. “Ze zat aan mijn achterwerk. We moeten maken dat we wegkomen. Je hebt van die types die zomaar de politie bellen, al heb je niks verkeerds gedaan.” We beenden flappend terug naar de DeSoto, een spoor van druppels achterlatend waarin vetbubbeltjes dreven die in regenboogkleuren naar de zon glimlachten. Ik opende het portier, maar er schoot me iets te binnen. “Als we instappen, worden we weer vet. Dan hebben we voor niks onze pakken gewassen,” zei ik, omlaag buigend, want Harry zat al achter het stuur. Harry sprong naar buiten. Hij gooide zijn armen in de lucht zodat een regen van spetters tegen de DeSoto kletterde. “We hadden gelijk aan het werk moeten gaan,” schreeuwde hij. Dat idee van jou was behoorlijk stom.” “Jij vond het een goed idee,” zei ik, hoewel ik mezelf ook de schuld gaf. Ik schaamde me omdat, nu ik eindelijk zelf iets had bedacht, het op een fiasco was uitgedraaid. Harry bleef een tijdje omhoog kijken, alsof hij een Zeppelin zag. Allengs begonnen zijn mondhoeken te trillen. Daarop trok hij woest het portier open. “We moeten nu weg, ik heb geen zin in politie.” Terwijl hij startte, voelde ik aan de bank. Die zat nog onder het vet. Er hing een enorme frituurlucht in de auto, en ik vroeg me af waarom we dit niet op de heenweg hadden opgemerkt. Terwijl Harry een bocht in stuurde gleed ik tegen de deur, en ook Harry gleed naar mij toe, met het stuur als enige houvast. “Een ding heeft ons dit wel opgeleverd, we…“ Harry maakte zijn zin niet af omdat nu een bocht de andere kant op volgde en ik tegen hem aan gleed. “Hou je maar vast aan het portier,” riep hij, en het verbaasde me dat er geen ergernis meer in zijn stem doorklonk, maar eerder een soort vrolijkheid alsof we op de kermis waren. Hij leek zijn goede humeur weer terug te hebben. “Het heeft ons dus opgeleverd,” riep hij, terwijl hij gas gaf en nog een bocht nam, de wielen begonnen te gieren en de DeSoto overhelde, “dat we hebben geleerd hoe je moet wassen.” “Ik zal het je nog sterker vertellen,” riep ik, over het geraas van de motor. “We weten nu ook dat Mr Clean’s Abraxo super waspoeder minder goed wast dan groene zeep. Wat gek eigenlijk dat we het nooit hebben geprobeerd.” We waren inmiddels weer op de grote weg gekomen. Harry minderde vaart. We gleden langs de witte wijken. “Toch zit hier iets Bijbels aan,” mijmerde Harry, nadat we een tijdje hadden gezwegen. Hij wees naar boven. “Ik ben niet erg gelovig, maar je zou bijna de indruk krijgen dat iemand ons iets probeert duidelijk te maken.”

