Lezen

Tot ziens, Marianne (deel 2)

Hoewel het middag is en zonnig, is de woonkamer gehuld in een mistroostige schemer. Het rolluik is neergelaten tot op een hoogte van een paar centimeter, waardoor slechts wat diffuus daglicht de kamer binnenvalt. Moeder staat rechtop voor de bank, met haar vingers in elkaar gestrengeld als een ingewikkeld vlechtwerk, als tijdens de voorlezing van het evangelie in de kerk. Ze biedt een treurige aanblik. Zodra ze ons ziet verschijnen, zijgt ze neer op de bank en vist een zakdoek uit haar mouw, alsof ze net het overlijden van een dierbare heeft vernomen. Ik hou verward mijn passen in en voel mijn adem stokken. In een flash word ik teruggeworpen naar de dag toen opa doodging. Opa was een beroepsmilitair op rust, die een stuiver bijverdiende als tuinman bij de notaris. Die ochtend hadden ze hem gevonden in de grote tuin achter het notariaat. Enkel zijn voeten staken nog uit het struikgewas. Bezweken aan een hartaanval. Ik weet nog dat vader me op dezelfde manier de kamer binnenleidde. Moeder zat toen ook te wenen op de bank. Ik was vier en begreep niet wat er gebeurde. Er werd me verteld dat ik opa nooit meer zou zien. Maar de woorden “nooit meer zien” vormden een begrip dat mijn kleine hersens niet konden vatten. Van het woord “nooit” begreep ik de draagkracht niet. Later die dag kwam een vreemde man op bezoek die gekleed ging in een zwart pak en zijn haar in een keurige scheiding had. Deze man, die met een opvallend zachte stem sprak, toonde prentjes waarop kruizen stonden afgebeeld. En engelen. Of grafstenen. En hij liet vader en moeder tekstjes lezen of las ze zelf voor. Kleine gedichtjes. Vaak niet meer dan wat rijmelarij. Vijf dagen bleef het rolluik dicht. Vijf volle dagen! Het was alsof met opa ook de zon was heengegaan. De hele dag zaten we in het halfduister rond de tafel. De radio mocht niet aan, en als we praatten, werden we met een strenge blik tot stilte gemaand. Af en toe vergat ik dat ik me koest hoorde te houden en slaakte ik een kreetje of een lach, wat me telkens op een klap tegen mijn achterhoofd kwam te staan. Ik wilde niet ongehoorzaam zijn, maar van een kind van vier, dat niet begrijpt wat er aan de hand is, kun je niet verlangen dat het dagenlang stil op een stoel blijft zitten.   Vader geeft me een gemene por in mijn rug om me verder de woonkamer in te loodsen. Als een verdachte die wordt voorgeleid, moet ik verschijnen aan moeder. Ze heeft voor de gelegenheid haar haren in een ouwerwetse dot gedraaid. Op deze wijze herinnert ze me aan oma toen die al tegen de tachtig liep en geen raad meer wist met haar uitgedunde haardos. Ook zij droeg zo’n dot. Het valt me op dat moeder net zo’n kleine oorschelpen heeft als oma. Ze lijken wel tegen haar hoofd te plakken. Bij vooraanzicht merk je nauwelijks dat ze oren heeft. Ook het demonstratief aanwenden van haar zakdoek, heeft ze van haar moeder. Oma zag je na de dood van opa nooit meer zonder zakdoek. Haar neus droop voortdurend van het zelfmedelijden. Eigenlijk was oma een uitmuntende actrice. Ze beheerste ook perfect de rol van kreupele, herinner ik me. Ze bewoog zich voort als een kakkerlak die een paar poten miste. Tot ze ergens van schrok en de honderd meter liep binnen de tien seconden. Hoe ouder moeder wordt, hoe meer ze op oma begint te lijken.   