Lezen

Theorie en praktijk, een wereld van verschil

Theorie en praktijk dus, volgens Vermaelens Projects een wereld van verschil. Ik denk er ook zo over. Twee totaal verschillende werelden die zich met elkaar hand in hand moeten zien te redden. Een verplicht nummertje van de leerkrachten op school die u moeten zien klaar te stomen om er iets van te maken als je later gaat werken. Leerkrachten... ik heb er compassie met. Ook al is het voor hen een keuze of een roeping, of nog van die gedachten waar ze ’s nachts wakker van liggen als ze niet kunnen slapen wnr ze stresserende dag nummer zoveel achter de rug hebben.   De theorie, wat leert het ons eigenlijk allemaal bij? Dat we door middel van een sprookje te verkondigen er voor willen zorgen dat je later juist niet in sprookjes mag geloven. Het is de mythe van de femme fatale die nog nooit geneukt heeft zonder het licht uit te doen. Wijven die zich als theorie laten doen uitstralen door een gevat antwoord te geven wat de openingsuren van de Hunkemöller zijn, om vervolgens het wiel te heruitvinden en met hun GPS nog maar dreigen verkeerd te rijden. Allemaal zonder ik nog maar een vraag gesteld heb.   De praktijk is als relativeren. Er is nog nooit iemand van de eerste keer door geweest. Ondanks we er al genoeg jaren theorie over hebben laten gaan. We horen ook alleen maar van domme mensen zeggen “niemand is graag dom” terwijl ze denken slim te zijn. Het is zoals Cola Zero dat alleen maar gedronken wordt door extreem dikke mensen. Ze hadden beter op hun salades ketchup gedresseerd in plaats van mayonaise.   Achja, toegegeven... Ik kan niemand iets verwijten als we een leven krijgen voorgeschoteld dat ons leert om eerst theorie te leren en dan pas de praktijk toegewezen krijgen.   Maar mijn praktijk is toch een leuke theorie? Niet?     Allé het is maar een theorie natuurlijk.

Bart Van de Peer
0 0

Allemaal helden

Je kan maar één keer jong zijn. Al blijven die jonge jaren altijd ergens in je hoofd zitten. Af en toe steken ze de kop op. Dan zie je jezelf terug als jonge held. Maar dan kijk je in de spiegel en die spreekt dat onmiddellijk tegen. Je bent zo jong als je jezelf voelt, zeggen ze dan. Tja, vertel dat vooral tegen die spiegel.  Maar die spiegel, dat kunnen ook mensen zijn. Bijvoorbeeld de twee jongemannen tegenover me in de trein. Zelf was ik een boek aan het lezen, maar hun verhalen waren even interessant. Ik hield de schijn hoog door af en toe een bladzijde om te slaan. De ene jongeman vertelde over zijn vakantiejob in het stadhuis. Daar moest hij identiteitskaarten uitreiken, maar op een dag, na een volledige nacht stappen, had hij vrijwel meteen vanuit het café zijn werkplek opgezocht. Dat werkte natuurlijk voor geen meter. Hij had dan maar geruild voor een taak achter de schermen. De andere vertelde het verhaal van een vriend. Die had een vakantiejob als poetsman in het ziekenhuis. Ook hij had een nachtje doorgedaan en de lege bedden werkten voor hem als een rode lap op een stier. Tijdens zijn pauze was hij even gaan liggen, maar er was iets dat hij niet had opgemerkt. De chef vertelde het later. “Zeg jongeman, als je nog eens een dutje wil doen, kies dan een kamer waar geen camera’s hangen”. Ik meende te zeggen, maar goed dat hij een leeg bed had gekozen, maar ik besloot wijselijk om nog een bladzijde om te slaan. Och, wie heeft er geen fratsen uitgehaald? We waren allemaal helden in onze tijd. Het is een kwestie van de verhalen te blijven vertellen. Ze houden ons jong. En die spiegel? Och, die kan toch niets terugzeggen.  

