Lezen

Hemelvluchten Dereyghere (4)

  Tante Micheline hield niet van lijntjes op haar rug en toen heeft het niet lang meer geduurd.   "Enzo en Falco worden moe." zei ze. "Ik geef ze thuis wat pap en dan kunnen ze weer slapen.”   Terwijl die snaakjes aten, keek ik naar Beertje Colargol. Ik had de betamaxrecorder een eind teruggespoeld en een aflevering startte : The Bear Visits the King of The Birds and Learns to Sing. Micheline keek met één oog -het andere kon ik niet zien- in mijn richting en knipoogte.   Een beer met een tasje met daarin alles, gereedschap voor herstellingen, voer- en vliegtuigen die hem tot over de hoogste bergen brachten, een heil voor elk kwaad! Enzo en Falco kregen hun fopspeen terug en sliepen al snel, als vleermuisjes zonder vrees in een onbezoedeld hol.   Ik kon niet blijven kijken naar die onstuitbare beer, want ik moest plassen en achter het grote vensterraam zag ik haar liggen als Eva op haar wolkenkrabber, zonder enige jeuk of schaamte. De ogen hield ze helemaal dicht, zo dacht ik. Moest ik direct verder stappen in de richting van het toilet? Ik kon het nog ophouden, toch?   Na een minuut of twee ging ik dan toch het toilet binnen en ging zitten, want het was niet zo eenvoudig om neerwaarts te plassen in deze toestand. Daarna zou ik uiterst langzaam terug stappen naar de zetel en verder kijken, naar Beertje Colargol, maar het raam was niet blind geweest en tante Micheline wenkte me, om dichter te komen, buiten op het dakterras.   Ik kon de erectie niet verbergen. Het zomerbroekje was van een lichte stof. “Ik hou niet van witte lijntjes en driehoekjes." zei ze. “Kom nog wat dichter.” Ze trok mijn korte broek naar beneden en begon zonder omwegen mijn stijve plasser te verwennen, zo lang als het nodig was en na een tijdje, toen ze het schokken voelde beginnen, richtte ze mijn harde pielemuis schuin naar beneden. Vaalwit sap schoot tussen haar borsten.   Ze liet me los, ik ging zitten op het bijzettafeltje naast de ligzetel. Ze richtte zich op en wreef mijn zaad over haar borsten, ze legde de handdoek beter, ging op de buik liggen en keek weg naar de andere kant, in de richting van een bak met lavendel.   Over haar rug liepen rode streepjes. Ze begonnen links boven haar magische kont en eindigden op het rechter schouderblad. Ze had daarvoor niet danig scheef gelegen op die neergeklapte ligstoel met houten latjes en ik vroeg : “Wat doet de beer met een zoete vlinder in de nacht?”   “Ze slapen beiden als het kan, mijn jongen”       bladzijde vier van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
29 0

Hemelvluchten Dereyghere (3)

Tante Micheline werkte in geen viswinkeltje. Het was dus niet noodzakelijk dat zij ‘s avonds, na haar werk, haar ganse lijf en borsten waste met citroenwater. Ook de video ‘Vole petit poisson’ werd in haar appartement niet opgezet als stilhoudertje voor Enzo en Falco. Enzo en Falco waren nog als welpen die lange uren sliepen in een middagbedje zonder pampagras. Micheline werkte niet op zaterdag, zondag en maandag, Ivan, haar man, werkte in het Openbare Slachthuis van Diksmuide, alle werkdagen, en stapte na zijn werk op een bus, lijn 53 naar Oostende en daar, naast het treinstation, nam hij de kusttram naar Middelkerke. Zijn favoriete uitbeenmes bleef meestal op zijn werk liggen, in een locker die hij afsloot met een cijfercode. Ik weet het van Ignace.   En het werd zomer, ook in dat jaar. Ik zou in de herfst van datzelfde jaar zestien worden en ik mocht nog eens gaan babysitten bij tante Micheline. “Neem zondag de trein naar Oostende,” zei moeder, “veel kleren moet je niet mee doen want het wordt warm. Daar aan de kust is het gelukkig altijd te doen als er een zeewind staat.”   In die tijd nam ik nog probleemloos een trein, bus of tram. Al was ik allesbehalve contactvaardig en zeer verlegen, ik kocht kaartjes bij chauffeurs of aan loketten met spreekgaatjes zonder daarbij te stotteren. ‘Tweede klas Oostende’, ‘één ticketje tot in Middelkerke’, alles zonder struikelen, als een pientere antilope en zo kwam ik altijd wel waar ik moest zijn.   Ook die zondagavond. Nonkel Ivan zat een geuze van Boon te drinken in de zetel, terwijl Enzo en Falco tv keken. Beertje Collargol op Betamax. Tante Micheline waste boven de pompbak voorzichtig vier borden, daarna evenveel messen en vorken. Twee lepels spoelde ze waarmee ze aardappelen en groenten had geschept. Ze sloeg haar armen rond me, wat niet helemaal lukte, gaf me een kus op het voorhoofd en zei : “Wat ben jij groot en sterk geworden.”   Ik sliep die ochtend lang. Niemand had geblèrd en nonkel Ivan was al weg toen ik opstond, vertrokken naar zijn beestenboel in Diksmuide. Het appartement had geen uitzicht op zee, wel een dakterras en Micheline zat buiten aan een tafel te ontbijten, in een witte bikini. In haar bord lagen wat kruimels, allicht van een croissant want ze vroeg of ik er ook één wilde. Ik knikte en ze schoof het broodmandje met daarin nog drie croissants in mijn richting, begon met een molenmesje een sinaasappel te schillen.   Zoals het hoort in een tweederangs film spoot er wat schilsap uit de vrucht en de druppels kwamen neer in een glooiing onder haar hals. “Verdikke!” zei ze en trok een ondeugend gezicht dat tegelijk boosheid fakete alsof ze kwaad werd op de druppeltjes die haar mammeloesjes bijna hadden bespat. Met een servetje wreef ze het sap weg. Enzo en Falco kwamen het terras opgestapt met hun korte pootjes en een fopspeen in de mond. Ze werden op een stoel gezet. De fopspenen moesten eruit en ze kregen elk een croissant waarop ze mochten sabbelen.   “Straks gaan we naar het strand”, zei Micheline en zo gebeurde. Het was rond elven en ik zag ze al, de moeders met hun spruiten, die er renden, groeven en begroeven. Die mama’s in hun bikini’s, de meeste onbedrukt, ze smeerden vel en kinderen in, ze staken borsten beter op hun plaats, ze trokken hier en daar wat aan een koordje, ik mijn zwembroek recht. Ik keek rond, naar kinderen met mesjes, schelpen met een kartelrand, een handje vol. Daarmee kon men toen nog iets kopen. Bloemen van papier en warme zomertijd.       bladzijde drie van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'RIcky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (2)