Vader port me opnieuw in mijn rug. Met een nijdige vinger recht in mijn nier! Ik kijk geërgerd om. “Nou? Waar wacht je op?” vraagt hij. “Vertel je moeder maar wat je mij hebt verteld.” Ik kijk van hem naar moeder en voel mijn keel dichtslaan. “Nou?” Ik krijg geen woord over mijn lippen. “Hij blijft bij zijn plan om na zijn reis naar Australië op zichzelf te gaan wonen,” hoor ik vader dan maar zelf opwerpen. Hij heeft nu pal achter mij postgevat om de dreiging zo groot mogelijk te maken. Zijn zure adem in combinatie met zijn okselgeur doet me kokhalzen. Misschien moet moeder hem voor zijn verjaardag maar eens een deo cadeau doen. En een mondspray. “En hoe denkt hij dat te kunnen betalen?” vraagt moeder hem. “Als hij maar niet denkt dat wij hem geld gaan toestoppen!” snuift vader. “Ik zal wel een baantje vinden,” antwoord ik bedaard. “Een baantje?!? Maar dan komt er van studeren helemaal niets meer in huis!” roept moeder uit. Vader komt mijn gezichtsveld ingewandeld. Hij gaat naast moeder op de bank zitten en strijkt zijn haarlok glad. Met z’n tweeën kijken ze naar me op. Ik lijk wel terecht te staan voor een volkstribunaal! “Zullen we hem dan maar ineens zeggen waar het op staat?” vraagt vader met schuin geheven hoofd vanuit zijn mondhoek, zonder zijn blik van mij af te wenden. Zijn wimpers gaan tegen een haast supersonische snelheid op en neer. Moeder neemt het woord. “Kijk, jongen,” begint ze. “Je vader en ik hebben begrip getoond voor het feit dat je even op een dood spoor zat. We vonden het verschrikkelijk dat je stopte met je studies, maar we wilden je niet onder druk zetten. We hebben ingezien dat die rechtenstudie misschien wat te hoog gegrepen was voor jou. Wellicht hebben we je mogelijkheden wat te hoog ingeschat. Daarvoor slaan we mea culpa. Maar het is nooit onze bedoeling geweest om je te laten stoppen met studeren. Toen je kwam aanzetten met dat idee om een “sabbatjaar” in te lassen, zoals je het zelf noemt, hebben we ons enkel maar akkoord verklaard omdat je dit academiejaar toch nergens meer terecht kon. Er zat, met andere woorden, weinig anders op. Dat je daarna met de idee kwam aandraven om voor een half jaar naar Australië te gaan… dat was al een ander paar mouwen. En de reden die je opgaf! Om te ‘herbronnen’! In Australië, godbetert! Da’s aan de andere kant van de wereld! Alsof je in België of Nederland niet kunt ‘herbronnen’. In een Norbertijnenabdij kun je zo op retraite.” Vader steekt zijn vinger op om het woord te vragen, als een schooljongen in de klas. “Als ik daarover terloops mijn mening mag geven,” voert hij aan. “Ik vind het getuigen van een onvoorstelbare arrogantie dat steeds meer jongeren op kosten van hun ouders ergens grote sier gaan maken onder het mom van het houden van een ‘sabbatjaar’. In onze tijd was zoiets ondenkbaar! Wij waren al blij als we met onze ouders op bedevaart naar Lourdes mochten! Mèt onze ouders! Niet alleen!” Moeder legt haar hand op zijn arm om hem te sussen. Tenminste, daar heeft het alle schijn van. In werkelijkheid gaat ze liever door op haar elan. “In ieder geval,” zegt ze, “ook met dat plan hebben we ons akkoord verklaard, zij het niet met overtuiging. Maar we waren na veel wikken en wegen van oordeel dat het misschien van nut zou kunnen zijn. Al was het maar omdat je daardoor misschien eindelijk eens zou inzien hoe goed er hier voor je wordt gezorgd.” “En hoe moeilijk het is om voor jezelf te zorgen,” vult vader aan. Moeder neemt van de interventie van vader gebruik om haar neus te snuiten. Ze werpt een aandachtige blik op wat in haar zakdoek is achtergebleven. Alsof ze denkt dat er vreemde dingen in rondkruipen. “Maar dan…” gaat ze verder. “Gisteren! Alsof het allemaal nog niet erg genoeg was, kom je gisteren met het idiootste idee ooit aanzetten. Jongen, waar zit je met je gedachten? Om een flat te kunnen bekostigen, moeten je gaan werken. Maar hoe kun je ooit werk vinden als je geen diploma hebt? Je weet net zo goed als ik dat je zonder diploma geen kant uit kunt. Het is dus noodzakelijk dat je blijft studeren, jongen. We vinden wel een richting voor je waar je ’t makkelijker hebt…” “Ik wil niet meer studeren,” zeg