Vincent Baumgart
121 1

Leven na de dood

Oef, het was gelukt! Edina slaakte een zucht. Het vlammetje van de kaars die naast het bed stond, flakkerde even op.Eindelijk was ze erin geslaagd zich te ontdoen van dat lamentabele lijf! Al dat gejammer aan haar bed de laatste dagen! En al dat geleuter over hemel en hel!Mensen toch, kijk omhoog, aanschouw het eindeloze universum. Denken jullie nu echt dat er alleen op aarde leven is? Goed, jullie weten niet beter natuurlijk. Ze was opgelucht dat ze zich bevrijd had van dat krakkemikkige omhulsel en zich voortaan met leuke dingen bezig kon houden. Ze moest er nooit meer aan denken tijdig haar medicatie te nemen om dat menselijke lichaam leefbaar te houden, geen pijnlijke toestanden meer, ze moest zich niet meer wassen, zich niet meer afvragen wat ze zou aantrekken, zelfs eten was overbodig. Ze keek schamper naar de restanten die getuigden van haar verblijf hier op aarde en besloot nog even alle mooie plekjes van de aardbol te exploreren, plekjes waar ze wegens de beperkingen van dit aardse stoffelijke lichaam nooit geweest was.Ze had zich het leven hier anders voorgesteld. Maar mensen zaten opeengepakt in drukke steden, vervuilden de lucht, vraten zichzelf ziek of slachtten elkaar af in zinloze oorlogen.Slechts een enkeling had echt van de schoonheid van de blauwe planeet genoten. Even later flaneerde ze over de paradijselijke stranden van Bora Bora, Aitutaki en het Anakena strand van Paaseiland met op de achtergrond de moai in het mysterieuze landschap.  Ze ging naar het reusachtige China en India, zwierf door de poesta’s en de steppes van Mongolië. Nu lichamelijke beperkingen niets meer in de weg stonden, keek ze al uit naar de volgende stop.  Geen berg was te hoog, geen zee te diep. Ze verkende het Andes gebergte, doorkruiste de Kalahari en het oerwoud, inentingen waren overbodig.  Ze knuffelde de witte beren op de noordpool en praatte met de pinguïns op de zuidpool. Noch warmte of koude konden haar hinderen. Ze ging alsmaar verder, alsmaar hoger. Tenslotte besteeg ze Mount Everest zonder gezeul met materiaal of zuurstofflessen en hield halt op het dak van de wereld.Tijd om even te bezinnen, de oververmoeide geest leek op aarde niet tot rust te komen. Ze besloot haar geluk elders te gaan zoeken.Even later zwierf ze weeral verder, doorheen het wolkendek, het oneindige universum tegemoet. De koelte van maan of de hitte zon, ze voelde geen verschil. Ze verliet het zonnestelsel en zocht een ander planetenstelsel op. En nog één en nog één…Nee, haar zoektocht naar gemoedsrust bleek uitzichtloos.Uiteindelijk ging ze nog maar eens en kijkje nemen op Rosea waar alles rozengeur en maneschijn is. Die reusachtige planeet waar een onuitsprekelijk rust heerst, waar iedereen op wolkjes loopt, waar de ene de harp bespeelt, de andere de luit. Saaie boel, maar een geschikte plaats om even tot rust te komen.“Ha, ben je daar weer?” zei Sinte Pieter. Edina negeerde hem en installeerde zich op een roze wolkje.Terwijl ze daar zo zat te mediteren, besefte ze opeens dat ze in haar haast om weg te komen, niet echt afscheid had genomen van de mensen daar op aarde die om haar gaven. Opeens schaamde ze zich. Misschien moest ze nog even terug.Ze bewoog zich al in de richting van de poort maar het donderende stemgeluid van Sinte Pieter weerhield haar.“Waar denk jij naartoe te gaan?”“Ik heb geen afscheid genomen op aarde, ik moet nog even terug.” “Neen hoor,” zei Sinte Pieter, “de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven, jij bent nu een engel, jij hoort in de hemel om Hem lof toe te zingen. Ik laat je geen tweede keer gaan. Wanneer heb trouwens je ouders en al je andere voorouders nog opgezocht?”Mokkend installeerde ze zich weer op haar wolkje. ‘Hem’ had ze nooit gezien. Zingen kon ze niet, het klonk zo vals als een kat en haar voorouders kon ze tot in der eeuwigheid bezoeken. En weeral reispap eten zeker? En dan nog met een gouden lepel, als die in de gele brij viel, had je soms de grootste moeite om hem er weer uit te vissen.Ze hield de poort scherp in het oog , vastbesloten te ontsnappen. Toen een groepje zelfmoordterroristen zich aanboden en meteen hun 72 maagden opeisten, ontstond er een felle discussie met Sinte Pieter. Hij probeerde hen uit te leggen dat ze zich van hiernamaals vergist hadden maar de heethoofden luisterden niet. Sinte Pieter die al sinds mensenheugenis aan zijn stoel gekluisterd zat daar aan de ingang, had heel wat meegemaakt maar toen ze hem begonnen uit te schelden voor racist en varken, besloot hij een schare engelentroepen, ook gekend als de buitenwippers, in te zetten om de gewelddadige ketters buiten te smijten.Er ontstond een enorme chaos en Edina zag