Lezen

Hoe sexy is autisme?

Zondag 2 april was het opnieuw wereldautismedag. De laatste maand is er nogal wat verschenen in de krant omtrent het nieuwe personage in het Amerikaanse Sesamstraat die autisme zou hebben. Hier is mijn antwoord op het idee dat autisme sexy zou zijn:   Autisme is sexy zolang we het toepassen op succesvolle mensen... Misschien daarom dat we steeds ook altijd het etiket proberen te plakken op mensen die succesvol zijn geweest, waarbij we vaak het tragisch leven (kijk naar iemand zoals Mozart) ook maar buiten beschouwing laten en enkel kijken naar de successen die ze hebben geboekt. Interessant is een gesprek dat ik ooit heb gehad met een vrouw op het spectrum die in Sillicon Valley werkte, waarvan gezegd wordt dat autisme daar bovengemiddeld voorkomt. Die vrouw drukte me op het hart dat het hier geen hond kan schelen... "Tot we ineenstorten en op de bank van een psychiater terechtkomen"... En zo is het maar net... 1 op de zeven mensen op het spectrum werkt niet voltijds... En geloof me ik ken mensen met een masterdiploma (ik ben er zelf mee bezig) die geen betaald werk kunnen verrichten. Ik ken er die cum laude zijn afgestudeerd maar nu rapportjes intypen bij de overheid, want ja, "daar zijn autisten toch goed in? Het is repetitief en vergt langdurige concentratie". In Attwoods boek over asperger komt er een wetenschapper in voor, ik ben al zijn naam vergeten en hij wordt nooit in de lijstjes met waarschijnlijke autisten genoemd, waarvan heel wat wetenschappers hebben gesnoept terwijl hij zelf nooit in het voetlicht is getreden. Hij was zo extreem asociaal dat hij zelfs niet met zijn poetsvrouw kon communiceren over haar taken daar gebruikte hij briefjes voor, en als je iets van hem te weten wilde komen moest dat op een heel expliciete manier gebeuren want hij kon niet communiceren op een één-op-één manier. Ook Peek (waarop Rainman is gebaseerd) was een vrij tragisch geval, hij kon boeken lezen twee pagina's met een keer, maar kon uiteindelijk helemaal niets met wat hij tot zich nam, god, hij kont niet eens voor zichzelf zorgen. Succes is namelijk sexy; toen ik bijna afstudeerde als informaticus ging ik naar de techdays van Microsoft en werd ons een rij personen genoemd, die allen één ding gemeenschappelijk hadden: ze waren allemaal door technologie voor hun 25ste miljonair geworden, dat b.v. Bill Gates rijk is geworden door een clausule in een contract te stellen dat geen exclusiviteit gaf aan IBM waardoor hij zijn besturingssysteem aan de klonen kon verkopen, of dat Steve Jobs rijk is geworden door code te sluiten die eerst open was, werd natuurlijk niet vermeld (ook niet trouwens in de lijstjes van waarschijnlijke autisten)... Dat wij, als jonge nieuwe techneuten waarschijnlijk nooit miljonair zouden worden, en waarschijnlijk het grootste deel van ons leven gewoon code zouden pompen waarmee een ander rijk zou worden (zoals in de meeste jobs trouwens) werd ook niet vermeld... Niet omdat het geen realiteit is, maar precies omdat het niet sexy is. Autisme is helemaal niet sexy, ik heb op een afdeling gezeten van mensen met autisme die suicidaal waren, ik herinner me zelfs iemand die zo graag sociaal wilde zijn dat hij XTC aanbeval omdat er een bepaalde hoeveelheid oxytocine in zat... Dat is niet sexy, dat is tragisch. Maar ja, ik ben dan weer ooit verkozen als zwartgalligste persoon van mijn generatie.