  Ook al woonde ze een eind van Brugge, toch ging ik op vakantie in Middelkerke, soms enkele dagen lang, liefst in de zomer. Tante Micheline ontving me steeds met open armen. Ik was vijftien, oud genoeg om op Enzo en Falco te passen, enkele uren per dag, terwijl zij aan de slag was in een winkeltje, aan de Hendrik Baelskaai in Oostende. Een kusttram bracht haar daar heen, dezelfde tram die ik nam om tot bij het appartement te geraken in de Heuvelstraat, maar dan in de andere richting. ‘Jules van Den’ liet ze altijd weg, als ze me zag, bij ons thuis, dan vroeg ze : “Wanneer kom je nog eens langs in de Heuvelstraat?” Mijn moeder stemde daar altijd vlug mee in. “De zeelucht zal hem deugd doen,” zei ze tegen Micheline, waarna ze samen een glas van moeders medicijn dronken.     Wij waren met ons gezin (zoals dat genoemd wordt) enkele jaren voordien naar een oord aan de rand van Brugge verhuisd. Mijn vader had er rare hobby’s ontwikkeld, waar mijn moeder niet gelukkiger van geworden was. Over depressies en huwelijkstrammelant werd toen weinig openlijk gesproken. Ook met haar zussen sprak mijn moeder er haast niet over, toch voor zover mijn oren zich dat herinneren.   Drank betert niet. 'Hannelore Bedert wel' zou men heden ten dage als flauwe repliek kunnen verzinnen. Neen, er werd weinig of niet gelachen en al kwam ook tante Hannelore wel eens langs met haar funny vlechten, met haar Twingo helemaal vanuit Lapscheure, ook zij kon geen tij keren, noch de tranenvloed stillen. Het liedje ‘Janker’ bestond nog niet en het deuntje kon dus ook niet worden afgezet.   Ik, Ricky Minnaert, met die zieke achternaam van mijn vader (die dan nog als voornaam Miel gekregen had) ik werd er zelf ook niet vrolijk van, van die ganse toestand. Er woonde echt geen enkele mens sana in ons huis, enkel in getrainde lichamen, in de kop van spelers van Club Brugge.       pagina twee van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (1)

  Natascha was nog niet eens geboren en Ignace Somers zat vastgevroren, ergens in Groenland, in een vat met zuur, twee knikkers, eeuwig ijs en permafrost.   Toen had ik twee tantes, tante Micheline en tante Hannelore. Het waren voor die tijd beiden moderne vrouwen. Het leek alsof ze de hippiejaren intens beleefd hadden, al is dat moeilijk te geloven als ik je zeg dat in 1968 nog kinderschoenen droegen. Micheline was twee jaar ouder dan Hannelore en had met de jaren geen onaardige borsten gekregen. Ze stonden iets wijder dan die van Hannelore en haar tepels wezen meer naar de hemel. Mocht ik het ooit in mijn hoofd halen een naakt vrouwenlichaam te schetsen, dan zou ik toch net iets sneller het beeld van een naakte tante Micheline oproepen dan van een blote tante Hannelore, al hebben ze beiden door de gebeurtenissen in mijn leven sterke herinneringen, ik mag zelfs zeggen ‘sporen’ nagelaten. Helaas ben ik geen goed tekenaar en als ik me in een bui van tegelijk creativiteit, woede en melancholie toch aan een houtskooltekening zou wagen, dan zou ik me allicht beperken tot enkele details.   Tante Hannelore had wel een iets malsere kont dan die van tante Micheline en ze stond ook op stevigere benen. Tante Hannelore had lange haren, droeg vaak losse kleedjes en twee vlechten die elke over één sleutelbeen hingen en zo verder naar onderen een zachte borst zochten voor hun einde. Micheline had haar tot aan de schouders, met de kleur van mahonie en schminkte graag de bovenste oogleden fel hemels blauw, terwijl tante Hannelore op dat vlak veel bescheidener was.   Mocht je er zelf een beter beeld op willen plakken, dan kan ik je zeggen dat tante Micheline eerder een ‘Hanna Viek’ was en tante Hannelore een ‘Uschi Digard’. Het is niet omdat ik de lichamen van mijn tantes zo in detail probeer te beschrijven dat je moet denken dat ik dat zoveel belangrijker acht dan hun innerlijke kenmerken.   Of vind je dat ik ook het lichaam van mijn moeder moet beschrijven, hoe zij er in die tijd uitzag? Zij was de oudste, negen jaar ouder dan Micheline. Er zaten zo veel kraamloze jaren tussen omdat mijn grootvader voor een baggerbedrijf werkte en één jaar na de geboorte van mijn moeder naar Qatar vertrok. Hij bleef daar zes jaar en mijn moeder zag hem in haar kleuterjaren enkel met kerstmis, een week of drie in de zomervakantie en op begrafenissen. Mijn grootmoeder had geweigerd om mee te verhuizen naar Qatar. Ze was tegen hoofddoeken, zeker in de zomer en wilde niet weten van een dergelijke vrijwillige gijzeling omwille van de centen. Mijn eigenste moeder, wier naam er hier niet toe doet, werd een eerder gewone vrouw, toch op het eerste zicht. Haar borsten waren in vergelijking met haar jongere zussen het kleinst en haar tepels hingen het laagst, hetgeen niet bepaald is door mijn doen en laten als zuigeling, want ze kreeg al snel een ontsteking en ik de fles.   Mijn moeder vond later helaas maar weinig levensgeluk en tante Micheline woonde in Middelkerke, in de Jules van Den Heuvelstraat. Tante Hannelore leefde alleen, op een klein erf in de Preekboomstraat te Lapscheure. Tante Micheline was wel getrouwd, met nonkel Ivan en ze hadden twee zoontjes, Enzo en Falco. Cezaar was hun hond, één met korte poten, lange oren, vlekken en een staart.       eerste pagina van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