Rudi Lavreysen
0 0

De perforator

Het moet ergens begin jaren 2000 geweest zijn. Onze mannen waren nog klein en je moest ze voortdurend in de gaten houden.  Of je dat nu wilde of niet. Maar meestal wilde je dat wel. Want ze zijn toch zo snel groot, zegt het cliché dat gelijk heeft. Datzelfde cliché zegt ook dat een ongeluk in een klein hoekje zit. De oudste had tijdens het spelen zijn kin al eens opengehaald aan een plastic vrachtwagen. Toen de dokter het moest hechten gaf hij, als stoere vrachtwagenchauffeur, geen kick.  Niet lang daarna was het opnieuw zover. We hadden even niet gekeken en onze jongste had het gepresteerd om zijn vingertje tussen de perforator te steken. Je weet wel, zo een gaatjesmachine waarmee we vroeger confetti maakten. Misschien waren ze treintje aan het spelen en had de ene de rol van gaatjesknipper op zich genomen. De kleine vinger was er niet tussenuit te krijgen. We zagen het ijzer van de gaatjesmaker in zijn vinger zitten. En wringen durfde ik niet. Dan maar naar de spoed. Met het hele gezin en met de perforator aan die kleine vinger.  De vraag van de verpleger 'wat heeft hij nu aan de hand', was eigenlijk best grappig, maar mijn aanstalten tot lachen werd op een boze blik onthaald. Ik zag mijn vinger ook al tussen die perforator zitten. Ter plaatse werd het snel opgelost. Zijn vinger was niet tot confetti gemalen en het gaatje was achteraf snel genezen. Maar de perforator kreeg thuis een geheime plek. Net als in de klas trouwens, nadat we het verhaal aan de juf hadden verteld. Misschien maakt het nu nog altijd indruk. Als er een kleuter naar de perforator vraagt en de juf het verhaal vertelt van de jongen die met de perforator aan zijn vinger naar de spoed moest.  

