Lezen

solitude standing

(naar Suzanne Vega)   Solitude staat bij het raam. Ze kijkt om wanneer ik de kamer binnenkom. Ik zie aan haar ogen dat ze op mij heeft gewacht in de schaduw van de late middagzon. Ze draait zich naar mij toe en biedt me haar hand. Ik kijk ernaar, een vlam flakkert in haar palm. Ze zegt “Ik ben gekomen om iets recht te zetten dat fout zat. Ik ben gekomen om dit donkere hart te verlichten.” Ik kijk naar haar en onze vorige ontmoeting komt me voor de geest.   Haar blik vroeg me wat er was. “Jij ziet mij, maar eigenlijk leef ik achter een muur van geblindeerd glas. Ik zie, en ik kijk, maar ik kan niet gezien worden.” “Het geblindeerde glas zit in je hoofd, het is een fantasie,” zei ze. “Nochtans is die fantasie levensecht. Wanneer ik merk dat iemand mij doorheen het donkere glas aankijkt, word ik bevangen door angst. Angst en paniek, die uiteindelijk plaats maken voor wantrouwen.” “Je gelooft dus liever in je eigen fantasie dan in de waarheid dat je kan gezien en geliefd worden?” “Hoe kan iemand nu houden van iets onzichtbaars?Ik respecteer enkel zij die mij niet zien, zij die mijn fantasie erkennen en vol geloofwaardigheid meespelen in mijn spel…De wederkerige liefde is als dusdanig niet aan mij besteed.” Ik draaide me naar haar toe om de veroordeling in haar ogen te zien. Op de plaats waar ze had gestaan flakkerde een vlam.   Solitude staat bij het raam en kijkt me aan. Zoals altijd ben ik uit mijn lood geslagen door haar donkere silhouet, haar trage koele blik en haar stilte. Ze neemt mijn pols en ik voel haar afdruk van angst. Weifelend volg ik haar tot bij het raam. Met haar andere hand houdt ze het gordijn opzij en ze toont me de massa daar beneden. Ze lijken naar ons te kijken en ik begin onwillekeurig te rillen. Solitude ziet mijn twijfel maar duwt me zachtjes tot tegen het glas. Ik zie de mensen en zie hoe ze zich warmen aan elkaar en aan het avonddonker. Plots weet ik dat ik graag bij hen was geweest, tussen hen. Ik zie hoe hun ogen zich versmelten tot één paar. Verward kijk ik om, op zoek naar de koele warmte van haar ogen. Wat ik zie is echter mijn eigen gezicht, verschrikt en bang. En alleen. Solitudes silhouet is nu een spiegel, voorzichtig kom ik wat dichterbij en neem hem in mijn handen. Ik kijk, langzaam en wantrouwig. Ik ben als een kat die zichzelf in de weerkaatsing van het raam ziet, en pas na lange tijd beseft dat het naar zichzelf aan het kijken is. Dat het zichzelf aan het aanvallen is. De warmte kruipt langzaam over mijn rug tot aan de haartjes in mijn nek. Het onverwachte gevoel doet me kronkelen en vanuit mijn ooghoek zie ik de gloed. Geschrokken laat ik de spiegel uit mijn handen vallen en draai ik me om, honderden scherven vliegen in het rond zonder een spoor na te laten van mijn spiegelbeeld van weleer. Vlammen likken aan het gordijn en werken zich naar boven toe. Doorheen de hittezindering komen de gezichten van de mensen tevoorschijn. Ze lachen me toe, ze wenken me. Terwijl het gordijn verder opbrandt, stap ik met een plots vertrouwen op het raam toe; terwijl de laatste vezels hun lot tegemoet gaan, open ik het raam. Honderden handen strekken zich naar mij uit. Ik spring en zeg in gedachten Solitude vaarwel.

LL Rigby
19 0

solitaire

De boer, de dame en de koning kijken me vragend aan. Zoals elke avond speel ik solitaire totdat ik mijn tijdrecord gebroken heb. Een bezigheid als een andere. Een uitdaging als een andere. Elke avond wanneer ik de overwinning op mezelf heb behaald voel ik echter geen voldoening. Ik wil dan eigenlijk het liefst weer opnieuw beginnen, om nog een betere tijd neer te zetten. Om nog beter de tijd voorbij te doen gaan. Maar deze avond stop ik middenin een spel, het digitale klokje rechtsonder op het scherm tikt onverbiddelijk door. Ik zit als versteend te kijken naar de kaarten, de drie paar ogen die links netjes onder elkaar gestapeld liggen. Wat? Ten langen leste draai ik me van het beeldscherm af en kijk verdoofd de kamer rond. Mooie kunstreproducties hangen aan de muur van mijn piekfijn ingericht éénkamerappartement. De beste plek op aarde, mijn huis, mijn thuis. De neplederen vintage bank staat eenzaam te lonken, de kast vol boeken en dvd’s lacht me uitnodigend toe. Toch slaag ik er niet in om mijn wezen in beweging te krijgen, het is alsof mijn geest gepauzeerd is door een onzichtbare hand. Die hand verlangt ernaar om terug te spoelen, op zoek naar de fout. Die hand is de mijne.   In mijn leven klopt alles: boeiende baan, uitgebreide vrienden- en kennissenkring, gerieflijk appartement, goede band met mijn familie. Met een ruk kijk ik terug naar het scherm waar de kaarten geduldig op me wachten. De ogen priemen zich in mijn ziel. Wat? De uren en uren en uren gedachteloze spelletjes patience van de laatste maanden komen me voor de geest. Ik ben al die tijd op zoek geweest naar het antwoord op een vraag die ik niet eens gesteld dacht te hebben. ‘Waar zit de fout?’   Zonder precies te begrijpen waarom begin ik te huilen. Het begint met droge hikkerige snikken die ongecontroleerd uit mijn middenrif naar boven worden gestuwd, maar al gauw gaat het over in een waterval met een soundtrack van hartverscheurende kreten. Ik huil de ziel uit mijn lijf, om wat ik niet begrijp, om wat ik desondanks toch begrijp. Mijn leven klopt niet, ondanks het feit dat het geweldig is. Meer dan. Maar het klopt niet. Het klopt niet. Even plots houdt het gesnik op en vormen mijn gedachten woorden die ik luidop voor mezelf herhaal en herhaal, als een mantra: ‘Het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, …’        Geheel in lijn met mijn georganiseerde zelfstandige zelf besef ik dat ik iets moet doen. Ik moet iets doén! Maar wat? Het is zondagavond, 23u. Wat valt er te doen? Geheel in strijd met mijn georganiseerde, zelfstandige zelf graai ik naar mijn mobiele telefoon, zoek impulsief tussen de contacten en bel dan Gert op. De telefoon gaat over.        ‘Hallo?’ Als de telefoon nog een keer was overgegaan had ik hem hoogstwaarschijnlijk weer ingegooid, de toon als een echo in mijn ziel schreeuwend: ‘Wat doe je? Stel je niet aan! Je bent Maud, get a grip!’        ‘Hallo, Maud? Ben je daar?’        Ik schraap mijn keel, wil me er van af maken met een excuus, misschien kan ik doen of ik dronken ben, … Maar ik hoor mezelf met een piepstemmetje in de telefoon snikken: ‘Gert… het gaat niet. Ik heb hulp nodig.’   Hoe dat gesprek precies gelopen is herinner ik me achteraf nauwelijks. Ik weet alleen dat ik niet in mijn stoere pose ben teruggekrabbeld, dat ik aan de telefoon nog een keer heb zitten huilen als een kind. Dat Gert naar me luisterde zonder te weten wat er precies aan de hand was. Dat hij me resoluut aanmaande om de dag erna niet te gaan werken. Dat ik tegenpruttelde, maar rond ongeveer drie uur ’s nachts met wijdopen ogen in bed lag en besefte dat hij gelijk had. Ik kon inderdaad niet gaan werken. Het ging niet meer. De sluizen waren open en ik kreeg het water er niet meer terug ingeduwd.        Ook de weken en maanden erna zijn slechts een vage herinnering. Beelden van mijn verduisterde appartement, van pizza na pizza, film na film, van huilen en wanhoopskreten. Van telefoons en gesprekken met dokters en psychologen. Van meewarige blikken vol schijnbaar begrip. Van totale hopeloosheid. Van met de wang op de planken vloer en met de vinger cirkels tekenen in de stoflaag op de grond.        Langzaam kwamen er ook andere beelden bij, korte lichtflitsen als een onderdrukte glimlach die noodgedwongen in de linker- (of de rechter-)mondhoek omhoog krult. Een vensterbank met bloempotten, zaadjes die scheutjes werden die plantjes werden die kerstomaten, wortelen, sla en radijsjes werden, de kleine vreugde bij het zien van het groeiende leven. Een kamer in een huis vol licht, een rieten stoel die gemoedelijk kraakte terwijl ik heen en weer schuifelde, sprak en huilde. Een gevoel van opluchting wanneer ik na zes lange dagen en nachten weer die kamer in mocht, waar ondanks de strijd en de onwil vaak toch ontwapening plaatsvond, na de schok en het besef werkelijk gehoord te worden door de ander, door mezelf.   En dan, langzaam, de eerste stappen. Weg van het leven dat zo volmaakt was, maar nu eenmaal niet klopte. Onderweg naar het leven dat op me wachtte.  