ik beslist. Ze kijkt me met grote ogen aan. Verbijsterd. “Het is geen kwestie van willen, maar van moeten!” zegt ze ongemeen hard. Ze gooit een zijdelingse blik op vader, wiens hoofd heftig op en neer gaat als dat van een vilten hondje op de hoedenplank van een auto. “Je gaat je plooien naar onze wensen,” zegt hij. “Ik dacht het niet!” doe ik dapper. Ik tracht beheerst te klinken, maar er schemert onzekerheid door in mijn stem. Er valt een geladen stilte. Ze bekijken elkaar op een manier die mijn argwaan wekt. Het heeft er alle schijn van dat ze zich niet zomaar gewonnen zullen geven. Ik ben bang dat ze nog een joker achter de hand hebben. “Goed. Dan rest ons nog maar één mogelijkheid om jou tot rede te brengen,” werpt moeder op. Ik weet niet of het mijn verbeelding is, maar even meen ik een gemene grijns in haar mondhoeken waar te nemen. Ik voel me onrustig worden. Ik weet nu wel zeker dat ze het hier niet zullen bij laten. De aap staat op het punt uit de mouw te komen. Alsof ze me meedeelt dat ze voortaan de boodschappen op vrijdag zal doen in plaats van zaterdag, zegt ze me doodgemoedereerd dat het ticket naar Australië het laatste is wat ze voor me hebben betaald. Ze voegt er voor de duidelijkheid aan toe dat ik geen cent meer van hen zal zien. Ook niet om mijn verblijf in Australië te bekostigen! Ik voel me bleek wegtrekken. Als ik het goed begrijp, word ik drooggelegd! Dit is een uppercut waarmee ze me op de rand van de knock-out brengen. Ik bezit zelf geen rode duit, behoudens een klein bedrag dat ik om een bepaalde reden opzij heb gehouden. En wat spaargeld dat op een rekening staat waartoe ik pas op mijn 21 toegang krijg. Dat is maanden van vandaag. Ik sta voor een levensgroot dilemma. Als ik mijn plan doorzet, stort ik mezelf in armoede. Maar ga ik overstag voor een handvol klinkende munt, dan verlies ik al mijn geloofwaardigheid! Dus rest me maar één mogelijkheid: het been stijf houden! “Ik vind ginder wel een job,” antwoord ik moedig. Aan hun verbaasde blikken te oordelen, hadden zij deze repliek niet verwacht. Gelukkig merken ze niet dat ik op mijn benen sta te trillen. “Goed. Dan weet je waar je voor staat,” zegt moeder, terwijl ze zich overeind hijst. “Ga dan maar terug naar je kamer. Wij hebben jou niks meer te zeggen.” Dit zijn mijn ouders ten voeten uit. Ze behandelen me nog steeds als een kind. Ik mag niet doen waar ik zin in heb; moet naar mijn kamer gaan als zij het willen; moet mijn mond houden of ik krijg een klap... Ik hou dit leven geen halfjaar meer vol. Ik moét hier weg, of ik snijd mezelf de polsen over in een warm bad!   Ik word uitgeleide gedaan door vader, alsof ik de deur van de woonkamer zelf niet weet te vinden. Hij neemt me bij mijn bovenarm en drukt met opzet zijn vingers diep in mijn vlees. Voor hij me kamer uit duwt, geeft hij me nog gauw een gemene klap op mijn achterhoofd. Ik voel mijn knokkels jeuken, maar onderga eens te meer de vernedering.   Op mijn kamer sla ik meteen mijn laptop open en herlees het bericht dat ik amper een halfuur geleden op facebook heb gepost:   “Hallo iedereen! Goed nieuws! Ik heb jullie eerder via deze weg al verteld over mijn plannen om een halfjaar onderaan de wereld te gaan hangen. Volgende week is het zover! Down under, here I come! Het vliegtuig dat me via Singapore ter plaatse zal brengen, ondergaat momenteel de laatste controle. Kwestie dat jullie geen goede vriend ten onder zouden zien gaan in een air disaster. :-) Maar omdat ik niet zomaar met de noorderzon wil verdwijnen, geef ik een afscheidsdrink!!! Ja, jullie lezen het goed! Nu vrijdag 12 oktober zijn jullie allemaal van harte welkom in café De Aflaat, en dat vanaf 20 uur! Be there!”   