4

Ik drink niet omdat ik niet drink. 4 jaar al. Geen alcohol meer.  Om het even wat de omstandigheden zijn.  Om het even hoe ik me voel. Vrolijk, verdrietig, opgejaagd of net rustig. Ik doe het zonder. Al 4 jaar lang. Sommige mensen drinken ook niet. Uit principe, omdat ze het niet lekker vinden. Omdat ze te veel dronken en niet meer mogen van hun vrouw of dokter of omdat ze al dood zijn. Andere mensen drinken wel. Omdat het gezellig en lekker is. Of uit gewoonte, of om er bij te horen of omdat ze denken dat het erbij hoort om er bij te horen. Sommige drinken bij de juiste gelegenheid. Anderen hebben zoals ik vroeger geen gelegenheid nodig. En dat is allemaal ok. Maar ik doe het al eventjes op een andere manier, in mijn ogen een betere. Voor mij maakt het allemaal niet zo veel meer uit. Ik ben er niet meer zo mee bezig. Al is dat in het begin wel anders geweest. Soms floept dat kwelmannetje op een onbewaakt moment nog wel eens binnen. Hevig! Als een duivel uit een doosje maar dat duurt nooit lang. Ik weet al een tijdje dat hij snel opgeeft omdat ik slimmer geworden ben dan hem omdat ik het gevecht niet meer aanga.  Hij mag winnen zonder wedstrijd… Ik blijf uit de boksring. Er is veel veranderd. Ik ben veranderd. Bewuster, denk ik dat het woord is dat het meeste de lading dekt. Ik ben meer bezig met mezelf. Niet uit egoïsme maar uit zelfbehoud. Ik moet goed voor mezelf zorgen om gefocust te blijven. En dan doe ik dat maar omdat het met vooruit helpt. Alles is beter dan de donkere duisternis van afhankelijkheid toen drank de keuzes maakte. “Vrienden” van vroeger vinden me soms saai en denken dat ik een kluizenaar ben geworden omdat ik nu meer dan een armlengte verwijderd ben van de toog die ons indertijd dagelijks bij elkaar hield. En af en toe vind ik dat wel jammer maar dan besef ik dat in vele gevallen het enkel de pint was die we als gemeenschappelijke beste vriend hadden en die is al een tijdje dood en begraven.   Soms wordt het wel eens donkerder omdat de gemakkelijke vluchtweg er niet meer is.  Dan neem ik een pauze. Een bewuste time-out om overzicht te krijgen en te beslissen of ik de zaken aanpak of ze beter laat voor wat ze zijn. Die beslissing kunnen nemen zonder te vluchten in iemand die ik niet ben, is me zoveel waard dat ik het hier wil getuigen.  Een beetje fier maar vooral rustig en nederig en niet te overmoedig. Vandaag ben ik ok en morgen? Misschien komt die wel niet en dan is het tijdverlies om me daar vandaag al zorgen over te maken. Rustig verder doen dat is wat ik ga doen. Zeker en vastberaden …  