haar kans schoon. Stiekem gleed ze van haar wolkje en glipte door de poort.Even later was ze weer op aarde. Nu moest ze op zoek naar haar lijfje want zonder kon ze geen contact leggen met haar geliefden. Ze haastte zich naar haar voormalige woonplaats maar moest tot haar grote ontsteltenis vaststellen dat haar lichaam ondertussen gecremeerd was. De afscheidsplechtigheid was nog aan de gang. Ze daalde neer op de schouder van haar man en zei: ik heb je lief, daarna landde ze op de schouder van haar kinderen en fluisterde: ik hou van jullie. Ze zweefde verder naar haar kleinkinderen en gaf hen een kusje. Niemand reageerde, ze was te laat.Ze bleef nog even naar de afscheidstoespraak luisteren. Ach kom nou, dacht ze, niet overdrijven hé, ik mag dan nu wel en engel zijn, hier op aarde was ik dat zeker niet! Ze zou voor eeuwig rusteloos rondzwerven, tenzij ze gedwee weer naar de Rosea ging.Maar er waren nog zoveel andere planeten te verkennen: Alba waar altijd sneeuw lag en schitterde onder miljoenen sterren, Viridi waar je door eindeloos groene weiden met margrietjes en boterbloempjes kon zwerven, Flavum waar zonnebloemen groeiden zover als je oog reikte of Potissimum waar wezens als ET leefden. Ze besloot voorlopig terug te keren naar Rosea. Daar op haar eigen wolkje kon ze tot rust komen. Er viel altijd wel wat te beleven aan de poort. Ondertussen zou ze de jonggehuwden op aarde in het oog houden en als ze een leuk koppel zag, zou ze weer haar kans wagen als nieuwgeboren aardling. 'Gelukkig is hij die tevreden is met zijn lot, hoe dat ook mag zijn,' beweerde Seneca.Hoe zalig het leven daar op Rosea ook mocht zijn, nadat Edina genoten had van een gezellig samenzijn met haar ontelbare voorouders waarbij al weer tonnen rijstpap verorberd waren, werd ze toch weer ongedurig. Het leven op aarde met dat krakkemikkige lijfje mocht dan niet zo eenvoudig zijn, er viel toch meer te beleven dan hier in de hemelse sferen. De eentonige muziek en het kattengejank begonnen haar de keel uit te hangen en dus had ze zich weer geïnstalleerd op haar roze wolkje in de buurt van de poort. De interviews die Sinte Pieter daar dagelijks afnam, zorgden toch voor enige afleiding. Het was vaak hilarisch om aan te horen welke argumenten de kandidaten opvoerden teneinde hun zonden goed te praten om toch maar een plaatsje op Rosea te veroveren. Velen konden echter niet de juiste papieren voorleggen en werden onherroepelijk geweigerd. Maar nu de winter en dus ook de griepepidemie voorbij waren, was het iets rustiger en begon ze zich weer te vervelen. Misschien moest ze eens gaan praten met Sinte Pieter, er waren tenslotte zoveel moedertjes en vadertjes in spe die elke maand gespannen wachtten op goed nieuws. Al bij al was ze toch een succesvol advocate geweest in haar vorig leven, ze zou die weekhartige grijsaard vast wel weten te overtuigen haar te laten gaan. Ze moest alleen het juiste moment afwachten. Nadat een heel lief jong vrouwtje met een schat van een man voor de zoveelste keer een miskraam kreeg, besloot ze beroep te doen op de weekhartigheid van de oude man om haar toestemming te geven hen te helpen.Sint Pieter kreeg zowaar tranen in de ogen bij haar hartstochtelijk pleidooi en voor hij de kans kreeg een oordeel te vellen, had ze zich al uit de voeten gemaakt. Verdorie, dacht hij toen hij haar nakeek, ik heb me weer in de luren had laten leggen.Negen maanden later werd er een kindeke geboren op aard, lief en schattig, een echt engeltje beweerden de overgelukkige ouders. Ze werd met de beste zorgen omringd en had alles wat haar hartje begeerde. Edina beloonde hen haar lieftalligste glimlach.Een groot onheil verwoestte echter het mooie plaatje toen het gezinnetje het slachtoffer werd van een zwaar verkeersongeval waarbij zowel vader als moeder het leven lieten en Edina verweesd achterlieten. Haar lijfje zweefde enkele dagen tussen leven en dood. Omdat ze zo veel pijn had, smeekte ze Sinte Pieter herhaaldelijk haar weer naar Rosea te laten terugkeren. Omdat ze volgens menselijke normen minderjarig was, werd ze bovendien in een pleeggezin geplaatst toen ze weer aan de beterhand was. Dit keer had ze niets in de pap te brokken. Verstoken van echte moederliefde en een leuke papa, bleef ze haar smeekbeden aan Sinte Pieter herhalen. Misschien zei ze, kan je ‘Hem’ overhalen mij tot zich terug te roepen. Maar zowel Sinte Pieter als ‘Hem’ hielden zich stoïcijns doof.Uiteindelijk begreep ze de bewering van Epictetus dat mensen niet lijden door gebeurtenissen of door andere mensen, maar door hun eigen gedachten over die gebeurtenissen en die andere mensen.Edina wacht nu rustig af tot haar tijd gekomen is om zich weer op haar roze wolkje te installeren.