Rudi Lavreysen
27 0

Jordy, 1987

  Hij ontwaakte met luid gebonk in zijn hoofd en de eerste gedachte die bij hem opkwam was er een van pijn. In een reflex legde hij beide handen beschermend op zijn oren. Zijn vingers wisten zijn oorlellen onmiddellijk te vinden, geroutineerd als ze waren om schade tot een minimum te beperken. Of schande, hij kende niet zo goed het verschil. Niet dat hij veel klappen verdiende, absoluut niet, hij was een gehoorzaam kind, hij kende zijn plaats, meestal een klein hoekje ergens achterin. De kans om niet gezien te worden was immers het grootst als hij zichzelf tot een minimum herleidde. Geslagen worden was eerder het toevallig gevolg van een kortsluiting tussen twee mensen. En meestal stond Jordy daar, met de verkeerde genen van zijn vader, wat ongelukkig tussenin. Zijn vader, Danny Dingens, een ziekelijke mens, een sloef, een onnozelaar, een stom varken, een voetveeg, een vent zonder smaak, een lelijk mens, een man zonder ballen.  Zo leerde Jordy zijn vader kennen door de ogen van zijn moeder. In zijn vaders blauwe ogen zag Jordy een wijde vredige zee, donkere schaduwen in het buitenste deel van de irissen en hoopjes vrolijk licht in het midden. Jordy vond troost in zijn vaders ogen, voor elk stukje verdriet vond hij wel een strook verlichting. En zoals elk kind ontving Jordy wat hij voorgeschoteld kreeg, een boterham, een knuffel, een verhuis, een sterfgeval, een klap. Het leven raakte hem zonder veel woorden. Een moeilijke start voor een leven in kinderschoenen. Sentimentele praatjes had zijn moeder zich nooit gepermitteerd,  gesprekken moesten altijd ergens toe leiden, alleen was het soms moeilijk te weten tot wat of tot wat niet.  Ergens zomaar woorden aan vuil maken deed zijn moeder niet, haar taal kwam, vooral als ze een discussie met zijn vader had, recht uit een woordenboek vuilbekkerij. En alles wat Jordy tot hier toe over het leven wist, was wat hij thuis had opgestoken en dat was niet zo veel. Zijn korte leven beperkte zich tot de plek waar hij woonde. Eerder zelden kwam hij de deur uit, eens per week mee naar de winkel, af en toe naar de frituur, een zeldzame keer naar het speelplein in het park. Het adres van de familie Dingens veranderde geregeld, maar dat maakte weinig verschil, het interieur verhuisde gewoon mee met de drie vaste bewoners, zodat een andere locatie altijd minder opviel dan dat saaie alledaagse leven dat een eentonig spoor  door Jordy’s leven trok. Zo at hij al zes jaar aan dezelfde kleine wankele tafel, met het bebloemde tafelzeil waarvan de afhangende randen kleurrijker waren dan de tulpen op het tafelblad. Jordy had de leeftijd waarop de dingen er gewoon zijn en feiten mekaar opvolgen, onafwendbaar en onherroepelijk, voorvalletjes waar zijn moeder haar handen aan vol had. Zo zei ze toch. En terwijl de levens van anderen voortkabbelden onder fonkelende sterren, leek de levenswandel van de familie Dingens meer op een gammele pelgrimstocht tussen verdrietige stoplichten. Jordy’s moeder wilde hem klaarstomen om de wrede klappen van het leven op te vangen, daarom asfalteerde ze zijn huid met laagjes geestelijk eelt. Ze dacht dat dit het beste was voor haar zoon, beter dan alles wat zij, als kind, ooit had gekregen. Warmte zou hem week maken of zwak, daarom schonk zij haar liefde uit in een ijskoude beker.   Die dag in september was het gebonk geen klap, het was het stommelen van zijn moeder in de kleine keuken van hun nieuwe appartement.    ‘Verdomme’, kletterde ze met luide stem en rammelend metaal, ‘ik kan niks terugvinden.’    ‘Opstaan. Jordy. Je moet naar school. Uit je nest’. En nog voor zijn moeder zijn kamer bereikte, stond Jordy al in de badkamer, plaste in de grauwe toiletpot en zag dan dat er nieuwe kleren voor hem klaarlagen. Dit vervulde hem met een lichte blijdschap. In de keuken had zijn moeder ondertussen een mes in een van de dozen gevonden en smeerde twee sandwiches met hesp, voor in zijn nieuwe brooddoos. Tot enkele dagen geleden was het meestal zijn vader die zijn boterhammen klaarmaakte. Daar dacht Jordy aan en hij voelde zich woordeloos verdrietig. Hij wist niet waar zijn vader was nu, hij leek opgelost in de duisternis van verloren dingen, meegenomen door een man die hij niet had gezien. Tien avonden was zijn vader al niet meer op zijn bed komen zitten en elke nacht had Jordy één vinger meer geplooid. Zijn vingers waren op nu en zijn vader was nog altijd niet terug. Hij dacht aan hem, hoe hij met zijn linkerhand aan de punt van zijn snor draaide, hoe hij met zijn rechterhand een kruisje met ‘goedenacht’ op zijn voorhoofd aaide. Hij zag hem rondlopen in de tuin, zijn handen in zijn zakken, de armen een beetje wijd, net of er in die tussenruimte nog iets te dragen viel. Vaak keken zijn vader en hij troostend naar elkaar als hetzelfde verdriet veroorzaakt door dezelfde vrouw een van beiden te beurt viel. Haar blik vol opgehoopte woede had dezelfde sporen op hun gezichten nagelaten, rimpels vol onmacht bij de vader, fronsen van angst bij de zoon en in die stille afstand tussen beiden vonden hun ogen elkaar, twee vertrapte mannen, twee verbleekte persoonlijkheden, twee uitmuntende zwijgers. Zijn vader keek altijd wijselijk naar de tuin in de verte, naar een hoger doel dat Jordy niet kon zien. Jordy hield van die zwijgzame vader en zijn vader hield van hem. Waar hij aan de liefde van zijn moeder vaak twijfelde, stond die van zijn vader als een paal boven het troebele water waarin hij de rondjes van zijn kinderjaren zwom. Maar zijn vader was weg en met het tellen van de dagen begon zijn beeld al stilletjes te vervagen.   De begrafenis was op een vrijdag, de verhuis op een zaterdag, er volgde een saaie rommelige zondag en op maandag moest hij naar school. Jordy duizelde van deze veranderingen, die anders waren dan de vorige, akeliger en stiller en ijzingwekkend somber. Hij durfde niets vragen over zijn papa. Sinds de dood  hem was komen halen, had Jordy zijn vader niet meer gezien. Ook de dood was hij niet tegengekomen, toen hij om zijn vader kwam. Jordy was nochtans thuis, hij keek tv, heel erg lang. Vader was achter in de tuin, bij het hout of bij zijn oude Mazda. Moest Jordy die dag met de dood kunnen overdoen, dan was hij bij zijn vader gebleven, de hele namiddag lang. Dan had hij de dood zeker gezien, daar bij zijn vader, en wat die met zijn vader had gedaan. De dood was vast heel stil geweest en de tv stond luid. Moeder zeurde ook altijd dat hij het geluid veel te hard zette en toen ze die dag thuiskwam, was ze daar boos om, en ook om de kruimels en de rommel. Ze was naar buiten gelopen met van die stappen, veel te groot voor een kleine tuin en ze opende de piepende deur van de garage en haar stem werd hoog en anders, precies of ze zong maar dat deed ze nooit.  Dus ging hij aan het raam staan en zag zijn papa, naast de auto. Er was wat met zijn hoofd, blauwig en zo scheef en zijn blik, vooral die blik. En dat touw, dat touw waarmee zijn vader bomen neerhaalde, dat was er ook, tot op de grond. En toen zag hij zijn papa’s broek. Hij keek ernaar, naar de donkere vlek die tot aan de knie van zijn rechterbroekspijp reikte. Hij was verbijsterd, geschokt. Vader had in zijn broek geplast en dat mag niet als je al groot bent.                            