Malakh Ahavah
119 1

40 dagen

'God ziet u.' De spreuk hangt boven de deur naar het kantoor van de directrice. Daarbinnen ruikt het naar lentelucht. Maar de ramen zijn gesloten en het kan niet anders dan haar parfum zijn, verneveld over haar weelderige rode mantelpak met zwarte knopen. Ze gebaart me te gaan zitten. Mijn grommende buik probeert haar erop te wijzen dat hij de laatste dagen verwaarloosd is. Dat er enkel fastfood in verdween tussen lesvoorbereidingen, verbeterwerk en vergaderingen door. Ik kijk op mijn horloge. Binnen tien minuten is de pauze voorbij en moet ik naar 3B. Een toets afnemen over zinsontleding. ‘Laat ik meteen de koe bij de horens vatten’, zegt de directrice. ‘Ik heb klachten gekregen. Over jou. Zowel van leerlingen als van ouders.’ Het speeksel trekt weg uit mijn mond. Ik probeer te slikken, maar mijn tong is plots een dorre tak in het midden van de woestijn. De directrice staart naar haar computerscherm. Bewaart ze daar misschien een lijst met al mijn zonden? ‘Je hebt een leerling gestraft, omdat hij jouw boekentas uit het raam heeft gegooid. Van de tweede verdieping, om precies te zijn.’ Ze rolt met haar ogen, schudt haar hoofd en klakt met haar tong. ‘Zoiets doe je toch niet? Onze leerlingen zijn onze klanten. We moeten hen tevreden houden.’ Haar blik verandert mijn huid in een speldenkussen. De lucht vloeit uit mijn gescheurde poriën. ‘Die leerling deed je conditie een plezier door je een keer extra op en neer te doen lopen’, mompelt ze. ‘Maar goed. Een dag later heb je dan ook nog drie leerlingen naar de leerlingenbegeleider gestuurd, omdat ze je buiten het klaslokaal hadden gesloten.’ Ze kijkt me aan en glimlacht. ‘We kunnen toch nog tegen een grapje, nietwaar? Ik denk dat de leerlingenbegeleider wel belangrijkere dingen te doen heeft.’ Ik sla mijn armen over elkaar. Mijn hart bonst tegen mijn hand. De aanzwellende drum in mijn oren kan niet op tegen het getrommel van haar lange nagels op het tafelblad. Tikketakketikketakke. Maakt mijn stilte haar nerveus? Ze wendt zich af van haar computer en gooit een plastic mapje op de tafel. Het bevat papieren met de hoofding van de school. Ik herken mijn handschrift. Het zijn de blaadjes die ik ingevuld heb om de leerlingen strafstudie te geven. Ze haalt ze uit het mapje en legt ze op een rijtje naast elkaar. ‘Kijk eens aan. Als jij ervoor zorgt dat deze aanvragen voor strafstudie veranderen in positieve, constructieve opmerkingen aan de leerlingen, dan veeg ik er de spons over. En dan mag je de rest van je vervangingsopdracht afmaken. Je bent nu twee weken hier, dus nog zowat 30 dagen te gaan, nietwaar?’ Mijn botten zijn veranderd in elastiek. Er sijpelt iets tot in mijn merg, maar mijn hoofd is te murw om te onderscheiden of het onmacht, woede of verdriet is. Het doet mijn benen in elk geval trillen. De directrice heeft geen geduld. Ze zucht en veegt de blaadjes met één zwaai van de tafel. ‘Goed dan’, monkelt ze. ‘Jij je zin.’ Ze staat op, maar ze loopt niet naar de deur om me eruit te zetten. Nee, ze komt naar mij toe en trekt bruusk aan mijn arm. Haar kracht overvalt me en ik laat me meeslepen tot bij het raam. Ze gooit het open en gilt vlak bij mijn oor: ‘Weet jij echt alles beter? Spring dan, als je durft! Jij waant je toch zo geweldig? Misschien krijg je wel vleugels!’ Er zit een steen in mijn keel die geen schreeuw laat ontsnappen. Een paar meter onder mij zie ik de leerlingen krioelen over het grijze beton. Ik raak hun gelach en gejammer net niet aan. De greep van de directrice verslapt. Haar nagels drukken nog licht door mijn mouw. Ze duwt me opzij en gooit het raam weer dicht. Dan legt ze haar handen op mijn schouders en kijkt me aan. Haar gezicht is veranderd. In haar ogen schemert tevredenheid. ‘Prima’, fluistert ze. ‘Daar heb je goed aan weerstaan. Misschien heb je dan toch meer ruggengraat dan ik dacht.’ Ze loopt me voorbij en neemt weer plaats achter haar bureau. De weg naar de deur is vrij. Ik scherp mijn ogen aan de buitenwereld die zich door de kieren wringt. Onvast wankel ik ernaartoe, falend in de illusie van zelfzekerheid. ‘Nog een laatste opmerking, schat,’ zegt ze wanneer ik mijn hand uitstrek naar de deurklink. Ik wil het niet horen, maar toch blijf ik staan. Mijn ondergeschiktheid hangt als een te zware mantel om mijn schouders en lijmt mijn voeten vast. ‘Hoewel je als leerkracht niets voorstelt, zou jij wel een prima assistente zijn. Een luxe voetveeg, als het ware. Doe wat ik je vraag en je mag me overal volgen. Via mij zul je ervaren wat macht is. Meer dan dat zul je nooit bereiken. Nu te nemen of te laten.’ Ik open de deur. De gang vangt me op in zijn leegte. Ik haast me naar beneden. Naast de buitendeur zit een leerling aan het raam. Zijn engelachtige gezicht zweeft boven zijn opgestoken middelvinger.  