jan pultau
14 0

Emmerlijst

Is het door de grijze herfst en de dreigende wolken dat de mensen een beetje somberder kleuren en is het dat dan dat hen aan het plannen zet? Steekt die plotse allesoverheersende bewustwording ineens de kop op als iemand dierbaar ons ontvalt? Is het louter een modeverschijnsel of gewoon bon ton om ermee te kunnen illustreren hoe interessant druk we nu wel bezig zijn? Het blijkt in elk geval het uitgelezen instrument om essentiële beslissingen of zaken die we willen doen uit te stellen en voor ons uit te duwen. Tot straks, tot morgen of tot volgend jaar, als de kinderen uit het huis zijn. Als we met pensioen zijn en de lotto gewonnen hebben, dan? Dan beginnen we aan onze ultieme bucketlist en 69 dingen die we moeten gedaan hebben alvorens dit tranendal te verlaten. Misschien komt hij maar pas voor de pinnen nadat we onze eerste ouderdomsvlekjes opmerkten. Wanneer we beslisten dat het leven niet voor altijd zal duren en zo gedwongen worden na denken over zaken die we zeker nog willen gedaan hebben alvorens we de pijp aan Maarten geven. Taj-Mahal in het echt zien en naakt rondlopen op de Galapagoseilanden zijn kanshebbers, hoewel tango’s beluisteren in Cuzco of Machu Pitcchu bezoeken ook een toppertje is als je dat te voet doet, tenminste. Het leven lijkt soms niet de moeite waard geweest als je niet eens met een rekker aan je voeten van de hoogste brug gesprongen hebt. Als je ooit gepast hebt voor die duo-sprong die je een paar minuten deed bengelen onder een parachute of als je niet badend in het poolijs naar het noorderlicht getuurd hebt. Zelf houd ik niet zo van lijstjes. Zeker niet als daar zorgvuldig op geschreven staat wat ik moet doen. Doen en kopen wat op lijstjes staat betekent voor mij in lange rijen staan wachten.  Vergeten wat er op stond om dan thuis te komen en te zien dat ik het belangrijkste liet liggen om dan opnieuw in de rij te gaan staan om mijn lijstje helemaal af te vinken. Neen, ik hoef echt geen lijstjes.  Ik heb lijstjes genoeg afgewerkt. Lijstjes met boodschappen, met moetjes en magjes, met huiswerk en doelstellingen, lijstjes met genodigden… lijstjes met lijstjes. Toen die obligate bucketlijst een hype werd die me opzadelde met al die verplichte opdrachten die ik zeker nog moet doen voor ik de pijp uit ga, werd ik daar niet vrolijk van. Levenslijsten zijn overschat. Met het kattenbelletje dat gebonden is aan de to do list die me er aan herinnert dat er nog een knoop in mijn zakdoek ligt omdat ik niet mag vergeten een reisboek te kopen over de reis die we nog moeten inplannen na onze volgende reis. Neen dank u, voor mij geen zulke wachtlijsten meer. Voor mij mag het allemaal vandaag. De enige lijst die ik nauwgezet bijhoud is die van mijn dagelijks assortiment buitengewone en eenvoudige speciale momenten. Kleine, niet geplande gebeurtenissen aan elkaar geregen door speciale mensen die opeens onverwacht op mijn pad terecht kwamen en die me als ik daar zin voor heb er iets doen over opschrijven. Maar niet nadat ik eerst heel goed geluisterd heb naar wat ze me te vertellen hebben. Liefst rustig met een koffie en een chocolaatje. Als ik me bij het krieken van de dag, op de levensvragen, Kan ik uit bed? Heb ik grote Kak? Weet ik nog hoe ik heet en waar ik ben?, een positief antwoord kan geven, mag ik me gerust stellen dat ik mijn bucketlist voor ben geweest en hoop ik echt dat mijn persoonlijke emmerlijst er morgen ook nog zo mag uit zien.  

jan pultau
0 0

Ego

Soms wil ik weerwoord bieden aan dat stemmetje in mijn hoofd om er kordaat tegen te zeggen: “Je stoort. Mag ik je alstublieft verzoeken om weg te gaan. Je snijdt me de pas af?” Heel af en toe is het gehoorzaam. Dan vervaagt het en gaat het even helemaal weg. Af en toe houdt het zich een paar ogenblikken stil en afzijdig en bemoeit het zich even niet met mijn gedachten. Dan stopt het met souffleren en geeft eventjes geen voorzetten meer op  antwoorden die ik zelf nog moet formuleren of bedenken. Dan kan ik mijn verlegenheid aan de kant schuiven en krijg zelf wat ademruimte voor een afwijkend standpunt of een excentriekere zienswijze. Even dikwijls valt het echter voor dat het niet stopt. Dat het, het gesprek helemaal overneemt of opeist. Om op die manier het hoge woord te kunnen voeren en te beslissen welke richting de conversatie uit mag gaan om er zeker geen grip op te verliezen.  Dan wil ik zeggen: “Maak dat je wegkomt. Ik was hier eerst. Je hebt hier niets verloren. Vlieg maar weg. Bedankt voor alles.” Op die momenten zou ik het willen plukken als een paardenbloem. Dan zou ik de pluizen ervan wegblazen. In een ander grasperk. Om daar te groeien en er te gaan storen in het perfecte groen. Maar ik doe het niet. Ik laat het toe. Ik tolereer het omdat het mij uitkomt. Omdat het bij moeilijke situaties mijn onwetendheid camoufleert. In gênante discussies mijn onzekerheid maskeert. En me bij gesprekken met interessantere of slimmere mensen de illusie geeft expert te zijn over onderwerpen waar ik maar weinig of helemaal niets van begrijp. Mijn ego. Wat een heimelijk venijnig ding is dat toch? Mijn dekmantel en mijn ultieme alibi die me steeds opnieuw influistert wat ik het liefste van al hoor en me uit de wind zet als ik de storm van voren krijg. Maar die bekentenis zou ik nooit doen tegenover jou. Daarvoor is mijn ego net iets te groot.  