LL Rigby
0 0

Elena (proloog)

Elena. Trojan Wars, elegant fonts. Everybody deserves an Elena. "For text that's meant to be read."However, I don't think Elena wants to be read. She's quick, elusive, ahead of herself. Sand slipping through fingers, time accelerating and disappearing into loopholes of lust and love. Better keep up with this one. The kind of girl that shows you the stars and breaks your heart. An astonishing beauty, a nimble mind. A girl to die for.Well, I wasn't going to die. And neither would she. Elena never dies. Elena is life – and life is what I wanted.Elena wasn't on top of her game when I met her. As if the diaphragm of her camera was on hold too long, giving way to the uncertainties wandering through her beautiful head. She's a photographer, likes to catch the instant – sacrificing the moment, to have a clearer view afterwards. That's the paradox. But she's good with words too, likes to write. One should never delete words. The more you delete, the clearer they're engraved in your heart. "You should move to the other side of the bar", I told her when we first met. She gave me a puzzled look, didn't know who I was. I took her in my arms and turned her around. Just as the fight kicked off. She understood now, walked along with me to the other end. Frightened but grateful, her brown eyes like a velvet veil, slightly touching the edges of my heart. "Thanks ..." she murmured. I looked into her eyes and smiled. Leaving her in the company of the well-dressed man she was with. Girls like Elena – they feel lonely, but they're never alone.

Guy Bourgeois
10 0

Dag Gaston

Veel bekende mensen brengen u vandaag en de volgende dagen hulde.  Alle gewone mensen, die u graag bezig zagen hebben niet de mogelijkheid om u publiekelijk te bedanken.  Zij zaten in hun huiskamers voor het scherm of in de ontelbare zalen die jij hebt doen vollopen.   Van wijlen mijn moeder  en vader en ook van mijn schoonmoeder weet ik het zeker dat je ze deed huilen van het lachen.   Van ontelbare andere mensen ook,  maar dat weet je zelf  wel.   Vandaag bedacht ik wat er kon zijn dat ons op een of andere manier kon verbinden,  zodanig dat ik een goede reden zou hebben om mij te voegen bij de schare Vips en BV’s die je  bewieroken.   Toen zag ik in de krant een affiche van een man met een grote bril.  Het was een onbekend iemand geschilderd door een beroemde schilder-stadsgenoot, die net als jij geboren en getogen is in Antwerpen.  En toen wist ik het.   Al een tijdje geleden kwam ik erachter dat je net dezelfde bril droeg als de mijne. Het montuur en de glazen….krak hetzelfde.    Nu scheel ik wel wat jaartjes met jou maar ik hoor de optieker het al zeggen:    “Gaston, ge stoat er goe mee. Het mokt aa een fameus pakske junger”.     En “Das just!” , dat was niet gelogen.  Je zag er stukken jonger uit en door jouw bril en door jouw pretogen zag men ook jouw jonge ziel.   Enfin,  dank zij onze bril voel ik mij, heel even, speciaal genoeg om  jou in naam van velen te bedanken voor de lach,  en al huilen clowns niet, ook voor de traan.  Merciekes Gaston !

Vic de Bourg
0 0

paradijslijk

Moloch huilt nog steeds als titaan zijn onderdanen tanend onder glimmend brons glanzend in vlammendans draagt men zich over aan Moloch zoals die ooit huilde in de straten in de harten in de stegen opgestegen uit rookpluimen bedwelmd en beschonken schenken zij al wat aflaten afhandig maakt   Moloch schreeuwt als voorheen ook voortaan dient hij te worden gediend in de schittering van al wat schijn vertoont hoe niet al wat glimt en wij verder klimmen klauteren verbeten en uit marmer gehouden xanadu in onze levenloze harten het speelt ons parten hoe wij dartelend draven raven nachten gijzelen onze tanden bloot staren   ze sleuren u over straten uw lijf en leed tot in uw ledematen gezonken als afvallige als afgevaardigde van alledaagse sleur van hot naar haar naar hem naar het naar hoe wij allen met onze tanden bloot bloedend op de stoepstenen staan met fakkels in de hand heksenjacht op de verzopen kalveren in gedempte dokken waar de machiavel met schapenvel zijn huid duur zuur opgebroken opengebroken tandeloos radeloos en de longen uit de lucht schreeuwt   we huilen om elkaar schreeuwen onze huiden vol tot we geveld van het eindeloos vervellen neervallen wonden likken met opgeheven hoofd de hemel kussen ongenaakbaar zijn wij de gebarsten goden de halfhelden met nachten in onze ogen dauw op onze geslepen tanden als de ochtend onze ogen doet sluiten wij als nachten vervagen dagenlang tergend dragen wij onze lijven tot de nacht weer in ons ontwaakt wij in lichterlaaie de straten verlichten   huilend om elkaar huiden vol geschreeuwd geveld van dit eindeloos vervagen neergeslagen gezouten wonden met gebogen hoofd sterven ongenaakbaar eindig zijn

Daan Janssens
0 0

We have wondeful news!

Zondagmorgen 11 uur, ik zit aan de keukentafel in het huis van tante Nathalie of Nath zoals men haar hier noemt. Hier zijnde Linden Hills, een niet onaardige residentiele wijk van Minneapolis. Bijna dertig jaar geleden trouwde tante Nathalie met John Kelly, en ondertussen is  ze volledig veramerikaniseerd. Mijn moeder komt hier elk jaar op bezoek maar voor mij is het de eerste keer. In de twee dagen sinds ik arriveerde heb ik constant  het gevoel in een film beland te zijn. Soms kan ik er bijna een titel en een regisseur op plakken. Tante Nath, Uncle John en de rest van de Kelly’s, iedereen is naar de kerkdienst behalve dan deze gedegenereerde Europeaan.  ‘Jetlag is as good an excuse as any, I expect’ fluisterde mijn neef John-John mij aan de ontbijttafel toe. Ik moet toegeven, het idee dat ik tegen volgende zondag alweer elders zal zijn is een opluchting, want ‘Church is big here’. Nog altijd een beetje suf  van de jetlag maar vooral loom van de hitte staar ik lethargisch naar de koffiekringen en de kruimels op het vinyl tafelkleed. Een barometer in een protserige rustiek eiken behuizing geeft 88 Fahrenheit aan, geen idee wat dat is in Celsius maar het is duidelijk teveel voor mij. Een ventilator zoeft recht boven mijn hoofd en nog voel ik de zweetdruppels van mijn nek langzaam afdalen. Ik heb het dunste T-shirt uit mijn reisgarderobe aan  en een satijnen short met bloemenmotief. Een item dat al jaren onderaan in mijn lingerieschuif lag en dat ik op het laatste nippertje in een vlaag van geniale inspiratie in mijn koffer gestopt heb. Juist als ik denk dat het tijd is voor mijn tweede douche van de dag wordt er geklopt op het houten deurkader. Door het gaas zie ik in tegenlicht twee mannen staan in kostuum. Men in Black? Flitst er door mijn hoofd. De Feds of getuigen van Jehova? Waarschijnlijk het laatste op deze dag van de Heer. Chewie, de familiehond krabbelt recht van zijn slaapplaats op de porch, laat een zacht woef, woef horen als begroeting en inspecteert de schoenen van de mannen. Anybody home? Ja natuurlijk denk ik anders stond de voordeur toch niet wijd open. Ik kijk naar mezelf en merk dat ik ondertussen al kan meedoen aan een wet T-shirt contest. ‘Just a minute’ roep ik en kijk  in milde paniek om mij heen. Aan de keukendeur hangt mijn redding, een vinyl voorbindschort assortie met het tafelkleed. Daar moet ik het maar mee doen. Good morning Mamm, zeggen de mannen door het gaas. May we have a minute of your time? Yep een setje Jehova getuigen, hoewel ze zeker ook carrière kunnen maken als komisch duo. De ene lang, blank en bleek, de andere  klein en zwart, uniform gekleed in  zwart pak en wit hemd, de eerste zonder de tweede met das. De eerste haalt alvast een zwart boekje  uit een ouderwetse lederen schooltas. Zal ik ze wegsturen of laat ik ze binnen? Let’s have some fun, denk ik, ik ben toch op vakantie en open de gaasdeur.  Met een gebaar nodig ik de twee uit om plaats te nemen aan de keukentafel. De lange loopt wat houterig en lijkt oncomfortabel in zijn slecht zittend goedkoop uitziend pak. De  schoenen van de zwarte man, merk ik op hebben een indrukwekkende hak. Dit geeft zijn tred een funky knik. Van dichtbij zie ik ook dat zijn pak niet zwart maar inktblauw is en onmiskenbaar duur maatwerk.  Is dit  een getuige van Jehova? We have wonderful news for you mamm, begint de lange blanke man, maar ik luister niet en ik kijk niet naar hem maar naar zijn kompaan.  Nu hij recht voor me zit komt die me ineens heel bekend voor, wat onmogelijk is uiteraard maar hij lijkt  op iemand? Ik bekijk zijn opvallend smal gezicht met hoge jukbeenderen, volle lippen dragen een zweem van een snor. Een rond brilletje camoufleert enigszins zijn donkere ogen. Zijn wenkbrauwen hebben een perfecte V-vorm. Zijn handen zijn fijn en netjes gemanicuurd.  Dit kan toch geen getuige van Jehova zijn, denk ik opnieuw. De andere man praat maar door maar het is niet meer dan achtergrondgeluid. Al mijn aandacht gaat naar het zoeken op wie de zwarte man lijkt.  Zelf kijkt hij me over de rand van zijn bril onderzoekend en misschien zelfs licht spottend aan. Beeld ik het me in of is hij de aanwezigheid van zijn partner ook een beetje vergeten. Ik wil wegkijken maar we zijn in een spelletje oogworstelen beland. En dan, op het moment dat hij bijna ongezien zijn lippen bevochtigd met zijn tong weet ik het. En ik weet ook meteen dat hij niet op iemand lijkt die ik ken, neen hij is het zelf, in levende lijve. Want ik ben in Minneapolis en hij is een getuige van Jehova!