Gitta VR
24 0

JED

Tergend langzaam dooft het rode lampje en wordt de kamer pikdonker. Het is voorbij. Hij is weg. Ik sta op en zoek de lichtschakelaar naast de keukendeur. Een vaal geel peertje floept aan boven de stapel vuile borden in de wasbak. Els zit met vochtige ogen voor zich uit te staren. Ze kan het niet geloven. Ik eigenlijk ook niet. Ik zucht en zet een ketel op het vuur. De nacht is zwart. Over enkele uren begint het te schemeren. Ik ga bedremmeld naar haar toe en plaats wat onhandig mijn hand op haar schokkende schouder. Ze huivert. Ik vind het oprecht verschrikkelijk, zeker voor haar. ‘Hypocriet,’ sist ze, ‘nu tevreden?’ Ze staat op met een ruk en stuift de keuken uit. Ik blijf. De hoop ijzer op het aanrecht recht voor me staart me grijnzend aan. Hij beweegt niet meer. Voorgoed gedaan. De rode ogen definitief gesloten. Jed, onze allerliefste huis- tuin- en keukenrobot  heeft zijn laatste digitale adem geblazen.  De ketel begint te fluiten. Ik glimlach en zet een kopje thee.  Ik voel me vreemd genoeg opgelucht, na twee bizarre jaren vol achterdocht. In het begin was het wel leuk. Een hobbyprojectje. Iets waar Els en ik samen aan konden werken. Na zeven jaar huwelijk en onze gedwongen verhuis naar deze achterhoek waar we niemand kenden, stapelden de ergernissen zich op. We leefden op elkaars lip en maakten overal ruzie. Tot ik die handleiding vond. We bouwden hem samen. En we hadden er lol in. Het gaf ons een gezamenlijk doel, opnieuw. Een mooie bliksemafleider voor de sleur. We lachten, knutselden, sleutelden en soldeerden, maanden aan een stuk. Langzaam kreeg Jed vorm. Een metalen mannetje, onze ijzeren vriend. Het was Els haar idee om hem een naam te geven. Ze koos Jed. Dat had ze in één of ander magazine gelezen en vond ze wel passen voor een robot. Belachelijke naam. Ik kijk door het raam en drink van mijn kopje. Ik hoor Els boven met de deur slaan. Ik haal mijn schouders op. Buiten wordt het al een beetje licht. Of beeld ik me dat in? Jed was plezierig. Zeker de eerste weken. De dag dat zijn ogen voor het eerst oplichtten en hij zijn hoofd naar ons draaide was, hoe zal ik het zeggen, magisch. We waren verbijsterd en liepen over van trots. Toen kwam een krakerig ‘Goedendag’ uit zijn mond, een oude speaker van een klokradio. We sprongen een gat in de lucht. We vierden die avond uitgelaten de geboorte van onze nieuwe vriend. Els, ik, flessen champagne en Jed, die ons goedkeurend aanschouwde vanaf de keukentafel. Ik kuste Els die avond zoals ik al een lange tijd niet meer had gedaan en ook een lange tijd niet meer zou doen. Die eerste dagen leerde Jed razendsnel bij. We amuseerden ons te pletter. We gingen van eenvoudige woord- en zoekboekjes voor kleuters over naar jeugdboeken en algauw kleppers als Kafka, Tolstoj en Claus. Hij verslond televisie, vooral reality-tv programma’s. En hij was handig. Jed nam alle vervelende taken in huis voor zijn rekening. Was, plas en gras. Die lekkende kraan werd na vier maand eindelijk gerepareerd. Een fluitje van een cent voor onze metalen huisgenoot. Die kadertjes die al een half jaar smeken om aan de muur te hangen. Zo gefikst. Wat een kerel zeg. Els in haar nopjes, wat had je gedacht. Ik zet mijn lege kopje op het aanrecht en kijk hem aan. Die razendsnelle metalen beentjes hangen er nu wat lullig bij. Naast hem ligt mijn Engelse sleutel. Enkele draadjes pulken uit het verwrongen metaal aan de zijkant van zijn hoofd. Ik neem de sleutel vast en weeg hem in mijn hand. Waar had ik mijn werkbak nu weer gelaten? Nu, na enkele weken begon die hele robot mij wel al wat te vervelen. Ik vond nieuw werk in de suikerfabriek aan de andere kant van de stad en had lange werkdagen. Wanneer ik thuiskwam wou ik vooral een fris pintje en met de voetjes op de salontafel voetbal kijken. Geen gezeik. Het interesseerde me niet welke hilarische avonturen Els en Jed die dag beleefd hadden of wat voor geniale prestatie die ijzerhoop nu weer gedaan had. Gewoon mijn bier brengen en niet te veel praatjes. Mijn kop liep zo al om.   