Nadia Lang
0 0

Fietsvakantie, door Jan Loogman (opdracht 1)

voorbeeldtekst: Philip Snijder, Zondagsgeld, pp. 86 - 99   Hard en scherp prikt het helmgras in zijn kuiten. Het zand kleeft aan zijn armen. Ze zouden beter kunnen opstaan en doorfietsen, maar hoe kan hij Jacques onderbreken, die naast hem zit en aan één stuk door praat? Dat ze straks bij zijn oom en tante zullen aankomen en dat hij de nichtjes zal ontmoeten. Leuke meisjes die bovendien bijna van hun eigen leeftijd zijn. Kon hij zijn oren maar sluiten voor die stem. Ook Jacques heeft nog steeds niet de baard in zijn keel. Of gewoon opstaan, Jacques bleef zitten en merkte niets, terwijl hij opstond en wegfietste, terug naar huis. Het is verdomme zomervakantie, met de school dacht hij niets te maken te hebben. Gisteren kwam mama hem roepen dat er telefoon voor hem was. “Ene Jacques van Leeuwen,” zei ze en ze gaf hem de hoorn. Hij hoorde de hoge stem aan de andere kant van de lijn en stelde zich voor hoe Jacques naar buiten keek, naar de auto’s die voorbijreden in de Vrolikstraat. Jacques had hem een tijdje geleden weer gevraagd wat voor werk zijn vader deed. Na zijn antwoord (“veeboer’) had hij langs zijn lange, rechte neus omlaag gekeken. Had hij papa al eens met zijn stinkende wagen vol etensresten en schillen door de Vrolikstraat zien rijden? Dacht hij daarom dat hij hem thuis kon opbellen en voorstellen samen op fietsvakantie te gaan? Het woord stoorde hem. Tot drie keer toe moest hij Jacques vragen wat hij zei. Fietsvakantie. “Ik kom vanmiddag naar je toe, “ hoorde hij Jacques zeggen, “dan maken we een plan en kunnen we morgen vertrekken.” Hij had de hoorn op de haak willen gooien, de verbinding verbreken. Het was niet mogelijk dat Jacques bij hen thuis zou komen, natuurlijk zouden ze in de huiskamer gaan zitten, een atlas op tafel om de route te bekijken, en dan zou papa thuis komen, stinkend naar zweet – hij herinnerde zich hoe hij als kleine jongen bij zijn vader op schoot was gesprongen, zijn vader liet hem paardje rijden en hij rook de geur die vanuit zijn oksels opsteeg, een dierlijke geur. Toen zat hij nog niet op het lyceum in de stad, alles was in orde geweest, niemand vroeg naar het beroep van zijn vader, iedereen kende hun gezin. Dat was meer dan drie jaar geleden. Stel je voor dat papa in zijn schillenpak, vette vlekken op de mouwen en de broek, op Jacques zou afstappen en hem de hand zou schudden, luid sprekend, en Jacques zou zijn lange, rechte neus in een kronkel laten schieten, om zijn weerzin te laten merken. Waarom zei hij niet dat hij helemaal geen tijd had, dat hij uit logeren ging of dat hij moest werken? Het enige wat hij heeft weten te zeggen was dat hij vandaag geen tijd had, maar wat een leuk idee, een fietsvakantie, had hij gezegd. Stippel jij de route maar uit, we treffen elkaar morgen wel, op de Spaarndammerdijk. Vanochtend stond Jacques daar al te wachten. Ze zijn in één keer naar de duinen gereden, steil omhoog bij Kraantje Lek en na de afdaling het helmgras in. “Tijd voor een eerste pauze,” heeft Jacques geroepen. Nu praat hij, hij legt de route uit, vertelt over zijn familie waar ze zullen logeren. Zijn wangen worden rood van opwinding. De duinen kent hij. Hij kwam er als kleine jongen al. Papa reed op zondag de vrachtwagen voor, resten van vuil en vet nog in de laadbak. Zijn zussen kwamen met sop en borstels naar buiten en begonnen te boenen. Binnen smeerde mama de boterhammen die ze in de grote trommels opstapelde. Hij en zijn broers zochten in de kelder tussen de wasteil en het afvoerputje naar de bal. Als iedereen klaar was, kwam tante Cor. Ze droeg een hoed, “vorig jaar gekocht aan de Rivièra “, een zonnebril, een strak truitje