Paula Dumont
0 0

Dierenvriend

“Mama, er zitten wespen in de tuin!” Mijn dochter stormt de keuken binnen. “Laat ze maar, lieverd, elk diertje heeft recht op een eigen plekje in de natuur,” sus ik haar paniek. Ik voel me de perfecte pedagoge. Respect voor elk levend wezen! Dit adagio heb ik toch maar mooi weer even duidelijk gemaakt aan dochterlief. In ons huis maken de 2 poezen deel uit van het gezin en tijdens de gure wintermaanden worden de vogeltjes trouw elke dag gevoederd. Ja, we zijn échte dierenvrienden! “Maar mama, het zijn er veel hoor. Echt superveel! Ze vliegen voortdurend in en uit een holletje in de grond. En het zijn WESPEN, mama!”   Plots dringt de werkelijkheid tot me door: een wespenNEST!!!   Ik voel de agressie in me opborrelen. Beelden van vorige zomer verschijnen op mijn netvlies. Het wespennest op zolder. De dappere brandweerman met het dodelijke poeder. De zieltogende wespenlijven dagen na elkaar op de vensterbank van onze slaapkamer. De ochtend van mijn verjaardag: de venijnige pijn van een wespensteek. Het ‘feestvarken’ met de gezwollen olifanten poot op een kussen… Nee, wat die rotbeesten me toen hebben aangedaan is écht niet voor herhaling vatbaar.   Ik verklaar hen hier en nu de oorlog! Vernietigen zal ik ze! En alle wapens zijn geoorloofd in mijn verbeten strijd!   Grijp ik naar de hogedrukspuit of ga ik voor benzine en oude vodden of liever rookbommetjes of … ? Gelukkig denk ik net op tijd aan die dappere brandweerman. Laat ik maar rustig en verstandig wezen. Ik kan beter de brandweer ter hulp roepen.   In de telefooncentrale is het druk. “Ach mevrouw, dit jaar hebben we een heuse wespenplaag. We worden bedolven onder de aanvragen! Er zijn nog 57 wachtenden voor u. Maar, het is een nest in de tuin, zei u? Dan zal ik u haarfijn uitleggen hoe u dat wespennest zelf te lijf kan gaan. In de tuin is dit toch wel minder gevaarlijk dan in uw huis…”   Bij valavond sluip ik als een paracommando door onze tuin. Lange broek, rubberen laarzen, goed aansluitende fleecepull, skimuts van de zoon, veiligheidsbril van de echtgenoot, voor mijn mond de breedste sjaal uit mijn verzameling … Stijlvol zie ik er niet uit, maar ik ben overtuigd dat mijn geïmproviseerde battle-dress afdoende zal blijken bij een eventuele guerrilla-aanval van de wespen. Ik nader het kamp van de vijand met een bus dodelijk poeder in de hand. Geen beweging te merken! Ik saboteer de ingang van hun kampplaats met het poeder…   De volgende dag waag ik me voorzichtig in de tuin. Missie geslaagd! De strijd is geleverd, hun kampplaats blijft dodelijk leeg, geen vijandelijke wesp meer te bespeuren … Ik sus mijn geweten. Wespen zijn heel erg gevaarlijk! Ze zijn agressief en steken je zomaar en zelfs meerdere keren na elkaar! Een wespensteek op de verkeerde plaats kan dodelijk zijn! Mijn moederlijke plicht is het om mijn gezin te beschermen! Ik kon dus eigenlijk niet anders dan het hele nest uitroeien. Een beetje aarzelend noem ik mezelf voortaan alsnog een dierenvriend…

Lut
5 1

de Vlaemsche tale

(niet of juist wel voor NL-ers)   Anno 2015 schreef Ann De Craemer in haar rubriek “ Ik hou van taal”  (De Morgen) een tekst in het West Vlaams dialect.  Voor wie die taal niet verstaat, hierbij een poging tot vertaling in een ander Vlaams streektaaltje.   Vruuger in den taid da bieste nog kosten klappen sprak iederiên dialect. Het durp was hiêl de weireld en verder dan de kerk en de café oep den hoek kwamen de mensen nie, en het was dus nie noedig da ge iet anders as dialect kost klappen.   Vandoag is het twieëduzend vuftien en is den taad vriët veranderd.  De weireld is een durp en alleman is mé malkander in contact, en omda we malkander zaë verstaon, klappen we schoên vloms.  Allé of toch iet dat er wa op trekt : de tussentoal, moar nie die Frank en Simmoneke in Thuis klappen.   Ik vin da spatig. Pas oep: ‘k vin het nie persé spatig da de wereld groeter is gewurre dan ’t durp. Ik vin het wel spatig da we daordeur veul schoên woorde van os dialect ont kwèit spelen zen. Pakt na het toltje wo da ‘k in oepgebracht zen. Ik denk dak van de leste generaotie zen die nog de echte woordenschat ken. Veul van mijn kameraoden geven les in ’t middelboar, en ze zeggen da de jong gaste een “bord” giên “talloer” mier noemen en “altijd” zeggen in de pluts van “altaaid”.   ’t Spatige on hiêl die zoak is da de woordenschat van de tussentoal ienheidsweust is en de toal is pertang oep zen shoênst as er wa varioatie in zit. Er zen woorde in veul Vlomse dialecten die ont staarve zen woa da we bij stoan.  ‘k Denk da da een groête rede is veurwa da “Bevergem” oep Canvas zoeveul succes héé : ze klappen doar nog écht West-Vloms en de mensen missen da. Joeng gasten zeggen vandoag “rolluik” mor bei os is da een “blaffetuur”. Ne “sloeber” is ne “pagadder of ne kastaar” , “nee” is “niejet”, een “zadel” is a “zoadel” , “jawel” is “das zeker da” of “joa zenne”, een “mooi meisje” is “a schoê maske” , “spaghetti” das Italiaans en bei os bleft da ’t zelfde, just as nen boterham, doar is toch niks verkierd oan ? “Met volle snelheid”  weurt dan misschien “mé volle vitesse” .  Is da na nie vriêt spatig da al die woorden ont verdwâne zen ? Heet de taol nie viêl mier kleur en reuk me zoên woorden derin ?   ’t Is daorum da die Westvlomse madam nen oproep wilt doen :    Bleft astenblief die woorden gebruike en liert ze on ulle pagadders. Heure professer Nederlands on den unief van Gent hee altei gezee da een kind da in ’t dialect is oepgebracht loater twiêtoalig is, zodus moet niemand zenne neus oeptrekken veur het dialect en denken da ‘t “marginoal” zaa zijn. Dikke ziever. Dialect is rijkdom. Doet dus ulle best en lot os toal die rijkdom nie verlieren. Die Madam van de gazet wilt de moakers van Bevergem bedanken omda ze ’t Westvloms zoe schoën tot zijn recht lot kome. Ze weurt er content van, want as ze het Nederlands mé een schoên huis za vergelaiken dan is het dialect de wermste koamer van da huis en heur familie en beste kamerôden zitten do, bij den open heird en bij t’ vuur en ’t is doar altaid vriêt gezellig.   Hugo Claus, onze groête schrijver en ne West Vlôming hee het het schoênst van al gezee :   Ik leen uw lucht in mijn woorden. Uw struiken uw linden schuilen in mijn taal. Mijn letters zijn: West-Vlaanderen duin en polder   “t Is tijd dat 't gedoan is” , da woaren Claus zen leste woorden of 'het is tijd dat het voorbij is', in 't deftig Nederlands.   Lot et mé os dialect nog nie gedoan zen en kekt morgen allemoal vanneir nor Bevergem en as awe klenne iet vroagt da ge nie verstoân het, zegt dan gewoên load en doadelijk : “Wadde ?”  