jan pultau
0 0

Anders

Hoe gevulder ik mijn dag inplande des te minder ik gereed kreeg. Of hoe minder tevreden ik was met het resultaat van de dingen die ik half zijn gathad geaan. “Kiezen is verliezen”: hadden ze me gezegd. Daarom wou ik altijd alles doen. Desnoods alles tegelijk om niets te missen. En dan was ik dikwijls nog niet eens voor mezelf aan de slag. Ik was zo begaan met mijn drukdoenerij en met ingebeelde verwachtingen tegenover anderen dat ik gedubbeld werd in de race tegen mezelf. Kinderen, lief, werk, familie en vrienden. Alle dagen en uren zorgvuldig ingepland om de beschikbare aandacht netjes te verdelen. Ieder om beurt. Gelijke deeltjes, afgewogen met de apotheekbalans. Behalve voor mezelf. Ik werd uitgesteld naar de volgende planning. Naar een volgend rantsoen. Niet goed. Ik moest het omkeren. Het moest veranderen. Niet uit egoïsme of omdat het me opgelegd werd of omdat ik me tegenover iemand verplicht voelde. Neen, mijn instinct en zelfbehoud spelden me de les: “dit moet anders, dit moet beter kunnen of het loopt slecht af.” Maar mezelf op de eerste plaats? Hoe moet dat? Hoe pak ik dat vast? Ik kwam er snel achter dat sommige zaken gewoon niet tegelijk kunnen. Voor belangrijke dingen neem je beter de nodige tijd, met focus. En wat afstand, om het goed te doen en om goed te doen. Juist. Voor jezelf. Andes loopt het mis. Vroeg of laat. Voor anderen bedenken hoe ze kunnen veranderen is niet moeilijk. Daar heb je geen gedragstherapie voor van doen. Dat lukt zo wel.  Oordelen, is niet zo moeilijk. Preken ook niet. Dat kunnen we allemaal gelijk de besten. Gecompliceerder wordt het wel als je zelf eens goed in de spiegel naar jezelf kijkt.  En tracht uit te vissen hoe je jezelf kan corrigeren op dingen die minder goed lopen. Als je probeert te achterhalen hoe het anders of beter kan. Daar is net iets meer lef, durf en moed voor nodig maar het kan… als je het doet! Maar begin er niet aan als het je wordt opgedrongen. Begin niet aan als je denkt dat je het moet doen om er bij te horen. Doe het alleen puur en authentiek. Wanneer het veranderd is moet het beter zijn. Als je beter wil, moet het veranderen. Maar als het veranderd is en je werd er zelf niet beter van, doe het dan opnieuw. Je leven is van jou. Doe wat je wil en doe het goed en veel. En gedreven. Met een groot hart. En wil je het niet meer? Verander het dan. Van aanpak, van werk.  Van huis. Van lief of van land. Het leven is te kort om te wachten tot het vanzelf komt. Doe het gewoon! Voor jezelf. Vandaag. Alle anderen worden er vanzelf ook beter van. Dit delen:    

jan pultau
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (slot van deel 1)

Na die honderd taljoren vond ik wel dat Evangelina mij een uitleg verschuldigd was. “Senior Services? Zevenhonderd spruiten op borden van Senioritas. Ergens in een bunker bij Vloethem?” speelde ik haar toe.   “Het is de keuken van de blok hiernaast, mijn jongen.” legde ze uit. “Zeg maar Ricky”, zei ik. “Een rusthuis, vol bomma’s en bompa’s,” ging ze verder, “Senioritas verruurt* de kamers. De huurprijs is niet mis en met den overschot van hun pensioen betalen ze dan Senior Services, voor de verzorging en ‘t eten. Senior Services is een vzw en wij mogen met vrijwilligers werken.”   “Kom je morgen weer?” vroeg Evangelina. “Als ik alles alleen moet scheppen, moet de band veel trager en beginnen ze aan den andere kant van ‘t gat te ruttelen.”   Ik beloofde de volgende dag terug te komen : “Dan kom ik morgen met Barts Belbusje en moet ik niet met die rare 272 vol beulen en kontneukers.”   Evangelina lachte en zei : “En stap dan één halte verder af, aan de hoofdingang van Senioritas. Dan moet je niet door het slijk en vergeet niet om straks bij Nana te passeren. Een papiertje tekenen. Voor de verzekering.”   “Nana?”, vroeg ik   “Ja! Natascha. Van de personeelsafdeling. ‘t Is een beetje een zotte, maar voor de rest is er niets mis mee.”   Evangelina gaf me een schouderklopje. Ignace zag ik nergens meer.           * West-Vlaams : verruren/verruurde/verruurd ______ twaalfde en laatste pagina van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
26 0

Natascha en de pingpongspruiten (11)