met een vest eroverheen en een ruim vallende rok. Terwijl papa en mama in de cabine stapten en de reiswieg met de baby tussen zich in plaatsen, dirigeerde Tante Cor hem en zijn broers en zussen de laadbak op, waar ze gingen zitten, hun rug tegen de cabine, stijf op elkaar. Zijn oudste zus moest aan de ene buitenkant van de rij gaan zitten en tenslotte klom Tante Cor zelf de laadbak in en wrong zich aan de andere buitenkant tussen de rij en de opstaande rand van de bak. Ze zaten zo dicht op elkaar dat niemand kon bewegen. “Zo zitten we safe,” zei Tante Cor, “maar denk eraan: als je politie ziet, moet je duiken.” Dan vertrokken ze, door de polder, dwars door Haarlem en bij Bloemendaal de Zeeweg op. In Zandvoort liepen ze door de duinen naar het strand. Ze bleven op het pad. Alleen als de bal weg rolde, stapte een van hen het helmgras in. Al sinds de eerste klas van het lyceum zoekt Jacques toenadering tot hem. Hij woont in Oost, in de Vrolikstraat, zijn vader heeft er een melkzaak. De straat is vanaf zijn eigen dorp helemaal aan de andere kant van de stad en toch kent hij hem wel. Soms moet hij zijn vader helpen met schillen ophalen en op die dagen verlangt hij vanaf de eerste minuut naar het einde van de dag. Dat ze op de terugweg naar huis zijn, dat hij heeft geholpen, met de juten zak op zijn rug heeft gelopen zonder dat iemand hem heeft gezien, iemand die hem kent. In de ochtenden ligt hun wijk in het hart van de oude stad. In de Nieuwmarktbuurt en op de Zeedijk komen de eerste mensen de straat op. Ze mopperen want ze zijn Amsterdammers. De vrouwen strijken hem over zijn haar. “Wat een lekkere knul. Is die van jou, schillenboer?” roepen ze. Hij glipt weg, onder hun handen vandaan, de juten zak op zijn rug. “Links de hoek om, nummer 36, tweehoog,” roept zijn vader hem na. “Gebruik je loper.” Even later staat hij op een donkere trap. Met de loper de deur openen, dat gaat hem tegenwoordig goed af, maar waar vindt hij hier de lichtknopjes? Hij struikelt naar tweehoog en tast op het portaal in het rond. Zijn vingers grijpen in natte derrie, zijn hand schrikt terug en zoekt opnieuw het licht. Zijn wijsvinger raakt een knopje en voor zich ziet hij de bak met groentenafval, een rest gekookte spinazie ligt bovenop. Voorzichtig veegt hij zijn vuile vingers af aan de juten zak. Hij probeert zijn kleren schoon te houden. ’s Middags, in Oost, is de wijk veel overzichtelijker. Lange straten en iedereen is klant. Met de loper opent hij deur na deur en wandelt de ruime trappen op naar een-, twee- en driehoog. De bakjes staan klaar op de portalen, goed zichtbaar in het licht dat door de trapvensters valt. Het laatste deel van de Vrolikstraat hoort niet bij de wijk. Daar komt een andere schillenboer. In dat deel woont Jacques. Als zij met de wagen de straat uitrijden, zijn vader en hij naast elkaar in de cabine, passeren ze de melkzaak. Misschien staat Jacques in de winkel. “Wat doet jouw vader?” heeft Jacques hem herhaaldelijk gevraagd. Eerst heeft hij geen antwoord gegeven. Het advies van zijn oudere zus om ‘veeboer’ te zeggen, voelde als een doorzichtige leugen. Van één koe kun je niet leven. Tenslotte is hij gezwicht voor de aanhoudende vraag. Nu zit hij met Jacques tussen het helmgras. De hoge stem tettert in zijn oren. Gisteren rond deze tijd zat hij op zolder, het was er warm. Hij was door het nauwe raampje naar buiten geklommen, het dak op. Daar had hij gezeten, de zon scheen, er was bijna geen wind, niemand wist dat hij hier zat, niemand kon hem zien. Hij had voorover kunnen buigen, naar beneden vallen, zijn hoofd op de harde stenen van het plaatsje achter hun huis. Misschien vonden ze hem pas uren later, hij was al doodgebloed.  