Vic de Bourg
165 0

Canada

Kwam het door het bronskleurig herfstlicht? Of was het de geur van boenwas die rond de meubels hing? Bertha glimlachte en huilde tegelijk. Ze wilde deze kamer bewaren, voor altijd met zich meedragen. Het licht en de kleuren, de typische geur van slaapkamer. Het venster met de verschenen gordijnen, daarachter het grasveldje en de twee groentebedden. De geplooide zakdoeken vielen uit haar handen. Ze lagen op de plankenvloer als verlamde motten. Bertha keek er verstrooid naar. Haar benen voelden slap als waskaarsen. Ze liet zich op het bed neer zakken. Haar vingers friemelden aan de oude deken. Van alles in deze kamer, zou ze het zusterlijke bed het meeste missen. Zelfs de grauwe lakens, waarover zij en de zussen altijd zeurden, zou ze missen. Vanaf morgen behoorde dit alles tot het verleden. Ze wilde niets vergeten. Niets van dit alles. Vooral de geuren niet. Bertha duwde haar neus in het kuiltje van Martha’s hoofdkussen. De jongste zus sliep op haar rug waardoor ze snurkte. Op het kussen van Julia zag ze enkele haren. Bertha voelde nu al heimwee. Naar Martha de grappige, die giechelde om het minste. Naar Julia de mooie, die nooit om een vrijer verlegen zat. Bertha bedacht dat zij de ernstige was. Misschien omdat ze de oudste was? Onze denker, noemde mama haar. De zussen zouden straks meer plaats krijgen in het tweepersoonsbed. Nog één keer zouden samen slapen. Bertha, Julia en Martha, als lepeltjes. Schoot in schoot, zoals ze gedaan hadden sinds ze kinderen waren. Als een van de zussen zich draaide, draaiden de andere twee automatisch mee. Hoe kon ze ooit nog in slaap komen? Zonder de vertrouwde warmte van de zussen? Zouden ze zotte verhalen blijven fluisteren, ook zonder haar? Zouden ze giechelen en elkaar duwen? Tot ze proestend uit het bed vielen? Omdat ze mama Stiene hoorde op de trap, ging Bertha rechtop zitten. Ze streek snel haar tranen weg. Ze was de oudste van de zeven kinderen Ballegeer en niet flauw. Die eer wilde ze hooghouden. Zeker tegenover mama. Bertha strekte haar benen. Een plas zonlicht verkleurde de plankenvloer voor het bed. Ze warmde er haar blote voeten in. Voor de laatste keer. Vandaag was alles voor de laatste keer. Zou ze op de duur gaan vergeten? Hoe de dingen eruitzagen? Zouden de geuren flets worden? Ze snoof gulzig. Boenwas en beddengoed. Ze kon deze kamer nooit vergeten. Met haar ogen dicht wist ze immers precies hoe alles eruitzag. Waar het behang boven de plinten losliet. Welk patroon het gebarsten glas vertoonde. Ze wist waar de donkere plek zat waar vroeger een kinderfoto hing. En daar was de spiegel met de vergulde plaasteren lijst en de duizend bruine vlekjes. Bertha ging rechtop zitten en met haar tenen duwde ze tegen de deur van de kleerkast. Het hout knarste onwillig van de ouderdom. Ze doopte haar armen in het bad van licht, dat in ruitjes naar binnen viel. De zon voelde weldadig op haar huid. Stofdeeltjes vlogen naar alle kanten, als kleine insecten. Bertha ving ze op in haar handpalm en blies ze weg. Ze spreidde haar vingers wijd uit. De trouwring aan haar linkerhand fonkelde. ‘Neemt u, Bertha Augusta Ballegeer hier aanwezig, de heer Florens Albertus Withouck tot uw wettige echtgenoot?’ ‘Ja,’ had ze geantwoord. Met een benepen stem, maar ze had met haar hoofd geknikt om haar overtuiging te onderstrepen. Haar handen trilden en ze wist niet of dat kwam door de zenuwen of door de kilte in de trouwzaal van het Kortrijkse stadhuis. Zijn ja klonk sterk en zijn ogen hadden geblonken. Dan gaf de schepen een redevoering over de rechten en vooral de plichten van man en vrouw. Iets over beschermen en vertrouwen. Bertha begreep er weinig van. Ze telde en hertelde de decoraties op zijn zwart glimmend vest. Hij had heldhaftig gestreden in de grote oorlog en volgens mama was het een voorrecht dat hij het huwelijk voltrok.  Na het Hierbij verklaar ik u tot man en vrouw, had Flor haar gekust en dicht tegen zich aangetrokken. Ze voelde zijn hart wild tekeergaan. Dat stelde haar gerust. Hij was ook zenuwachtig. Een volksjongen, uit hetzelfde hout gesneden als zij. Flor, haar man sinds gisteren.   Bertha’s valies lag geopend op twee stoelen. Ze had hem half ingepakt. Nu staarde ze ernaar alsof het de geopende muil was van een monster. Hapklaar om alles te verslinden, om haar hele verleden uit te wissen. Besluiteloos draaide ze haar trouwring om en om. Hadden ze het juiste besluit genomen? Vertrekken. Misschien voor altijd? Wat moest ze meenemen, wat achterlaten? Aan de deur van de kleerkast hing haar bruidsjurk. Het zwart satijn glom nog altijd feestelijk. Bertha streelde het kanten kraagje. Waar ze het meeste van hield waren de knoopjes vanaf de hals tot in de taille. Ze had ze vaak geteld. Bertha had een voorkeur voor oneven getallen. Dat waren blije cijfers. Drie was haar lievelingsgetal. Bij even aantallen voelde ze vaak een somberheid opkomen, zo dreigend als naderende onweerswolken. Maar deze jurk zou geluk brengen. Dat beloofde ze zichzelf. Eenentwintig was een mooi getal.   Mama stond erop dat ze haar trouwjurk zou dragen bij het vertrek. ‘Het is belangrijk een goede indruk te maken op de mensen ginder.’ Ginder zei ze altijd. Hier en ginder. Twee aparte werelden. Hier was thuis. Ginder was er zelfs geen huis. Er was niets. Een groot zwart gat. Alles moest nog opgebouwd worden. Morgen verhuisde ze van hier naar ginder. Bertha huilde. Naast mama drentelde Bertha heen en weer tussen de kleerkast en de koffer. Ze legde er dingen in om ze er vervolgens terug uit te halen. In wachtrijtjes stalde ze haar kleren uit op het bed. Mama Stiene legde een koppel nieuwe lakens onderin de koffer, naast de oude maar nog bruikbare braadpan en een vierdelige set bestek. Enkel het meest noodzakelijke meenemen! stond er in de reisbrochure. ‘Wat is dat, het meest noodzakelijke? Als je niet eens weet wat je te wachten staat?’ zuchtte Bertha en ze telde nog een keer haar onderbroeken.   Uren later toen het begon te schemeren, keek Bertha voldaan neer op de inhoud van haar valies. Eindelijk had ze het gevoel dat ze de juiste dingen had ingepakt. Herinneringen. Die wilde ze meenemen. Het sigarenkistje met de stompjes kleurpotloden. Haar oude kussensloop, die met de bloemenranken en de vertrouwde geur. De schietspoel die ze cadeau kreeg toen ze een jaar in de weverij werkte. Natuurlijk nam ze ook de liefdesbrieven van Flor mee. Eigenlijk waren het geen echte brieven. Hij schreef korte tekstjes over uit tijdschriften of uit de krant. Soms grappig, soms ondeugend, maar steeds lief. Hij zette er altijd zwierig zijn naam onder, alsof hij zelf de auteur was. Bertha gaf ze een plaatsje tussen haar ondergoed. Net voor de koffer definitief dicht ging, propte mama iets vierkantigs in een hoek tussen de handdoeken. Het was gewikkeld in een vale lap katoen. ‘Wat is dat?’ ‘Iets dat ik je wil meegeven, Bertha. Iets persoonlijks.’ ‘Je hoeft me helemaal niets te geven, mama.’ ‘Toch wel. Ik heb er lang over nagedacht. Geld heb ik niet, dus dacht ik… aan iets nuttigs. Neem mijn knopendoos mee. De knopen zullen je zeker van pas komen. Ginder.’ Het was 2 oktober 1926.