Ik loop naar de kelder. Mijn werkbak staat op het rek. Ik leg de Engelse sleutel weg en hijs me loom de keldertrap op. Eerst een klein dutje doen en dan onze vriend naar het containerpark brengen.  Ik loop de keuken in met een glimlach. Jed zit me levenloos op te wachten. Ik moet lachen. Els werd kribbiger tegen me. Die blikken trommel was blijkbaar veel interessanter. Ze keek me soms aan met een blik vol afkeuring en walging. Ze kon niet wachten tot ik naar mijn werk vertrok. Telkens ik de kamer binnenkwam stopte het gesprek. Jed en Els keken dan wat verveeld weg, mompelden een excuus en gingen weg. Mij kon het niet schelen. Ik haalde mijn schouders op en probeerde mijn irritatie te negeren. Ik trok een blikje open en ging zitten sudderen in mijn zetel. Ik voelde me het vijfde wiel aan de wagen, of beter het derde aan de fiets. Ik was vervangen. Overbodig gemaakt door boutjes en draadjes. Een machine met praatjes maakte nu het mooie weer bij mij thuis. Ik stond er bij en werd hooguit geduld. Voorlopig toch. Els en Jed begonnen me steeds meer te mijden. Ze staken hun ontgoocheling niet weg als ik onverwachts thuiskwam. Soms gingen ze hele weekend op stap, god weet waarnaar toe. Mijn aanwezigheid werkte op hun zenuwen. Jed fluisterde dan iets in mijn vrouw haar oor waarna ze giechelend naar mij keek. Dan schudde ze haar hoofd en nam ze Jed mee naar de andere kamer. Ik voelde me niet meer op mijn gemak. Toen ik twee weken geleden de keuken inliep stond Jed net een groot vleesmes te slijpen. Een karweitje waar ik me nooit aan gewaagd heb. Ik bleef staan en wou me net omdraaien. Hij keek me recht aan en wees met de punt van het mes in mijn richting. Hij zei niets. Misschien is het mijn verbeelding maar na enkele gespannen seconden zag ik een grijns op zijn metalen smoelwerk komen. Ik staarde hem bevroren aan. Jed liet het mes weer zakken en sleep luchtig verder. Ik liep de keuken uit met een bonzend hart.   Na twee zenuwslopende weken had ik gisteren eindelijk de moed gevonden. Ik had de hele avond in de garage gewerkt aan mijn motor. Daar liet ik die eikel niet aan prutsen. Vol olie en met een zware Engelse sleutel nog in de hand kwam ik de keuken binnengewandeld om een pilsje te nemen. Het olijke duo zat schaterlachend bij kaarslicht monopolie te spelen. Els was duidelijk teut. Naast haar glas stond een halflege fles rode wijn. Op het aanrecht stond nog een lege fles. Jed zat met zijn rug naar mij. Hij nam zelf de moeite niet om zich om te draaien, maar praatte gewoon verder met Els. Die proestte het uit bij elk woord van hem. De arrogante klootzak. Ik had er genoeg van. Ik zwaaide de sleutel de lucht in en ramde hem los op zijn blikken kop. Hij viel voorover op de tafel. De kaars rolde op de grond en doofde. Zijn twee rode ogen gaven de kamer een sinistere gloed. Langzaam werd de keuken pikdonker. Ik kon weer ademen. Ik was het kopje af en zet het opnieuw in de kast. Ik loop langs Jed en knip het licht uit. Ik blijf staan aan de keukendeur. In het ochtendschemer zit een rode gloed. Ik durf me niet omdraaien maar voel de ogen van Jed op mijn rug branden.  