Jan Loogman
0 0

't Liep tegen het nieuwe jaar (*)

Het is 11 november. De  telefoon rinkelt. “Met  Johan.” “Johan Smits?”, vraagt een basstem:  “U spreekt met  Harry, zoon van Paul Bolden.” “Harry? Dat is meer dan een kwarteeuw geleden . Hoe oud ben je nu?” “Juist dertig geworden.” “Precies, jij was pas drie toen je laatst met jouw mama hier was. “   Toen zijn ouders net waren gescheiden, was  Laura voor de Kerstdagen met haar zoontje in België.  Nadat zij naar Canada verhuisden, verwaterde het contact met Paul snel. Laura bleef naar goede gewoonte nog lang kaartjes sturen met Nieuwjaar.   “Ik vond jouw naam in een oud telefoonboekje  van mijn vader. Hij wordt volgende maand zestig en ik wil hem verrassen met een feestje waarop ik zijn vroegere studievrienden uitnodig.“   Paul en ik hadden in de woelige jaren zestig  samen op de universiteit gezeten.  Na één jaar veranderden wij beiden van studierichting en kwam ik in een andere stad terecht, maar wij bleven elkaar opzoeken  tot zijn terugkeer naar zijn geboorteland.   “Op dat feestje wil ik niet ontbreken”, zeg ik: “wanneer moet ik mijn ticket bestellen, Harry?” “Neen, wij komen naar België en het feestje gaat door op 27 december  in de buurt van Antwerpen.  Mag ik jouw mailadres, dan stuur ik je de details.”   “Mijn derde Kerstdinertje op rij dit jaar”, zeg ik tegen Harry wanneer  ik hem omhels bij de ingang van het feestzaaltje.  De vrienden ken ik niet, want zij stammen uit de tijd dat Paul andere studies aanvatte, maar zijn broer is er en een zoon van zijn zus is uit Canada overgekomen.   Er wordt teken gedaan dat Paul er aan komt.  De verrassing is totaal. Hij dacht met familieleden  uit België  Kerst te vieren en begroet iedereen uitbundig.    Het wordt een oergezellige avond.  Haast iedereen is terug huiswaarts gekeerd en ik  zit met Paul en Harry wat na te praten.   Dertig jaar is lang om bij te praten en als Paul het over de scheiding en andere treurige zaken heeft wordt er een traantje weggepinkt,  maar ook de gelukkige momenten komen aan bod.  Straks wordt hij opa.  De vader in spé naast hem glundert.   Paul blijft honderduit praten, Harry en ik komen haast niet aan bod.  “Je hoort dat mijn vader rechten heeft gestudeerd”, schertst Harry. “Tabernacle”, repliceert Paul in zijn Canadian French. “Pa, besef je dat je heel de tijd in het Québécois aan het praten bent tegen  Johan?”, vraagt Harry. Paul kijk mij aan: “Heb jij mij verstaan, Johan?” Al zijn mij woorden ontgaan,  antwoord ik: “Zeker, Paul, ik heb haast alles verstaan en wat ik niet verstond heb ik begrepen.”   Dan glimlacht Paul naar zijn zoon: “Tu vois, mon fils c’est  ça la vraie amitié.  Wij hebben mekaar zolang niet meer gezien of gehoord maar vanaf het eerste woord dat wij vandaag wisselden leek het of wij het gesprek  van jaren terug weer opnamen.”   Wanneer wij opstappen sluit Harry zijn pa en mij in de armen en zegt: “Happy New Year, blood brothers.”   (*) opdracht: schrijf een kortverhaal met maximaal 500 woorden  