Karin gevers
0 0

Vrijdag de dertiende

Vrijdag de dertiende blijkt voor velen een geluksdag te zijn. Gewoon een dag zoals een andere. Al die fabels zijn dikke bullshit. Jammer genoeg kloppen de fabels voor mij wel. Vandaag is de eerste dag in lange tijd dat het weer even uitzichtloos lijkt. De eerste dag in lange tijd dat ik me moedeloos, bang en alleen voel. Ik heb het mezelf aangedaan, alweer.   Om een lang verhaal kort te maken: gisteren zijn Nick en ik uitgegaan in Leuven (waar ik nu trouwens op kot zit). Ik heb veel te snel veel te veel gedronken, mijn hele avond verpest en Nick geïrriteerd. Zoveel spijt. Ik snap mezelf ook gewoon echt niet. Bon, Nick was dus wat geërgerd en onze autorit van Leuven naar huis was pijnlijk. Ik voelde dat hij alles nog even moest verwerken, hij hield me wat op afstand. Ik kan dat natuurlijk begrijpen maar morgen is er een andere grote fuif waar we samen naartoe gaan en waarvan hij in de organisatie zit. Hij gaat daar dus al de hele dag zijn en al wat gedronken hebben als ik aankom dus ik weet dat ik van hem dan echt niets moet verwachten. Hij zal me ook wel nog op afstand houden en dat gaat me kwetsen. Ik probeer er mij al de hele dag op voor te bereiden maar het lukt me niet echt. Ik ben bang dat ik me daar zo slecht ga voelen dat het opvalt en dat het een drama wordt. Help me om kalm te zijn en te wachten tot hij naar mij komt of ik hem de volgende dag zie. Help me alsjeblieft.    Alles ging al zo lang zo goed. Ik begin Nick echt heel graag te zien. We klikken echt en we amuseren ons altijd samen. Hij toont ook vaak in kleine dingen dat hij me graag ziet en ik smelt daarvan. Ik ben zo bang dat ik dat kwijt zal geraken. 

Layla Clarke
0 0

Deadline

Tien luttele dagen om een verhaal te schrijven. Terwijl het mij totaal aan inspiratie ontbreekt.Nog één keer wou ik hier komen.Op deze plek waar ik zoveel mooie zomers doorbracht, hoopte ik mijn gesprek met de muzen weer aan te binden.Op mijn bureautje ligt een wit blad geduldig te wachten in het gezelschap van mijn pen.Soms rimpelt het even bij de aanraking van de wind alsof het zeggen wil, ik wacht, ik wacht op de restanten van jouw schrijversziel.Maar na een lange afwezigheid lag mijn schrijftafel onder een dikke stoflaag en blijkbaar heb ik met mijn stofdoek de laatste restjes van het verleden door het raam uitgeschud. Ik keek ze nog even na toen ze zich bevrijd lieten meevoeren door de wind. Ik keek toe hoe ze zich één maakten met het universum.Ik heb mijn hemelsblauwe jurk aangetrokken, het zou niet eens opvallen als ik met ze meevloog.Het eindeloze zicht op de helderblauwe lucht en het zacht kabbelende water doen mij echter dromen in plaats van te schrijven.Zo vaak was de zee mijn muze maar vandaag ontneemt ze mij alle woorden. Desondanks overspoelen golfjes van geluk mijn lijf en mijn gemoed, ik voel me goed.Ik koester mij in de warmte van de zon, een zomerbries streelt mijn haar, loom geef ik me over aan mijmeringen.Ik hoor een vrolijk kinderstemmetje.‘Kijk eens wat een mooie schelpjes mama.’Onder mij klotsen de golven voorzichtig tegen de rotsen, ook zij willen deze vredige zomerdag niet verstoren.Je moet vandaag niet schrijven, fluisteren ze me toe,morgen misschien of overmorgen,er resten nog 3 dagen.Een zeilbootje verlaat de haven en ik vaar even mee terug in de tijd.Tot het stipje aan de horizon verdwijnt en mijn mijmeringen met zich mee neemt.Nog één keer wou ik hier komen.