Bernard Govaert
0 0

Stilte & Nederlandse landschap

Ik zit naast mijn tentje midden op de wei ergens in de polder. Deze keer ben ik alleen. Alleen met mijn tentje en de natuur. Ik kijk om mij heen en luister naar de stilte van de natuur. De natuur kent geen werkelijke stilte zoals ieder mens die kent. Nee, de natuur heeft zijn eigen stilte. Het is een speciale rustgevende stilte vol geluiden.  Als ik omhoog kijk, naar de blauwe lucht versierd met witte wolken zie ik als eerst een roofvogel bidden. De wind hoor ik waaien, het suist langs mijn oren. Ik kijk om mij heen en zie hoe ik omringt ben door het groene gras. Door het gras groeien kleurrijke bloemen. De bijen zoemen van de ene naar de andere bloem op zoek naar nectar. Iets verderop hoor ik een kudde schapen blaten en de vogels fluiten. Ze zingen in duet over deze prachtige dag vol zonneschijn.  Even later dalen er twee witte zwanen te water. Ze stralen status uit, daardoor zoeken de meerkoetjes een plaatsje verder op. Ik hoor de eenden smikkelen van het kroos. Ondertussen kwaken ze hele gesprekken tegen elkaar. Met een lag op mijn gezicht kijk ik om mij heen en bedenk, de vogeltjes hebben gelijk. Het is een prachtige dag, een dag om over te zingen. Iedereen mag het weten, het is een perfecte dag om te genieten van het leven. ’s Avonds als ik mijn tentje in kruip luister ik naar de krekels die speciaal voor mij hun slaapliedje spelen. Na een tijdje gaan zij slapen, waardoor de muggen hoorbaar zijn. Al gauw neemt het getik op de tent het over. Het regent, de druppels slaan op het doek. In de verte hoor ik zacht gedonder, stiekem hoop ik dat het dichterbij komt. Dan blijf ik wakker en luister ik aandachtig naar de kracht van de natuur. En steeds weer blijf ik denken, wat is het leven toch fijn als je heel even één met de natuur kunt zijn.(Ingestuurd voor schrijfwedstrijd)