Vic de Bourg
26 0

Engel in memoriam

In een vorige column, nog niet zo lang geleden, schreef ik over de aanschaf van een ‘hondje’. Een pientere reu, met een speels karakter en een groot hart. Het totaal pakket: 45 kg. We gaven hem de naam Sunshine. Ons zonnetje. Een heel sociaal dier die door iedereen in ons dorp geliefd werd. Een lokale beroemdheid want mij kende ze enkel als het baasje van Sunshine. Een witte golden retriever die zich geregeld zwart maakte in de plaatselijke dreef. Toen we daarna naar huis gingen leek hij op een verwaarloosde straathond met een lach tot achter zijn oren. Het was zo een komiek zicht dat de toevallige passanten hardop begonnen te lachen en me veel succes wensten om hem terug wit te krijgen. Het was niet erg. Hij was een hond die pret had gehad. Die zijn energie kwijt kon en hiervoor zeer dankbaar was. In ons plaatselijk restaurant konden we rustig en uitgebreid eten zonder dat hij werd opgemerkt. Als we het restaurant verlieten verbaasde hij menig eter dat ze de grote hond niet hadden gezien of gehoord. Hij lag steeds onder de tafel een dutje te doen tot we klaar waren. Dan stapte dat grote beest fier als een pauw met ons mee. Hij kon een rauw ei in zijn mond nemen en netjes in iemands handen leggen zonder dat het brak. Nieuwsgierig als hij was bracht hij zelfs eens een egel mee. Hij had de stekels van het beestje tussen zijn tanden genomen zonder zijn lippen te gebruiken. Hij was gek op water en eten. Liet je per ongeluk al eens iets vallen dan haastte hij zich om het op te pikken en aan te geven en… kreeg telkens een koekje. Kwam ik met de wasmand boven nam hij steels een sok weg - die ik zogenaamd had laten vallen - van de stapel, om een koekje af te bietsen. Eén enkele keer had hij een konijn gevangen en kwam er linea recta mee naar mij. Hij gaf zijn prooi af, dat moest beloond worden! Toch kon ik het onbegrip in zijn ogen lezen toen hij enkel een koekje kreeg. Het was alsof ze wilden zeggen: ‘Meen je dat nou? Ik vang een groot konijn en krijg een pietluttig koekje!’ Vanaf dat moment nam hij zijn prooien in zijn bek mee naar thuis en gaf ze dan pas af. Voor een… koekje. Maar heel zijn lichaamstaal verraadde hoe fier hij was. Een slimme gehoorzame hond uit de duizend. We waren zielsverwanten. De keren dat ik voor een operatie naar het ziekenhuis moest en enkele dagen weg bleef maakte hem overstuur. We waren steeds samen indien mogelijk. We kamperen en wie zat er als eerste in het koffer van onze break? Sunshine, even gelukkig als wij om nieuwe dingen te leren kennen. In Frankrijk gingen we meestal naar een familiecamping met een groot meer, waar hij zo dikwijls als het kon in zwom als een vis. Zoveel mooie herinneringen, ik kan me niet eens herinneren dat hij ooit agressief was. Begin dit jaar heb ik hem laten inslapen. Dat groot hart werd hem fataal. Voor dat hij enige ongemakken kreeg heb ik hem laten gaan. Ik had zo graag hem langer gehad, maar hem laten lijden? Oh nee! Die bewuste dag was ik mee op zijn matras gaan liggen met mijn armen om hem heen. Soms wilde ik hem niet teveel belasten met mijn arm en legde hem opzij. En telkens duwde hij zijn hoofd terug onder die bewuste arm. Heel de dag, tussen mijn armen, lagen we samen te wachten op de dierenarts. Het veto was onverbiddelijk: zijn hart was op. Hem langer in leven houden zou resulteren in het uitvallen van de vitale organen. Dat wilde ik niet. Hij had een goed, gezond leven gehad, vol plezier. Toen de dierenarts het spuitje om in te slapen gaf was hij al dood. ‘Kom jongen,’ had ik gezegd, we gaan slapen. Dit was het teken waarop hij gewacht had. Hij stierf heel rustig in mijn armen en met hem stierf ik zelf ook… van verdriet. We kunnen en willen niet vergeten: mijn engel Sunshine.