Nadia Lang
0 0

Vol-au-vent

   <!-- x-tinymce/html --> 'Niet vertragen!', legt Marie zichzelf op als was ze de leider van haar lichaam. Haar benen hebben er lak aan, want ze trappen trager dan haar gedachten. Die slalommen roekeloos van links naar rechts, maken dan weer een sprongetje over een veel te hoge vluchtheuvel, maar weten nooit de rem te vinden. Uit alle macht zoekt ze naar adem terwijl haar fietshelm, die ze net schots en scheef op het hoofd had gegooid, definitief toegeeft aan de zwaartekracht. Hoe hard ze zich ook had voorgenomen goed zichtbaar te zijn - oranje hesje en gele polsbandjes incluis - zo ondraaglijk onzichtbaar voelt ze zich nu. Exact zoals vijf dagen geleden, toen ze hun kleerkast - en bijgevolg ook haar hart - halfleeg aantrof, de mannelijke helft eruit weggerukt. Exact zoals de daaropvolgende avonden, wanneer ze geen drie maar twee borden met vers gemaakte vol-au-vent vulde, nog steeds met zelf getrokken bouillon van kraakverse groenten en een biokip afkomstig uit een aan de rand van de stad gelegen pluimveeboerderij. Want voor haar gezin was alleen het beste goed genoeg, alleen klonk dat gezin nu als een fa in sol groot. Toen ze Clara die avond aan de muziekacademie afzette, had ze zich de uren die haar dag vredig zouden afsluiten, scherpzinnig geportretteerd met verbazingwekkend veel oog voor detail. Daar zag ze zichzelf zitten, weggezakt in de comfortabelste zetel van de woonkamer met een glaasje rood aan de lippen. Het klonk haar als muziek in de oren, en niet zoals die platte hits die ze tegenwoordig op de commerciële radio draaiden. Neenee, Marie's klanken zouden voortgebracht worden door melancholische Motown-platen, die het duet tussen haar en haar man in betere tijden hadden ingezet. Haar ogen fonkelden als het gelige lantaarnlicht dat ze in de schemeravond had gepasseerd, haar hart gloeide donkerrood aan. Zonder het zelf te beseffen bleef de glimlach die zich rond haar lippen had genesteld, heel even in rust. Tot het moment waarop Clara zei: 'Mama, de klarinet ligt nog op de keukentafel.' Veilig was ze altijd geweest. Gedisciplineerd, minutieus, perfectionistisch: eigenschappen die haar nu even zinloos leken als dat steeds leeg blijvende derde bord aan tafel. Telkens werd ze overmeesterd door toeval, tegenstrijdigheden en onbedachtzaamheden. Meer en meer leek haar geheugen gaten te vertonen, die de angst er ruwweg had in geboord. Haar zelden vervulde verlangen om genoeg te zijn, de zaken te laten lopen zoals zij dacht dat ze hoorden te lopen, was nu voorgoed verdwenen. 'Niet vertragen!' Ze geeft haar huissleutel een forse draai en gooit de voordeur weer open. 'Dag Marie, ik kom nog wat spullen ophalen.' Terwijl het parelende zweet op haar voorhoofd onbedwingbaar begint te dansen, zoekt ze naar zuurstof die hap na hap een trapje hoger lijkt te springen. De bas in zijn stem - haar ooit intens charmerend - knijpt haar keel nu verder dicht. Ze luistert er waakzaam naar, terwijl ze de weer teruggevonden klarinet in een stevige wurggreep houdt. De vingers van haar rechterhand knelt ze op de kleppen - als ze zou loslaten, zou ze vast in tranen uitbarsten, wist ze - terwijl ze met haar andere hand een van de blaasrietjes tot splinters verpulvert. Haar gevoelstoonaard transponeert langzaam van majeur naar mineur en brengt dramatisch duistere klanken voort. Marie kan echter maar één ding uitbrengen: 'Bordje vol-au-vent, misschien?'                