MS.Strijder
0 0

2045

Vroeger was alles beter. Het staat nog in mijn geheugen gegrift hoe ik vroeger dagelijks vrolijk mijn werk deed in de dierenartsenpraktijk. Als assistente hielp ik de dierenarts met de dieren in de spreekkamer, adviseerde ik de baasjes en was ik druk met de dagelijkse klusjes aan de balie, telefoon en met het schoonhouden van de ruimtes. Ik deed onderzoeken en hielp zelfs bij operaties en natuurlijk bij de nazorg. Het was mijn droombaan. Langzamerhand kwamen er nieuwe updates en apparaten de praktijk binnen. Het begon met een koffie en thee automaat waarin we eigenlijk al achter liepen. De nieuwe laboratoriumapparatuur nam mijn taak in het lab over. De dierenarts hoefde het monster in het reageerbuisje er alleen in te zetten en met een paar tikken op het scherm deed hij alle gevraagde onderzoeken nauwkeurig. Toen was er een nieuwe update beschikbaar, de computer nam de telefoon op en wist de vragen die ik hoorde te stellen voor te zeggen. Afspraken werden zo makkelijk in gepland en dat kon inmiddels ook via de site. De anamneses en kosten werden door spraakopnames direct in de kaart gezet en gefilterd op relevantie. Jaren later bestond mijn werk uit stinkende kots, stront en pis ruimen gevolgd door stofzuigen en dweilen. Ik was alleen nog in de opname nodig, want ook mijn plaats in de operatiekamer was vervangen door een stel mechanische armen. Zelfs ontstoffen hoefde ik niet meer. We kregen een nieuw systeem dat wel wat weg had van een ingebouwde airco, maar dat zorgde dus dat het stof daar verdween en niet de kans kreeg neer te vallen. Verder was ik nog wel nuttig als bediende, gedurende mijn werkdagen bracht ik op vaste tijden koffie naar de dierenarts en deed ik het vieze kopje in de snel wassende vaatwasmachine.  De twijfel sloeg toe, het leek mijn droom baan, maar ik kreeg minder plezier in mijn werk. Ik had toch zeker niet gestudeerd als interieurverzorgster? Na een gesprek met de praktijk eigenaresse was zij het daar ook volledig mee eens. Een week later stond hij er dan, een gloed nieuwe en volledig geautomatiseerde stofzuig-en dweil apparaat. Ook die taak was van mij afgenomen.  Het laatste beetje waarde wat ik nog had was de opname verzorgen. Gemiddeld waren daar op een dag drie á vier dieren die verzorgd moesten worden. Daarvan waren er in ieder geval twee uit de operatiekamer, waar ik alleen naar om hoefde te kijken als het controlesysteem ging piepen als de patiënt wakker werd. De kabels moesten dan afgekoppeld worden en voor de rest regelde het apparaat het zelf. De andere patiënten moesten bijvoorbeeld worden gedwangvoerd of aan het infuus. Ik wist het reilen en zeilen op de praktijk, maar voor alleen dit klusje was ik de duur. Met de ontslagpapieren in mijn tas heb ik mijn veel jongere vervanger ingewerkt waarna ik kon vertrekken. De laatste ochtend was ik niet in mijn sas. Ik kon de röntgen wel trappen en ik kon het lab haast wel slaan. De stofzuiger wilde ik onderhand omleggen en de computer uitschakelen. De praktijk verlaten deed pijn, maar al mijn vervangers was ik maar al te graag kwijt. ‘Leuk, nieuwe dingen,’ dacht ik vroeger. Wist ik veel dat ze me later de strot uit zouden komen. Na weken lang in de rats gezeten te hebben ben ik gaan zoeken naar een nieuwe baan. Dat is echter niet gemakkelijk in deze tijd. Ik weet nog wel dat het lastig was toen ik mijn carrière begon in 2016. Wie had ooit gedacht dat het nu anno 2045 nog erger zou zijn? Ik schreef mijn vaardigheden op en ben op internet gaan zoeken. In eerste instantie een praktijk, zonder resultaat. Ook ander diergerelateerde banen werden niet aangeboden. Zelfs als interieurverzorgster kon ik niet aan de slag. Voor omscholing vond ik mijzelf al te oud.  Nu, een paar weken verder ben ik weer begonnen met het oppakken van het schrijven van boeken. Vroeger vond ik dat leuk om te doen, maar door mijn werk heb ik dat laten verwateren. Op het moment heb ik alle tijd om te schrijven. Het nadeel is alleen dat er geen geld meer mee is te verdienen. Alles gaat online en mag gratis gelezen worden, niemand betaald nog voor een goed boek. Maar het belangrijkste is dat ik weer iets kan doen wat ik leuk vind, al ging ik natuurlijk liever terug in de tijd en had ik toch doorgestudeerd als dierenarts.(ingestuurd voor schrijfwedstrijd)

MS.Strijder
0 0