Fanny Vercammen
0 0

Juffrouw D

‘Vijf maal zeven.’ ‘Vijfendertig.’ Stap vooruit. ‘Drie maal acht.’ ‘Vierentwintig.’ Stap vooruit. ‘Negen maal zes.’ ‘Vierenvijftig.’ Vooraan op de tree dreunt de stem de tafels. Elk juist antwoord brengt me dichterbij. Getal per getal schuif ik het smalle gangetje tussen de banken door naar voor. Mijn verstand staat op scherp. Nog voor de stem helemaal uitgesproken is, dreun ik op mijn beurt de uitkomst. De zittende klasgenoten vervagen. Ik zie alleen maar cijfers in kadans. En Sofie die in een  parallel gangetje vijf tafels achter mij aan komt. ‘Dat haalt ze nooit meer in.’ denk ik. Zijn stem hoor ik niet. Niet eens. Met een mengeling van trots en gène kies ik voor de vierde dag op rij als eerste. Het mooiste prentje uit de blikken doos is voor mij. Ik draai me om en loop terug naar mijn bank. Tegen de muur aan de start, staat hij. Nog steeds. Ik zie hem onhandig aarzelen, wachtend op het bevel van de stem. Ook voor de vierde dag op rij. Mijn prentje verbleekt. De glinsters zijn aan mijn vingers blijven plakken.   Ik zie hem verstijven terwijl ze zijn boekentas meepakt naar voor. Zijn te lange en te magere lijf probeert een houding te vinden onder de waterval van vlammende woorden. ‘Ik zal je leren wat orde is.’ zegt de stem. De bijhorende handen risten zijn tas open en draaien die om. In slow motion zie ik van hoog boven de tree pennen zonder dop, nog maar half gekafte boeken, proppen beschreven papier en een gebruikte zakdoek op de grond vallen. Snijdend overklinkt ze het gekletter. ‘Kom maar oprapen. En snel.’ De bel gaat. Ik word geacht samen met de anderen in een grote bocht om de jongen heen naar buiten te lopen. Zolang hij daar op zijn knieën met zijn grote handen zijn spullen bijeen gaart, weigeren mijn benen echter dienst.   Vijfendertig jaar later. Ik sta te praten op een receptie. Een bevriende ondernemer viert de publicatie van zijn eerste boek. Mijn blik dwaalt af naar een man die met hoofd en schouders boven iedereen anders uitsteekt. Ik val stil. De grijze haren, de rimpels en de extra kilo’s doen niet ter zake. Hij is onmiskenbaar mijn klasgenoot van toen. Nooit meer gezien na dat helse jaar bij juffrouw D. Ik loop recht op hem af, ik móet weten hoe een leven vorm krijgt, na zo’n start. Informaticus is hij geworden. Heeft een bedrijf opgericht en met succes verkocht. Zijn tweede onderneming blijkt opnieuw een schot in de roos. De ondernemer met het boek is een vriend van hem. Met trillende stem vertel ik over de boekentas. Hij kijkt me vol verbazing aan. ‘Pesterijen?’ zegt hij. ‘Weet ik niks meer van. Niks dan goeie herinneringen aan juffrouw D.’ Hij glimlacht. Het lijkt oprecht. De tafels laat ik maar achterwege.     De regels gelden niet. Ariel Levy. Pagina 145          

tamaralenaerts
0 0