Gezien de plotse wijziging in mijn financiële toestand, is dit een waanzinnig idee. Zo’n afscheidsdrink gaat me een bom duiten kosten. Geld dat ik de komende weken goed zal kunnen gebruiken. Ik tik meteen een tweede bericht in. “Hier ben ik weer. Amper een halfuur nadat ik jullie heb uitgenodigd voor een afscheidsdrink, zijn de plannen gewijzigd. Ik word namelijk door mijn ouders op droog zaad gezet. Ik heb dus geen geld om jullie van drank te voorzien. Daarom ben ik genoodzaakt…” Ik stop met typen en herlees wat ik heb geschreven. Ik twijfel. Als ik dit doorstuur, sta ik op het punt het malste figuur aller tijden te slaan! Ik, die dacht mijn vrienden eindelijk eens te kunnen tonen dat ik niet de slapjanus ben waarvoor ze me houden, ik ga weer eens buigen voor mijn ouders. Wat ben ik toch een lafbek! Ben ik een vent? Of ben ik werkelijk dat zachte eitje waar ik voor versleten wordt? Nog even denk ik na, maar neem dan een doortastende beslissing: al moet ik zand eten in Australië, of dien ik mijn tanden te zetten in een levende kangoeroe, ik moét hiermee doorgaan. Dit is mijn laatste kans om mezelf te bewijzen. Ik selecteer het stukje tekst dat ik net heb geschreven en druk op delete. Het weinige geld waarover ik nog beschik, zal opgaan aan een borrel voor mijn vrienden. Geen weg terug!   (foto: ©photosuus)

Lou Van Lier
0 0

Neer

Wat is zo’n huwelijksfeest meer dan de walmende lijfgeur van de liefde, bedacht Lennert zich. Hij wendde zijn blik vol minachting af van de feestzaal waar alle genodigden aan hun tafels hadden plaatsgenomen. Hij wachtte buiten op Lina, stak snel nog een sigaret op. Zo meteen zouden ze de zaal binnen paraderen, onder luid gejuich en applaus, want zo ging dat. Hij werd misselijk van al dat uiterlijk vertoon. Zweetvlekken op wat hij en Lina in alle rust en intimiteit jarenlang hadden opgebouwd. Maar Lina wou een groot feest, dus kreeg ze een groot feest. Een dag als een boodschappenlijstje, waarop elk uur iets geschrapt kon worden (stadhuis, kerkelijke plechtigheid, fotomoment, receptie). Zo voelde hij het aan, zo had hij het Lina ook gezegd. Maar kennelijk vond zij de echo van haar ‘ja’ belangrijker dan haar ‘ja’ zelf – zijn woorden, in een van de heftige disputen in aanloop naar deze dag. Vandaag onderging hij de bijverschijnselen van de liefde, zoals aan het einde van zijn vorige relatie.   Maar toen waren het bloedvlekken geweest. En Lina had hem genezen. Ze was een jarenlange therapie geweest. Hij moest de liefde weer leren, als iemand die opnieuw moest leren lopen na een zwaar ongeluk. Tot hij zich realiseerde dat Lina dan wel de vrouw van zijn leven moest zijn, als ze daarin geslaagd was. Op de dag van dat besef was hij genezen verklaard. Hij had, ergens in het niemandsland tussen pathetiek en romantiek, altijd in ‘die ene’ geloofd. Als een linker- bij een rechterarm. Een linker- bij een rechterlong. Benen, ogen, oren, nieren. De linker- en rechterkamer in het hart. Neem een van beide weg, en wat rest, is verminking.  En hij was verminkt sinds Kataline uit zijn leven was gestapt. Ze was op een avond thuisgekomen en had zes kogels op hem afgevuurd: “Ik wil dit nog niet, Lennert.” Beiden 24, hij toe aan zekerheid, zij aan ongedwongenheid. Het lag aan haar, niet aan hem. Dat soort algemeenheden, die hij nooit van haar had verwacht. Alsof hij haar nooit echt had gekend. “Je moet niet op me wachten”, had ze halverwege dat gesprek gezegd. “Ik wacht op je”, had hij aan het einde van het gesprek gezegd. Dat was vandaag exact acht jaar geleden. De huwelijksdatum was het enige wat hij zelf had gekozen. Het had een overwinning moeten zijn, een laatste dans op zijn ziekbed. Maar zo voelde het niet. En hij had aanvankelijk gewacht op Kataline. Tot hij met zijn beste vriend Joris in een kroeg