Mieke Vandromme
0 0

Zo ziet u maar weer

In dit ZKV zijn alle gelijkenissen met bestaande toestanden of personen geen of puur toeval, dus  wie er zich in herkent, mag zich altijd manifesteren.   Een bekende instelling in het land werd al jaren bestuurd door een raad van ouderlingen en (oude) stropoppen. Nochtans zijn de leden van de instelling sinds mensenheugenis van alle leeftijden.   Na de obligatoire jaarlijkse Algemene Vergadering waren een resem van maatregelen getroffen die financieel vooral de bestuursleden ten goede kwamen. Voor een ja-knik kregen ook de stropoppen  een billijk deel van de te verdelen aanzienlijke koek.   Een jong lid steigerde en in een niet mis te verstane taal schreef hij in een bekend weekblad dat de grijze eminenties weer hebben beslist over zijn lot en dat van vele lotgenoten.   Dit was niet naar de zin van de Afgevaardigde Beheerder die luidop te kennen gaf dat hij het lid in kwestie persoonlijk ging ter verantwoording roepen.  De jongere vriendin van de topman zuchtte dat hij zich op zijn leeftijd niet te veel mocht opwinden.  Later bleek dat dezelfde man zijn innemende vriendin nog ettelijke jaren zou overleven.   De inhoud van het gesprek waarbij het jonge lid op de vingers werd getikt is voor de buitenwereld nooit bekend geraakt, niettegenstaande de vele “lekken”, waarvoor de instelling bekend stond.   Feit is dat hetzelfde jonge lid van weleer het in de instelling nadien tot bestuurder schopte.  Een aantal Afgevaardigde Beheerders later wordt het inmiddels iets oudere lid tot nieuwe Gedelegeerd Bestuurder verkozen.  Inderdaad werd de titel in het Nederlands ondertussen aan de voorkeurspelling aangepast.     Het vermoeden is groot en het staat haast vast dat hij in zijn nieuwe functie aanwezig was op de begrafenis van zijn illustere strenge voorganger.   Zo ziet men maar weer hoe het kan verkeren.   Et l’histoire, elle se répête……….  

Vic de Bourg
0 0

Gloednieuwe website online (campagnenieuwsbrief)

Eerste voorbeeld: campagnenieuwsbrief   Het zal je maar overkomen: je leven lang werken en geen pensioen krijgen, net bevallen en weer aan de slag moeten, je werk of oogst verliezen en zonder inkomen vallen... Het is de bikkelharde realiteit voor 5 miljard mensen. 11.11.11 supportert, samen met 19 partners (ngo's, ziekenfondsen, vakbonden), voor een goede sociale bescherming voor iedereen. Hoe meer supporters, hoe hoger de druk op onze politici om het thema hoog op de internationale agenda te zetten. Doe meeSupporter mee. Dos je uit als rasechte supporter, neem een foto van jezelf (of in groep) en upload hem op onze campagnewebsite www.socialebescherming.be. Of zet een supporter mee-actie op poten en verzamel zoveel mogelijk supportersfoto’s. Wil je meer doen dan supporteren? Beweeg mee met ons. Organiseer een sportuur in jouw gemeente. Nieuwe website Neem zeker een kijkje op onze gloednieuwe website www.socialebescherming.be en ontdek alles over onze campagne. Vergeet niet om je actie te registreren. Zo kunnen we alle acties in kaart brengen en jouw actie mee bekendmaken via onze kanalen. Enthousiaste groeten,het campagneteam   Tweede voorbeeld: artikel “Als ze stilstaan bij een volgende aankoop, is mijn workshop geslaagd” Lies begeleidt de workshop Knap recyKleren in Limburg. 11.11.11 biedt die aan via het project Laat je Strikken. Wij volgden Lies tijdens een avondworkshop in Hasselt.  [kadertje ‘Wie is Lies Croonen?’] - 26 jaar - lerares kunstonderwijs - mama van 2 dochtertjes - creatief met stoffen en geboeid door upcycling - geïnteresseerd in de noord-zuidproblematiek - “in de workshop Knap RecyKleren toveren we afgedankte kleren om tot creatieve accessoires en leggen we de link met de kledingindustrie in ontwikkelingslanden” 19.30 uur [afbeelding: Lies stalt uit of foto materiaal of foto handleidingen] In een zaaltje van het Modemuseum in Hasselt stal ik alles uit: infofiches over de kledingindustrie, handleidingen om accessoires te maken, foldertjes over Knap recyKleren, materiaal om mee aan de slag te gaan … Inspiratie voor de workshop haal ik uit accessoires die ik zelf maak, soms uit Pinterest (mijn smartphone neem ik steeds mee) of uit speciaal voor deze workshop bedachte handleidingen. Ik kom af en toe samen met de andere begeleiders van Knap recyKleren. Wie een goed idee heeft, werkt dat uit in een handleiding. Ik begeleid één of twee workshops per maand. 20:00 [afbeelding: Lies verwelkomt] De mensen druppelen de workshop binnen. Afhankelijk van de doelgroep pas ik de accessoires aan. Nu eens zit er een groep oudere dames voor me, dan een groepje kinderen. De eerste groep waardeert het bijvoorbeeld als we met haak- en breinaalden aan de slag gaan, de tweede groep leg ik uit hoe je makkelijk een knuffel kan maken. 20:15 [afbeelding Lies geeft uitleg of fiches] Iedereen is er. Ik start de workshop met wat uitleg over de kledingindustrie. Ik vertel over het gebrek aan sociale rechten van textielarbeiders in ontwikkelingslanden. Met vraagjes over hun eigen aankoopgedrag probeer ik het gesprek tussen de deelnemers aan te zwengelen. Als ze bij een volgende aankoop in een kledingwinkel stilstaan bij het verhaal achter een kledingstuk, vind ik de workshop geslaagd. Ik vind het belangrijk dat mensen zich bewust worden van de manier waarop de kledingindustrie werkt. 20:30 [afbeelding Lies helpt cursisten] Tijd om aan de slag te gaan. Ik toon de aanwezigen dat je oude kleding niet meteen hoeft weg te gooien, maar dat je ze kan herstellen of upcyclen. Zelf doe ik dat ook. Van een oud gordijn van mijn grootmoeder maakte ik bijvoorbeeld een vintage handtas. De cursisten kiezen een handleiding uit en zetten zich aan het werk. Ik help hen waar nodig. De bedoeling is dat ze aan het einde van de workshop een afgewerkt accessoire mee naar huis nemen. 22:15 [afbeelding Lies ruimt op] De workshop is afgelopen. Deze keer werden een handtas, kettingen en stoffen bloemetjes gemaakt. Ik ruim het materiaal op. Als begeleider zorg ik voor lijm, scharen, naaigerief, spelden, lintmeters … De cursisten brengen zelf oude kleren mee (meestal een oud T-shirt). [kadertje] Naast Knap recyKleren biedt Laat je Strikken nog meer workshops aan, zoals een wijnproeverij, een gps-spel, een kinderfeestje … En niet alleen in Limburg, ook in de andere provincies. Meer info: www.laatjestrikken.be.