  De modderweg liet ons niet wegzakken als Franse paarden in een Vlaams moeras. De worstengeur werd sterker, het pad allicht groener. Nat was het gras. Dat werd je zo gewaar en na twintig stappen op loszittende tegels deed ze me stoppen. Natascha klopte op een deur. “Tel nu tot éénentwintig,” zei ze, "en neem dan je blinddoek af. Ik zet intussen binnen één en ander klaar.” Ik dacht aan worst bij kaarslicht en speelde het spel mee, telde netjes tot zelfs negenentwintig. Voor mij stond ze dan, Natascha.   “Ik ben Evangelina, welkom!” Evangelina zag er niet zo uit als ik me ‘Natascha’ voorgesteld had. Dat ze over haar echte naam gelogen had, nam ik er bij. Zelf gebruik ik nooit zo’n nickname want mijn echte naam vind ik niet slecht klinken.   “Toen ik op die paddenstoel zat, sprak je precies als een neushoorn!” zei ik. Ze lachte rondborstig, noemde me een grapjas en nam me bij de arm want er was veel werk te verrichten. Evangelina bracht me naar een ruimte waar het dampte van de kokende patatten en blancherende groenten. Wel honderd worsten spartelden in grote braadpannen. Ventilatoren zogen de aroma's de hemel in. Aan de muren hing er geen onzekere koningskop. Ik zag ook geen foto’s van leeuwenwelpen of gespierde knapen, nergens een kalender met de dagen van eenzaamheid en verwarring.   Er was slechts één klein raam. Nieuwsgierig nam ik een kijkje door het venstertje en keek uit over een veld met spruitkool. Tussen de blauwgroene planten zag ik hier en daar kleine bosjes zwarte krullen. “Wat is dat zwart?” vroeg ik en ze lachte. “Dat zijn negers, mijn jongen.” “Negers?” vroeg ik. “Ja, vorige week staken ze op een ander veld nog azalea’s in potjes voor ene Franky en nu zitten ze hier op hun knieën spruiten te trekken, voor ene Theo, een louche gast uit ‘t Brabantse.”   Ze knoopte haar keukenkiel dicht. Op het borstzakje stond een logo, maar ik kon enkel twee S’en herkennen. “Er staat SS op je schort”, lachte ik en ze zei dat ik een brilletje nodig had. “Lees ook de kleine lettertjes. Er staat Senior Services vzw”   Ik zweeg. Op mijn hoofd zette ze een wit petje van een stof dunner dan een versleten zakdoek. “Voor de hygiëne”, zei ze. Tien lege borden wachtten op een transportband en aan het begin van die band stonden nog eens drie stapels taljoren, die zich alvast opwarmden in roestvrijstalen toestellen. “Als ik op de groene knop druk, dan beginnen we.” zei Evangelina. “Ik doe de worst en de patatten en jij schept met je rechterhand op elk bord zeven spruiten. Met je linker hand doe je wat saus op de worst.”   In de muur was een gat. De transportband startte. In het begin wilde het niet altijd lukken. Soms kwamen er zes, soms acht spruiten op een bord terecht. Na een tijdje wist ik hoe ik best schepte en hoe ik een precies aantal spruiten van de grote lepel afgeschud kreeg om er zeven over te houden.   Ik weet niet of hij mij al die tijd had staan aanstaren, maar toen ik na een kwartier naar het raampje keek, zag ik de smoel van Ignace. Twintig jaar geleden heb ik hem voor het eerst gezien bij mijn tante Hannelore, achterin het veld met cosmos en herfstasters. Op een dag is hij zelfs stiekem mijn kamer ingeslopen en heeft hij op mijn to do-lijstje, gans bovenaan, geschreven : kill Ignace Somers Het is een klootzak, een beter woord vind ik er niet voor en vooral : hij is niet goed bij zijn hoofd!   Dat terzijde, maar hij stond daar toch maar weer en maakte een teken met zijn duim en zijn wijsvinger. Hij krulde beide vingers, vormde een rondje, een opening zo groot als een spruit. Dat alles onder controle was, zal hij schertsend bedoeld hebben.   En ik kreeg het ook snel onder de knie, kon het tempo van de band zonder problemen volgen. Evangelina keek goedkeurend en tegen twaalf uur waren er een honderdtal netjes gevulde borden met op rand het opschrift ‘Senioritas’ in de muuropening verdwenen.       pagina elf van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'RIcky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (10)

  Bij De Braambeier heb ik de ogen weer geopend en ben ik uitgestapt. De Kronestraat was niet lang en op het einde lag de Diksmuidse Heirweg, maar geen zebrapad voor blinden. Ik heb plaatsgenomen op het bankje bij de halte voor belbus nummer 76 die daar nooit meer zou voorbijrijden. Ik heb mezelf, zoals beloofd, een doek voor de ogen gebonden en zat daar als een koele, blinde kikker op een paddenstoel. Het zou niet lang meer duren, voor ze kwam, Natascha, om mij te kussen!   En na een tijdje wachten -het regende gelukkig al wat minder- voelde ik twee armen die zich rond mijn middel sloegen, een mond die mijn oor naderde, fluisterend vroeg waarom ik een mes bij met had en wat er in dat flesje zat. Haar stem klonk niet zoals ik verwacht had, veel nasaler, maar dat zegt weinig over iemands karakter.   “Ik draag altijd een mes bij me”, antwoordde ik, “toch als ik op een herfstdag naar een bos trek. Om kastanjes te schillen en het gif...” Ze onderbrak, gaf een kus op elke wang en vroeg mij : “Wat met dat gif?” Ik aarzelde en zei : "Ik dacht, misschien, gaan we samen, rododendrons verdelgen."  "Je liegt, gelijk een echte man, over je bedoelingen, straks ook over je dromen en de lengte van je penis", giechelde ze.    Ze nam het flesje uit mijn zak, liet het mes zitten. De blinddoek moest ik ophouden. Ik voelde haar hand in de mijne glijden. Ik moest eraf, het was geen paddenstoel voor zittenblijvers. Rond mijn as deed ze me draaien, wel een keer of drie. Daarna trok ze me voort, als een sleepbootje voor dronken schepen. Ik hoorde de modder, het stappen van mijn arendslaarzen en haar beige botjes. Het slijk was doenbaar en we stapten verder -ik nog altijd blind- over een landweg die mij niet deed struikelen. Geen enkele keer vroeg ik haar hoe ver het nog was. Misschien liepen we in een rondje, ik kon de herfst ruiken en vooral : het oerechte, natuurlijke parfum van Natascha.   Al had Franky slechter voorspelt, het was niet eens koud en het hield zelfs op met regenen, helemaal. Het werd stil. Ik hoorde enkel onze adem, laarzen lucht en modder zuigen. Er was geen ever die zich horen liet en toch, een geur dook op, onverwacht, onvoorzien, achter een bosje brem allicht, de reuk van zwijn, gebraden worst.         bladzijde tien van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (9)