beland was, en hij Lina’s naam had horen roepen. Hij was verliefd geworden op die naam, die als een echo van ‘Kataline’ klonk. Het was een klant die haar naam had geroepen om nog twee glazen bier. Ze antwoordde door stilzwijgend twee glazen in de spoelbak te duwen. Hij was naar haar blijven kijken. Haar glimlach naar hem was zijn eerste stap naar herstel geweest. Haar eerste woorden – “Jij drinkt hier het laatste glas vanavond” –  de eerste katheter in zijn lijf. Daar kwam Lina aangelopen. Haar opgestoken blonde haar gaf geen krimp. Ze hief haar brede witte jurk op zodat ze niet struikelde. Een mooie jurk, vond hij trouwens. Sober, zonder teveel bloemen of linten. Gewoon enkele pareltjes op de uitdijende lagen. Ze had een etalagepop gekocht waarop de jurk voortaan zou hangen thuis. “Ben je klaar voor ons moment, lieverd?” Ze haakte haar arm in de zijne en drukte een kus op zijn wang. Hij wilde zeggen dat geen enkel moment die dag “hun” moment zou zijn. Dat zelfs de vrijpartij tijdens de huwelijksnacht straks zou aanvoelen alsof alle gasten meekeken. Hij glimlachte maar. “Druk die sigaret uit. Wacht, je das hangt wat slordig. Lopen we arm in arm of hand in hand binnen?” Ze veegde wat roos weg van zijn schouders, trok zijn pak recht. Lina was vandaag niet langer zijn vriendin, maar zijn vrouw. Lennert hoopte dat dat verschil alleen vandaag zo groot zou zijn. De lucht kleurde valavondblauw. De lantaarns in de tuin lichtten zachtjes op. Lennert keek uit over het weliswaar prachtige domein van de feestzaal, met heggen die vanochtend nog zorgvuldig bijgeknipt leken. Het water van de fontein klaterde behoedzaam in de koi-vijver, de flamingo’s in het aanpalende park monsterden alles apathisch. “Deze wordt het!” had Lina gekird wanneer ze de flamingo’s had opgemerkt tijdens hun eerste verkenningsbezoek aan de zaal. De maître had naar Lennert geknipoogd met een air van: die doen het ’m altijd. Diezelfde man wenkte hen nu. “Als jullie klaar zijn…”, zei hij terwijl hij met een overdreven plechtig armgebaar het koppel aanmaande de zaal binnen te stappen. Hij deed teken naar de dj, die de muziek startte. Anonieme dancebeats opgeleukt met sambaritmes, ook door Lina gekozen. Niet bepaald Lennerts meug. Hij had de regie van die dag compleet uit handen gegeven, dacht hij. Misschien wel van zijn leven.   Ze stapten binnen in de zaal, verlicht door groene lampen aan de bakstenen muren en kandelaars op de tafels. Zijn mondhoeken kraakten bij het glimlachen. Hij waande zich op een praalwagen in een carnavalsstoet. Hij wuifde, speelde het rolletje dat Lina zelf geen rolletje vond. Hij zag nonkels en tantes met servetten zwaaien, zag anderen foto’s nemen, hoorde vrienden onverstaanbare dingen roepen, zag Joris vertwijfeld meeklappen op de maat. En dan zag hij haar. Achter de bar. Ze keek naar hem en Lina, maar wendde meteen haar blik af en ging verder met het ontkurken van flessen wijn. Alsof ze betrapt was. Lennert verstijfde, gejuich verstomde. Ze was hier. Werkte hier.   “Speech! Speech! Speech!” werd hem toegeroepen. Hij bleef naar de bar staren. Ze keek niet meer op. Lina trok zachtjes aan zijn arm. “Gaat het, lieverd?” Hij keek vluchtig opzij, mompelde “jaja”. Probeerde zich te herpakken. Faalde. De maître reikte Lennert een microfoon aan, wat hij negeerde. Het gejoel doofde zachtjes uit. Lina nam de microfoon aan. Hij hoorde niet wat ze zei. “De stress van zo’n dag”, suste Lennerts moeder. “Wat je zegt”, antwoordde Lina’s moeder.   