Liesbeth Swolfs
0 0

TAALTRIVIAAL

Onlangs plaatste ik een persoonlijk artikel op het alom geprezen of vergruisde Facebook, of Smoelenboek volgens mijn echtgenoot zijn interpretatie. Meestal onthoud ik me van elk uitgebreid commentaar, want elke lezer van een detectiveverhaal weet:   ‘Wat je zegt kan, en zal tegen je worden gebruikt.’ Alle voorzichtigheid overboord, ik citeer mezelf:    ‘Niet geliefd Geregeld volg ik de discussies tussen atheïsten en gelovigen waarin één lijdend – en ik druk op lijdend - voorwerp steeds aan het bod komt: de vrouw. De christelijke geloofsleer bestaat al veel langer dan de Islam en heeft al de nodige lessen getrokken. Ben ik anti-Islam? Neen, ik ben tegen elk geloof waarin de vrouw een ondergeschikte rol speelt. Ben ik een vooruitstrevende feministe die de vrouw op de voorgrond zet? Neen. Alleen de suprematie van de man hangt me de strot uit. Zijn mannen minderwaardig of ben ik een mannenhater? Zeker niet. Ik vraag mij alleen af wat de vrouwen in hemelsnaam hebben misdaan om zo door éénder welk geloof te worden geknecht. En kom nu niet alsjeblieft aan met het verhaaltje van Eva die Adam in de appel liet bijten. Het valt me steeds op dat mannen zich aan de top zetten van het geloof en de vrouw een ondergeschikte rol speelt. Dat zit me dwars. Ik geloof dat we evenwaardig zijn, met elk onze specialiteiten; vrouwen kunnen meerdere dingen tegelijkertijd, mannen heel gefocust zijn. Nog een overblijfsel uit de voor-Neolithische periode, toen groepjes mannen en vrouwen als jagers-verzamelaars rondtrokken. Ik hoop dat we de evolutietheorie toch niet gaan aanvechten? Er zullen natuurlijk altijd uitzonderingen zijn. Het succes van de man-vrouwsamenwerking heeft dus zijn nut bewezen. Vanaf we sedentair gingen leven heeft de man zich stilaan opgeworpen als verdediger en ontfermde de vrouw zich over de kinderen. Zonder de vrouw die meewerkte in de landbouw waren we waarschijnlijk stilaan uitgestorven. Kijk naar de derdewereldlanden waar de vrouw nog steeds de kar trekt. Dus heren van het geloof: Christelijk, Islam, of wat ook, respect in beide richtingen zou van toepassing moeten zijn. Geef de vrouw dezelfde rechten als de man en het is opgelost. Een vrouw is er niet om ondergeschikt te zijn aan de man en ook niet of enkel kinderen te baren. Vrouwen studeren algemeen beter dan de mannelijke studenten en vele vrouwen hebben invloed in de politiek, wetenschap e.a. vooruit staande posities. We bezitten zelfs een hormoon voor vredige samenleving, namelijk het zorghormoon, waarvan de wetenschappelijke naam me nu ontsnapt. Het mannelijk hormoon daarentegen… een man blijft een man, zelfs als hij een pastoor, een Iman of rabbijn is. De aard van het beestje: testosteron beïnvloedt zijn manier van denken. Vrouwen zijn van nature diplomaten of dat nu in –of buitenshuis is. Behandel ze goed en rechtvaardig en ze vertroetelen hun man en kinderen vanzelf. Van de vrouw een slaaf maken of een schepsel dat niet voor zichzelf kan denken is gewoon misdadig. Of hebben mannen het geloof nodig om de vrouw onder de knoet te houden? Het spijt me heren van het christendom, Islam, Joods of wat dan ook: dat is zielig en getuigd van weinig intelligentie.’ Tot daar. Ditmaal Raymond van het Groenenwoud citerend: ‘Het ging vooruit, ja vooruit, het ging verbazend goed vooruit!’ indachtig, kreeg ik veel positieve reacties, en niet enkel van vrouwen. Ja, zelfs dagen daarna. Wat blijkt; voor de westerse beschaving weegt ‘houden van’ zwaarder door dan het geloofsdogma. Mannen in onze maatschappij zijn nu eenmaal meer geëmancipeerd... Stofzuigen, afwassen, luiers verwisselen, koken, ramen lappen, niets is hen vreemd. En als de relatie niet succesvol is kunnen onze mannen hun plan trekken. Als dat geen sterk argument is.    

Fanny Vercammen
0 1