  Ik hield een zwijgvinger voor de lippen, wilde dat hij me de uitleg bespaarde, hoe een hondje fluogeel kan zijn, waarom het achteraan geen staart heeft maar wel een schroefdop, over de geest van Noor-un-Nisa Inayat Khan die op een driearmige fietsersbrug boven de Albert I-laan stond.   Als het echt een schim van haar was, dan wachtte zij allicht op Barts Belbusje, ging zij op zijn voorruit spuwen, maar het regende alsof de hemel een badkuip was doorzeefd met menselijke geweld, onwezenlijk veel kogels en had de Chauffeur mij niet verteld dat Bartjes Belbus een andere route nam, via de Diksmuidse Heirweg. Had Noortje door dat Bart een omweg zou nemen? Was Bartjes geweten dan toch bang voor haar schaduw?   Allemaal gedachten die op dat moment gelukkig niet bij me opkwamen en de man met de pingpongogen had gezwegen toen hij mijn vinger, mijn dreigende wenkbrauwen te zien kreeg. Hij klikte wellicht met één oogwenk weg en keek nu op één netvlies naar wat horrorbeelden, op het andere naar een pornofilmpje. Er kwam kwijl uit zijn toot. Van oogwit was geen sprake meer. Het was zo rood geworden als de bloemen van Bengaalse bergamot.   Een busrit kan vermoeiend zijn. Ik sloot opnieuw de ogen, vouwde de handen. Niet om te bidden. Noem het een omhelzing van twee spinnen die elke drie poten verloren en ik verzon helderheid. Ik verlangde niet naar het licht van alle vrouwen. Stralen verschenen door een barst in een slakkenhuis en in de verte klonken de kronkels van een veena. Onder een schrandere zon dansten Natascha’s heupen, buik, armen, vingers en ogen. Ze droeg beige botjes, hield tussen rechterduim en wijsvinger een sleutel vast. Ze stond op het punt de cassettespeller af te zetten, met de elegantie van een pasgeboren wervelwind de deur te sluiten en te vertrekken in de richting van de Kroonhoek.       bladzijde negem van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
1 1

Oorlog

‘Het protoplasma is maar een schijn van de waarheid,’ beieren de klokken van de oude kerktoren.                Geconstipeerde obussen gieren door de ether, bekladden de leugen met scharlaken stroop. Op de zomerse zoden waart de stank van ontbinding, vaderlandse liefde ritselt naargeestig door ’t omringend lover en ondermaanse vezels luist’ren als lammetjes naar ‘t snerpend gekrijs van de huilende dood. –                Vlaamse nachten rillen in ’t slijk. Dampen, grauw en grijs, stelen de lijkengeur, vlieden langs de geulen, over de velden vol met prikkeldraad en rottend vlees – een buffet van gelatine en bietensap geserveerd op de brakke grond: de maden hebben goed te doen. ‘Mijn hemel, elke dag ga ik honderdmaal dood! Knal na knal word ik versplinterd, als ’t eenmaal gedaan is, deze connerie, lig ik verspreid als de scherven van een granaat!’                Eindeloze paukendrum schellend door de voren; rekruten trillend in hun sleuf. De mortieren braken schroothagel, malen de ijzerrijke humus. Mosterdnevels roetsjen over ‘t land van eenzame klaprozen. Al dat jong vlees, vol met dromen, door geelzucht geslachtofferd in ’t krijgsvergiet. – Als de klompen terug aan ’t boeren gaan, staan hun letsels te lezen als braille. Een treurlied voor de schijn, voor de gore, stinkende schijn!                De rozenkrans ontvlamt tussen de gloeiende kolen: pardon voor de willekeur.

Niels De Vos
36 0

Natascha en de pingpongspruiten (8)

  De donkere figuur op de fietsersbrug leek geen gezicht te hebben en het gele hondje geen staart. Ze waren braaf op de brug blijven staan en aan de halte ‘Kinepolis’ was er niemand uitgestapt, geen kuisvrouw en geen specialist in dodelijk hoogspanning. De Kontneuker van Sint-Michiels zat vandaag niet op deze bus.   Eenmaal het ronde punt voorbij was de weg richting Loppem recht. Voor de Chauffeur lag het bochtenwerk achter de rug en ik dierf hem eindelijk vragen of lijn 72 ook aan de halte Kroonhoek stopte. “Dit is lijn 272”, antwoordde hij, “de 27 en de 72 zijn al enkele maanden samengevoegd. Vroeger was er een belbus die van het Het Zand, via de Diksmuidse Hierweg, halte Kroonhoek en zo verder naar kinderboerderij De Pierlapont reed, maar sinds de privatisering van de belbussen is dat traject geschrapt. Enkel Barts Belbusje volgt die route nog voor een deel. Het vertrekt op de Markt, bij de frituur, naast Breydel en de Coninck. Dan rijdt het via de Diksmuidse Heirweg naar de IJzertoren en van daar naar het geboortehuis van Joris Van Severen te Wakken. Daarna volgt een lange rit naar café De Kroon te Mortsel. De laatste halte is een wietveldje te Bokrijk. Onderweg kan je met geluidsoortjes naar liedjes in Vlaemsche dialecten luisteren, maar dat heeft weinig succes omdat de verschillen tussen onze taaltjes van Babelse aard zijn. Het merendeel van de passagiers bladert liever door de stapels decadente reisverhalen van Theodore Dalrymple, door Bartje himself geïllustreerd met gore tekeningen.”   Het klonk alsof hij de informatie die hij via zijn implantaat gekregen had, doorspekt had met enkele grappen. Ik had er weinig aan. Erger was dat ik misschien te laat zou komen op de plaats van afspraak. Ik vroeg de Chauffeur waar ik dan het best afstapte. “Bij de Braambeier, volg dan de Kronestraat. Steek op het einde de Diksmuidse Hierweg over. Er is daar een zebrapad voor blinden. De strepen hebben er bobbels zo groot als de eieren van een gander."   Ik zweeg en zette enkel stappen achteruit. Gelukkig zaten mijn arendslaarzen nog steeds zoals vroeger, als gegoten. Ik nam plaats naast de man met de pingpongogen. Ook hij bleek een google-implantaat te hebben, een oude versie met kinderziekten, vatbaar voor virussen. Zijn ogen en hersenen leden eronder. Ze hadden zich nooit kunnen aanpassen aan de projecties op het netvlies. Zijn blik bleef maar van links naar rechts schieten alsof hij de tekst niet kon volgen. Hij vroeg mij of ik ze ook had gezien. Ik trok ogen als een domme dodo en hij zei, nogal luid waardoor ik schrok : “Op de brug! Noor! Met dat gele beest.”       bladzijde 8 van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Ik wou dat je hier was (dromen zonder perspectief)