Hij hoorde ook niks van wat er gezegd werd aan de bruidstafel. Hij waande zich in een sneeuwbol die zonet hevig door elkaar geschud was. Want dit was geen toeval. En indien wel: dan was het zijn lot. Hij volgde elke beweging die Kataline maakte. Hoe ze in colonne met de andere obers uit de keuken geraasd kwam, de borden op tafel zette en simultaan de deksels van de borden optilde. Hoe ze elk halfleeg glas wijn al snel bijschonk. En vooral: hoe ze hem negeerde. Ook wanneer ze de bruidstafel bediende, knikte of glimlachte ze met een professionalisme dat voor hem niet meer dan een eufemistische kilte was. Dat begreep hij niet. Wachtte ze op een ongedwongen moment waarop ze alleen waren? Had ze dit gepland of was ze even verrast als hij? Strafte ze hem omdat hij niet op haar gewacht had? Lennert voelde hoe hij neerging en zijn val niet kon stoppen. Dat niemand haar herkende, dacht hij. Zijn ouders, zijn vrienden, Joris vooral. Ze was niet hard veranderd, ook niet tegenover de foto’s waarop Lina haar had gezien, voor hij ze allemaal had versnipperd en in de rivier geworpen, op de plek waar ze elkaar voor het eerst gekust hadden tijdens een fietstocht. Dat was een idee van Lina geweest. Kataline droeg haar zwarte haar niet meer tot op haar schouders. Het stond haar wel. Maar haar houding en de blik in haar ogen die de vlakte tussen rationeel en onpeilbaar bescheen, waren nog steeds dezelfde. Hij kroop weer in zijn ziekbed en trok het laken over zich heen. Hij lag in foetushouding en bewoog niet. Lina kon hem niet helpen.   Lennert zag het dessert voor hem staan. Framboos, aardbei, witte chocolade, amandel. Hij zag Kataline Joris koffie uitschenken. Daar had je het. Hij zei iets tegen haar. Ze lachte, en zei iets terug. Dan keken ze naar hem en lachten weer. Hij liet zijn dessert onaangeroerd en beende naar het toilet. Hij gooide de deur open. Ging voor de spiegel staan, leunde met zijn armen op de wasbak. Hij wou de tijd de opgeflakkerde strijd met zijn verleden laten blussen. Maar die strijd zou hij altijd verliezen. Het maakte van zijn huwelijk tot zijn afgrijzen nu al een mislukking. Lina was niet alleen vandaag de persoon niet die hij acht jaar had gekend. Dat was ze simpelweg nooit geweest. Ze bleek een placebo die hem beter maakte zolang hij geloofde dat ze hem Kataline deed vergeten. Maar vergeten is een zinsbegoocheling. Herinneringen zijn als bloed dat gestelpt kan worden maar nooit kan stollen.   Hij wou hier weg. Hij duwde zich van de wasbak af en liep naar de deur. Die zwaaide net open. Hij botste op Joris. “Wat is er man?” “Dat ze hier is, Joris. Hoe kan dat? Zij! Net vandaag. Jij kunt erom lachen, blijkbaar. De lul, dat ben ik.” “Wat wauwel je?” Lennert stormde de deur uit. “Lennert!” Hij zag twee ooms uit Lina’s familie met een glas bier in de hand aan de rand van de dansvloer staan. Oom Dirk lalde iets tegen hem en begon te schaterlachen. Daarbij viel zijn glas uit zijn hand. Het spatte uit elkaar op de dansvloer. Lennert zag Kataline aankomen met een stofblik en een borstel. “Nee, laat mij, laat mij”, stamelde Lennert. Ze hurkten beiden neer. “Niet nodig, meneer,” zei ze. Lennert keek haar strak aan. “Meneer? Stop ermee, Kataline. Stop ermee. Ik heb me vergist, ik weet het. Maar ik heb op je gewacht. Ik zweer het je, ik heb gewacht.” Lennert graaide naar zijn portefeuille in zijn achterzak. Hij haalde achter zijn rijbewijs een foto van haar tevoorschijn. “Ik heb gewacht, Kataline.” Hij stond op en trok haar mee recht. “Dag op dag acht jaar geleden vandaag”, zei hij bijna stotterend. “Zie je het? Begrijp je? Dit moest gebeuren.” De dienster keek om zich heen met een blik die om hulp vroeg. “Kom, laten we dansen. Dit wordt onze dans, Kataline. Onze openingsdans.” Hij had geen oog voor Lina die op hem toestapte. Hij trok het meisje mee op de dansvloer. “Wacht hier. Ik vraag ons nummer aan.” Hij glimlachte naar haar. “Zie je wel, ik heb op je gewacht, Kataline”, zei hij zacht. “Echt.”

Philippe Nuyts
15 0