Mies Cosemans
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 11)

Het logge zeilschip deint rustig op en neer op de golven. In mijn verduisterde kajuit word ik zachtjes heen en weer gewiegd als een baby die te slapen is gelegd. Met een gelukzalige glimlach om mijn mond droom ik over onze naderende bestemming. Xavier heeft me de wildste verhalen verteld over Gold Coast. De superlatieven vlogen me om de oren. Misschien wat bovenmatig, maar aangezien ook Jan Byttebier me in niet mis te verstane bewoordingen over deze wonderlijke stad heeft verteld, neem ik aan dat het overdrijvingspercentage deze keer niet zo groot is. Ik ben in ieder geval razend benieuwd naar wat me te wachten staat. Ik vraag me af wat ik het eerst te zien zal krijgen wanneer we aanmeren. Bij nacht zullen het wellicht de neonreclames zijn. Bij klaarlichte dag hoop ik meteen een lading vrouwelijke vleeswaren voorgeschoteld te krijgen! Ik kan niet wachten om me aan al dat naakt te vergapen.   Statig als een zwaan baant het schip zich een weg door de vaargeul. De zeilen zijn gestreken en we varen de haven binnen op de motor. Ik wurm mijn handen onder mijn achterhoofd en glimlach tevreden, terwijl ik naar het plafond van mijn kajuit staar. Hoe mooi kan het leven zijn? België staat op de drempel van de winter. Het is er guur en de dagen worden kort. Moeder brengt haar dagen door wassend en plassend, omdat ze geen inspiratie heeft om wat anders te doen. ‘s Avonds zit ze urenlang te dommelen voor de televisie, waarna ze wakker ligt in bed omdat ze de slaap niet kan vatten. Vader slijt zijn dagen op kantoor. Na het avondeten trekt hij zich terug in zijn studeerkamer om er god-weet-wat te doen. Op zaterdag doen ze samen inkopen en lummelen wat aan. En op zondag begint de dag met een Duitse mars of een operette, waarna ze samen naar de eucharistieviering kijken op tv, om tenslotte hun namiddag door te brengen in een meubelzaak of een tuincentrum. Mijn ouders zijn de verpersoonlijking van saaiheid. En als ik thuis ben, moet ik meedraaien in die mallemolen. Tegen wil en dank. Hoe anders is mijn leven hier.   “Goedemorgen, lieverd!” Ik word door elkaar geschud, alsof het schip op de klippen loopt. Ik open mijn ogen en schrik me een ongeluk wanneer ik de uitvergrote neus van Marianne voor me zie. Ze kust me vol op de mond.   “Lekker geslapen? Wat ben jij een marmot, zeg. Je was haast niet wakker te krijgen. Ik diende je helemaal door elkaar te schudden.” Ik bekijk haar vol ongeloof. Hoe in godsnaam komt zij op de Soren Larsen terecht? Is ze ons achterna gekomen met een speedboot? Is ze aan boord geklauterd op volle zee? Ik richt me half op en kijk verdwaasd om me heen. Naarmate de mist in mijn hoofd opklaart, wordt het me duidelijk dat ik me helemaal niet op de Soren Larsen bevind. Wel integendeel. Ik heb zicht op een poster met Marilyn Monroe, een kastje vol elpees en een commode waarop idiote postuurtjes staan… Marianne plant zich met haar dikke kont op de rand van de bank en aait me moederlijk over het hoofd.   “Wat denk je? Heb ik gelogen?” vraagt ze. Ik graaf in mijn geheugen. Wat bedoelt ze? Waarover zou ze kunnen gelogen hebben?   “Over de bank,” verduidelijkt ze. “Heb ik gelogen toen ik zei dat ze comfortabel was?” Ik krijg geen woord over mijn lippen. Ten eerste hangt de onenigheid van gisterenavond nog als een donkere sluier over mijn gemoed. En ten tweede ben ik geradbraakt! Comfortabel?? Een bank is niet gemaakt om op te slapen, dat is me duidelijk geworden. Daar heeft men een bed voor bedacht. Een bank dient om op te zitten! Meer niet. Ik zet me overeind en kreun als een oude man.   “Toch niet zo comfortabel dan?” vraagt ze. Ik wrijf met mijn beide handen over mijn pijnlijke rug ter illustratie. Ze staat op.   “Nou, kom dan maar gauw aan tafel?” zegt ze. “Dan maak ik je een lekker ontbijt. Je zult wel scheuren van de honger.” Een lekker ontbijt! Huh! Een aangebrande korst belegd met een laagje gesmolten asfalt. Noemt zij dat een lekker ontbijt? Op dat punt moet ik moeder nog gelijk gaan geven. De eet- en dan vooral de ontbijtgewoontes van Australiërs laten heel wat te wensen over. Ik geloof overigens dat ik al een paar kilo kwijt ben. Die moeten er weer aan voor ik naar België terugkeer of moeder wordt gek!   Ik sta op van de bank en trekkebeen naar de tafel toe. Het voelt alsof mijn bekken gekanteld zit. Ik lijk wel een oude man die zich krom heeft gewerkt. Ik zet me aan tafel en krijg een dampende beker cappuccino voorgezet, compleet met een heerlijk laagje chocoladepoeder. Daar kijk ik van op! Da’s heel wat anders dan het gewone bakje troost dat ik de vorige ochtenden kreeg. Zou er dan toch een fatsoenlijk ontbijt zitten aan te komen?   “Wat denk je?” zegt ze trots. “Ziet er heerlijk uit, nee? En je toast komt er zo aan.” Ze zet de pot vegemite alvast voor me neer. Ik kijk nog even hoopvol uit of er nog wat volgt. Tevergeefs. Het “fatsoenlijk” ontbijt zal ook deze keer uit een korst met bruine smurrie bestaan.   “Eten jullie hier ’s morgens nooit eens iets anders?” durf ik op te werpen. Die vraag brandt al dagen op mijn lippen. Ze bekijkt me met gefronste wenkbrauwen. “Zoals?”   “Kaas, hagelslag, choco…”   “Nee! Waarom? Vegemite is lekker! En hartstikke gezond!” Ze legt de harde toast op mijn bord en gaat zitten. Ik laat twee klontjes suiker in mijn beker vallen en kijk gebiologeerd toe hoe ze zich met grote moeite door de dikke schuimlaag worstelen. Zodra ze verdwenen zijn, begin ik te roeren. Marianne zit me de hele tijd aan te staren. Dat werkt me op mijn zenuwen. Het beperkt mijn mobiliteit, alsof mijn bewegingen gehinderd worden door haar priemende blik.     “En?” vraagt ze. Ik stop met roeren en kijk haar aan. “Wat en?”   “Wat ga je vandaag doen?” Ze leunt naar me toe en kijkt me indringend aan, als een dokter die van een patiënt wil vernemen wat die zelf denkt dat aan de oorzaak van zijn kwaal ligt. Ik haal mijn schouders op. Wat kan ik doen? Deze dag is een maat voor niets. Pas morgen vertrekt de Soren Larsen. Vandaag staat er niets op het programma. Ik zou Xavier kunnen opzoeken, maar dat mag ik haar niet vertellen, want ze wil niet dat ik met hem omga. Bovendien heb ik geen idee waar de rare Fransman uithangt. En ik sta nu al voor ettelijke dollars bij hem in het krijt. Ik moet mijn schuld binnen de perken zien te houden. Ik hervat het roeren, alsof dat soelaas kan bieden.   “Misschien kun je eens langs het hostel lopen,” suggereert Marianne. “Misschien is je bagage intussen terecht.”   “Ze gingen jou toch opbellen?” zeg ik.   “Jaaa, maar je weet hoe dat gaat. Net zo goed zijn ze het vergeten...” Ik blaas en haal onverschillig mijn schouders op. Ik heb er al niet meer op gerekend dat ik mijn koffer ooit nog terugzie. Net zo min als mijn laptop.  Ze glijdt met haar hand over de tafel, als een waarzegster die een klant een kaart toeschuift, en legt de toppen van haar vingers op de mijne. Intussen blijft ze me de hele tijd strak in de ogen kijken. Ik word ongemakkelijk van haar, maar durf mijn hand niet terug te trekken. Waarom doet ze dat? Kan ze niet normaal doen? Ik krijg hier net zo min de kans mezelf zijn als bij moeder. Hoe ze op mijn huid zit. Altijd weer die blikken. Steeds weer dat commentaar. Of die zogezegde goede raad. Ik ben heus oud genoeg om te weten wat ik wel of niet moet doen.   “Boris? Is alles goed met je?” vraagt ze. Ik klop mijn lepeltje af op de rand van mijn beker en neem een fikse slok. Het is alsof zich een gloeiende kool door mijn keel wurmt. Ik haal mijn hand onder de hare uit en grijp naar mijn borst. Ik zou mijn slokdarm uit mijn lijf willen rukken, zo gloeiend heet is de koffie.   “Be careful! It’s boiling hot!” zegt ze rijkelijk laat. Ik zet de beker terug op de tafel en wrijf met mijn tong langs mijn gehemelte. Het voelt alsof de huid verschrompeld is. Pijnlijk, maar ik wil me niet aanstellen. Niet nu. Ik smeer een dun laagje vegemite uit over mijn toast en neem een hap. Ik vraag me af of de smaak van dit goedje ooit went.   “Boris, wat is er nou? Ben je boos op me?” vraagt ze, omdat ik hardnekkig haar blik vermijd. “Waarom ben je zo humeurig? Kijk es, ik had wel een hele goeie reden om je niet bij me in bed te nemen. Ik ben ongesteld. Dat verklaart overigens ook waarom ik zo emotioneel was. Begrijp je?” Ik weiger haar aan te kijken.   “Nee, natuurlijk begrijp jij dat niet,” zegt ze. “Je vindt het vast een goedkoop excuus. Maar een vrouw die ongesteld is, heeft liever geen man in de buurt. Ik in ieder geval niet. Die rotzooi moet er even uit.” Ik schep wat van het melkschuim op mijn lepeltje en werk het smakkend naar binnen. Marianne slaakt een zucht, leunt nog wat dichter naar me toe en sluit haar vingers om mijn pols… strak… als een handboei.   “Okay, fair enough,” zegt ze.  “I overreacted, okay? Maar laat ons nou geen ruzie maken. Ik heb geen zin in gedoe.”   “Dacht je ik wel?” bijt ik haar toe. Ze laat mijn pols abrupt los, alsof ik een besmettelijke ziekte heb.   “Doe nou toch niet zo hatelijk,” zegt ze.   “Jij bent degene die hatelijk doet, niet ik!” antwoord ik. Ik zie haar gezicht veranderen. Net nog stond het vriendelijk, maar er trekt een schaduw overheen. Ik nip van mijn koffie. Voorzichtig, om me niet nog eens te verbranden. Ik voel dat ze me met vurige ogen blijft aankijken.   “Boris?” zegt ze. Ik negeer haar en neem een hap van mijn toast.   “Boris!” Ik kauw snuivend. Ze gaat uit de bol.   “Godverdomme, Boris! Doe niet of ik niet besta! Dat kan ik niet hebben!” roept ze. Ik blijf haar hardnekkig negeren, tot ze plots met zo’n geweld op de tafel slaat dat het lijkt alsof er een bom ontploft en ik me verslik. Ik loop rood aan terwijl ik hoest, maar dat weerhoudt haar er niet van vreselijk tegen me uit te varen. Een hele litanie krijg ik te horen, als van een priester met Pasen. Een hoop verwijten krijg ik te slikken. Dat ik alleen maar aan mezelf denk. Dat ik narcistisch en egoïstisch ben. Onvolwassen ook. Dat ik me gedraag als een kind dat zijn zin niet krijgt. Dat ik geen respect betoon... Ik reageer niet, maar in mijn binnenste kook ik. Wat denkt ze wel? Dat ze me de les kan spellen? Dat ze mijn moeder is?? Was het al maar een dag later. Ik kan niet wachten om naar Gold Coast te vertrekken. Ze kan voor mijn part oprotten!   Nadat ik mijn laatste hap heb doorgespoeld met het kliekje cappuccino, sta ik op.   “Wat ga je doen?” vraagt ze.   “Me aankleden.”   “Moet je niet douchen dan?”   “Nee!” Ik heb zelf geen idee waarom ik niet wil douchen. Ik denk, uit een soort van protest. Thuis waren dat soort dingen ook mijn enige middel om op te staan tegen moeder. Niet dat het me baat bracht, maar gewoon de idee dat ik tegen de wens van moeder inging, gaf me voldoening. Het voelde aan als een overwinning, ook al was het dan een pyrrusoverwinning. Het bracht me in een soort van euforie: ik bén iemand! Ik besta! Ik kan me verzetten als ik wil!   Tien minuten later staan we op de stoep. Anders dan de vorige dagen neemt Marianne niet meteen afscheid van me. Ze staat te drentelen, alsof ze me iets wil zeggen, maar niet weet hoe.   “Ga je nou langs het hostel lopen?” vraagt ze. “Even horen hoe het met je bagage is gesteld. Of ze al terecht is.” Het doet me denken aan het meisje met het rode haar, dat er werkt. Zij heeft een hunkering in me wakker gemaakt die dagen later nog niet is bedaard. Ik zou het geen bezwaar vinden om haar terug te zien. Morgen mag ik dan wel naar Gold Coast vertrekken… misschien is zij een optie voor wanneer ik terugkom. Ik ben niet zinnens om dan opnieuw bij Marianne in te trekken.   “Boris?” Ze komt vlak voor me staan en kijkt me diep in mijn ogen. “Sorry van daarnet. Ik wéét dat ik humeurig ben als ik ongesteld ben. Ik kan het niet helpen. Maar jij kunt het ook hard spelen.”   “Ik heb niks gedaan,” verdedig ik me kinderlijk.   “Nee, het is goed,” antwoordt ze gelaten. “Jij hebt niks gedaan. Ik neem de schuld op mij. Maar laten we het nou bijleggen. Ik wil niet dat we zo afscheid nemen.” Ze gaat plots met haar hand in haar handtas en haalt haar mobieltje tevoorschijn. Ze lijkt iets na te kijken, bergt het dan weer op en zegt: “Weet je… ik denk dat ik vandaag een eindje met je meeloop.” Ik bekijk haar verbaasd. Moet ze dan niet naar haar werk? Ik vraag het haar. Ze zegt dat ze wel even tijd heeft. Dat er niet dadelijk iets op de planning staat. Ze wil met me meelopen naar het hostel. Om te vragen hoe het zit met mijn bagage. Dat voorstel durf ik niet af te slaan. Ze kan het een stuk beter uitleggen dan ik. Misschien is het wel nuttig dat ze meegaat.   We gaan samen op weg, alsof er niets is gebeurd. Ook deze keer hangt ze aan mijn arm als een pater om het touw van een torenklok. Het lijkt wel of ze mijn arm uit mijn lijf wil rukken om hem bij te houden terwijl ik weg ben.   Wanneer we bij het hostel aankomen, voel ik dat mijn hart sneller begint te slaan. En het koude zweet staat in mijn handpalmen. Ik hunker om het meisje met het rode haar te zien, maar tegelijk ben ik doodsbenauwd. Ik zou haar willen aanspreken, maar weet niet hoe. Bovendien maakt de aanwezigheid van Marianne het er niet eenvoudiger op.   Marianne duwt de deur open en laat me binnengaan. Ik richt meteen mijn blik op het onthaal. Tot mijn spijt is er van het roodharige meisje geen spoor. In haar plaats staat er een dame achter de balie die minstens zo oud is als Marianne, maar tien keer zo mager. In vergelijking met Marianne is zij een levend skelet. Ze is lang en zo schriel dat haar huid lijkt los te zitten om haar armen, die uit haar mouwloze jurk bengelen als de tentakels van een inktvis. Bicepsen heeft ze nauwelijks, waardoor haar bovenarmen even mager zijn als haar voorarmen. Enkel bij haar ellebogen vertonen haar bovenste ledematen een kleine verdikking. Verder heeft ze gigantische handen die bezaaid zijn met lelijke pigmentvlekken en waaraan lange, haast vleesloze vingers zitten. De huid lijkt los om de kootjes te hangen. Ook heeft ze een schier eindeloze scherpe neus en grijzend, argeloos achteruit gekamd haar, waardoor ze aan een heks doet denken. Het contrast met de roodharige schone kon niet groter zijn.   Marianne voert het woord, maar het duurt echter even voor ze tante Sidonia aan het verstand heeft gebracht wat het probleem precies is. De dame lijkt eerst te denken dat we beiden om een slaapplaats komen vragen. Daarna meent ze te begrijpen ik alleen een bed behoef. Pas nadat Marianne de uitleg een derde keer heeft gedaan, lijkt er een licht op te gaan.   “O, you want to collect your luggage!” roept ze uit. Ze zou er nog kunnen aan toevoegen: “Waarom zeg je dat dan niet?” Maar dat doet ze niet. In plaats daarvan vraagt ze me naar mijn naam en buigt zich over het computerscherm. Daarbij kromt ze haar rug zo fel dat die helemaal bol komt te staan. Na enig zoeken, met op het puntje van haar neus een ouwerwetse bril, waardoor ze haar hoofd lichtjes achteruit moet houden om door de glazen te kunnen kijken, richt ze zich tot mij.   “I’m sorry, but your name is not on the list,” zegt ze. Marianne kijkt naar mij en ik naar haar. Wat bedoelt ze, lijken we gezamenlijk te denken? Marianne vraagt om nadere uitleg. Blijkt dat mijn naam nergens in de lijst voorkomt, terwijl ik er niet heb geslapen, maar wel het volle pond heb betaald. Marianne tracht het mens uit te leggen wat er precies is gebeurd. Maar het feit dat ik betaald heb, enkel en alleen om er mijn bagage achter te laten, gaat er bij de heks niet in. De kwestie wordt zichtbaar te gecompliceerd voor haar, te oordelen aan haar magere tronie die in wel honderd rimpels trekt. Marianne gooit het dan maar over een andere boeg. Ze vraagt of de man die mijn bagage in ontvangst heeft genomen misschien aanwezig is. Ze geeft daarbij een accurate beschrijving van de kerel, maar het resultaat is enkel een nadrukkelijk hoofdschudden.   “Misschien het meisje met het rode haar,” fluister ik Marianne toe. Maar ook van de rode schone blijkt geen spoor te zijn. Sidonia stelt voor dat we op een andere dag terugkomen.   Onverrichter zake gaan we weer de straat op. Ik voel me lusteloos en moe. Maar amper hebben we enkele meters afgelegd of mijn hart springt op, wanneer ik in de verte een oude bekende zie opdoemen. Deze keer is het niet Jan Byttebier. Gelukkig ook niet Xavier, maar Jason. De man die me mijn portefeuille heeft terugbezorgd en zo vriendelijk was om me van de luchthaven naar Sydney te brengen. Hij komt onze richting uitgelopen met zijn kop in de grond. Ik laat hem nader komen en zeg dan: “Hi, Jason”. Hij richt zijn hoofd op en kijkt me aan, maar vertrekt geen spier en wil gewoon verderlopen. Ik blijf staan en draai me om. “Hi, Jason!” zeg ik weer. Luid en duidelijk. Deze keer houdt hij halt en bekijkt me beter. Van onder tot boven. Ik produceer een brede glimlach. Ik verwacht dat hij me dadelijk zal herkennen, maar dat doet hij niet. Hij bekijkt me alsof hij me voor de eerste keer in zijn leven ziet.   “Sorry, mate, do I know you?” vraagt hij. In mijn beste schoolengels leg ik hem uit dat ik degene ben wiens portefeuille hij heeft gevonden. Tot mijn verbazing zegt hij van geen portefeuille te weten. Daarop herinner ik hem eraan dat hij me een lift heeft gegeven van de luchthaven naar Sydney. Maar hij bekijkt me met een zorgelijke frons en zegt me dat hij in geen tijden op de luchthaven is geweest. En dat hij bovendien geen auto bezit.   “I don’t even have a drivers license,” beweert hij. Ik sta hem perplex aan te kijken. Is hij zo kort van memorie of speelt hij een spelletje met me?   “Your name is toch Jason?” vraag ik.  “Sorry, mate, but my name is Rick,” antwoordt hij. “And I’m not familiar with a Jason of any kind. I’m afraid you’ve taken me for some-one else.” Hij groet Marianne met een knipoog en vervolgt zijn weg. Ik sta hem met open mond na te kijken. Wanneer ik mijn blik op Marianne richt, merk ik dat ze me bezorgd aankijkt. Ze vraagt me of ik oké ben. Ik geloof echter niet in haar oprechtheid. Ik heb gezien hoe hij naar haar knipoogde en denk dat ze onder één hoedje speelden. Het zou me niet verbazen indien ze elkaar kenden. Misschien nog beter dan ik vermoed.   “Jullie kennen elkaar, hé?” vraag ik.   “Wie, jullie?”   “Jij en Jason!” Ze schudt haar hoofd als om haar hersencellen los te maken. “Hoe bedoel je…?”   “Geef het maar toe,” zeg ik. “Ik heb wel gezien zeg hoe hij naar je knipoogde!”   “Boris… ben je zeker dat alles oké met je is?” vraagt ze bezorgd. Het is de toon waarop ze die vraag stelt die me doet ontploffen. Om haar zo hard mogelijk te raken, roep ik haar toe alles haar schuld is.   “Mijn schuld?” doet ze verbijsterd. “Wat dan?”   “Alles!”   “Boris! Be reasonable!” zegt ze. Ze wil me vastpakken, maar ik sla haar handen van me af en loop weg. Ze roept me nog na, maar ik luister niet. In loodrechte lijn loop ik naar de haven, waar ik Xavier hoop te zien. Al kost het me een fortuin, ik wil de dag met hem doorbrengen. Hij is de enige die ik nog vertrouw. En ik heb geluk. Ik ben amper bij de haven aangekomen of ik zie hem.   “Borieseuh!” roept hij me al van ver toe. Hij zwaait met zijn hand alsof hij een ruit aan het zemen is. Waarom Fransen aan zowat elk woord een “euh” toevoegen, heb ik nooit begrepen. Ik loop op hem toe. Hij sluit me in zijn armen als was ik zijn broer. Marianne mag over hem zeggen wat ze wil, ik vind Xavier een geschikte kerel. Blijkt dat hij naar me op zoek was. Hij heeft het voor mekaar gekregen dat we een rondleiding krijgen op het schip. Bedoeling is dat we morgen weten wat ons te doen staat. Ik ben amper een paar minuten in zijn gezelschap en ik voel de frustraties al van me afglijden als water van een eend. Wat vind ik dit toch een fantastisch kerel! Wat hij allemaal voor me doet!   Samen lopen we naar de Soren Larsen, die aan de kade ligt te pronken als een hoer in haar etalage. De romp van het schip is hagelwit en steekt fel af tegen het roestige plaatijzer van het naburige vaartuig. Dat Xavier er in is geslaagd om ons in te lijven in het corps van deze rederij, vind ik een sterk staaltje van ondernemingslust. Hij mag dan misschien een pocher zijn, tegelijk is hij onbetaalbaar.   We worden begroet door een man in marineblauwe pantalon en wit hemd met epauletten. Hartelijk. De man, die zich voorstelt als Matthew, heeft zijn hemdskraag informeel openstaan en drukt ons amicaal de hand. Dit wekt onmiddellijk vertrouwen en lijkt een indicatie te zijn dat het er hier een stuk losser aan toe gaat dan op die vreselijke walvisboot. Matthew is de ‘crewmate’. Dat houdt in dat hij na de kapitein de hoogste in rang is. Ik vind het een hele eer om door zo’n hoge pief rondgeleid te worden. Om te beginnen krijgen we een aantal wetenswaardigheden over het schip te horen. Bouwjaar is 1949. De lengte bedraagt 44 meter. De twee masten, waaraan een wirwar aan touwen hangt te bengelen, zijn 30 meter hoog. Met zichtbare trots vertrouwt Matthew ons toe dat “the outstanding vessel” al een uitgebreide staat van dienst kan voorleggen, met reizen naar Nieuw-Zeeland als hoogtepunt. Aan boord bezoeken we om te beginnen het benedendek, dat grotendeels wordt ingenomen door kajuiten. Helemaal achteraan in het schip bevindt zich de ‘cap'tain’s cabin’, een redelijk luxueus verblijf voor de ‘skipper’. Ook Matthew zelf beschikt in dit compartiment over een ruime kajuit. De rest van de crew brengt de nacht door in het zogenoemde ‘forecastle’, dat vreemd genoeg wordt uitgesproken als ‘foksel’. Het forecastle, waarin een achttal stapelbedden staan opgesteld, bevindt zich in de boeg van het schip. Verder zijn er zowel aan stuurboord als aan bakboord een tiental cabines waarin de passagiers overnachten. Terug op het bovendek krijgen we de 'galley' te zien. Dat is de scheepskeuken waar een kok zich kan uitleven met alle ingrediënten die aan boord zijn. In de galley hangt alles aan haken of zit stevig vastgebonden met draad, wat noodzakelijk is omdat anders alles bij de minste golf tegen dek zou kletteren.  Pal voor de werktafel van de kok staat een lange eettafel opgesteld, waaraan de hele crew - inclusief wij dus - ontbijt, middag- en avondmaal zullen nuttigen. Alles lijkt er op te wijzen dat we onmiddellijk voor vol zullen worden aanzien. We mogen vanaf dag één aanschuiven bij de grote mensen. Wel drukt Matthew ons op het hart dat we tijdens de zeereis onder geen beding de skipper mogen lastigvallen. Dat is blijkbaar taboe. Elke conversatie tussen kapitein en bemanning dient via hem te verlopen. Als het maar dat is. Na onze rondleiding krijgen we nog een forse handdruk en mogen we beschikken. Xavier stelt voor om een kroeg in te duiken. Ik opper geen bezwaar. Ik zal spoedig al mijn schuld aan hem kunnen vereffenen. Onze gage zal daarvoor toereikend zijn.   Onder het nuttigen van enkele biertjes, luister ik eens te meer naar de vermakelijke verhalen van Xavier. In welke mate ze waarheid bevatten, kan me intussen geen barst meer schelen. Ik amuseer me te pletter. Wie zegt dat deze kerel niet deugt, deugt zelf niet of heeft slechte bedoelingen.   Foto: ©photosuus

Lou Van Lier
0 0