Er was een pubermeisje zonder hond. Ze was voorbestemd om later niet kinderloos te worden en droeg haar borstjes op de hand alsof het poppen waren. Soms bad ze tot de heer haar Vader om groter speelgoed maar kreeg ze een wagentje om haar zusjes in rond te rijden. Ze werd echter zo gekoesterd. Door kroegen verduisterde oudere mannen staarden haar aan en dichters zoals mij. Ze was nooit der weeskinderen geweest. Tot vandaag had ze zelfs nog nooit van een moeder gehoord.   Ze had vooral haar eigen dromen, van de naarste soort. Op een dagje ouder stond er een woordenaar aan haar bed. Hij droeg haar stomdronken naar Dromenland en een bloemlezing uit balkonpoëzie voor. Ze weigerde het aanbod niet maar toen hij over verloren liefdes sprak weerklonk dit als een moeder die een vrijpartij verstoorde. De moeder was echter even verbaasd als henzelf. Maar goed, gezien vooral moeders de macht hebben de wereld te veranderen door deuren te openen.   Dan kwam een vader op het podium. Hij speelde zijn stomdronken zelf. Hun wereld stortte in als een overschrijving met een doktershandschrift maar zelfs dokters kunnen enkel aanraden alvorens ze psychiater worden. “Wat studeer jij?” vroeg hij, schijnbaar niet vanuit de hoogte. Ik probeerde vanonder de indruk weg te kruipen. Het kinderwagentje rolde schijnbaar ongewild van het podium. “Ik werk aan mezelf.”   Er was ook een jongetje zonder dromen. Het hield zijn vader bij de hand als een speelgoedmensje dat vergeefs achter zijn speelgoedtreintje aanrent. Desondanks verwachtte het wijsgeer te worden. Soms sloeg het met zijn vuistje op een tafel in zijn bovenkamertje. Er gebeurde echter niets.   Verder waren er nog de ouderen op de bus. Je hoorde er vanzelfsprekend niets meer van. Ze waren voortdurend aan het wachten, zelfs als ze op tijd op hun werk waren. Tot uiteindelijk Niemand sprak. Het waren zijn zo goed als laatste woorden, maar zoals het hoorde weerklonken ze voor de eerste keer. Ze waren zo goed dat hij ze wel moest uitstellen tot ze uiteindelijk te laat waren. Hij staarde zo beschuldigend naar zijn publiek tot ze wel moesten vaststellen dat zij het waren die te lang hadden gewacht.   Uiteindelijk strompelde hij stomdronken van het podium zoals zijn vader hem destijds verhaaltjes voorlas. Zo was er het verhaaltje van een stomdronken vader die destijds verhaaltjes voorlas. Hij kreeg het van een pubermeisje dat zo onzeker was dat ze zelfs haar driften had verzekerd. Ik geloofde haar zolang het duurde en het duurde even lang als de zo goed als laatste woorden van een man die nog niet op sterven lag.   Maar goed dat er evenzeer geluisterd werd. Er waren wel mannen zonder woorden achteraf of dichters met honden. Er was wel een goedgelovige die niet in iedereen heer de Vader of moeder de Genadige zag. Er was wel een weeskind dat het beter kon vertellen, zo goed dat je zo goed als geloofde dat het een weeskind was.   Wat betreft de dichter, er zou zich wel iemand voor zijn verhaaltje in de handen wrijven als verkleumde handen voor een gierige spaarlamp. Zoals ook eender welke verkleumde hand hem na zijn optreden zou verzoeken tot het benadrukken van elkanders zelfbeeld, groot uitgevallen als zijn mantel, maar minder ongewild.   Er zou wel iemand zijn die wou dat ik hier was en niet ginder, was het nu een moeder die ’s avonds vergeefs uit haar venster staarde of een overjaars pubermeisje dat haar werk niet alleen kreeg geklaard.   Uiteindelijk moest ik aanbellen. In de deuropening ontwaarde ik een moederfiguur. Het was echter mijn moeder. Ik was een jongetje met een kater. Ik kroop naar mijn bovenkamer als een ratje door de muur. Ginder sloeg ik met mijn hoofdje op een tafel als een jongensvuistje.

Robijn Bodijn
23 0